Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken
Part 30
„Bij het beoordeelen van den toestand van den landbouw moet wel in het oog gehouden worden, dat de uitkomsten niet in alle streken even gunstig waren. Zeer geprofiteerd hebben de groote kapitaalkrachtige akkerbouwers in de kleistreken. Hunne producten waren meest alle zeer duur, terwijl zij weinig of geen hinder ondervinden van Regeeringsmaatregelen of van prijsstijging van grondstoffen. Ook in de Veenkoloniën waren de uitkomsten, ten gevolge van de hooge prijzen van aardappelen en aardappelmeel, over ’t geheel zeer gunstig. Minder gunstig, ofschoon toch goed, waren de resultaten van het zandbedrijf.
„In de weidestreken profiteerde men wel van de hooge vee- en zuivelprijzen, maar de voordeelen daarvan werden voor een belangrijk deel geneutraliseerd door de hooge veevoederprijzen.
„Niet alleen varieeren de uitkomsten naar de streek, maar in iedere streek ook naar de omstandigheid, of men zijne producten vroeg van de hand heeft gezet, dan wel grootendeels heeft verkocht toen de prijzen gestegen waren. Uit alle streken komen berichten, die er op wijzen, dat de kleine boer in den regel aan het kortste eind heeft getrokken, daar de omstandigheden er hem in den regel toe dwingen zijn producten zoo spoedig mogelijk van de hand te doen. Vooral in het begin van de crisis, toen het zoo moeilijk was crediet te krijgen, deed zich dit verschijnsel sterk gevoelen. Zoo wordt uit Gelderland bericht, dat de kleine, weinig financieelkrachtige keuterbedrijven, vooral indien de bedrijfsleider onder de wapenen was, in de moeilijke eerste weken van de crisis te veel vee en varkens tegen betrekkelijk lagen prijs van de hand hebben gedaan en van de daarop volgende betere tijden niet konden profiteeren.
„In Utrecht had hetzelfde plaats. In de zandstreken van die provincie wordt het veevoeder als regel door de kleine boeren op crediet gekocht. In Augustus werd contante betaling ingevoerd, wat leidde tot ontijdig verkoopen van vee en varkens en slecht voeren. In de Groninger Veenkoloniën trokken de niet-coöpereerende aardappelverbouwers (dat zijn over het algemeen de kleine) weer aan het kortste eind. Zij verkochten hunne aardappels in voorkoop voor 80 cents per H.L. en in nakoop aanvankelijk voor nog minder, terwijl eerst later de prijzen rezen tot ƒ 1.20. Omtrent de uitkeeringen der coöperatieve fabrieken hoort men daarentegen bedragen noemen van ƒ 1.50 à ƒ 2.--.”
Omtrent den toestand van den Landbouw in Juli 1915 zegt de zesde Nota:
„Het afgeloopen kwartaal is zeker voor den Landbouw bij uitstek voordeelig geweest. De hooge prijzen, die voor zoo goed als alle producten betaald worden, hebben den landbouwers een goeden tijd bezorgd”.
De achtste Nota geeft meer uitvoerige en zeer belangwekkende mededeelingen over den toestand in Januari 1916. Ik neem daaruit het volgende over. Nadat omtrent de akkerbouwgewassen is opgemerkt, dat de oogst niet te best is geweest, gaat de Nota voort:
Moest de opbrengst den doorslag geven, zoo zou het financieele resultaat van vele akkerbouwbedrijven niet schitterend zijn geweest, ja van sommige bepaald onvoldoende moeten worden genoemd. Ten gevolge van de hooge prijzen, die voor tal van artikelen konden worden bedongen, waren nu de uitkomsten in het algemeen zeer bevredigend.
„Zeer hoog in prijs waren de peulvruchten en verschillende handelsgewassen als: vlas, mosterd, cichorei, blauwmaanzaad en uien. De prijs der tarwe was niet bijzonder hoog. Haver en gerst waren naar verhouding duurder.
„Vermoedelijk ten gevolge van de betrekkelijk lage tarweprijzen, werden omtrent den door de Regeering vastgestelden roggeprijs van ƒ 8 per K.G., die aanvankelijk door de landbouwers te laag geacht werd, later weinig klachten gehoord.
„De prijs, die voor de op „tel quel contract” verkochte bieten werd ontvangen, was niet hoog, zoodat, mede ten gevolge van de matige opbrengst voor de landbouwers, die op deze wijze hun gewas hebben verkocht, de bietenteelt niet meer dan middelmatige financieele resultaten heeft gegeven. Gunstiger staan de aandeelhouders der coöperatieve beetwortelsuikerfabrieken er voor, daar de suikerprijzen hoog zijn.
„Terwijl in den herfst van 1914, mede ten gevolge van de lage kartonprijzen en de groote oogsten in de voorgaande jaren, het stroo zeer goedkoop was, liepen door de geringe stroo-opbrengst, de sterke stijging der kartonprijzen en wellicht ook door de groote vraag voor legerdoeleinden, in den herfst van 1915 de strooprijzen tot eene voorheen ongekende hoogte op.”
Omtrent het akkerbouwbedrijf deelt de Nota voorts mede, dat de verbouw van aardappelen niet zoo gunstig is geweest als die van andere gewassen, omdat in verband met den minder goeden oogst, in het najaar geen gelegenheid tot uitvoer gegeven werd, en dat de uien buitengewoon duur waren, zoodat de telers daarvan ongekend goede zaken hebben gemaakt. Daarna zegt zij van de veehouderij:
„Over het algemeen waren de financieele resultaten van de rundveehouderij zeer gunstig. De prijzen, die het buitenland besteedde voor boter, kaas en andere melkproducten, waren buitengewoon hoog. Daartegenover staat, dat er veel boter en kaas voor het binnenland moest worden geleverd tegen prijzen, die, de hoogere productiekosten in aanmerking genomen, eer beneden dan boven de normale waren. Voorts waren de krachtvoedermiddelen hoog in prijs, evenals het hooi.
Onbevredigend was het financieele resultaat, verkregen door hen die consumptiemelk leveren.
„De uitvoer van boter en kaas was grooter dan in normale jaren....
„De varkensfokkerij en -mesterij kwam in den loop des jaars de crisis te boven, waarin zij in den winter van 1914/1915 ten gevolge van de hooge prijzen van het mestvoer verkeerde. Gedurende de zomermaanden waren de uitkomsten, ten gevolge van de hooge prijzen der varkens en de betrekkelijk matige maïsprijzen, zelfs zeer voordeelig. In de laatste maanden van het jaar is daarin eene belangrijke verandering gekomen, doordien de maïsprijzen belangrijk stegen en de prijzen der vette varkens eer neiging tot dalen dan tot stijgen vertoonden.
„De uitvoer van de onderscheiden soorten van varkensvleesch (inclusief de levende varkens) bedroeg in 1915 ruim 63 millioen K.G. tegen 81 millioen in 1914 en 50 millioen in 1913.”
Voor de groentetelers was de oorlogstoestand over het algemeen niet minder gunstig dan voor de boeren. Zooals boven[18] reeds werd medegedeeld, schildert de tweede Nota dien der groentetelers over het algemeen als niet ongunstig. De Nota die den toestand van April 1915 beschrijft, zegt in aansluiting daaraan:
[18] Zie bl. 284.
„In de vorige nota werd opgemerkt dat het jaar 1914 voor de groentetelers, ondanks de slechte tijden in de eerste weken van de crisis niet slecht was geweest. Toch leeren de thans bekend geworden cijfers van menige veilingsvereeniging, dat de totale omzet belangrijk is gebleven beneden dien van 1913, wat vooral moet worden geweten aan de geringe opbrengst van de zomergroenten. Het best waren zij er aan toe, die veel late groenten teelden, welke in de eerste maanden van 1915 tegen, over ’t geheel, flinke prijzen konden worden van de hand gezet, zoodat de financieele uitkomsten van het bedrijf daardoor belangrijk verbeterden. Wat de vooruitzichten voor het jaar 1915 betreft, kan worden opgemerkt, dat de sterke uitbreiding, die de groenteteelt in de laatste jaren heeft getoond, tot staan is gekomen. Speciaal geldt dit voor de teelt onder glas, waartoe de hooge prijzen van het glas, de hooge rentestandaard, alsmede de in 1914 geleden verliezen elk het hunne bijdragen, terwijl men over het algemeen geneigd is eene afwachtende houding aan te nemen. Een tweede verschijnsel, dat valt te constateeren is, dat minder is vervroegd, zoowel waar dit gebeurde door stoken als door het gebruik van broeimest. De oorzaak hiervan schuilt in verschillende omstandigheden: gebrek aan geld, vrees voor onvoldoenden aanvoer van brandstof, militaire dienst van den bedrijfsleider, enz.
„Zooals het zich thans laat aanzien zijn de vooruitzichten voor de groentetelers gunstig. De afzet naar het buitenland zal, mits de transportgelegenheid voldoende is, in het komende seizoen ongetwijfeld zijn tegen loonende prijzen”.
De Nota over den toestand in Juli 1915 maakt er melding van, dat in de centra voor fruit- en groenteteelt verschillende producten die op den uitvoer zijn aangewezen, bevredigende en soms zelfs zeer goede prijzen maakten. De Achtste Nota eindelijk, betreffende den toestand in Januari 1916, zegt van den tuinbouw:
„De opbrengst der warmoezerijgewassen is, vooral wat de producten van den open grond en speciaal de latere gewassen betreft, zeer goed geweest.
„Terwijl in het begin van het seizoen de prijzen van verschillende groenten nogal te wenschen overlieten, waren nagenoeg alle producten in het tweede gedeelte van het jaar duur. De financieele uitkomsten van het bedrijf zijn dan ook over het algemeen zeer gunstig geweest, wat mede blijkt uit de groote bedragen, die op de veilingen zijn omgezet en de groote hoeveelheden, welke zijn uitgevoerd....
„Wat de fruitteelt betreft, kan de teelt van bessen, frambozen, kersen en aardbeien door de ruime opbrengsten en de hooge prijzen zeer voordeelig genoemd worden.
„Ook over den oogst van appels en peren kan men over ’t geheel tevreden zijn. De opbrengst is, met uitzondering van enkele centra in de noordelijke provinciën, buitengewoon groot geweest. De prijzen waren wel niet hoog, maar over ’t algemeen maakte de hooge opbrengst de financieele uitkomst toch wel zeer goed. Vooral in Utrecht, de Betuwe, alsmede in Zeeland is van het fruit veel geld gemaakt”.
Aanvankelijk wekt het eenige verwondering dat de uitkomsten van de bloemisterij zeer goed waren. Dit verblijdend verschijnsel vindt hierin zijn oorzaak, dat in Duitschland de oorlog het betrekken van bloemen uit Italië en Zuid-Frankrijk verhinderde, ten gevolge waarvan de vraag naar Nederlandsche bloemen aldaar groot was en daar goede prijzen waren te maken.
Aan het slot van de beschrijving van den toestand van land- en tuinbouw zegt de Achtste Nota:
„Evenals ten vorigen jare valt ook thans weer de opmerking te maken, dat de kleine landbouwondernemers over ’t geheel minder gunstige financieele resultaten bereiken dan hunne grootere en meer kapitaalkrachtige collega’s.
„Dit is in de eerste plaats het gevolg hiervan, dat zij minder dan de grootere landbouwers het voor den verkoop gunstige oogenblik kunnen kiezen. Voorts staan zij buiten sommige takken van coöperatie, wat o.a. het geval is ten aanzien van de suiker- en aardappelmeelfabrieken. Dan worden verschillende producten, die vooral door Regeeringsmaatregelen zijn getroffen, door den kleinen producent voortgebracht. Dit geldt o.a. van aardappelen en consumptiemelk.
„Ten slotte worden juist de kleine bedrijven het meest gedrukt door de afwezigheid van den bedrijfsleider. Zoo deelde de Rijkslandbouwleeraar voor Drenthe mede, dat meer nog door schaarschte van arbeidskrachten dan door financieele onmacht vele kleine bedrijven zoo worden verwaarloosd, dat de gebruikers waarschijnlijk geheel geruïneerd worden.”
Deze algemeene opmerking is een illustratie van de aan economisten genoeg bekende waarheid, dat in den regel het kleinbedrijf het minst weerstandskrachtig is. In den landbouw is dat echter in veel mindere mate het geval dan in de nijverheid, waar over het algemeen het machinewezen aan het grootbedrijf een veel grooteren voorsprong geeft op de kleine nijverheid, dan het groote landbouwbedrijf op de kleine boerderij heeft. Het kleinbedrijf ligt in den regel veel dichter bij de grens der bestaansmogelijkheid dan het grootbedrijf, dat gewoonlijk die grens in meer of minder belangrijke mate overschrijdt. Toch mag men hieruit niet afleiden, dat de marginale onderneming steeds onder het kleinbedrijf is te zoeken. Vooral in een tijdperk van zoo snel veranderende conjunctuur als de oorlogstoestand te weeg brengt, kan dit zich in veel gevallen vlugger en gemakkelijker aan de wisselende omstandigheden aanpassen dan de groote onderneming. In den landbouw is daaromtrent in deze crisis bij ons weinig ervaring opgedaan, omdat hier te lande werkelijk groot landbouwbedrijf niet of nauwelijks voorkomt. Het is trouwens reeds lang bekend, dat daar het middelgroot bedrijf, dat hier te lande sterk vertegenwoordigd is, over het algemeen de beste kansen biedt. Het vereenigt, vooral als het aangesloten is bij eene ontwikkelde in- en verkoopscoöperatie, en daardoor zoowel bij den aankoop van zaden en meststoffen als bij den verkoop van zijn producten, van de voor het bedrijf gunstigste kansen kan profiteeren, de voordelen van het groot- met die van het kleinbedrijf. Op de markt treedt het als onderdeel van een groot coöperatief lichaam op, dat zoowel bij in- als bij verkoop de voordeelen van den grooten koopman deelachtig wordt, in het bedrijf zelf gaat het oog des meesters over alles en zorgt dit ervoor dat niet geluierd wordt en niet roekeloos met het vee noch met de grond- en hulpstoffen of met de producten wordt omgesprongen. Dat de kleinste boeren van de voor den landbouw zoo gunstige conjunctuur niet het grootste profijt hebben getrokken, behoeft niet te verwonderen; verwondering zou het gewekt hebben, als het anders geweest ware. Dat neemt intusschen niet weg, dat ook voor hen de toestand niet slecht was en in elk geval aanmerkelijk veel beter dan iemand in het begin van Augustus 1914 durfde hopen.
Dat de mobilisatie vooral voor het kleinbedrijf schadelijk is geweest in de gevallen waarin de kleine boer zelf onder de wapenen komen moest en niemand hem kon vervangen, is begrijpelijk genoeg. Maar dit geldt voor de kleine nijverheid even goed als voor de kleine boerderij. Ook daar heeft de afwezigheid van den „baas” de zaak dikwijls doen verloopen. Aan dit euvel werd zoo goed mogelijk te gemoet gekomen door de economische verloven, waarvan de landbouwverloven een onderdeel uitmaken. Het is genoeg bekend dat de Minister van Oorlog de groote beteekenis van zulke verloven waarlijk niet heeft onderschat. Daaromtrent is hij, wat de industrie betreft, bijna voortdurend in overleg geweest met het Kon. Nat. Steuncomité. Voor den landbouw werd bij het verleenen van verloven het advies ingewonnen van de Directie van den Landbouw; voor de industrie stond de Directeur-Generaal van den Arbeid bij het verleenen der economische verloven het Departement van Oorlog ter zijde. In overleg met den Minister van Landbouw werden bovendien in de provincies commissies van deskundigen ingesteld, om den Minister van Oorlog omtrent de landbouwverloven van advies te dienen. De regeling der verloven heeft niettemin aanleiding gegeven tot heel wat critiek zoo buiten als in de Kamer. Onberispelijk is zij zeker niet geweest, maar dit neemt niet weg dat door die verloven het economische nadeel van de mobilisatie wegens het weghalen van vele leiders, zoowel van kleine als van groote bedrijven, veel werd verzacht, al kon het er niet door worden weggenomen. Bij de beoordeeling van verlofsaanvragen werd er ook rekening mede gehouden (dit geldt natuurlijk meer voor de industrie dan voor den landbouw) of er door het wegblijven van den leider gevaar van werkloosheid zou ontstaan voor een eenigszins belangrijk personeel. Waar dit het geval was, werd steeds tot verlofsverleening voor onbepaalden tijd geadviseerd en werd dit advies ook schier altijd gevolgd.
Voor den landbouw kon zulk een regeling niet worden gemaakt. Landbouwbedrijven met groote aantallen arbeiders zijn hier met een lantaarntje te zoeken. Hier werden economische verlofsregelen gevolgd, welke verband hielden met zaai- en oogsttijden. Die regelingen hebben, gelijk ik reeds opmerkte, wel aanleiding gegeven tot critiek; ook misbruiken kwamen daarbij voor, maar over het algemeen hebben zij zeer nuttig gewerkt en haar doel niet gemist. Landbouw zoowel als nijverheid hebben alle reden den Minister van Oorlog, wien de economische verloven steeds veel hoofdbreken hebben gekost, en die bij de instelling en de doorvoering daarvan groote tegenkanting heeft moeten overwinnen, dankbaar te zijn, dat hij niet is gezwicht voor bekrompen militairistische opvattingen, als zou ter wille van de weerkracht van het land niet ook de zorg voor zijne economische hulpbronnen noodzakelijk zijn.
Maar niet alleen door het onder de wapenen zijn van vele jongere boeren heeft het landbouwbedrijf en vooral de kleine boerderij nadeel ondervonden; ook de mobilisatie van een groot aantal arbeiders gaf, vooral in de tijden dat veel werkkrachten noodig zijn, veel last. Wat in de nijverheid slechts in enkele takken voorkwam, was in het land- en tuinbouwbedrijf in de drukke tijden algemeen, namelijk gebrek aan arbeidskrachten en dat gebrek werd slechts zeer ten deele verholpen door het terugstroomen naar het land van een deel der havenarbeiders en dergenen, die anders gewoon zijn in Duitschland in de mijnstreken werk te vinden. Al is het dus den landbouw zeer goed gegaan, toch heeft het ook dezen belangrijken bedrijfstak niet aan moeilijkheden ontbroken.
Naast de zwarigheden als gevolg van de mobilisatie kwamen nog andere ten gevolge van gebrek aan veevoeder en kunstmest, door de belemmeringen van handel en scheepvaart, die de oorlog te weeg bracht en waarover hieronder in de §§ 3 en 4 meer uitvoerig gesproken wordt. De Regeering is er terstond op uit geweest den landbouw bij het voorzien in deze moeilijkheden te helpen. Reeds in de Eerste Economische nota van begin November 1914 wordt gezegd: „De Regeering heeft ook haar volle aandacht gevestigd op den voorraad meststoffen hier te lande. Indien zulks noodig blijkt, zullen maatregelen worden genomen om den aanvoer van meststoffen uit overzeesche landen zooveel mogelijk te bevorderen”.
Uitvoerig wordt de kunstmestvoorziening van regeeringswege behandeld in de Vierde Nota, over den toestand in April 1915.
„Toen de oorlog uitbrak was in Nederland slechts eene geringe hoeveelheid chili-salpeter aanwezig: de aanvoer van deze meststof werd belemmerd, doordat alle ladingen chili in Engelsche havens werden opgebracht.
„De hoeveelheid chilisalpeter, in Nederland benoodigd, wordt voor normale jaren geschat op ± 90.000 ton. Met het oog op het aanzienlijk gebruik van zwavelzure ammoniak en het te verwachten geringer gebruik ten gevolge van hoogere prijzen, werd de benoodigde hoeveelheid echter voor het voorjaar 1915 op ± 60.000 tons geschat.
„Den 20 April waren van die hoeveelheid reeds ongeveer 31.700 tons aangevoerd, terwijl er nog 5 ladingen, te zamen groot 16.100 ton in aantocht zijn en er op aanvoer van 5000 ton gegronde hoop bestaat. Gelukt deze import, dan zal er aan genoemde hoeveelheid van 60.000 ton slechts 10% ontbreken. Door de hooge vrachten en het groote oponthoud dat de ladingen nog steeds in Engeland ondervinden, gaat de aanvoer met groote bezwaren gepaard.
„Al die ladingen werden geconsigneerd aan de Nederlandsche Overzeetrustmaatschappij, met welke vennootschap is overeengekomen, dat zij alleen dan consignatie aan haar adres toestaat, indien de importeur zich verplicht, zich aan te sluiten bij een van Regeeringswege gewenschte regeling voor de verdeeling der aangevoerde hoeveelheden. De importeurs hebben zich aanvankelijk verplicht den prijs niet hooger te stellen dan ƒ 14.60 per 100 K.G. De handelaars en vereenigingen zullen den landbouwers geen hoogeren prijs berekenen dan ƒ 15.60.
„Ten gevolge van het uitbreken van den oorlog ondervond de invoer van thomasslakkenmeel en van superphosphaat uit het buitenland reeds dadelijk, ten gevolge van het bestaande uitvoerverbod in Duitschland en België, groote moeilijkheden.
„Het werd al spoedig duidelijk, dat voor de behoefte aan phosphorzuurhoudende meststoffen zoo goed als uitsluitend rekening gehouden zou moeten worden met de productie der Nederlandsche superphosphaatfabrieken.
„Uit een met medewerking van het Nederlandsch Landbouw Comité ingesteld onderzoek bleek, dat de vermoedelijke behoefte 125.000 tons zou bedragen. De 6 in Nederland gevestigde fabrieken namen op zich de eerste 80.000 ton te leveren voor een prijs varieerend van ƒ 3.10 tot ƒ 3.20; met het oog op de steeds stijgende productiekosten werd die prijs later eenigszins hooger gesteld.
„Dat de productiekosten stegen was een gevolg van de groote bezwaren, waarmede de aanvoer van de grondstoffen, ruw phosphaat en pyriet, maar hoofdzakelijk zwavelzuur, gepaard ging. Dit zwavelzuur wordt in gewone tijden in hoofdzaak uit België betrokken, maar de Duitsche autoriteiten legden beslag op alle voorraden en het kostte de grootste moeite eenigszins belangrijke partijen van daar te betrekken.
„Gelukkig slaagden de onderhandelingen met de Duitsche Regeering om een niet onbelangrijke hoeveelheid superphosphaat uit België naar Nederland door te laten, welke vervolgens naar een door de Nederlandsche Regeering goedgekeurden maatstaf ter beschikking van den handel werd gesteld.
„Aan de behoefte aan superphosphaat is nog wel niet ten volle, maar toch in een belangrijk deel voldaan.
„Dank zij de medewerking der Duitsche Regeering zijn er belangrijke partijen patentkali en 20 pct. kalizout hier te lande aangevoerd. In de volle behoefte is echter nog niet voorzien”.
In de Nota betreffende den toestand in Juli 1915 wordt opnieuw op de moeilijkheden der kunstmestvoorziening gewezen. Daarin wordt voorts mededeeling gedaan van de vorming eener commissie voor de voorziening in de behoefte aan chilisalpeter. „Deze werd met eenige leden uitgebreid ten behoeve van de voorziening van kunstmest in den ruimsten zin.”
De Achtste Nota eindelijk, betreffende den toestand in Januari 1916, zegt van de kunstmestvoorziening, dat zij op den vroeger beschreven voet werd voortgezet.
„De volgende hoeveelheden werden door de landbouwers voor het najaar 1915 en het najaar 1916 besteld:
65.087 ton chilisalpeter, 14.252 ton ammoniaksuper en 96.482 ton superphosphaat (basis 14 pct).
„De voorziening der kalizouten kon op doeltreffende wijze plaats vinden.
„De eerste partij chilisalpeter van de 68.000 ton, die aangekocht waren, kwam den 15den December te Rotterdam aan. De toen geloste 8900 ton werden tot den vastgestelden prijs van ƒ 17,80 per 100 K.G. (vermeerderd met provisie voor den handel en vrachtkosten) aan de landbouwers verdeeld.
„Met de distributie van ammoniaksuper kon eerst op het eind van October een begin worden gemaakt. De verkoopprijs was vastgesteld op ƒ 12,10 per 100 K.G., eveneens vermeerderd als boven is aangegeven.
„De levering van in het najaar bestelde zwavelzure ammoniak en superphosphaat is geheel uitgevoerd.
„Ook was aangekocht 10.000 ton superphosphaat uit Algiers. Het schip, dat een deel dezer meststof zou aanbrengen, is echter op een mijn geloopen en gezonken.
„Een tweede schip met 2400 ton is intusschen aangekomen”.
Sedert dien kwamen nog enkele schepen met kunstmest aan, nadat zij, om niet moeilijk te begrijpen, maar wel moeilijk te billijken redenen, geruimen tijd door de Britsche autoriteiten waren opgehouden.