Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken

Part 26

Chapter 263,500 wordsPublic domain

In zijn philippica had hij ook bezwaar gemaakt tegen het compromis dat tusschen de verschillende groepen van belanghebbenden op de door mij zoo even besproken bijeenkomst was gesloten. De Regeering moet regeeren; zij moet geen compromis aangaan,--zoo was zijn bescheid. Bij mijn antwoord, waarvan ik den hoofdinhoud hier weergeef, omdat ik geen voet wil geven aan de sage als zou ik „maling hebben aan de juristerij”--om het gevleugelde woord van den heer Schaper te gebruiken--knoopte ik aan die grief vast: „Nu mag de geachte afgevaardigde uit Deventer zeggen: „maar de Regeering moet regeeren, zij moet geen compromis aangaan” en dan is dat volkomen waar, maar de Regeering gaat ook geen compromis aan, zij heeft alleen als het ware onder haar hoede en onder haar leiding het compromis laten aangaan tusschen de verschillende groepen der belanghebbenden. Toen de Regeering zag, dat op dezen voet een regeling te maken was, heeft zij daaraan haar sanctie gehecht door die regeling als wetsontwerp bij deze Kamer in te dienen. En nu wil ik in de eerste plaats aan den geachten afgevaardigde, maar ook aan de geheele Kamer vragen: zou men wenschen dat bij een dergelijk hoogst moeilijk onderwerp, waarbij honderden millioenen betrokken zijn, de Regeering handelen zou uit haar eigen machtsvolkomenheid zonder voorafgaand overleg met de belanghebbenden? Ik ben overtuigd dat, indien de Regeering zóó te werk ging, men terecht zou aanvoeren, dat zulks in dezen moeilijken tijd niet was een beleidvol optreden, zooals men van een Regeering mocht verwachten. Het is volkomen waar, dat art 6 (het artikel dat het herbeleeningsrecht geeft) een artikel is in het belang van de geldgevers, maar als men een aantal bepalingen maakt tegen hun belang, als men wat onrechtmatig is geschied, bestendigt, als men in hun nadeel een streep haalt door alle andere bepalingen van de Vereeniging voor den Effectenhandel, die in hun belang zijn, en zegt: „nu zult ge u voortaan moeten houden aan hetgeen van regeeringswege wordt bepaald”, en als men daaraan toevoegt: „terwijl gij vroeger hadt het vrije recht van executie, hebt gij dat nu niet, en wanneer gij toch wilt executeeren, moet gij dat doen volgens regelen, door de Regeering gesteld en gij moet een bod doen, zooals de Regeering dat wenscht”, dan vraag ik of men aan die geldgevers kan zeggen: „overigens moet gij maar wachten wat er met uw geld gebeurt, want een executierecht hebt gij niet en gij kunt met uw onderpand niets doen; gij hebt geen recht van herbeleening”.

„Tegenover de voorgestelde strenge bepalingen die hen binden zullen, is van de zijde van de geldgevers gezegd: „indien gij mij daartegenover geeft het recht van herbeleening, dan zal ik nog in het midden laten, in hoeverre ik daarvan gebruik zal maken, maar dan heb ik toch in geval van nood de mogelijkheid door herbeleening--dat zal wel in de eerste plaats zijn bij de Nederlandsche Bank--geld liquide te maken”.... de geldgevers kunnen zich maar niet aan handen en voeten gebonden geven en moesten zekere eischen stellen, omdat men niet moet vergeten, dat zij niet handelen met hun eigen geld, maar met geld, dat hun is toevertrouwd door anderen. En nu zal ik den geachten afgevaardigde uit Deventer niet behoeven te zeggen, hoeveel commercieele en industrieele ondernemingen er zijn, die geld op prolongatie hebben uitstaan door bemiddeling van die groote geldgevers en die dat geld noodig hebben om te voldoen aan hun eigen renteverplichtingen, om te voldoen aan rekeningen en facturen voor zaken, die zij gekocht hebben op tijd en die moeten betaald worden. Het economisch leven is toch niet zoo eenvoudig, alsof het alleen enkele groote geldgevers te Amsterdam zijn, die gelden hebben gegeven; die groote geldgevers zijn de trechters waardoor het geld heen loopt, maar nu alles geblokkeerd is, ondervinden daarvan een groot aantal commercieele en industrieele ondernemingen nog veel meer moeilijkheden dan de groote geldgevers, waarvan de geachte afgevaardigde meent, dat de Regeering speciaal hun belangen zou hebben gediend.

„Neen, als dat werkelijk waar was: als men werkelijk kon zeggen, zooals de geachte afgevaardigde het hier voorstelt, dat men hier in strijd met wat men doet bij onteigening, de belangen van zeer enkelen dient op kosten van het algemeen, ja, dan was ook zijn peroratie gerechtvaardigd, maar waar dit niet het geval is en waar de juridische onrechtmatigheid begonnen is bij de geldnemers en men regelen moet maken om daarin ten slotte weer eenigen regel te brengen, daar meen ik, dat de geachte afgevaardigde bij nader inzien zelf zal moet erkennen, dat de qualificaties, die hij aan het regeeringsvoorstel gaf, niet in overeenstemming zijn met den werkelijken toestand...... Er is hier een abnormale toestand, en dien abnormalen toestand tracht de Regeering in orde te maken met zoo weinig mogelijk inbreuk op de geldende rechtsregelen. En wanneer men verder wilde gaan, wanneer men zoo streng juridisch wilde redeneeren en handelen als de geachte afgevaardigde uit Deventer heeft gewenscht, geloof ik dat hierop van toepassing zou zijn de oud-Romeinsche rechtsspreuk: _summum jus, summa injuria_.”

Ten slotte werd het ontwerp met algemeene stemmen aangenomen. In de Eerste Kamer maakte de heer Van den Biezen een tweetal opmerkingen van juridischen aard en sprak de heer Van Nierop een interessante rede over het ontwerp uit, die naast zijne uiteenzetting van den beurshandel ook hierom belangwekkend was, omdat daarin de weinige ingenomenheid van de Amsterdamsche bankiers met het ontwerp telkens om den hoek kwam kijken. Nadat deze afgevaardigde een korte uiteenzetting had gegeven van de Vereeniging voor den Geldhandel en op de nuttige werkzaamheid daarvan tot herstel van het geschokte vertrouwen, niet zonder lichte overdrijving, gewezen had, ging hij aldus voort: „Wanneer men dit verneemt, dan rijst wellicht de vraag of een maatregel als hier wordt voorgesteld nu wel noodig is. Ik kan die vraag begrijpen, maar ik voeg er aanstonds bij, dat ik ze bevestigend beantwoord”. Vervolgens ging de heer Van Nierop na wat er eigenlijk bij de beurssluiting was geschied en zette hij uiteen, dat de geldnemers geen reden hadden bevreesd te zijn voor „afslachting” van de zijde der groote bankiers. Hetgeen de heer Van Nierop hieromtrent zeide, was grootendeels te beamen, maar hij vergat dat de vrees voor „afslachting” nog niet denkbeeldig behoefde te zijn, ook al onthielden de groote bankiers zich van het initiatief daartoe of al zouden zij zelfs daaraan niet hebben meegedaan, indien commissionnairs-geldgevers tot berging van eigen lijf daartoe het sein hadden gegeven. Hij voorspelde voorts „dat na den oorlog groote kapitalen benoodigd (zullen) zijn door de verschillende staten, steden en ondernemingen. Allereerst de Staat der Nederlanden, maar de oorlogvoerende Mogendheden in nog veel grootere mate. Hierdoor zal een zoodanig aanbod van fondsen ontstaan, zoodanige vraag naar geld dat de rentestand zal stijgen en alle koersen zullen moeten dalen. Overwegende dit alles, rijst de vraag of dit ontwerp wel voldoende baat zal brengen, althans in die mate, als men ervan verwacht”. Na nog gesproken te hebben over het raderwerk van het prolongatie-stelsel en zijne instemming te hebben betuigd met de regeling van het herbeleeningsrecht in het ontwerp, besloot deze, in alles wat de beurs betreft bij uitstek ingewijde, spreker: „Ik eindig met de verklaring, dat ik voor de voordracht zal stemmen, maar vraagt men mij of ik dat zonder schroom en niet aarzelend doe, dan moet ik daarop ontkennend[13] antwoorden. Er heerscht bij mij een zekere schroom. De Regeering vraagt een buitengewoon groot vertrouwen, bijna een discretionnaire macht”.

[13] In de Handelingen staat „bevestigend”, maar dit kan niet anders dan een drukfout zijn, zooals blijkt uit hetgeen er onmiddellijk op volgt.

In mijn antwoord had ik geen andere gezichtspunten te openen, dan ik in de Tweede Kamer had gedaan. Het debat over de bevoegdheid der Regeering tot het tegengaan van te hooge rentevordering van de zijde der geldgevers, dat tusschen den heer Van Nierop en mij gevoerd werden, kan ik evenzeer met stilzwijgen voorbij gaan, als de juridische gedachtenwisseling met den heer Van den Biezen. In zijn waardeering van het werk der Vereeniging voor den Geldhandel viel ik den heer Van Nierop bij, maar ik achtte het toch noodig zijne appreciatie tot juister proporties terug te brengen, door er op te wijzen dat de Geldhandel, door den eisch van zakelijke zekerheid, dien hij stellen moest, breede kringen van credietbehoevenden, met name uit den middenstand, weinig baat kon geven. Vooral in dagen van spanning, en die waren toen nog niet achter den rug, kan overdrijving schade doen. De Vereeniging voor den Geldhandel had uitnemende diensten bewezen; het was noodig noch wenschelijk, die diensten nog grooter voor te stellen, dan zij reeds waren. Den 4den September stond de „Beurswet 1914” in het Staatsblad. Later werd daarin nog eene verandering van niet principieele beteekenis aangebracht.

Van den aanvang af had de bedoeling voorgezeten, dat de Regeering zich bij de uitvoering der wet door deskundigen zou doen voorlichten. In de wet zelve was voorgeschreven dat voorlichting zou worden gezocht bij een door de Koningin te benoemen commissie van deskundigen. Ik begreep echter, dat dit niet voldoende zijn zou en dat ik als Minister die met de uitvoering der wet belast was, niet slechts advies noodig had in moeilijke gevallen, maar de steun behoefde van personen, die vooral als de beurs weer zou opengaan, aldaar de Regeering dagelijks zouden vertegenwoordigen. Zonder zulk een orgaan zou het Regeeringstoezicht grootendeels slechts van formeelen aard zijn geweest en het was noodig, dat hier een daadwerkelijk dagelijksch toezicht werd uitgeoefend. Aanvankelijk had ik daartoe het oog op een Regeeringscommissaris; bij nader inzien scheen mij de taak van de vertegenwoordiging der Regeering bij de uitvoering der Beurswet te gelijk zóó gewichtig, zóó moeilijk en zoozeer een zaak van onbeperkt vertrouwen, dat het de voorkeur verdiende, haar aan een commissie van drie personen toe te vertrouwen.

Als zoodanig werden door mij aangewezen de heeren: J. H. Kann, Mr. E. Fennema en Mr. J. J. van Troostenburg de Bruyn. Die heeren hebben hun moeilijke taak met groote onpartijdigheid en kennis van zaken vervuld en zij hebben door hun tactvol optreden tot de goede werking der Beurswet en tot de geleidelijke en ongestoorde hervatting der beurszaken zeer veel bijgedragen.

Als wettelijke Commissie van deskundigen werden door de Koningin benoemd de heeren: A. de Bijll Nachenius, J. van der Kooy Jr., G. W. A. van Laer J.Cz., Mr. H. M. Roelofsz, A. Roelvink en Dr. D. F. Scheurleer, met plaatsvervangers. Tot voorzitter werd aangewezen de heer S. P. van Eeghen, tot plaatsvervangend voorzitter de heer Dr. H. F. R. Hubrecht, voorzitter en onder-voorzitter van de Kamer van Koophandel te Amsterdam; tot secretaris werd benoemd de heer Mr. H. A. van Nierop. Natuurlijk is er tusschen beide commissies niet steeds overeenstemming geweest, maar de goede verstandhouding werd ook bij verschil van inzicht niet verstoord. Waar dit zich openbaarde, was ik door het ontvangen van twee gemotiveerde rapporten in staat tot het nemen van een beslissing, na het hoor en wederhoor te hebben toegepast.

De Commissie van deskundigen werd den 2den October 1914 op het Departement van Landbouw door mij geïnstalleerd. Daarbij hield ik tot de heeren de volgende toespraak:

Bij de Beurswet is voor den tijd dat deze wet van kracht zal zijn, ten aanzien van den geld- en fondsenhandel een even groote als buitengewone bevoegdheid aan den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel toevertrouwd.

Die bevoegdheid brengt een zware aansprakelijkheid met zich.

De wetgever zou mij, als Minister van Handel, zeer zeker die bevoegdheid niet hebben toegekend en ik zou even stellig de daaruit voortspruitende aansprakelijkheid niet hebben durven aanvaarden, indien mij niet van meet af de voorlichting van eene Commissie van deskundigen ware verzekerd geweest.

De Commissie van deskundigen van de Beurswet heeft naar de bedoeling des wetgevers ten aanzien van den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel een plaats te bekleeden, welke is te vergelijken met die, welke de afdeeling voor geschillen van bestuur van den Raad van State tegenover de Regeering inneemt. De Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel zal aan de adviezen van de Commissie van deskundigen niet zijn gebonden. De beslissing blijft bij hem. Maar de bedoeling des wetgevers is zonder twijfel geweest, dat de verhouding tusschen den Minister en de Commissie van deskundigen zoodanig zou wezen, dat hij als regel zal kunnen volstaan met eene bekrachtiging van het advies, dat hij van de Commissie zal ontvangen.

Waar het nu wel van zelf spreekt, dat zoowel bij den Minister als bij de Commissie den ernstigen wil voorzit om niet alleen de letter van de wet na te leven maar ook haar geest en bedoeling te verwezenlijken, daar volgt uit de verhouding, die de wet bedoelt, dat in werkelijkheid een groot deel van de aan den Minister toegekende bevoegdheid maar daarmede tevens een groot deel van de daarmede gepaard gaande verantwoordelijkheid komt te rusten op de schouders van de Commissie van deskundigen.

Het gaat bij deze aangelegenheid om groote financieele belangen, om financieele belangen, waarbij duizenden van de bevolking betrokken zijn. En die belangen zijn niet steeds in dezelfde richting. Integendeel telkens, bij schier elk eenigszins belangrijk vraagpunt, zullen belangen van de eene groep van daarbij betrokkenen, zich kruisen met belangen van een of meer groepen van andere belanghebbenden. De taak van allen, die bij de uitvoering van de wet een rol zullen hebben te vervullen, zal wezen met het ernstigste streven naar strikte onpartijdigheid, met den vasten wil algemeene volksbelangen hooger te stellen dan belangen van bepaalde groepen der bij den geld- en fondsenhandel betrokkenen, dezen handel uit het tijdperk van ongekende beroering, waarin hij verkeert, langzaam maar zeker terug te leiden naar den toestand van vrijheid, waarin Regeeringsinmenging niet slechts overbodig zijn zou, maar hinderlijk voor eene gezonde en krachtige ontwikkeling.

Die taak is moeilijk; zij stelt hooge eischen. Zij verlangt, dat allen, die aan haar deelnemen, zich zullen weten te plaatsen op hooger peil dan waarop men zich bevindt, als uitsluitend met de belangen van een bepaalde groep van belanghebbenden behoeft te worden gerekend. Wat mijzelven aangaat, ik heb begrepen dat mijn aandeel in die taak, waar ik slechts zulk een klein deel van mijn tijd en van mijn denken daaraan zou kunnen wijden, voor mij te zwaar zou zijn, indien ik daarin voor de dagelijksche uitvoering der wet niet werd bijgestaan door enkele vertrouwde en der zake kundige personen.

Ik heb het daarom op hoogen prijs gesteld, dat ik een drietal mannen van erkende kunde en die wegens hun karaktereigenschappen algemeen geacht worden, bereid heb gevonden, mij den bijstand, dien ik in deze zoozeer noodig heb, te verleenen. Ik breng hun, die op mijn verzoek hier mede tegenwoordig zijn, voor die bereidwilligheid mijn dank.

Het zou echter een groote dwaling zijn te meenen, dat de instelling der Commissie van bijstand in de uitvoering der wet iets te kort deed aan de groote beteekenis van het aandeel in onze gemeenschappelijke taak, dat Gij, Mijne Heeren, als leden en plaatsvervangende leden der wettelijke Commissie van deskundigen hebt willen op U nemen. Welke die beteekenis is, heb ik zoo even reeds met een enkel woord aangestipt; ik acht het onnoodig daaraan iets toe te voegen.

Dat Gij, voorzitter en ondervoorzitter van de Amsterdamsche Kamer van Koophandel, het voorzitterschap en het plaatsvervangend voorzitterschap van de Commissie van deskundigen van de Beurswet hebt willen aanvaarden, wordt niet alleen door de Regeering, maar zeker door heel het land gewaardeerd. Ieder ziet daarin terecht een waarborg te meer voor de onpartijdigheid der adviezen, welke van Uwe Commissie zullen uitgaan.

En Gij, mijne heeren leden en plaatsvervangende leden der Commissie, bij Uwe keuze is rekening gehouden met de verschillende groepen uit den geld- en effectenhandel, die aanspraak er op mogen maken, dat op hunne belangen zal worden gelet. Echter is het de bedoeling allerminst geweest, dat ieder Uwer in de Commissie zich zou gevoelen als de pleitbezorger van de groep, waartoe hij zelf behoort. Integendeel, van ieder Uwer wordt verwacht, dat Gij de vragen waarover Gij zult hebben mede te adviseeren, breeder bezien zult dan alleen uit den gezichtshoek van den kring, die U aanbeval.

Bij de samenstelling der Commissie uit vertegenwoordigers van verschillende groepen van belanghebbenden heeft niet het denkbeeld voorgezeten een aantal pleitbezorgers van verschillende groepsbelangen bijeen te brengen, maar wel er voor te waken, dat het uitbrengen der adviezen niet zou geschieden met een onwillekeurig verwaarloozen van bepaalde groepsbelangen. Het algemeene belang toch van hen, die bij de Beurswet betrokken zijn, is de resultante van de belangen der verschillende groepen, waaruit de beurswereld is samengesteld, zoomede van de belangen van het publiek, dat achter die groepen staat. Het samenbrengen van een aantal deskundigen, die ieder meer in het bijzonder de belangen en de inzichten van een bepaalde groep kennen, maar die daarbij van het geheele zakenleven op beursgebied zoodanig op de hoogte zijn, dat zij de beteekenis hunner eigen groep voor het geheel met bijzondere kennis van zaken beoordeelen kunnen, waarborgt dat bij het opmaken der resultante de verschillende krachten, die haar bepalen, in haar relatieve sterkte met juistheid zullen worden gemeten.

Aan niemand is het gegeven zich geheel te onttrekken aan den invloed van zijn milieu.

Men mag dus van U leden en plaatsvervangende leden der Commissie, die bepaalde groepen vertegenwoordigt, niet verlangen en niet verwachten, dat Gij zult kunnen wat niemand kan. Maar wèl wordt van U verwacht en verlangd, dat Gij beseffen zult dat Gij steeds bij het uitbrengen van Uw advies zult hebben te streven naar den hoogst bereikbaren graad van objectiviteit, met den meesten ernst zult moeten pogen het belang van Uw groep en van het deel van het publiek, dat achter haar staat, in de juiste verhouding te stellen tot dat der andere groepen, die tezamen het algemeen belang bepalen.

Ik houd mij overtuigd, dat aan het beroep dat ik met deze woorden op Uw aller toewijding en Uw aller streven naar onpartijdigheid toe, door U zou zijn gehoor gegeven, al had ik het niet openlijk uitgesproken. Waar het hier echter om zoo groote, zoo ingewikkelde en zoo wijd vertakte belangen gaat, heb ik gemeend dat beroep tot dekking van mijne eigen verantwoordelijkheid--zij het ook ten overvloede--niet achterwege te mogen laten.

Het licht dat van ieder Uwer zal uitschijnen, zal ook bij het ernstigste streven naar objectiviteit, min of meer gekleurd zijn; de samenstelling Uwer Commissie geeft echter recht tot de verwachting, dat uit de combinatie dier kleuren het witte licht der objectiviteit zal te voorschijn komen.

Hoe dichter Uwe Commissie tot dat ideaal zal kunnen naderen, hoe hooger de waarde harer adviezen niet slechts voor de Regeering maar ook voor het publiek zijn zal, en hoe grooter tevens de voldoening zal wezen waarmede Gij, Mijne Heeren, als Uw taak zal zijn afgeloopen, daarop zult kunnen terugzien.

Door den heer Van Eeghen werd daarop als volgt geantwoord:

Met aandacht heb ik geluisterd naar de woorden, waarbij Uwe Excellentie deze door H. M. de Koningin op voordracht van Harer Majesteits Regeering benoemde Commissie heeft geïnstalleerd.

Onze Commissie heeft in deze benoeming gezien een bewijs van vertrouwen, dat zij op hoogen prijs stelt: zij is zich bewust, dat haar eene groote verantwoordelijkheid wordt opgelegd.

Uwe Excellentie heeft terecht er op gewezen, dat, ofschoon onze Commissie is samengesteld uit personen uit verschillende groepen, alle leden zich op hetzelfde hooge onafhankelijke standpunt moeten plaatsen.

Ik ben overtuigd, Excellentie, dat wij allen hiervan doordrongen zijn.

Onze Commissie zal dan ook trachten, wanneer Uwe Excellentie zich--hetzij rechtstreeks, hetzij door Uwe Commissie van Bijstand--tot haar wendt, zooveel in haar vermogen is, juiste en onpartijdige adviezen te geven.

Terwijl ik mij veroorloof Uwe Excellentie mijn dank te betuigen voor de welwillende woorden tot de leden van de Commissie van deskundigen, tot den Onder-Voorzitter van de Amsterdamsche Kamer van Koophandel en tot mij als Voorzitter van die Kamer gericht, spreek ik de hoop uit dat, ook door medewerking van onze Commissie, het doel, waarvoor de Beurswet 1914 in het leven is geroepen, ten volle zal worden bereikt.

Het eerste wat gedaan moest worden en waarbij de beide commissies hadden samen te werken, was het vaststellen van de noodige beursvoorschriften. Daar hierbij met zeer verschillende belangen rekening moest worden gehouden, was dit een hoogst moeilijk werk, waarbij de Commissie van uitvoering voortdurend overleg moest plegen niet alleen met de Commissie van deskundigen, maar ook met andere belanghebbenden bij het beursverkeer. Zij ondervond daarbij ook groote medewerking van den president van de Nederlandsche Bank. Deze nam het zeer nuttige initiatief tot het instellen van een onderzoek naar den omvang van het bedrag, dat ter beurze op prolongatie was uitgezet. Dit leidde tot het resultaat, „dat in ronde cijfers het geld, ter beurze gebracht om in den vorm van prolongatie, on call, enz. te worden uitgezet, een som van ƒ 325 millioen beliep. Dit geld werd echter ter beurze voor een deel weder op nieuw uitgezet door geldnemers, die op hun beurt weder geldgevers werden; en zoo kon worden becijferd, dat de totaal ter beurze loopende contracten een bedrag van ƒ 460 millioen hadden bereikt. Gesteld dus, dat alle prolongaties, on calls enz. op een gegeven oogenblik zouden verrekend kunnen worden door terugbetaling, dan zou een bedrag van ƒ 460 millioen onderling verrekend en ƒ 325 millioen uit de Beurs aan de oorspronkelijke geldgevers teruggegeven moeten worden.”