Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken

Part 31

Chapter 313,549 wordsPublic domain

Niet minder dan aan de kunstmestvoorziening liet de Regeering zich aan den toevoer van veevoeder gelegen liggen. Reeds in de Eerste Economische Nota wordt daarvan gezegd: „Waar te voorzien was, dat zonder haar meer direct ingrijpen schaarschte zou ontstaan zoowel aan broodkoren als aan verschillende veevoederartikelen, heeft zij (de Regeering) niet geaarzeld die goederen rechtstreeks aan te koopen. Het distributiebureau voor graan en meel heeft zich dan ook van den aanvang af bezig gehouden, zoowel met den aankoop en de distributie van veevoeder, inzonderheid van lijnkoeken en vooral van mais, als met dien van broodkoren. In verband met de zoo bij uitstek lastige roggekwestie, waarover in hoofdstuk II, § 3, werd gesproken, werd spoedig de aanvoer en de distributie van mais nog krachtiger ter hand genomen en werden speciale regelingen getroffen tot inruiling van mais tegen rogge. In latere Economische Nota’s wordt telkens mededeeling gedaan van de verkochte hoeveelheden maïs.

In de Nota over den toestand in April 1915 kon de Minister van Landbouw verklaren: „De moeilijkheden, die de aanvoer van maïs met zich bracht, zijn uit den weg geruimd. De voorraad maïs is thans ruim voldoende. Alleen in de maanden Januari en Februari werden ingevoerd 280 millioen K.G., terwijl in 1914 over deze maanden de maïs-invoer 98 millioen K.G. bedroeg”. De volgende Nota, die betrekking heeft op den toestand in Juli 1915, wijst op een moeilijkheid niet in den aanvoer maar in de distributie van de maïs. Zulke zwarigheden hadden zich trouwens reeds voorgedaan, toen ik nog aan het hoofd van het Departement van Landbouw stond. In die Nota wordt geschreven:

„Besloten werd gedurende de maand Mei wekelijks te Amsterdam of te Rotterdam eene verkooping te houden van 10.000 ton mixed mais. De prijzen die op die veilingen geboden werden, bleven verre beneden de verwachting, zoodat weinig of niets kon worden gegund. De mais werd na de verkoopingen ondershands te koop gesteld tegen een prijs van ƒ 210 per 2000 K.G., tegen welk fixum niet onbelangrijke partijen werden verkocht. In verband hiermede werden geen openbare verkoopingen meer gehouden, doch wordt de mais sedert dien tegen voor iedere week vastgestelden prijs ondershands verkrijgbaar gesteld.”

In de eerste helft van het loopende jaar, toen door nieuwe moeilijkheden en grooter oponthoud in de scheepvaart het aanvoeren van over zee zoowel van mais als van tarwe groote bezwaren ondervond, moesten niet alleen de menschen tijdelijk aan het bruinbrood worden gezet, maar kwam er opnieuw een korte periode van schaarschte ook in het veevoeder. Zoo hebben ook de varkensfokkers de „ups en downs” van de oorlogsconjunctuur moeten meemaken.

Ik heb bij den toestand van land- en tuinbouw en bij de voorziening in kunstmest en veevoeder van regeeringswege, wat uitvoerig stilgestaan, om in aansluiting aan hetgeen in hoofdstuk II omtrent de beperking van den uitvoer van land- en tuinbouwproducten werd gezegd, nog duidelijker te doen uitkomen, dat regeeringsmaatregelen, waardoor beschikbaarstelling dier producten hier te lande tegen redelijke prijzen wordt gewaarborgd, ook al doen zij den boeren en tuinders belangrijke oorlogswinsten ontgaan, niet alleen--gelijk daar werd betoogd--volkomen rechtmatig zijn, maar ook in geenen deele in strijd komen met de billijkheid. Zonder de voortdurende medewerking van de Regeering zou de toestand van land- en tuinbouw zoodanig zijn geweest, dat van oorlogswinsten in het geheel geen sprake had kunnen wezen. De Regeering die krachtdadig ingreep ter behartiging hunner belangen, meer nog dan ter behartiging van die der industrie, deed dit in het algemeene volksbelang. Zij zou kortzichtig zijn geweest en haar plicht hebben verzaakt, indien zij land- en tuinbouw aan hun lot had overgelaten. Maar dit neemt niet weg, dat de regeeringsinmenging in den aanvoer en de distributie van veevoeder en kunstmest een zeer belangrijke factor is geweest in de oorlogsconjunctuur voor land- en tuinbouw. Een factor die de winstgevendheid der bedrijven zeer verhoogde. Lijnrecht daartegen in gaat het andere element in de regeeringsinmenging, dat evenzeer zijn oorsprong heeft in het algemeene volksbelang en dat het tegengaan van onmatige prijsopdrijvingen ten doel, doch daarmede tevens onvermijdelijke beperking van oorlogswinsten van land- en tuinbouwers ten gevolge heeft. Het gaat niet aan, gelijk belanghebbenden wat spoedig geneigd zijn te doen, om, het aandeel der Regeering in de bepaling der voorwaarden welke oorlogswinsten mogelijk maken vergetend, de beperking dier winsten, als gevolg van maatregelen in het belang der volksvoeding, voor te stellen als een eenzijdig en onbillijk zware belasting van den boerenstand. Had de Regeering zoowel bij den uitvoer der producten van land- en tuinbouw als bij den invoer van voor die bedrijven onmisbare hulpstoffen het „laisser faire” toegepast, dan zou de bevolking in haar geheel daarvan het slachtoffer zijn geworden; maar tot die lijdende bevolking zouden dan ook land- en tuinbouwers hebben behoord. Van oorlogswinst zou dan voor hen--uitzonderingsgevallen daargelaten--in het geheel geen kwestie zijn geweest. Men doet goed dit niet te vergeten, als van agrarische zijde de groote opofferingen, welke land- en tuinbouw zich moeten getroosten, breed worden uitgemeten.

Door het Ministerie van Financiën werd op initiatief en met advies van den Tuinbouwraad een regeling omtrent het douane-onderzoek van ten uitvoer bestemde groenten getroffen, waardoor dit, dank zij de medewerking van vertrouwensmannen uit de tuinbouworganisatie, zonder aan den waarborg tegen smokkelarij te kort te doen, zeer werd vereenvoudigd. Daardoor kon de groenteuitvoer belangrijk worden bespoedigd, hetgeen bij dit aan snel bederf onderhevige product van overgroote beteekenis is.

Bij den tuinbouw waren intusschen enkele takken die niet in den algemeenen voorspoed deelden. Zoowel voor de boomkweekerij als voor het bloembollenbedrijf was de oorlogsconjunctuur ongunstig. Reeds spoedig na het intreden van de crisis wendden de bloembollenkweekers zich tot de Vereeniging voor den Geldhandel, die in principe wel geneigd was tot het verleenen van crediet, mits ook de Regeering wilde medewerken. Ik verklaarde mij, als Minister van Landbouw, daartoe bereid, maar ik verbond daaraan de voorwaarde dat de kweekers aan hunne arbeiders geen lager loon zouden betalen dan vóór den oorlog en dat zij de productiebeperking, welke zij met het oog op den uitvoer wilden doorvoeren, onder regeeringstoezicht zouden plaatsen, „want--zoo zeide ik in de vergadering van de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914, mijzelven sprekende tot een deputatie van bollenkweekers invoerend--als gij minder roeden gaat inplanten dan normaal het geval is en daartoe minder arbeiders noodig hebt, dan komen wij niet verder, want dan wordt wel uw handel geholpen, maar krijgt men werkloosheid en dat kan niet de bedoeling van de Regeering zijn.”

Over die voorwaarden zou men het waarschijnlijk wel eens zijn geworden; de heele zaak sprong echter hierop af, dat de solidariteit onder de bloembollenkweekers en -handelaars nog niet tot zulk een graad ontwikkeld was, dat zij bereid waren onderling voor elkander borg te staan. De Vereeniging voor den Geldhandel en de Nederlandsche Bank konden uit dien hoofde op de zaak niet ingaan. Later zijn verschillende pogingen gedaan om zoowel de bloembollenteelt als de boomkweekerijen aan het door hen benoodigde crediet te helpen. De Tuinbouwraad, die in den geheelen oorlogstijd met groote toewijding voor de belangen van alle onderdeelen van den tuinbouw is opgekomen, heeft zich daarvoor veel moeite gegeven. Zijn Voorzitter, Jhr. Mr. W. Th. C. van Doorn, die zijn juridische kennis ten beste gaf, zoowel als zijn volijverige secretaris, de heer C. van Lennep, hebben zich daarvoor zeer ingespannen. Die plannen wilden eerst niet vlotten. Toen echter de Regeeringscommissie voor het Middenstandscrediet in het leven was geroepen, heeft de Tuinbouwraad het daarheen weten te leiden, dat een speciale credietbank voor den tuinbouw werd opgericht.

Met krachtige medewerking van de Nederlandsche Handel-Maatschappij kwam in Augustus 1915 de Centrale Land- en Tuinbouwbank met Winstdeeling tot stand. Zooveel mogelijk verlangt die bank zakelijke zekerheid. Daartoe werd door den heer van Doorn een waarborgcontract ontworpen, waarbij de credietnemer op zijn bollenkraam of zijn te veld staande gewassen een oogstverband ten behoeve der bank vestigt, in een vorm die met de bepalingen van ons Burgerlijk Wetboek strookt. Ten einde te bereiken, dat de bank de noodige deskundige voorlichting zou hebben, zoowel bij de beoordeeling der aanvragen als bij de controle op den credietnemer en zijn bedrijf, werd op initiatief van den Tuinbouwraad de vereeniging „Het Tuinbouwwaarborgfonds” opgericht, met het doel een deel van het risico der door de Land- en Tuinbouwbank te verleenen credieten op zich te nemen en in verband daarmede de bij haar binnenkomende aanvragen te onderzoeken, de onderpanden te taxeeren en het bedrijf van den credietnemer blijvend te controleeren, zoolang het crediet nog niet geheel is afgelost. Om dit toezicht afdoende te kunnen uitoefenen, werden in de verschillende tuinbouwcentra, in samenwerking met den Tuinbouwraad, sub-comités van het Tuinbouwwaarborgfonds opgericht. De Land- en Tuinbouwbank sloot zich onmiddellijk na haar oprichting bij de Regeeringsorganisatie van het middenstandscrediet aan. Daar het maximum der door de Regeeringscommissie verleende credieten, dat in het algemeen, behoudens bijzondere toestemming van den Minister van Financiën, ƒ 1000 bedraagt, hier te laag was, werd het op ƒ 5000 gesteld.

Verschillende minder draagkracht bezittende bloembollen- en boomkweekers zijn op die wijze geholpen. In het boven bij de bespreking van de Regeeringscommissie voor het Middenstandscrediet genoemde cijfer der verleende credieten[19] zijn de tuinbouwcredieten begrepen. Zoowel de voorspoedige als de in moeilijkheden geraakte tuinbouwers hadden regeeringssteun noodig. Allen zonder onderscheid behoefden dien voor het verkrijgen van kunstmeststoffen en van voeder voor hun varkens; de kleineren onder hen, voor zoover zij in moeilijkheden waren geraakt, bovendien nog voor het verkrijgen van de staatsgarantie, zonder welke de zeer geslaagde organisatie van het tuinbouwcrediet niet zou zijn tot stand gekomen.

[19] Zie bl. 241.

Aan allen heeft de Regeering den steun, waaraan zij behoefte hadden, zooveel mogelijk verleend. Dit is geen verdienste; het was een gewone uiting van zorg voor het algemeen belang. Maar men bewere daartegenover in tuinbouwkringen niet, dat de Regeering alleen oorlogswinsten kortwiekt. Zoowel tuinbouwers als landbouwers zijn, als zij zulke beweringen uiten, bevooroordeeld, onbillijk, ondankbaar en.... zij slaan dan de plank geheel mis.

§ 3. _Visscherij; Scheepvaart._

Hoewel over het algemeen ook de visscherij op den langen duur van den oorlogstoestand alles behalve schade heeft geleden, was toch haar toestand in de eerste maanden benauwend genoeg. In het begin van Augustus 1914 sloeg den visschers bij het vernemen van het uitbreken van den oorlog den schrik om het hart. De oorlog ter zee kon voor hen allerlei niet te voorziene gevaren met zich brengen. Op het bericht dat een groote worsteling was begonnen, die ook ter zee zou worden uitgevochten, keerde de visschersvloot uit de Noordzee hals over kop naar huis terug.

Tot de paniek die de visschers beving, hebben de verhalen der bemanning van een door den Duitschen consul te Rotterdam gehuurd vaartuig, dat den ongevraagden dienst bewees de Nederlandsche visschers op de Noordzee van het uitbreken van den krijg te verwittigen, het hunne bijgedragen. De gedragingen van dat vaartuig en het doel waarmede het, zonder eenige opdracht van of namens de Nederlandsche Regeering, de Nederlandsche visschers op zoodanige wijze waarschuwde, dat een deel hunner in den waan kwam, dat ook ons land in den oorlog betrokken was, zijn duister gebleven, hoewel van wege de Nederlandsche marine terstond een onderzoek daaromtrent werd ingesteld.

Na eenige weken bedaarde de schrik. De reeders bekwamen er het eerst van, en zij deden hun best om ook de bemanningen tot wederuitvaren te bewegen. Een enkele maal werden daartoe wel middelen beproefd, die niet door den beugel konden. Zoo kwam mij in September of October 1914 ter oore, dat een plaatselijk steuncomité, waarin het reederselement nog al sterk vertegenwoordigd was, het verleenen van steun weigerde aan visschers, die weer konden gaan varen, maar daartoe niet bereid waren. Een onderhandsche wenk aan dat comité dat, hoewel het in het algemeen wel juist was, geen steun te verleenen aan arbeiders, die wel werk konden vinden maar het niet wilden aannemen, hier toch zulk een drang, met het oog op de onbekende gevaren, waaraan de zeevisscherij bloot stond, niet was te rechtvaardigen, was voldoende om het uitoefenen daarvan te doen ophouden.

Wegens die onbekende gevaren meende de Regeering zich van elke zijdelingsche aanmoediging tot hervatting der zeevisscherij te moeten onthouden. Zij had intusschen vrij spoedig plaats, zonder dat daarop eenigen aandrang behoefde te worden uitgeoefend. Groote zeeslagen, waarvoor men aanvankelijk beducht was geweest, bleven uit, en voor zoover zeegevechten voorkwamen, bleken zij voor de visscherij geen ernstig gevaar op te leveren. Veel droeg tot de hervatting der vaart bij, dat de prijzen zoowel door de buitenlandsche vraag, als door de in hoofdstuk II[20] behandelde bevordering van den afzet der producten van de zeevisscherij hier te lande, spoedig begonnen te stijgen. Die stijging der prijzen was ook voor de bemanningen een prikkel tot uitvaren. Doordien de visschers op deel waren, hetgeen wil zeggen dat ieder zijn van te voren bepaald evenredig gedeelte van de opbrengst van de vangst krijgt, beteekenden de stijgende prijzen voor de visschers ook stijgende loonen. In den loop van het jaar 1915 liepen die prijzen en loonen zelfs zoozeer op, dat zij ongekende welvaart brachten niet alleen aan de reederijen die de haringvangst of de trawlvisscherij beoefenden, maar ook onder de bevolking der visschersplaatsen aan de Noordzee.

[20] Zie bl. 74/5.

Die gunstige toestand was intusschen niet algemeen. De mosselvisscherij bleef slecht, al werd zij geholpen zoowel door een vrij spoedige verlevendiging van de vraag uit België en Duitschland als door hetgeen hier op initiatief van het Kon. Nat. Steuncomité ter bevordering van den afzet geschiedde. Maar vooral de oesterkweekers hebben onder den oorlog veel te lijden gehad. Aan dezen nationalen bedrijfstak kon de Regeering op zeer bijzondere wijze verlichting geven. De oestercultuur wordt in hoofdzaak uitgeoefend in waterperceelen die Rijkseigendom zijn en beheerd worden door het Domeinbestuur, ressorteerende onder het Departement van Financiën. Wegens den plotseling grooten achteruitgang in het bedrijf was er aanleiding de pachters van de Rijksoesterperceelen een groot deel van hun pacht kwijt te schelden. Hetgeen dan ook voor de over 1914/15 verschuldigde pacht geschiedde. Daarvan werd 70% kwijtgescholden. De moeilijkheid werd voor 1915/16 nog grooter, omdat kort voor het uitbreken van den oorlog een nieuwe verpachting van oesterperceelen had plaats gehad, waarbij de prijzen aanmerkelijk hooger waren geloopen.

Als men, zonder meer, ook op die nieuwe pachtsommen eene groote kwijtschelding had toegepast, zou men onbillijk zijn geweest tegenover hen, die bij de nieuwe verpachting zich hadden onthouden van mede te doen aan de prijsopdrijving der oesterperceelen. Een tweetal belanghebbenden bij de oestercultuur, de heeren P. A. de Jong en M. van Harmelen, overhandigden mij in het voorjaar van 1915 een nota, waarin zij aanbevalen met het bestaande stelsel van verpachting te breken, daartegenover voor het vervolg de pachtsom te bepalen op een vast deel van de bruto-opbrengst der op het perceel gevischte oesters en ter verwezenlijking van dit denkbeeld een coöperatieve oesterverkoopvereeniging op te richten. Dit denkbeeld scheen mij zóó belangrijk en ingrijpend, dat ik besloot het te onderwerpen aan het oordeel van een speciaal daartoe aan te wijzen commissie. Van die commissie werd Jhr. Mr. Dr. N. C. de Gijselaar, voorzitter van het College voor de Visscherijen aangewezen als voorzitter, als leden hadden daarin zitting, naast de opstellers der nota, de heeren Mr. A. J. F. Fokker, voorzitter van het Bestuur der visscherijen op de Zeeuwsche stroomen, Mr. E. H. E. Lagerwey, hoofd der afdeeling Domeinen aan het Ministerie van Financiën, J. M. Bottemanne, hoofdinspecteur der visscherijen, G. J. D. C. Goedhart, voorzitter van den Nederlandschen Coöperatieven Bond, F. Leo de Leeuw en M. van Stee Jr. Als resultaat van de beraadslagingen der commissie ontving ik in September 1915 een advies, waarin een proefneming met het denkbeeld van de heeren de Jong en van Harmelen door de meerderheid werd aanbevolen en er op werd gewezen, dat de oprichting der coöperatieve verkoopsvereeniging, die een essentieel bestanddeel van het plan was, waarschijnlijk niet zou gelukken, indien de toetreding niet werd bevorderd door daaraan faciliteiten te verbinden ten opzichte van de te betalen pacht.

Dit advies gaf mij aanleiding den steun der Regeering voor de verwezenlijking van het denkbeeld toe te zeggen, en te bepalen, dat--zooals de commissie had in overweging gegeven--voor een proeftijd van zes jaar voor hen, die tot de coöperatieve vereeniging zouden toetreden, de te betalen pachtsom zou bestaan in een evenredig deel van de opbrengst van hun perceel, zooals deze uit de boeken der verkoopvereeniging zou zijn te controleeren. Dit zou aanvankelijk 20% van de opbrengst bedragen. Als gevolg van die toezegging werd door de heeren de Jong en van Harmelen het initiatief genomen tot de oprichting van de Coöperatieve Vereeniging „Centraal Bureau voor den verkoop van Zeeuwsche Oesters”, welke op 23 November 1915 tot stand kwam en te Ierseke werd gevestigd. Als controleur voor het Rijk op de gestie der vereeniging werd benoemd de heer de Leeuw, die als bij uitstek deskundig in het oesterbedrijf, zonder daarbij belanghebbende te zijn, reeds in de commissie van advies was opgenomen geweest. Aangezien een groot deel van het oesterjaar 1915/16 reeds was verstreken, toen de vereeniging in werking trad, kon voor dat jaar de pachtsom nog niet naar de bruto-opbrengst der perceelen worden berekend. Daarom moest daarvoor nog kwijtschelding op de pacht gegeven worden. Daar de pachten over 1915/16 zooveel hooger waren dan over 1914/15 stond bij mij, vóór mijn aftreden, al vast, dat zij voor hen, die tot de vereeniging toetraden, 80% zou kunnen bedragen. Mijn opvolger ging hiermede accoord en bepaalde haar op dat percentage. In een ander opzicht week hij echter af van hetgeen in mijne bedoeling had gelegen. Naar mijne overtuiging kon de zaak, die op den duur ook voor het Rijk als eigenaar der oesterperceelen van groote beteekenis is, alleen slagen als alle pachters gedwongen werden om in te gaan. Daarom was mijn voornemen aan hen, die niet tot de vereeniging toetraden, geen pachtreductie toe te staan. De heer van Gijn daarentegen gaf ook hun een kwijtschelding en wel ten bedrage van 50%. Ik vrees zeer dat hierdoor en door de omstandigheid dat de voorzitter van het Bestuur der visscherijen op de Zeeuwsche stroomen de zaak niet goed gezind is, de verkoopscoöperatie gevaar loopt. Er zijn nu te veel pachters buiten de vereeniging gebleven, die door hun concurrentie op de buitenlandsche markt het gevaar waartegen de centralisatie van den verkoop juist bedoelde te waken, de onderlinge onderbieding op die markt steeds levendig doen blijven. De normale productie van de Zeeuwsche oesterbanken is jaarlijks omstreeks 48 millioen. Wegens den oorlogstoestand--niet het minst omdat de invoer van oesters in Duitschland verboden is,--wordt verwacht dat de verkoop, onder de gegeven omstandigheden, beneden de helft van dat cijfer blijven zal. Daar nu naar schatting ongeveer 8 millioen oesters in handen zijn van niet aangesloten kweekers, is te vreezen, dat het doel der vereeniging niet zal worden bereikt. Mocht die vrees worden bewaarheid, dan zou dit jammer zijn voor dezen voor Zeeland zoo belangrijken tak der visscherij, maar ook voor het Rijk, als financieel belanghebbende bij dit bedrijf. Hoe het hiermede zal gaan, moet de toekomst leeren. Vast staat echter dat de vooruitzichten voor de oesterkweekerij op het oogenblik zeer slecht zijn en dat er, zoolang de oorlog duurt, weinig kans op verbetering bestaat.

Maar al vormt de oesterteelt eene uitzondering, en al werd over het algemeen de toestand der visscherij allengs gunstiger, zóó zelfs dat men ten slotte van een gouden tijd kon spreken, toch heeft het ook haar niet aan moeilijkheden ontbroken. In het laatst van September 1914 werd door de Engelsche admiraliteit aan de Nederlandsche Regeering medegedeeld, dat de visschers die ten westen van een in die mededeeling aangegeven grenslijn door Britsche oorlogsschepen zouden worden aangetroffen, beschouwd zouden worden de visscherij niet op rechtmatige wijze uit te oefenen en onder verdenking zouden staan mijnen te leggen. De aanwijzing van dit genoegzaam begrensd gebied als oorlogsterrein was voor onze visscherij wel lastig, maar er was geen aanleiding daartegen te protesteeren. Ons recht als neutrale zeevarende mogendheid werd er niet door geschonden. Door onze Regeering werd echter geprotesteerd tegen de ernstige verdenking, waaraan zij zouden blootstaan, die op het aangewezen gebied vischten, en vooral tegen een eventueele behandeling van den visscher, wien zulk een verdenking mocht treffen, alsof hij zich had schuldig gemaakt aan vijandelijke handelingen jegens Engeland.

Zij droeg den hoofdinspecteur der Visscherijen op, de visschers te waarschuwen dat het visschen op het door de Britsche admiraliteit aangewezen deel der Noordzee hen in groot gevaar zou kunnen brengen. Verder te gaan en een Nederlandsch oorlogsschip in den omtrek van dat terrein te laten kruisen, scheen minder gewenscht, omdat daaruit zoo licht internationale verwikkelingen zouden kunnen voortvloeien.

Deze overweging gold niet voor het Kon. Nat. Steuncomité, dat op 5 October 1914 het stoomschip Wodan charterde, om de Nederlandsche visschers, die zich in het Westelijk deel van de Noordzee bevonden, te waarschuwen meer oostwaarts te visschen. De „Wodan” bleef tot 20 November 1914 bij de visschersvloot kruisen en deed ook dienst als hospitaalschip; voor de verpleging van zieken was een officier van gezondheid van de marine aan boord.

Bijzondere maatregelen behoefden daarna voor de visscherij niet meer genomen te worden. De oprichting en de werkzaamheid van het Centraal Bureau voor den afzet van visscherijproducten werden reeds in hoofdstuk II behandeld[21], bij de bespreking van de levensmiddelenvoorziening. Toen de toestand van de zeevisscherij in den loop van 1915 zulk een ongedacht gunstige wending nam, had dat bureau, voor zoover het ten doel had de visscherij te steunen, zijn bestaansrecht zoo goed als geheel verloren; het veranderde toen evenwel, zooals reeds werd medegedeeld, feitelijk geheel van karakter.

[21] Zie bl. 74/5.