Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken
Part 27
Door dit onderzoek werden dus zeer waardevolle gegevens verkregen omtrent de beteekenis van het object, waarover men regelingen had te maken. Die regelingen zelf waren intusschen reeds gereed, voordat het onderzoek van den president van de Nederlandsche Bank was afgeloopen. De beursvoorschriften werden den 15en Januari 1915 vastgesteld. Het zou mij te ver voeren op den inhoud daarvan in te gaan. Slechts op één bepaling moet ik de aandacht vestigen. Voor de verschillende fondsen waren onderpandkoersen vastgesteld, die aanvankelijk weinig afweken van de beurskoersen op den dag vóór de sluiting. In de beursvoorschriften werd nu aan de geldnemers de bevoegdheid gegeven geldleeningen, dagteekenende van vóór 29 Juli 1914, waarvan het onderpand, berekend naar de eerst vastgestelde onderpandkoersen, een surplus aanwees van 20 pct. of tot dit surplus zou worden aangevuld, zooals men het in beurskringen heeft genoemd, te blokkeeren. Die blokkeering bestaat hierin, dat die leeningen door den geldgever niet eerder zullen kunnen worden aangezegd of opgevraagd dan zes maanden, nadat de vrede tusschen Duitschland, Engeland en Frankrijk zal zijn gesloten. Over de geblokkeerde posten moet een rente worden betaald, die aanvankelijk gesteld werd op ½% boven de rente van de Nederlandsche Bank voor voorschotten in rekening-courant, doch niet minder dan 6% ’s jaars.
Eerst lachte mij het blokkade-denkbeeld weinig toe, omdat ik er bij de ingewikkeldheid der beursrelaties verwikkelingen van vreesde. Toen echter alle kringen van beursbelanghebbenden met het denkbeeld ingenomen bleken te zijn, was er voor de Regeering geen reden daaraan niet haar goedkeuring te hechten. De belanghebbenden bleken trouwens de zaak juist te hebben ingezien; het blokkeeringsstelsel heeft goed gewerkt en de afwikkeling van prolongaties, die van vóór de crisis dagteekenden, bevorderd. Daartoe heeft ook de medewerking der Nederlandsche Bank veel bijgedragen. Met vermijding van het uitschakelen der commissionnairs-tusschenpersonen heeft zij zich bereid verklaard zoowel geblokkeerde als niet geblokkeerde posten, die van vóór 27 Juli 1914 dagteekenden, over te nemen. Het verslag van de Bank over 1914/15 zegt hierover o.m.: „Aangezien De Nederlandsche Bank in de eerste plaats zich geroepen gevoelde mede te werken om de oorspronkelijke geldgevers weder in het bezit van contant geld te stellen, vooral omdat onder die oorspronkelijke geldgevers behoorden vele der groote spoorweg-, stoomvaart- en cultuurmaatschappijen, fabrieken en coöperatieve vereenigingen, werkmansbonden, spaarbanken en nog vele anderen, die hun beschikbaar geld slechts tijdelijk hadden uitgezet, en nu zelven die gelden dringend behoefden, verklaarde De Nederlandsche Bank zich bereid het onderpand, in handen dier primaire geldgevers, over te nemen en daarop voorschotten te verleenen. Wel behield de Bank zich voor om het bedrag van het voorschot zelve te bepalen in verband met de koerswaarde, welke zij aan het onderpand wilde toekennen, zoodat niet altijd het volle bedrag van de prolongatie in voorschot kon worden uitgekeerd.
„Van eene tweede categorie, zijnde de commissionnairs-geldnemers ter beurze, die op hun beurt weder ter beurze geldgevers van anderen waren, wilde de Bank wèl prolongatieposten overnemen, doch met voorbehoud dat zij het onderpand naar eigen opvatting zou waardeeren.”
Door deze medewerking en ook door een stijging der Amerikaansche fondsen, waarvan men bij den aanvang der crisis zelfs niet had durven droomen, heeft de afwikkeling der oude posten een zoo ongedacht gunstig verloop gehad, dat het overgroote deel daarvan op het einde van het jaar 1915 reeds geliquideerd was.
Een wijziging in de beursvoorschriften moest spoedig worden aangebracht naar aanleiding van een gerechtvaardigd bezwaar van de Nederlandsche Bank tegen de vastknooping der prolongatierente voor de oude posten aan de rente der Bank voor voorschotten in rekening-courant. Boven[14] wees ik er op, dat tegen die vastkoppeling in de eerste crisisweken niets was te doen en dat zij een consequentie was van den geheelen crisistoestand. De Bank kwam er echter terecht tegen op, dat die op zich zelf ongewenschte consequentie officieel zou worden vastgesteld en bestendigd in een ministerieel voorschrift, dat bestemd was om gedurende den geheelen oorlogstijd te gelden. De desbetreffende artikelen werden daarom op haar aandrang den 11den Februari 1915 gewijzigd. Het verband tusschen de prolongatierente en de rente, welke de Bank voor hare voorschotten berekent, werd daarbij geheel losgeknipt. Practisch kwam de verdwijning van dit verband uit, toen op 30 Maart 1915 de prolongatierente door mij op 5½% werd bepaald, zonder dat eene wijziging in de bankrente daarmede gepaard ging.
[14] Zie bl. 213/4.
Reeds spoedig nadat de eerste crisisweken voorbij waren, begon zich te Amsterdam een niet-officieele beurs te ontwikkelen. Ik heb toen gemeend, eenigszins tegen het advies van mijn raadgevers in, daartegen te moeten optreden. Als reden daarvoor gaf ik in de Eerste Nota betreffende den Economischen Toestand op: „Natuurlijk kan niet verhinderd worden, dat ondershands, buiten de beurs om, effecten worden verhandeld. Ondergeteekende heeft echter gemeend maatregelen te moeten nemen om tegen te gaan, dat deze handel toch een eenigszins officieus, zij het dan al niet officieel, karakter zou aannemen. Dit toch zou de bedoeling der Beurswet kunnen verijdelen en zou tot moeilijkheden moeten aanleiding geven, als de beurs te zijner tijd voorloopig slechts voor enkele fondsen geopend zal worden. Er moet dan voor worden gewaakt, dat de handel ter beurze tot die toegelaten fondsen beperkt zal blijven. Dit zou echter zeer worden bemoeilijkt, als vóór de beperkte officieele opening der beurs oogluikend reeds een onbeperkte beurshandel in effecten was toegelaten.”
De beurs werd op 9 Februari 1915 weer geopend; eerst slechts voor een zeer beperkt aantal fondsen. Langzamerhand kon de noteering worden uitgebreid, zoodat thans bijna alle vóór de crisis courante fondsen weer genoteerd worden. Met de opening der beurs was zoowel de mogelijkheid tot executies als tot het geven van nieuw geld op prolongatie geopend. Verschillen over de bepalingen, waaraan de nieuwe prolongaties zouden onderworpen zijn, gerezen tusschen de Vereeniging voor den Effectenhandel en de groote geldgevers, gaven aanleiding dat de laatstgenoemden een Prolongatievereeniging oprichtten, waartoe niet alleen de groote bankiers maar ook een aantal handelsondernemingen, verzekeringmaatschappijen en spaarbanken als oorspronkelijke geldgevers op prolongatie toetraden. Zij had ten doel den grooten geldgevers het vertrouwen in de wijze waarop hun geld ter beurze wordt uitgezet, dat door hetgeen gebeurd was, zeer was geschokt, te hergeven en daartoe de bepaling der prolongatievoorwaarden niet langer--voorloopig behoudens het staatstoezicht krachtens de Beurswet--uitsluitend over te laten aan de Vereeniging voor den Effectenhandel, maar ook de primaire geldgevers medezeggenschap daarin te verzekeren. De oprichting dezer vereeniging, welke weder onder het presidium van den heer Van Aalst gesteld werd, werkte op de zooeven bedoelde verschillen niet juist als olie op de golven, veeleer als olie in het vuur. Het scheen alsof de heeren niet tot overeenstemming waren te brengen. Het is een niet geringe verdienste van de Commissie van uitvoering der Beurswet, dat zij niet heeft gerust, vóór zij een compromis had weten tot stand te brengen. Toen dit eindelijk, na veel vergeefsche pogingen, gelukt was, verklaarde de Nederlandsche Bank zich bereid ook dergelijke nieuwe prolongatieposten over te nemen, indien deze bij opzegging eventueel niet weder ter beurze zouden kunnen worden overgeplaatst. Daarmede heeft de Bank tot de ontwikkeling der nieuwe prolongatiemarkt veel bijgedragen. De ruimte van geld, die in den loop van het jaar 1915, met slechts enkele golvingen in nedergaande richting, gestadig toenam, werkte natuurlijk tot die ontwikkeling krachtig mede.
De effecten- en de geldhandel hebben zich spoediger van den schok van Juli 1914 hersteld, dan iemand in den eersten tijd van de crisis had durven droomen, laat staan: hopen. De gunstige keer der omstandigheden, inzonderheid de onverwacht hooge stijging der Amerikaansche fondsen en de toenemende ruimte van geld, is hierin ongetwijfeld de belangrijkste factor geweest. De Beurswet kon dat effect niet teweeg brengen; dat hebben haar ontwerpers zich ook geen oogenblik van haar voorgesteld. Haar doel was geen ander dan ongelukken in den crisistijd te voorkomen en de geleidelijke afwikkeling van zaken, zonder dat dit tot onheilen zou leiden, te bevorderen naar gelang de donkere wolken van den eersten crisistijd voor het blauw aan den financieelen hemel zouden plaats maken. Dat doel heeft zij bereikt, n’en déplaise de sombere voorspellingen, die bij haar voorbereiding in enkele politieke, juridieke en financieele kringen omtrent hare werking nog meer werden gemompeld dan openlijk uitgesproken.
§ 4. _De aandrang tot een moratorium._
Het zou onvolledig zijn den aandrang tot een moratorium met stilzwijgen voorbij te gaan. Die aandrang was zóó groot en kwam van zóó verschillende kanten, dat er heel wat weerstandskracht voor noodig was om daaraan het hoofd te bieden. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de Regeering er voor zou zijn bezweken, indien zij bij haar afwijzing niet krachtdadig ware gesteund geworden. In de eerste dagen van de oorlogscrisis werd ik overstroomd door allerlei zenuwachtige raadgevingen en adviezen over hetgeen op economisch gebied moest worden gedaan, en door allerlei uitingen van angstgevoel over hetgeen er van den economischen toestand terecht zou komen. De vragen om hulp waren even bont van samenstelling als de ongevraagde adviezen; maar als een reus onder de dwergen stak de aandrang tot het uitschrijven van een moratorium boven al het andere uit. De een smeekte er om, een andere eischte het, een derde beval het aan als redder in den nood, een vierde bracht mij in herinnering, dat „aux grands maux les grands remèdes” moeten worden toegepast. Particuliere middenstanders en groothandelaars, deputaties van Kamers van Koophandel en belangstellende rechtsgeleerden vroegen als om strijd om een moratorium. Mondeling zoowel als schriftelijk kwam de aandrang. Het regende brieven zoowel als bezoeken met die strekking; het scheen een oogenblik haast een niet te stuiten sneeuwbal. En in de Staten-Generaal vond die gemoedsstemming van een groot deel van het publiek weerklank bij alle partijen. Op 3 Augustus drong de heer De Visser aan op het in overweging nemen van „wat men met een algemeenen term noemt een moratorium”. Bij hem sloot zich onmiddellijk de heer Troelstra aldus aan: „Met hetgeen door den geachten afgevaardigde uit Katwijk hier in het midden is gebracht, kan ik mij vereenigen. Ik wensch dien aandrang te ondersteunen.... Door den heer De Visser is gesproken over het moratorium. De bedoeling van den heer De Visser zal waarschijnlijk ook zijn, dat daaronder zullen vallen de woninghuren, want het moet ook niet kunnen voorkomen, dat gedurende den oorlogstoestand menschen, die onmachtig zijn om huur te betalen, uit hun woningen zouden worden gezet.”
In de Eerste Kamer bleef het daar niet bij. De heer Fokker stelde er de volgende motie voor: „De Eerste Kamer noodigt de Regeering uit binnen korten tijd een wetsontwerp tot instelling van een moratorium aan de goedkeuring der Staten-Generaal te onderwerpen.” Die motie vond bestrijding bij de heeren Laan en Van Nierop. Toen deze daarbij ook tegen het moratorium zelf waarschuwden, kwam de heer Woltjer tusschenbeide. Hij verdedigde wel is waar de motie niet en achtte het verkeerd, dat zij was ingediend, maar--zoo zeide hij--”het spijt mij ook, dat de heeren Laan en Van Nierop er tegen gesproken hebben, zooals zij deden, omdat hun spreken eigenlijk tegen een moratorium was gericht.”
Tegenover dat algemeene verlangen werd de Regeering gesterkt vooral door een krachtig afwijzend advies van de groote bankiers. In de Eerste Kamer zeide ik daarvan: „De quaestie van een moratorium heeft reeds sinds eenige dagen de ernstige overweging uitgemaakt van den Ministerraad. Over de quaestie van het moratorium is Zaterdag zeer uitvoerig gesproken in de vergadering die de Ministers van Financiën en Justitie en ik zelf gehad hebben met den president van de Nederlandsche Bank, het consortium van bankiers, waarop de heer Van Nierop doelde, den voorzitter van den Provincialen Bond van effectenhandelaren, den voorzitter van de Rotterdamsche Vereeniging en die van de Amsterdamsche Vereeniging voor den Effectenhandel. Na zeer ampele bespreking van het voor en tegen is men toen gekomen tot de conclusie, dat men hoopte, gelijk zooeven de heer Van Nierop het zeide, zonder moratorium den toestand meester te kunnen blijven. Ik geloof dat er op dit oogenblik geen reden is om daaraan te wanhopen. Nadat Zaterdag het besluit genomen was, waarmede de Regeering zich eenstemmig verklaarde, wordt door de Regeering geen voorstel tot een moratorium gedaan. En nu is mij gisteren door den voorzitter van den Provincialen Bond voor den effectenhandel telephonisch medegedeeld.... (De heer Van Nierop: die het moratorium het meest wenschte).... dat het bestuur van den Provincialen Bond overleg heeft gepleegd met het bewuste syndicaat van bankiers te Amsterdam, en dat men daarbij is gekomen tot een regeling, speciaal wat betreft de wijze van handelen met opvragingen van deposito’s, waardoor de beschikbare kredietmiddelen op zoo goed mogelijke wijze ter beschikking zullen worden gesteld van hen, die ze werkelijk absoluut noodig hebben....”. In de Tweede Kamer had ik even te voren in gelijken geest gesproken. Daar had ik er nog aan toegevoegd:
„Maar ik kan aan den heer Troelstra de verzekering geven, wanneer het mocht gebeuren dat op het oogenblik op eenigszins belangrijke schaal personen, die in de tegenwoordige omstandigheden hun woninghuur niet kunnen betalen, uit hun woning werden gezet, zij het dat dan ook niet een algemeen moratorium zal worden afgekondigd, toch maatregelen zullen worden genomen om dat tegen te gaan.
„Dat op het oogenblik geen executies worden gedaan wegens achterstallige belastingen--de heer Troelstra zeide het zelf--het spreekt zoo absoluut van zelf, dat men daaromtrent van de zijde der Regeering wel geen verklaring zal verlangen.
„Ik kan dus dit zeggen, wat betreft het punt van het moratorium, dat de zaak in ernstige overweging is geweest bij de Regeering; dat men op het oogenblik heeft gemeend ter wille van het krediet niet verder op dit denkbeeld te moeten ingaan en voorloopig het geheele denkbeeld van het instellen van een moratorium ter zijde te moeten stellen....
„Waarom heeft de Regeering begrepen dat men in de kringen van den geld- en crediethandel hier juist zag? Omdat het groote gevaar, natuurlijk naast het oorlogsgevaar, is dat het Nederlandsche publiek onder den indruk van de toch reeds zoo ernstige toestanden, de zaak nog veel erger maakt door wantrouwen te toonen, waar dat wantrouwen niet op zijn plaats is. Wanneer nu van de Regeering reeds uitging een voorstel om een algemeen moratorium in te stellen, d. w. z. om ieder die schuld heeft gedurende zekeren tijd te ontslaan van de verplichting om die te betalen, kan men vooruit verwachten, dat dit opnieuw groote schokken op de credietmarkt tengevolge zou hebben.”
Intusschen was met deze afwijzende houding de aandrang tot het uitschrijven van een moratorium niet gebroken. In de vergadering van de Tweede Kamer van 6 Augustus bepaalde de heer Bos zich er toe, nogmaals het oordeel van de Regeering omtrent de zaak te vragen. De heer Aalberse daarentegen ging verder. In aansluiting aan hetgeen door den heer De Visser in de vorige vergadering was opgemerkt, vroeg hij „of in de dagen die sinds de vorige vergadering verloopen zijn, door de Regeering nog overwogen is, of de bezwaren van den toestand zooals die nu is, misschien toch niet erger zijn dan de bezwaren welke men vreest van de invoering van een moratorium.”
Die hernieuwde aandrang was trouwens een weerklank op hetgeen nog bij een groot deel van het publiek daaromtrent leefde. Het gesprokene in de vergaderingen van 3 Augustus had de stroom van verzoeken tot het wettelijk toestaan van uitstel van betalingen niet gestuit. Woensdag 5 Augustus had ik zelfs een bezoek gehad van verschillende voorzitters van Kamers van Koophandel ter mondelinge toelichting van een verzoek in dien geest. Die heeren bracht ik bij dat bezoek de groote bezwaren tegen voldoening aan hun wensch onder het oog, en ik kreeg den indruk, dat, zoo zij al niet door mij bekeerd waren, ik hun eigen overtuiging toch aan het wankelen had gebracht. In overeenstemming met wat ik hun binnenskamers had gezegd, gaf ik den volgenden dag in de Tweede Kamer voor de tweede maal een afwijzend betoog, dat ik hier laat volgen, omdat daarin alle gronden van de Regeering tot afwijzing van het moratorium zijn samengevat:
„De Regeering is ook geheel doordrongen niet alleen van de gewettigdheid, maar ik mag wel zeggen ook van het sympathieke van de vrees van zoovele handelaars en industrieelen, dat zij door de omstandigheden zouden kunnen komen in faillissement.
„Het is inderdaad gelukkig, dat onder degenen, die zich met handel en nijverheid bezighouden, hier in Nederland een zóó sterk gevoel bestaat dat zij moeten opkomen voor hun goeden naam, dat de vrees dat zij in faillissement zouden kunnen geraken, hun reeds in zoo hooge mate benauwt.
„Ik begrijp dus ten volle den aandrang, die telkens weer geoefend wordt tot het uitschrijven van een moratorium, maar ik ben het met den geachten afgevaardigde uit Winschoten eens, dat--het bleek tusschen de regels door in hetgeen hij zeide--wat een moratorium eigenlijk beteekent, niet altijd helder voor den geest staat bij hen die er naar vragen. Nu wil het mij voorkomen, dat zoo algemeen als men het zich voorstelt, dat van regeeringswege zou kunnen worden bepaald, dat men eenvoudig gedurende eenigen tijd zijn schulden niet meer behoeft te voldoen, dit toch wel een onmogelijkheid zijn zal.
„Ik wijs in de eerste plaats op de vorderingen wegens gepraesteerden arbeid. Niemand zal toch willen dat de werklieden aan het eind der week niet meer zouden kunnen rekenen op de betaling van hun loon. Ik wijs verder op alles wat betreft de levensmiddelenindustrie. Stel eens dat het zóó ver ging, dat men zou bepalen, dat men niet verplicht was te betalen schulden, die gemaakt zijn in verband met de levensmiddelenindustrie of de levensmiddelendistributie. Ik behoef wel aan niemand te zeggen dat men de zaak daardoor niet beter zou maken. Wanneer fabrikanten wel verplicht zouden zijn om aan allerlei verplichtingen te voldoen wat werkloonen betreft, en wat betreft ook het betalen van grondstoffen--want zij zouden die grondstoffen niet anders dan tegen contant geld kunnen krijgen, zoodra er een moratorium was--maar wanneer zij uitstaande vorderingen hadden, die niet binnen zouden krijgen, iedereen voelt dat dan al heel spoedig het geheele economische leven vast zou loopen, veel erger dan op het oogenblik het geval is.
„Daarbij komt dat sommigen zich van het moratorium niet meer voorstellen dan alleen de opheffing van de verplichting om wisselschulden te betalen. Die opheffing van de verplichting om wisselschulden te betalen, wanneer het niet verder ging dan dit, zou natuurlijk niet zóó ernstige gevolgen hebben. Maar daar zouden andere ernstige gevolgen aan verbonden zijn, namelijk dit, dat men dan wel min of meer misschien den groothandel zou helpen en enkelen van den middenstand, maar dat de middenstand in het algemeen daarmede niet geholpen zou worden.
„Men moet in de zeer abnormale omstandigheden waaronder het economisch leven thans moet worden geleid, nu het kredietwezen gestoord is zonder dat iemand daar iets aan verhelpen kan, uiterst voorzichtig zijn die stoornis niet grooter te maken. Welnu, Mijnheer de Voorzitter, degenen in overleg met wie de Regeering thans bezig is te trachten aan de economische crisis het hoofd te bieden, ontraden, blijven ontraden met de meeste beslistheid het instellen van een moratorium.
„Hedenmorgen heb ik het volgende telegram ontvangen:
„Vergadering Bankconsortium bijgewoond door de Nederlandsche Bank is na rijp beraad van oordeel, dat moratorium een allerbedenkelijkste sprong in het duister zou zijn, waardoor de ongerustheid niet verminderd, doch vermeerderd zou worden. Bij de groote elasticiteit der Nederlandsche Bank, welke blijkens laatsten bankstaat nog over zeer voldoende middelen beschikt en de bevredigende werking van het Banksyndicaat, dat handel en industrie zooveel mogelijk gaande houdt en spaarbanken steunt en waaraan nog grooter publiciteit zal worden gegeven, adviseert zij ten sterkste tegen moratorium dat het geheele credietwezen zou ontwrichten en groote rampen speciaal voor Indië zou medebrengen, alsook den goeden naam van Nederland voor langen tijd onnoodig zou schokken. Uit die kringen welke thans op moratorium aandringen, ontving het bankiersconsortium geen noemenswaardige aanvragen. Eerst indien de toestanden nog veel ernstiger mochten worden, zou aan speciale wettelijke maatregelen gedacht moeten worden.”
Dat was de laatste maal, dat ik mij tegenover aandrang tot uitschrijving van een moratorium behoefde schrap te zetten. Ik beeld mij intusschen niet in, dat dit op rekening van mijn overredingskracht mag worden geschreven. De oorzaak daarvan ligt elders en dieper. De algemeene economische toestand zelf werd, zooals wij reeds zagen en in het volgende hoofdstuk nog nader zal uitkomen, spoedig daarna zooveel minder gespannen, dat het verlangen naar een moratorium daarin met den dag minder voedsel vond. De ontwikkeling van den toestand zette de kroon op het hoofd van hen, die het uitschrijven van een moratorium zoo positief hadden ontraden en wettigde daarmede tevens de afwerende houding der Regeering.
Intusschen meene men niet, dat er geen verandering in betalingsplicht was gekomen. In het algemeen gesproken en de feiten alleen toetsend aan de rechtsregelen, die er op van toepassing zijn, werd er daarin inderdaad niets gewijzigd, voordat de Uitwinningswet en de Beurswet in het Staatsblad kwamen. Maar toch waren er vóór die wettelijke veranderingen reeds feitelijke afwijkingen van den betalingsplicht gekomen, die als een gedeeltelijk moratorium waren op te vatten. De beursbezoekers waren daarmede begonnen, toen zij de sluiting der beurs doorzetten. Immers, daar aanzegging van prolongaties alleen op een beursdag kan geschieden, hadden de commissionnairs-geldnemers zich met die eigenmachtige daad tevens een uitstel van betaling bezorgd, dat zoolang de beurs niet geopend werd, zou duren. Door de Beurswet werd die daad van eigen richting, welke in de omstandigheden haar verontschuldiging en zelfs haar rechtvaardiging vond, in het begin van September wettelijk gesanctionneerd. Aan de Rijkspostspaarbank werd langs wettelijken weg een uitstel van betaling voor een maximalen termijn van zes maanden verzekerd. De bankiers decreteerden voor zichzelf een uitstel van betaling van deposito’s, voor zoover hunne cliënten niet konden bewijzen daaraan werkelijk behoefte te hebben, en dat wel na overleg en met medeweten van de Regeering. Bij de wet werd voorts voorzien in het geval, dat de Nederlandsche Bank uitstel van betaling voor haar circulatiepapier zou behoeven, een geval dat zich gelukkig niet heeft voorgedaan. Gedeeltelijke, deels wettelijke deels feitelijke, moratoria waren er dus wèl.