Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken
Part 29
Terloops zij opgemerkt, dat zoowel de Commissie voor de voeding van mensch en dier als de Nijverheidscommissie feitelijk door den loop der omstandigheden weldra zoo los kwamen te staan van de Commissie van uitvoering van het Kon. Nat. Steuncomité, dat deze elke verantwoordelijkheid voor de handelingen van die in werkelijkheid van haar onafhankelijk geworden subcommissies van zich afwierp. Dit was juist; de band tusschen die drie commissies ligt zoo goed als alleen in haar oorsprong; overigens ging elk haar eigen weg.
Omtrent de wijze van werken zeide de Minister van Landbouw nog, dat het in het voornemen der Regeering lag voortdurend overleg te plegen met het bureau der Nijverheidscommissie. „Dit bureau zal den leden der Commissie kenbaar maken, wanneer het vergadert, zoodat op die tijden bezoeken en telefonische aanvragen kunnen worden afgewacht. Het ligt in de bedoeling het hierboven genoemd overleg, inzake kwesties voor bepaalde industrieën, te plegen tijdens de vergaderingen van het bureau.
„Op deze wijze hoopt de Regeering op de eenvoudigste en vlugste wijze, door bemiddeling van het Kon. Nat. Steuncomité, van de meest deskundigen in den lande raad te ontvangen voor het oplossen van moeilijkheden, die in de eene of andere industrie dreigen.”
Reeds in de eerste vergadering der Nijverheidscommissie liepen de beraadslagingen hoofdzakelijk over het vraagstuk der kolenvoorziening. Daar zich hieromtrent groot verschil van gevoelen openbaarde, werd op 13 Januari 1915 een tweede vergadering dier commissie bijeengeroepen, waarin het vraagstuk door de vertegenwoordigers der bij uitstek belanghebbende takken van nijverheid nog eens van alle kanten werd bekeken. Als resultaat van die beraadslaging werd een Kolencommissie ingesteld, welke, behalve uit het bureau der Nijverheidscommissie, bestond uit een aantal vertegenwoordigers van groote afnemers van steenkolen, van de Limburgsche mijnindustrie en van den steenkolenhandel. De taak der Kolencommissie zou bestaan in de leiding der distributie. Uit deze uitgebreide commissie werd op 26 Februari 1916 een Kolenbureau gevormd, bestaande uit Prof. Is. P. de Vooys, Voorzitter van de Nijverheidscommissie, als voorzitter en als leden de heeren D. G. van Beuningen en F. H. Fentener van Vlissingen, Directeuren van de Steenkolenhandelsvereeniging, W. van der Vorm, Directeur van de Scheepvaart- en Steenkolen Maatschappij, Mr. Dr. W. F. J. Frowein, Directeur der Staatsmijnen, W. Schweitser, Directeur van de mijn Laura en Vereeniging (tevens vertegenwoordigende de mijnondernemingen Willem-Sophia en de Domaniale mijnen) en D. W. Stork en Dr. F. G. Waller als groote kolenverbruikers. Wegens het groote belang der zaak werd ook het Kolenbureau in een vergadering van de grootere Kolencommissie door den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel ingeleid. Nadat de heer Posthuma met een enkel woord had in herinnering gebracht, welke moeilijkheden ten aanzien van de kolenvoorziening door den oorlog waren ontstaan, vervolgde hij aldus:
„Waar het Kon. Nat. Steuncomité zich vóór alles tot taak gesteld heeft, werkloosheid waar eenigszins mogelijk te voorkomen, mocht het geen afwachtende houding aannemen, en moest het middelen beramen om een goede distributie der beschikbaar komende kolen te waarborgen.
„Door een dergelijk vooruitziend optreden kon nog een ander gevolg van kolenschaarschte worden voorkomen, nam. het opdrijven der kolenprijzen, doordat van alle zijden een sterke aanvraag de markt omhoog zou jagen.
„Het eenige middel om dat doel te bereiken, lag in het centraliseeren der kolenaflevering. Uitsluitend daardoor was een verdeeling te ontwerpen, gegrond op een berekening van wat beschikbaar was en van wat aan alle afnemers kon worden toegekend. De Kolencommissie is zoo gelukkig geweest de grootste leveranciers van steenkolen, die over aanzienlijke hoeveelheden kunnen beschikken, bereid te vinden om voor het gestelde doel samen te werken, en tevens om ook hunnerzijds het opdrijven der kolenprijzen boven redelijke grenzen tegen te gaan. Bovendien hebben zij een volledig toezicht van het Kon. Nat. Steuncomité aanvaard.
„Deze oplossing is op dit oogenblik de beste, die aan het kolenvraagstuk gegeven kan worden, daar met volledige instandhouding van den kolenhandel en zijn gebruiken een taak verricht zal kunnen worden, die wellicht anders de Regeering noodgedrongen zou hebben moeten ter hand nemen. Na de eerste vraag: waarom is de oprichting van het Kolenbureau noodig?, rees bij verschillenden een tweede vraag: Worden de belangen der kolenafnemers door het Kolenbureau wel voldoende behartigd? Zij, die deze vraag stellen, mogen geen oogenblik de bijzondere tijdsomstandigheden vergeten, ook al hebben zij die in den laatsten tijd bij het afnemen van kolen niet bemerkt. Zij zullen nimmer het voordeel eener behoorlijke regeling en verdeeling der beschikbare kolen kunnen ontkennen, doch meenen een grooter nadeel aanwezig in het ontstaan van een monopolie, waaraan zij zich zouden moeten onderwerpen.
„Niet te ontkennen valt, dat het Kolenbureau beschikt over verreweg het grootste deel der beschikbaar komende steenkolen, doch ware dit niet het geval, zoo zou het zijn gestelde taak niet kunnen verrichten.
„Zoo weinig beoogt echter het Kolenbureau een monopolie, dat elke poging om langs anderen weg kolen in ons land beschikbaar te stellen, niet alleen niet tegengewerkt, maar met vreugde zal worden begroet.
„Waar het echter voor de afnemers voornamelijk op aankomt, is de hoeveelheid der kolensoorten, die aangeboden wordt, en de prijs dien zij daarvoor zullen moeten betalen. Het Kolenbureau zal daaromtrent binnenkort een offerte doen toekomen. Zelf contracteert het bureau niet. De contracten worden afgesloten met de gewone leveranciers, en volgens de bestaande gebruiken. Het bureau zorgt uitsluitend voor eene billijke verdeeling over alle aanvragers op den grondslag van voor allen gelijke prijzen, die aan het bureau redelijk zullen voorkomen.
„De gang van zaken met deze offerten zal nu de volgende zijn. Zij worden allereerst opgemaakt en nagezien door het Kolenbureau, waarin twee gedelegeerden der kolenverbruikers zitting hebben. Nadat deze offerten zijn verzonden, kan ieder aan het secretariaat van het Kolenbureau nadere inlichtingen inwinnen en wijzigingen bepleiten. Levert dit voor hem geen bevredigend resultaat op, dan kan hij op een der wekelijksche zittingen van het Kolenbureau zijn bezwaren uiteenzetten en herziening der offerte vragen. Op die zittingen van het Kolenbureau heeft elk lid der Kolencommissie steeds toegang, om naast de gedelegeerden in het Kolenbureau de belangen der kolenafnemers te behartigen.
„Wanneer ook dan geen bevredigende schikking wordt getroffen, bestaat er gelegenheid de arbitrage der Kolencommissie in te roepen. Waar deze regeling door het Kolenbureau is aanvaard, mag toch gerust gezegd worden, dat de waarborgen tegen de gevreesde nadeelen van een monopolie voldoende aanwezig zijn. Het Kolenbureau roept dan ook de hulp in van alle kolenverbruikers in de nijverheid en het verkeerswezen om deze poging tot oplossing van het kolenvraagstuk te doen slagen, en te voorkomen, dat door onrust en wantrouwen in de kolenvoorziening van ons land groote moeilijkheden zullen ontstaan”.
De Kolencommissie wees den heer van Hasselt, Voorzitter van de Maatschappij van Nijverheid aan, om eventueele klachten te onderzoeken en daarop te beslissen.
Bij het lezen van de rede van den tweeden algemeenen voorzitter van het Kon. Nat. Steuncomité, waarvan ik het meest belangrijke gedeelte hier overnam, moet het aan ieder opvallen, dat zij afwijkt van een gewone installatierede. Zij is grootendeels een pleitrede, waaraan ook een polemisch tintje niet ontbreekt. Daarvoor was aanleiding. Er had zich in de pers een levendige gedachtenwisseling over de kolenkwestie ontwikkeld, waarbij vooral de kleinere onafhankelijke kolenimporteurs zich bevreesd hadden getoond voor het openen van hun relaties aan hun machtige concurrenten, die in het Kolenbureau vertegenwoordigd waren, vooral aan de Steenkolenhandelsvereeniging. Daarbij kwam, dat enkele gelegenheidsimporteurs, die zich ook op het artikel kolen geworpen hadden, vreesden dat hun de pas zou worden afgesneden tot voortzetting van hun bedrijf. Uit deze kringen kwam de kreet dat er een gevaarlijk monopolie zou worden gesticht. Een vurig aanhanger van den vrijhandel onder alle omstandigheden als den heer Plate klonk deze kreet als krijgsgeschal in de ooren; hij stelde zich aan de zijde der zich bedreigd achtende kleinere importeurs en bond den strijd aan tegen de centralisatie van de kolendistributie. Daarbij kreeg hij den steun van niemand minder dan Mr. Zimmerman, den Rotterdamschen burgemeester. Bovendien had ook de Directie van de mijn Oranje-Nassau, de grootste der particuliere Limburgsche mijnen, zich bij de kolencentrale niet willen aansluiten. Door een en ander was stemming gemaakt tegen het Kolenbureau. Daartegenover bepleitte de Minister van Landbouw op goede gronden, niet dat een gecentraliseerde kolendistributie niet ook schaduwzijden heeft, maar wèl dat onder de bijzondere omstandigheden, welke de oorlog had te weeg gebracht, over die bezwaren moest worden heengestapt, en dat, waar het gelukt was een distributiebureau samen te stellen, dat de grootste waarborgen van onpartijdigheid gaf, ’s lands belang medebracht, dat de kolenhandel en de kolenverbruikers zoo algemeen mogelijk van de tusschenkomst van dit bureau zouden gebruik maken.
Intusschen kan niet worden ontkend, dat het lidmaatschap van vertegenwoordigers van de twee groote kolenimporteurs, de Steenkolenhandelsvereeniging wat den invoer van Duitsche kolen betreft en de Scheepvaart- en Steenkolen-Maatschappij voor dien van Engelsche kolen, voor de kleinere importeurs een bedenkelijken kant had en dat daardoor tevens den schijn van partijdigheid naar buiten werd gewekt. Ik ben overtuigd, dat bij de wijze van werken van het Kolenbureau van partijdigheid in werkelijkheid geen sprake is geweest, maar het is bij zulke zaken gewenscht ook den schijn van het kwade te vermijden. Dat was hier evenwel niet goed mogelijk, daar voor de goede werking van het Kolenbureau de medewerking van de grootste importeurs onmisbaar was. Zij hebben die op volkomen loyale en alleszins te waardeeren wijze verleend.
Het Kolenbureau kon zich niet uitsluitend bepalen tot de distributie van de steenkolen, die ter beschikking gekomen waren; het moest herhaaldelijk ook zijn tusschenkomst verleenen om den aanvoer van buitenlandsche steenkool, als daarin stagnatie dreigde te komen of de hoeveelheden sterk verminderden, te bevorderen. Daartoe moest nu eens met de Duitsche dan weer met de Engelsche mijnbesturen worden onderhandeld, en daar deze niets mochten doen zonder ruggespraak met hunne regeeringen, is het duidelijk dat dit onderdeel van de taak van het bureau niet het gemakkelijkste was. Het enkele feit, dat men hier van beide zijden kolen noodig had, wekte telkens wantrouwen, en er waren heel wat overleggingen en waarborgen noodig, om dat wantrouwen weg te nemen. Over het algemeen mocht het Kolenbureau de voldoening smaken dat haar dit gelukte, al ging het niet steeds even vlot en spoedig.
Toen het Kolenbureau eenige maanden gewerkt had, de schommelingen in de aanvoeren had gezien en zich de mogelijkheid niet kon ontveinzen, dat er zich omstandigheden zouden voordoen, waaronder de aanvoer van steenkool uit het buitenland tijdelijk ernstig zou kunnen worden verstoord, nam zij het initiatief tot het oprichten van een Onderlinge Kolenreserve-Maatschappij. Dit denkbeeld vond hier veel bijval en kreeg dan ook een begin van uitvoering. Het bleek intusschen spoedig dat het wantrouwen wekte in de landen van waar kolen hierheen gezonden moesten worden. Het is wel eenigszins begrijpelijk, dat men in de kolenexporteerende landen, die zelf door den oorlog allerlei moeilijkheden in hun mijnindustrie ondervonden, niet veel lust had, ons niet alleen te helpen aan bevrediging onzer rechtstreeksche behoefte, maar ons ook nog in staat te stellen een appeltje voor den dorst achter te houden. Onder die omstandigheden was te vreezen, dat verder doorzetten van het plan, den geregelden aanvoer zou kunnen in gevaar brengen en dus juist den toestand zou kunnen verhaasten, waartegen men zich wilde wapenen. Het plan werd daarom niet verder uitgevoerd en de zaken van de Kolenreserve-Maatschappij werden na eenige maanden geliquideerd. Men kan ook te veel willen voorzien.
In de Achtste Nota betreffende den Economischen Toestand, die in Maart 1916 door den Minister van Landbouw aan de Tweede Kamer werd aangeboden, werd van de werking van het Kolenbureau gezegd:
„Het Kolenbureau beantwoordde ten volle aan de verwachtingen. Geen enkel bedrijf heeft in het afgeloopen jaar ten gevolge van behoefte aan kolen ook slechts één oogenblik moeten stilstaan. Ook over de voorziening van huishoudkolen viel niet te klagen. Daarbij kwam, dat, de tijdsomstandigheden in acht genomen, deze voorziening geschied is tegen zeer redelijke prijzen”. Deze officieele lof was volkomen verdiend. Toch heeft het Kolenbureau niet algemeen de waardeering gevonden, waarop het aanspraak maken mocht. Ook heeft het den invloed van den kwaden schijn in zijn samenstelling, dien ik boven aanstipte, niet geheel kunnen overwinnen. Het resultaat daarvan is geweest, dat het er met 1 April 1916 het bijltje bij heeft neergelegd. Zijn taak werd overgenomen, door een Rijkskolenbureau onder leiding van den president-directeur der Staatsmijnen, Mr. Dr. Frowein. Dat Rijksbureau wordt bijgestaan door een commissie van advies voor de kolenindustrie.
De Nijverheidscommissie, in wier samenstelling ook eenige verandering kwam, heeft nog andere werkzaamheden te vervullen gehad; echter waren er daaronder niet van zoo algemeene beteekenis als de kolenvoorziening. Haar andere bemoeiingen waren van meer specialen aard en betroffen telkens de zorg voor de beschikbaarheid van voldoende grond- of hulpstoffen voor bepaalde takken van nijverheid, zooals bijv. van aniline voor de textielindustrie. Zij heeft daarbij steeds gewerkt in gemeen overleg met de Regeering en de taak van deze, inzonderheid ook van het Departement van Buitenlandsche Zaken, herhaaldelijk zeer verlicht. Ik zou het bestek dat ik mij gesteld heb, te buiten gaan, indien ik die verschillende bemoeiingen afzonderlijk besprak. Volstaan kan ik met in herinnering te brengen, hetgeen door den Minister van Landbouw in de Achtste Nota betreffende den Economischen Toestand over de nijverheid werd geschreven. „Met voldoening kan worden geboekstaafd, dat.... de voorziening in tal van andere voor de nijverheid onmisbare grond- of hulpstoffen (andere namelijk dan kolen) plaats heeft gehad zonder dat eenige belangrijke bedrijfstak op noemenswaardige wijze in haar productie werd belemmerd.
„Dit resultaat is echter niet verkregen zonder tijdelijke moeilijkheden bij die voorziening en zonder dat telkens groote bezwaren moesten overwonnen worden. Tot het wegnemen van die bezwaren waren voortdurend de betrokken Departementen en Commissie in de weer.”
De wolvoorziening, die voor een deel der textielnijverheid en voor de sajetfabrieken van de grootste beteekenis is, werd, voor zoover de Regeering daarin heeft ingegrepen, niet in de eerste plaats uit economische overwegingen ter hand genomen, maar op grond van de behoefte aan militair laken. De Zesde Nota betreffende den Economischen Toestand vermeldt daaromtrent: „Met het oog op de militaire belangen werd tot vordering van de scheer- en blootwol besloten. Het was noodzakelijk daarbij alle inlandsche wol in beslag te nemen, ten einde onbillijkheden te vermijden en de militaire overheid gelegenheid te geven die partijen voor militair gebruik te bestemmen, die daarvoor het meest in aanmerking kwamen. Van de totale hoeveelheid zou echter, naar zich liet aanzien, een gedeelte ter beschikking van de particuliere industrie kunnen worden gesteld. Ten einde de wolindustrie zoo goed mogelijk in verband met de eischen der practijk te regelen, werd op advies van de Subcommissie voor de Nijverheid uit het Koninklijk Nationaal Steuncomité eene Wolcommissie ingesteld.”
In verband ook met aanvoermoeilijkheden heeft de Wolcommissie geen gemakkelijke taak gehad. Toch is het haar gelukt, met medewerking van de Nederlandsche Overzee Trustmaatschappij, ook den aanvoer van wol van over zee te bevorderen en hierdoor, zoowel als door hare distributieregeling, alle fabrieken, die wol verwerken, behoorlijk gaande te houden.
Men heeft wel getwijfeld aan de wettigheid der militaire wolvordering. Die twijfel schijnt mij niet gerechtvaardigd, daar de onteigeningswet gedurende de mobilisatie aan de militaire overheid een onbeperkte, bevoegdheid geeft tot inbezitneming van hetgeen door haar volstrekt noodzakelijk wordt geacht. Van het oogenblik af dat die overheid de wolvordering volstrekt noodzakelijk achtte, hadden de wolbezitters zich daaraan te onderwerpen, zonder dat hun oordeel of zelfs dat van den rechter over die noodzakelijkheid aan het vorderingsrecht iets kon afdoen. Natuurlijk echter is de Minister van Oorlog voor de wolvordering staatsrechtelijk aansprakelijk, evenals voor alle andere militaire maatregelen, die onder zijne verantwoordelijkheid werden genomen.
Van de Nederlandsche takken van nijverheid hebben de diamantindustrie en de bouwnijverheid het meest en het langst onder de crisis te lijden gehad. Over beide bedrijven moest reeds bij de behandeling der werkloosheidsverzekering in hoofdstuk III[15] gesproken worden. De diamantslijperij heeft zich, wat haar belangrijksten tak, de brillantslijperij betreft, door een ongedachte verlevendiging van de vraag uit het buitenland, inzonderheid uit Amerika, in het voorjaar van 1916 geheel kunnen herstellen. De roosjesbranche blijft voorloopig nog slap, maar in de diamantnijverheid schijnt toch wel het grootste leed van deze crisis geleden. Of de toekomst gunstig zal blijven, dan wel of na den vrede spoedig een nieuwe crisis of depressie zal intreden, moet worden afgewacht.
[15] Zie bl. 186/7.
De crisis in de bouwnijverheid is zeer verlicht door de verhaaste uitvoering van groote werken, waarover ik in verband met de werkverschaffing sprak[16]. De particuliere woningbouw heeft sterk den terugslag ondervonden van de duurte van het hypothecaire crediet. Zooals in het vorig hoofdstuk werd vermeld[17], werd daaraan vooral te Amsterdam van overheidswege eenigermate te gemoet gekomen. De particuliere woningbouw is echter, hoewel ook daarin allengs wat verbetering kwam, toch kwijnend gebleven. Enkele aanverwante bedrijven, met name de baksteenindustrie, hebben daarvan den terugslag ondervonden. Toen de credietverhoudingen gunstiger werden, werkten de schaarschte en de hooge prijzen van verschillende grondstoffen, speciaal van het hout, belemmerend voor de bouwnijverheid.
[16] Zie bl. 159/160.
[17] Zie bl. 224.
§ 2. _Land- en tuinbouw._
In den aanvang van den oorlogstijd scheen de toekomst ook voor land- en tuinbouw duister. Deze zeer belangrijke takken van onze volkshuishouding staan en vallen met den exporthandel, daar hunne producten in veel grootere hoeveelheden worden gewonnen dan voor het binnenlandsch verbruik noodig zijn. Het kan dus wel niet anders of de vooruitzichten moesten voor beiden in het begin van Augustus 1914, toen de meeste dezer producten ten uitvoer waren verboden en er een bijna algeheele stremming in het vervoer had plaats gehad, alles behalve rooskleurig zijn. Spoedig echter kwam de kentering. Toen bleek, dat van de uitvoerverboden, welke voorzichtigheidshalve in de eerste dagen van Augustus 1914 waren gesteld, die welke land- en tuinbouwproducten troffen, voor een groot deel konden worden opgeheven, en toen in de tweede helft van die maand zoowel het spoorwegverkeer als de groote scheepvaart en de binnenschipperij zich begonnen te herstellen, kwam er verbetering.
De eerste Nota betreffende den Economischen Toestand, die van het begin van November 1914 dagteekent, klonk reeds bemoedigend:
„Ten gevolge van de sedert medio Augustus sterk toegenomen buitenlandsche vraag naar de voornaamste artikelen van land- en tuinbouw en veeteelt, alsmede naar andere voedingsmiddelen, is de export van deze producten naar Engeland en Duitschland niet slechts normaal, maar zelfs grooter dan vroeger geworden”.
De tweede Nota, die den toestand in Januari 1915 weergeeft, kon nog geruststellender luiden, ook al was zij niet onverdeeld gunstig:
„In den landbouw is de gang van zaken weder vrij normaal geworden. De voornaamste bezwaren, waaronder deze gebukt gaat, zijn het gebrek aan veevoeder, voortvloeiende uit de noodzakelijkheid om de rogge voor de voeding der menschen te bewaren,.... benevens de moeilijkheid om voldoende kunstmest te krijgen....
„Mede door gebrek aan veevoeder ging de varkensstapel sterk achteruit, terwijl ook de hoenderteelt zeer belemmerd werd, hetgeen vooral de kleine landbouwers in de roggestreken benadeelde.
„Overigens stegen de meeste landbouwproducten in prijs, ook die zooals aardappelen, voor welke tot op zekere hoogte een uitvoerverbod geldt.
„Ook het stroo, dat volgens het vorige economische overzicht laag geprijsd was, is zeer gestegen.
„De bietenoogst is geheel naar wensch verloopen. De prijzen der zuivelproducten zijn hoog.
„Alles te zamen genomen, hebben de landbouwers over het jaar 1914 allerminst te klagen.
„Zulks is feitelijk ook het geval met de groentetelers, al zijn dan ook de verdiensten in de maand Augustus buitengewoon slecht geweest.
„Op dezen regel zijn intusschen bij den tuinbouw meer uitzonderingen dan bij den eigenlijken landbouw; daar er inderdaad veel kleine bedrijven zijn, die door den zooeven genoemden tegenslag ernstig getroffen werden.
„Ook het gebrek aan varkensvoeder drukt vele tuinders; deze moeten toch in het belang der bemesting deze dieren houden”.
De vierde Nota, over den toestand in April 1915, is al weer heel wat hooger gestemd. Het is de moeite waard den hoofdinhoud van de tamelijk uitvoerige beschrijving, welke die Nota van land- en tuinbouw geeft, onverkort mede te deelen:
„Wat den landbouw betreft, zoo mag er op gewezen worden, dat ook deze in vele opzichten reden tot zeer groote tevredenheid biedt. De landbouwers hebben zeker in het algemeen allerminst reden tot klagen.
„Vele producten zijn sedert het vorige kwartaal nog in prijs gestegen. Dit geldt in de eerste plaats voor varkensvleesch, waarvan de prijs eene buitensporige hoogte bereikte..... Voor zoover kan beoordeeld worden, is de fokkerij, die in den voorgaanden herfst nagenoeg geheel was stopgezet, weder toegenomen.
„Het vette rundvee is ook hoog in prijs. De prijzen der fok- en melkkoeien zijn iets lager dan zij geweest zijn.
„De boterprijzen, die in ’t begin der maand Maart eene sterke daling vertoonden, stegen daarna hooger dan in andere jaren om dezen tijd. Ook de kaasprijzen blijven hoog. Waar de zaken zoo staan, is het niet moeilijk te verklaren dat de landprijzen, ondanks den hoogen rentestand eer eene neiging tot rijzen dan tot dalen vertoonen. Vooral het voor één jaar verpachte grasland bracht hooge prijzen op. Opgemerkt moet echter worden, dat er betrekkelijk weinig verkoopen plaats hebben.