Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken
Part 28
Maar de Regeering is daarbij niet blijven staan. Den 6den Augustus kon ik in de Tweede Kamer mededeeling doen van een circulaire, welke de Minister van Justitie op mijn aandrang dienzelfden dag had gericht tot de verschillende rechterlijke colleges, de ambtenaren van het Openbaar Ministerie en de notarissen, en waarvan ook exemplaren waren gezonden aan advocaten en deurwaarders. De hoofdinhoud daarvan bestond hierin dat de Minister van Justitie, met eerbiediging van de zelfstandigheid der rechterlijke macht, haar zoowel als het Openbaar Ministerie en de notarissen op het hart drukte, de tijdsomstandigheden in aanmerking te nemen en er toe bij te dragen „een gerechtelijke of buitengerechtelijke uitwinning van goederen of faillietverklaring voorshands te voorkomen, wanneer het niet-voldoen aan zijn verplichtingen door den debiteur alleen of hoofdzakelijk moet worden toegeschreven aan de buitengewone omstandigheden” en daarmede „voor zooveel in hun vermogen is, te voorkomen dat de economische toestand voor talrijke Nederlanders niet nog ongunstiger worde dan onvermijdelijk is.”
Die circulaire en haar bekendmaking in ruimen kring was vooral bedoeld als een geruststelling aan den middenstand. Het gevaar van faillietverklaring was daardoor, ook zonder moratorium, hoewel wettelijk niet verminderd, toch feitelijk zeer verkleind. Het is intusschen niet te verwonderen dat de Minister van Justitie met zulk een toestand, welke wettelijken grondslag miste, geen vrede kon hebben. Van daar dat door hem onverwijld werd gearbeid aan een wetsontwerp, dat den rechter wettelijke bevoegdheid zou geven tot uitstel van executie in alle gevallen, waarin hij de overtuiging bij zich droeg, dat de schuldenaar door de omstandigheden buiten staat was geraakt, aan zijn betalingsplicht te voldoen, alsmede dat een uitstel hem zou kunnen baten. Dat wetsontwerp kwam met het ontwerp-beurswet ter tafel in de vergadering van financiers, waarin ook het laatstgenoemd ontwerp werd behandeld. Het kwam daar eenigszins in verdrukking, doordien dit ontwerp bijna den ganschen beschikbaren tijd in beslag nam, maar toch bleek wel dat principieel bezwaar er niet tegen bestond. Ook in de beide Kamers der Staten-Generaal vond het geen principieele tegenkanting. Alleen ging het sommigen, met name den sociaal-democraten, niet ver genoeg.
Zoo kwam de Uitwinningswet tot stand, die op denzelfden dag als de Beurswet, namelijk op 4 September 1914, werd afgekondigd. Volgens die wet kreeg de rechter, indien hij de overtuiging had dat de schuldenaar door de omstandigheden tijdelijk niet in staat was te betalen, niet alleen de bevoegdheid dezen ten hoogste zes maanden uitstel te verleenen, maar werd bovendien wettelijk vastgesteld, dat met zulk een rechterlijk uitstel ook de contractueele nadeelige gevolgen van niet-betaling op tijd--men denke aan het niet tijdig betalen van verzekeringspremies, van huurpenningen enz.--zoolang het verleende uitstel niet was verstreken, zouden worden opgeschort en dat deze geheel zouden vervallen, indien binnen den verleenden termijn door den debiteur alsnog betaald werd.
Deze wet heeft vooral een preventieve werking gehad en sloot zich te dien aanzien geheel aan bij de circulaire van den Minister van Justitie van 6 Augustus. Zij gaf daaraan niet alleen wettelijke wijding, maar zij regelde tevens het juridisch gevolg van het uitstel van executie, dat de rechter wegens de bijzondere tijdsomstandigheden kon verleenen. Op verbintenissen aangegaan nà 29 Juli 1914 en op hetgeen geregeld werd bij de Beurswet is de Uitwinningswet niet van toepassing. Bij de eerstbedoelde verbintenissen valt het motief van deze wettelijke afwijking van het gemeene recht weg, bij de laatste was de Uitwinningswet overbodig en zou zij slechts aanleiding hebben kunnen geven tot verwarring, voor zoover zij als algemeene regeling met de speciale regelen door of krachtens de Beurswet gesteld, niet zou strooken.
Zóó is door geruststelling te brengen en nadeelige gevolgen van uitstel van betaling, ingeval daartoe aanleiding bestond, weg te nemen, het eerste en heftigste stadium van de crisis doorstaan zonder een algemeene opschorting van betalingsplicht, die in stede van rust te geven, nieuwen angst zou hebben gewekt en nieuwe verwikkelingen zou hebben gebracht. Meer nog intusschen dan door deze maatregelen is aan de crisis, toen haar golven hun hoogtepunt bereikten, het hoofd geboden door hetgeen gedaan werd om aan de debiteuren het voldoen aan hun betalingsplicht mogelijk te maken. Allen die daartoe hebben bijgedragen, de Nederlandsche Bank, de Vereeniging voor den Geldhandel en weldra ook de spaarbanken en middenstandscredietbanken, alsmede de steuncomités voor zooveel huurschulden betreft, hebben groote reden tot voldoening over hetgeen door hunne werkzaamheid in overleg en in samenwerking met de Regeering werd bereikt. Noch het aantal faillissementen, noch het aantal uitzettingen wegens huurschuld, noch het aantal andere executies steeg boven het normale cijfer. Ieder voor zijn aandeel heeft reden daarop trots te zijn. En zelfs onder hen, die in Augustus 1914 het sterkst aandrongen op de afkondiging van een moratorium, is er wel niemand, die niet dankbaar er op terugziet, dat aan zijn aandrang werd weerstand geboden.
HOOFDSTUK V.
HET OP GANG HOUDEN DER BEDRIJVEN.
§ 1. _Nijverheid; kolenvoorziening._
Welk een krachtsinspanning er noodig is geweest om in Augustus 1914 het bedrijfsleven weer in het spoor en op gang te brengen, kan men zich het best voorstellen door zich te bedenken, hoeveel meer er toe noodig is, een trein, die ontspoord is, weer op de rails te brengen en aan het rollen te krijgen, dan om hem te doen voortloopen, als hij, zonder stoornissen te ontmoeten, langs zijn baan rolt. De economische spoortrein was bij het uitbreken van den oorlog dusdanig gederailleerd en had zich zoo diep in het zand gewoeld, dat de krachten van de Regeering alleen bij lange na niet voldoende zouden zijn geweest, om hem weer op gang te brengen. Het was niet slechts een enkele wagen, die gelicht moest worden; een gansche trein lag door elkaar, en overal tegelijk moest men de schouders er onder zetten, wilde men hem weer op dreef brengen. Gelukkig bleef de Regeering niet van hulp verstoken. De financiers waren het eerst paraat. Hun voormannen waren reeds bij de hand, toen men er zich nog nauwlijks rekenschap van had kunnen geven, dat er een ontsporing had plaats gehad. Naast de maatregelen op financieel gebied, welke ik in het vorig hoofdstuk behandelde en die veel tijd van bespreking en voorbereiding vorderden, was er, zooals vooral in het tweede hoofdstuk uitkwam, in de eerste dagen van Augustus nog zooveel meer te doen, dat alvorens het Kon. Nat. Steuncomité was tot stand gekomen, de Regeering geen tijd had gehad, om ernstig na te gaan, hoe de ontspoorde economische trein, behalve door de maatregelen tot regeling van het geld- en credietwezen, weer kon worden gelicht en op de rails gezet. Maar met den 10den Augustus 1914 veranderde dit. De financieele reddingsbrigade was op dien dag reeds in volle werking, en toen ook eerste mannen uit de kringen van handel, nijverheid en landbouw zich voor georganiseerde hulpverleening beschikbaar stelden, was men den toestand spoedig meester.
In de avondvergadering van de uitvoerende commissie van het Kon. Nat. Steuncomité, welke op den dag der installatie van dat comité werd gehouden, toen in klein gezelschap dieper werd ingegaan op hetgeen gedaan moest worden, was men het er spoedig over eens, dat het in gang houden van nijverheid en land- en tuinbouw, en wel speciaal van de voortbrenging van levensmiddelen, tot het eerst noodige behoorde. Daartoe moesten vóór alles pogingen worden aangewend om het binnenlandsch goederenverkeer, dat door de eischen, die de mobilisatie en de troepenconcentratie aan de spoorwegen stelden, grootendeels was stopgezet, zoo spoedig mogelijk weer vlot te krijgen, voor zoover dit in verband met de belangen der landsverdediging mogelijk zou zijn.
Voor dit bij uitstek moeilijk onderdeel van de taak, die het Kon. Nat. Steuncomité zich stelde, werd een afzonderlijke commissie gevormd, waarin werden opgenomen: vertegenwoordigers van den Tuinbouwraad, het Landbouwcomité en de Maatschappij van Nijverheid, met den Directeur-Generaal van Landbouw en den chef der afdeeling Handel van het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel; voorts werd besloten de heeren A. G. Kröller, Jhr. H. Loudon, Dr. A. Plate en Dr. F. G. Waller uit te noodigen in die commissie deel te nemen. Zij koos den heer Plate tot haar voorzitter. In de notulen der vergadering werd haar taak aldus omschreven:
„De taak der Commissie zal vooral omvatten:
1e. het voorkomen, dat voedingsmiddelen, die op het oogenblik geen of geen voldoende markt vinden, bederven en verloren gaan;
2e. de fabriekmatige productie en conserveering van levensmiddelen gaande te houden;
3e. de regelmatige en doelmatige distributie van voedingsmiddelen te verzekeren.
„Hiertoe zal, in samenwerking met de daarmede alreeds belaste Afdeelingen van het Departement van Landbouw vooral aandacht gewijd worden aan de distributie van noodzakelijke grondstoffen en hulpmiddelen, als steenkolen, die in de eerste plaats ten goede moeten komen aan de productie en distributie van voedingsmiddelen.
„Ten slotte zal deze Commissie met de Regeering samenwerken in hare pogingen tot beperking van verdere uitbreiding der werkeloosheid. Met het oog op het laatste wordt alreeds in beginsel besloten, dat men zich dadelijk zal wenden tot de plaatselijke steuncommissies en de organisaties op het gebied van den arbeid, met het verzoek het Comité te willen inlichten, ingeval eenige industrie dreigt te worden stopgezet, onder mededeeling van de redenen hiervan en van eventueele middelen om zulks te voorkomen.
„De Afdeeling Arbeid zal zich ten deze wenden tot de fabrieken zelve, aangezien dit meer op haar weg ligt. Overigens zullen de Afdeelingen van het Departement ten deze in alles met het Comité samenwerken, en worden hier de noodige gegevens en cijfers verzameld, die men voor de beoordeeling van den toestand noodig heeft.”
Wat gedaan werd op het gebied der distributie van voedingsmiddelen en ter beperking der werkloosheid werd reeds in vorige hoofdstukken besproken. Hetgeen door de commissie uit het steuncomité en van regeeringswege geschiedde om de nijverheid weer op de been te helpen en het vervoer meer normaal te doen worden, droeg natuurlijk indirect krachtig bij tot de inperking der werkloosheid.
In de eerste plaats vroeg het vervoerwezen de aandacht. De nijverheid ondervond van de desorganisatie daarvan, als gevolg der militaire maatregelen, groote belemmeringen. In verschillende nijverheidscentra, waarheen de fabrieksbevolking gewend is ’s morgens per trein te gaan, om ’s avonds op dezelfde wijze naar huis terug te keeren, was het voor de arbeiders zelfs nauwlijks mogelijk naar de fabriek te komen. Het vervoer van vrachtgoederen per spoor was zoo goed als uitgesloten. Zelfs het verkeer te water was grootendeels gestremd. De schippers waren bevangen door schrik en vreesden gevaar ook op de meest veilige vaarten en kanalen; op sommige kanalen was de vaart gestremd door maatregelen ter voorbereiding van de eventueel te stellen militaire inundatie; stoombootdiensten lagen stil door kolennood.
Er was dus heel wat te doen. Bij de militaire autoriteiten werd een gewillig oor gevonden om de grootste misstanden zoo spoedig mogelijk weg te nemen. Het spoorwegverkeer verbeterde in de tweede helft van Augustus 1914 zienderoogen en in de volgende maanden naderde het geleidelijk meer tot den normalen toestand. Met de schippersvereenigingen werd overleg gepleegd om deze te wijzen op de wenschelijkheid hun leden te doordringen van het ongegronde van hun vrees. De paniekstemming onder de schippers ging gelukkig spoedig voorbij. De afsluiting van kanalen voor de militaire inundatie werd tot het strikt noodzakelijke beperkt. Het verkeer te water werd door een en ander spoedig weer zoo goed als normaal.
Toch bleef voor de schipperij de toestand in de eerste maanden van de oorlogscrisis vrij droevig. Het plotseling stilliggen van den doorvoerhandel naar Duitschland bracht de Rijnvaart grootendeels tot stilstand. Hierin kon zoolang de oorlog duurde geen verbetering komen. Noch de Regeering noch het steuncomité waren bij machte daaraan iets te verhelpen. Die stilstand in de Rijnvaart, gepaard aan de algemeene terughouding van nijverheid en landbouw, als onvermijdelijk gevolg van de onzekerheid der toekomst, werkte op de geheele binnenschipperij terug. In het najaar kwam wel meer vertier door het vervoer van aardappelen en bieten naar de aardappelmeel- en de suikerfabrieken, maar geheel kon dit de schipperij toch niet aan werk helpen. De binnenvaart herstelde zich over het algemeen eerst in den loop van 1915. Verscheiden schippers verhuurden in den slappen tijd hun schip aan het Rijksgraanbureau als opslagplaats van regeeringsgraan.
Evenals de Rijnvaart bleef het havenbedrijf te Rotterdam sterk onder den invloed van den toestand, zonder dat het ook hier mogelijk was verbetering aan te brengen. In alle havens was na het uitbreken van den oorlog een oogenblik van stilstand. Maar over het algemeen herstelde zich de toestand spoediger dan men had durven verwachten. In de Amsterdamsche haven werd het bedrijf, hoewel met schommelingen, in den loop van 1915 zelfs haast weer normaal. Dit is hieraan toe te schrijven, dat Amsterdam een betrekkelijk groot aantal vaste lijnen heeft en dat de handel daar voornamelijk eigen handel is van de Amsterdamsche kooplieden. De doorvoerhandel naar en van Duitschland bekleedt er een minder belangrijke plaats. Een gevolg van de ligging van de Amsterdamsche haven. In Rotterdam daarentegen deden de gevolgen van den oorlog zich bij voortduring sterk gevoelen. De Rotterdamsche haven is vóór alles doorvoerhaven voor het verkeer naar en van Duitschland en wordt in normale tijden zeer veel door schepen van vreemde nationaliteit aangedaan. Met het stilliggen van dien doorvoer, ontzonk aan de Rotterdamsche haven het hoofdbestanddeel van haar voeding. Het verkeer werd in deze haven dientengevolge tot omstreeks een derde van den normalen omzet teruggebracht en het is niet aan te nemen, dat daarin, zoolang de oorlog duurt, merkbare verbetering zal kunnen komen.
Sprekende over het goederenverkeer, heb ik hetgeen in het algemeen over de binnenschipperij en het havenbedrijf is te zeggen,--twee takken van bedrijf, welke men in ons land niet licht mag tellen,--met een enkel woord hier behandeld, opdat ik daarop later niet behoef terug te komen. Er was evenwel ter verhelping van den stilstand in het bedrijfsleven in Augustus heel wat meer noodig dan alleen het weder op gang brengen van het binnenlandsch vervoer. Er dreigde een economisch gevaar, dat voor alle takken van bedrijf en ook voor het vervoer zelf noodlottig had kunnen worden, namelijk kolennood. Men moet de vrees daarvoor hebben medegemaakt, om te weten wat dit beteekende.
De Limburgsche kolenmijnen zijn in de latere jaren wel sterk uitgebreid en met name de staatsmijnen kunnen op een verblijdend toenemende productie wijzen, maar toch voorziet de Limburgsche mijnindustrie in haar tegenwoordig stadium van ontwikkeling in nog niet een derde gedeelte van de Nederlandsche behoefte; bovendien zijn de Limburgsche kolen niet voor alle industrieën geschikt. De constructie der ovens bepaalt in hooge mate de soort van steenkool, die verstookt worden kan. Waar men nu geheel in het onzekere verkeerde, hoe het met den aanvoer van kolen van Duitsche en van Engelsche zijde zou gaan, stond men hier, zelfs als men de huisbrandkolen voorloopig op den achtergrond stelde, wat met het oog op den tijd van het jaar kon geschieden, voor een vraagstuk van de allergrootste beteekenis. Mij benauwde het zoozeer, dat ik mij in den eersten tijd elken dag geregeld op de hoogte liet houden van den kolenaanvoer van buiten en herhaaldelijk in den Ministerraad mededeeling deed van het aantal tonnen buitenlandsche kolen dat binnengekomen was. Nederland is in normale omstandigheden bijna voor twee derden van zijn kolenbehoefte op Duitschland en België aangewezen, Engeland levert ongeveer 10 procent.
Het gevaar dat hier dreigde, moest aanstonds onder de oogen worden gezien. Toen het mogelijk bleek enkele der uitvoerverboden vooral van land- en tuinbouwproducten, die in het begin van Augustus voorzichtigheidshalve waren uitgevaardigd, weer in te trekken, gaf dit aanstonds verlichting. Wij konden geen kolen van elders krijgen, indien wij niet van de producten, waarvan ons land meer voortbrengt dan voor de eigen behoefte noodig is, een deel over de grens lieten gaan. Het weder openzetten van de grens, behoudens de noodige beperkingen, geschiedde echter niet in de eerste plaats met het oog op het kolenvraagstuk. Geheel afgescheiden daarvan zou het onmogelijk zijn geweest, ons binnen ons eigen gebied economisch op te sluiten; zulk een politiek zou nog heel wat meer schade hebben berokkend dan de oorlogstoestand zelf. Daarbij zou hetgeen hier niet noodig en hier niet verkoopbaar was, waardeloos zijn geworden, terwijl het in den vreemde goed kon worden verkocht en de aldus verkregen vorderingen op het buitenland, in kolen en andere hulp- en grondstoffen voor nijverheid en landbouw konden worden afbetaald.
Maar al geschiedde de opheffing van verschillende uitvoerverboden, welke omstreeks half Augustus plaats had, niet met het oog op het kolenvraagstuk; het had daarop een aanstonds voelbare gunstige werking. Spoedig kwamen weer geregeld kolenladingen, zoowel van Duitschland als van Engeland binnen. Toch bleef men wat het kolenvraagstuk betreft, op een smeulende vulkaan zitten. De aanvoer uit Engeland werd spoedig onzeker wegens het toenemende gebrek aan scheepsruimte en de gevaren van de zeevaart en bovendien gebruikten beide oorlogvoerende landen, ook al werd het niet met zooveel woorden uitgesproken, onze kolenbehoefte als achtergrond bij het stellen van meer of minder ver gaande economische eischen, waaraan niet altijd kon worden voldaan. Vooral Duitschland, dat op het stuk der kolenvoorziening, zooals uit de zooeven medegedeelde cijfers blijkt, den grootsten druk kan uitoefenen, trachtte het daarheen te leiden, dat er tusschen de beide regeeringen een ruilpolitiek op meer of minder vast accoord zou worden gedreven. Onze Regeering, inzonderheid de Minister van Buitenlandsche Zaken heeft van zulk een vaste ruilpolitiek evenwel niet willen weten. Volkomen terecht. Het volgen daarvan zou ons zeker in moeilijkheden hebben gebracht. Dit neemt intusschen niet weg, dat feitelijk met onze behoefte aan Duitsche grond- en hulpstoffen, en wel in de eerste plaats aan Duitsche kolen, werd rekening gehouden. Dit kon niet anders en het zou struisvogelpolitiek zijn geweest, de noodzakelijkheid daarvan te ontkennen. Ruilaccoorden behoefden echter niet te worden aangegaan en werden niet gesloten. Duitschland had niet minder behoefte aan verschillende producten van den Nederlandschen land- en tuinbouw dan wij aan Duitsche kolen. Zijn eigen belang bracht dus mede ten aanzien van zijn kolen niet al te vasthoudend te zijn, anders zou het nog meer in goud hebben moeten betalen en zou de markenkoers nog meer zijn gedrukt. Wat het kolenvraagstuk aangaat, zijn wij in het internationaal verkeer wel niet sterk, maar geheel machteloos waren wij ook daarbij in den oorlogstijd gelukkig niet.
Uit het voorgaande blijkt wel, hoe noodig het was, dat men zich van dag tot dag op de hoogte hield van de kolenvoorziening. Toen bleek dat, al behoefde niet voor absoluut gebrek te worden gevreesd, toch niet gerekend kon worden op meer dan ongeveer twee derden van den normalen aanvoer van elders, kon men de kolenvoorziening niet eenvoudig haar gang laten gaan. Het gevolg daarvan zou geweest zijn, dat sommige fabrieken voldoende voorraden zouden ontvangen, andere wegens kolengebrek zouden moeten stopzetten, en dat er groote speculatie in steenkool zou ontstaan, waardoor de prijzen, die toch reeds rijzen moesten, nog heel wat meer dan noodig zou zijn ter goedmaking van verhoogde productie-, aanschaffings- en vervoerkosten, in de hoogte zouden worden gejaagd en dat van een en ander de zwakkere bedrijven, de zoogenaamde marginale ondernemingen, die zonder te groote verhooging van kosten nog juist meekonden, zouden te gronde gaan.
Onder deze omstandigheden moest niet alleen gezorgd worden voor kolenaanvoer, maar ook voor een zooveel mogelijk gelijkmatige verdeeling van hetgeen aangevoerd werd. De zooeven bedoelde commissie uit het Kon. Nat. Steuncomité hield zich evenals de Minister van Landbouw met de zaak voortdurend bezig. Om haar tot een bevredigende oplossing te brengen bleek het gewenscht, een regeling te treffen, waarbij de geheele nijverheid invloed kon doen gelden op de behartiging harer belangen bij het kolenvraagstuk. Deze kwestie is dan ook de naaste aanleiding geweest, dat de commissie voor de economische belangen uit het Kon. Nat. Steuncomité, in overleg met het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel, werd gesplitst in de Commissie voor de voeding van mensch en dier, waarover in hoofdstuk II werd gesproken, en de Nijverheidscommissie. De installatie van deze laatste commissie had plaats door den Minister van Landbouw, als tweeden algemeenen voorzitter van het Kon. Nat. Steuncomité op 5 Januari 1915, daags na de installatie van de Commissie voor de voeding van mensch en dier.
De Nijverheidscommissie werd gesteld onder voorzitterschap van Prof. Is. P. de Vooys, als voorzitter van de uitvoerende commissie van het Kon. Nat. Steuncomité. Daarin werden als leden opgenomen de heeren, die zitting hadden gehad in de commissie ter behartiging van de economische belangen van nijverheid en landbouw, welke op 10 Augustus 1914 was gevormd, voorts werd zij samengesteld uit de voorzitters van de verschillende algemeene vereenigingen en bonden op industrieel gebied en werden daarin nog bovendien als leden opgenomen Prof. Dr. S. Hoogewerff, Dr. D. W. IJssel de Schepper, Directeur van de Kaarsenfabriek te Gouda en de heeren Mr. Dr. W. F. J. Frowein, Directeur van de Staatsmijnen in Heerlen en Mr. A. Haex, secretaris van de Commissie voor den afzet van Limburgsche kolen. De chef van de afdeeling Handel van het Departement van Landbouw werd adviseerend lid van de commissie; als algemeen secretaris trad op de Directeur-Generaal van den Arbeid, algemeen secretaris van het Kon. Nat. Steuncomité. Uit de groote commissie werd een bureau samengesteld, dat geregeld tweemaal per week vergaderde.
In zijn installatie-rede van de Nijverheidscommissie zeide de heer Posthuma:
„De Commissie kan, zooals zij thans is samengesteld, geacht worden een veelomvattend geheel te zijn van deskundigen achter wie daarenboven nog de door hen vertegenwoordigde organisaties staan. Zij vormt dus de vertegenwoordiging van de georganiseerde industrieele bedrijven. Mocht later blijken, dat het wenschelijk is aan de Commissie alsnog vertegenwoordigers van andere bedrijven toe te voegen, dan zal dit alsnog geschieden.
„Het ligt in de bedoeling de Commissie in haar geheel slechts samen te roepen voor zaken die de geheele industrie betreffen en voor bijzondere aangelegenheden telkens overleg te plegen met die leden der Commissie, die op een bepaald gebied deskundig zijn.
„Ten einde een goed verband te houden met de commissie van uitvoering van het Kon. Nat. Steuncomité was het wenschelijk leden van die Commissie, namelijk de Voorzitter en het lid, dat de Maatschappij van Nijverheid vertegenwoordigt, in de gereorganiseerde subcommissie op te nemen”.