Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken
Part 25
Doch ook de tusschenkomst van den Staat kan bij de verwezenlijking van het plan niet worden gemist. Zonder deze tusschenkomst zou het grootendeels bij plannen maken op het papier blijven. Juist omdat het hier in de eerste plaats te doen is om hulp te verleenen aan de kleine en zeer kleine bedrijven, die niet in staat zijn de waarborgen te geven, welke onder normale omstandigheden voor een credietverleening worden verlangd, zou het risico voor de credietinstellingen, die tot medewerking en samenwerking zijn opgeroepen, te groot zijn, indien het Rijk niet bereid was een groot deel van dat risico voor zijne rekening te nemen; zoodanig echter, dat de credietinstellingen zelve niet geheel ophouden, belanghebbenden te zijn zoowel bij een zorgvuldig onderzoek, vóór het crediet verleend wordt, als bij eene goede controle, nadat het is verstrekt.
Ik aarzel niet die onmisbare medewerking van het Rijk in uitzicht te stellen, omdat ik mij overtuigd meen te mogen houden, daarmede geheel in overeenstemming te handelen met de bedoeling van de wetgevende macht, welker instemming met ’s Rijks medewerking tot de steunorganisatie wel niet aan twijfel onderhevig is en die zeker met onverdeelde sympathie ook deze tweelingzuster van die organisatie zal ontvangen.
Hoever de Staat met zijn medewerking in deze zoo belangrijke nationale zaak gaan moet, is moeilijk te bepalen. Ik stel mij voor dat op de wijze, die in de hoofdpunten is aangegeven, het Rijk zich borg zou kunnen stellen tot een gezamenlijk bedrag van bijvoorbeeld 5 millioen gulden. Hoeveel verlies op die borgtochten zal worden geleden en hoeveel het Rijk door het bijspringen bij die voldoening van rente en aflossing zal hebben te betalen, is niet bij benadering te zeggen. Natuurlijk zal het ver blijven beneden het bedrag der credieten waarvoor de Staat mede-aansprakelijkheid heeft aanvaard....
Slechts op één punt wil ik tot slot nog de aandacht vestigen. Onder de voorwaarden die gesteld kunnen worden, is opgenomen de verplichting eene eenvoudige en passende boekhouding te voeren. Waar zoovele kleine handelaars en industrieelen lijden onder het volslagen gemis aan overzicht over hun zaak, met het gevolg dat zij vaak niet weten of daarin werd verdiend of verloren, kan het stellen van deze voorwaarde alleen, mits op de nakoming daarvan voldoende wordt toegezien, voor den kleinen middenstand reeds tot zegen zijn.
Hiermede meen ik de beraadslagingen die wij zoo aanstonds zullen voeren, voldoende te hebben ingeleid, de hoofdlijnen van het plan, waaraan wij onze krachten zullen geven, voldoende te hebben aangeduid. Het was mij een groot voorrecht tot de voorbereiding van het plan het mijne te hebben kunnen bijdragen. Voor de waardeering, welke ik deswegen van Uwe Majesteit mocht ontvangen, breng ik Haar mijn eerbiedigen dank.
Ik eindig met nogmaals ons aller oprechte erkentelijkheid aan Uwe Majesteit uit te spreken voor den eersten stoot, die door Haar werd gegeven aan deze zaak, welke voor den kleinen middenstand zoo zegenrijk zijn kan en welke aan menigen militie- en landweerplichtige gerustheid voor de toekomst brengen zal, en niet minder voor Hare bereidwilligheid door Hare hooge tegenwoordigheid alhier de beteekenis van het werk dat wij ondernemen, tot gansch het volk te doen doordringen.
Daarna nam de heer Bosboom, Minister van Oorlog, het woord. Hij sloot zich aan bij de woorden van dank door mij tot de Koningin gericht, schetste de moeilijkheden die de oorlogstoestand voor gemobiliseerde kleine neringdoenden opleverde, bracht in herinnering wat reeds door het Kon. Nat. Steuncomité ter verzachting daarvan gedaan werd, wees er op, hoe het bewustzijn, dat zij niet langer vrees zouden behoeven te hebben voor ondergang van hun zaakje, het gemoed van menigen gemobiliseerden kleinen middenstander zou verlichten, uitte er zijn vreugde over, dat dit ook gunstig zou werken op den geest van het leger, die bij den langen duur der mobilisatie op zulk een harde proef wordt gesteld en dankte zoowel den president van de Nederlandsche Bank, den president van de Ned. Handel-Maatschappij en den voorzitter van de uitvoerende commissie van het Kon. Nat. Steuncomité voor hun medewerking tot den oproep der vergadering als hen, die daaraan gevolg gegeven hadden, voor hun opkomst.
Nadat de Minister van Oorlog zijne rede geëindigd had, verliet de Koningin de vergadering, uitgeleid door de heeren van wie de oproeping ter vergadering was uitgegaan.
Daarna werden de reeds genoemde hoofdpunten van het plan behandeld. Ik stip daaruit aan, dat de zaak zoodanig werd georganiseerd, dat er tevens een spoorslag werd gegeven aan plaatselijke boerenleenbanken of middenstandsbanken, die zich nog niet bij een centrale organisatie hadden aangesloten, daartoe alsnog over te gaan. Er werd voor gezorgd, dat de aanvragen eerst bij de verschillende plaatselijke credietinstellingen zouden behandeld worden, opdat van het voordeel der beoordeeling van elke aanvraag door personen, die den aanvrager kenden ten volle partij zou worden getrokken. Aan het hoofd der organisatie werd gesteld eene Commissie van Uitvoering. Deze werd, als resultaat van de vergadering samengesteld uit de heeren: J. B. Bosman, Directeur van de Middenstands Credietvereeniging „De Hanzebank” te Utrecht; J. C. M. Brugma, Directeur van de Eerste Haagsche Hulpbank met Winstuitkeering; M. H. G. Th. Fiedeldy Dop, secretaris der Alg. Ned. Centrale Middenstands Crediet bank; C. van Lennep, Secretaris van den Ned. Tuinbouwraad; T. J. Perquin, Secretaris van de Coöp. Centrale Middenstands Credietbank (de Hanzebank) in het Bisdom Haarlem en Mr. J. J. de Waal Malefijt, Voorzitter van den Raad van Beheer van de Coöp. Centrale Spaar- en Voorschotbank „Boaz”. Verschillende adviseurs, die deskundig zijn in bepaalde bedrijfstakken, verleenden welwillend hun medewerking. Tot voorzitter van de Commissie van Uitvoering werd later benoemd Mr. D. Fock, lid van de Tweede Kamer en Oud-Minister van Koloniën.
De aanvragen worden met een rapport van de plaatselijke bank, bij welke zij inkomen, door tusschenkomst van de centrale organisatie, waarbij deze zijn aangesloten, aan de Commissie van Uitvoering toegezonden. Als algemeen maximum voor een te verleenen crediet, behoudens afwijking met goedkeuring van den Minister van Financiën, werd ƒ 1000 aangenomen. In verband met de borgtocht, welke de Staat op zich neemt, behoeft elke toegewezen credietaanvrage de goedkeuring van den Thesaurier-Generaal. Bij de regeling der borgtocht van den Staat werd eenigszins afgeweken van hetgeen ik in mijn rapport aan de Koningin had voorgesteld. Die borgtocht bedraagt ten minste 55% van het op een verleend crediet te lijden verlies, maar wordt percentsgewijze hooger, naar gelang dit kleiner is. Bij een verlies van 10% of minder vergoedt de Staat daarvan 1/10^{e} gedeelte.
Ter vergadering waar de hoofdpunten behandeld werden, bleek misverstand omtrent één punt, dat door mij op den voorgrond gesteld en gehouden werd. Ik heb namelijk streng vastgehouden aan den m. i. zeer wezenlijken grondslag, dat de plaatselijke bank zelve een deel van het risico moest blijven dragen. Men vatte dat aldus op, dat zij een deel van het crediet zonder borgstelling en zonder eenig onderpand zou moeten verleenen, en men merkte mij op, dat de statuten der meeste middenstands- en volksbanken dit uitsloten. Dat was echter de bedoeling niet en kon ook de bedoeling niet zijn. Het was er om te doen, dat de plaatselijke bank in zoover risico zou loopen, dat zij belang hield bij de gegoedheid van den borg of bij het voldoende zijn van het onderpand. Ik ben namelijk overtuigd, dat elke organisatie van middenstandscrediet, waarbij er niet van wordt uitgegaan, dat men plaatselijk belang heeft, er op toe te zien, dat het crediet goed besteed wordt en dat de zaak, waarvoor het werd gegeven, behoorlijk wordt gedreven, gedoemd is, op een fiasco uit te loopen. Toen de bedoeling der bepaling van de hoofdpunten, welke dit onderdeel regelt, beter was begrepen, erkende men de juistheid daarvan en liet men zijn aanvankelijk bezwaar vallen.
De credietverleening heeft wel in de eerste plaats ten doel kleine middenstanders te helpen, die door de mobilisatie niet bij hun werk konden blijven en wier zaken dientengevolge achteruit gingen of verliepen. Zij bepaalt zich daartoe echter niet. Ook niet-gemobiliseerde middenstanders, die kunnen aantoonen dat hun bedrijfje ten gevolge van den oorlogstoestand in moeilijkheid kwam, worden door haar geholpen.
De verwachting, welke ik had uitgesproken, dat de Staten-Generaal hunne medewerking niet zouden weigeren, werd vervuld. Het voor de uitvoering der zaak benoodigde begrootingsartikel werd zelfs zonder mondelinge beraadslaging goedgekeurd. De Commissie van Uitvoering behoefde echter daarop met het beginnen harer werkzaamheden niet te wachten. Het Kon. Nat. Steuncomité had zich bereid verklaard, zoolang de medewerking van de Staten-Generaal niet zou zijn verzekerd, zich in plaats van den Staat als borg te stellen en de Nederlandsche Bank had daarmede genoegen genomen. Ook nadat de Staat zelf als borg optreden kon, bleef er een nauwe band tusschen de Commissie van Uitvoering, welke den officieelen naam kreeg van Regeeringscommissie voor het middenstandscrediet, en het Kon. Nat. Steuncomité bestaan. In de uitvoering bleek er namelijk een aantal grensgevallen te zijn, waarin de aanvrager niet in staat was een borg te stellen. Voor die gevallen springt, indien de aanvraag overigens voor inwilliging vatbaar is, het Kon. Nat. Steuncomité als borg in. Ook komt het voor, dat een dezer oorlogsnood-organisaties een bij haar ingekomen aanvraag naar de andere verwijst. Behalve met het Kon. Nat. Steuncomité staat de Regeeringscommissie ook in geregeld contact met de legerautoriteiten, die haar door speciaal daartoe ingerichte kaarten de noodige inlichtingen verschaffen over in dienst zijnde aanvragers.
Zooals uit den geheelen opzet blijkt, is deze tijdelijke en buitengewone organisatie van het crediet voor den kleinen middenstand vooral ingericht op hetgeen zal noodig zijn, als het leger kan worden gedemobiliseerd. De Regeeringscommissie zal dan voor den kleinen middenstand een overeenkomstige taak hebben te vervullen als voor de arbeidsbemiddeling tegenover de arbeiders zal zijn weggelegd. Nu er telkens landweerlichtingen werden vervangen door landstormlichtingen en dus met betrekkelijk korte tusschenpoozen telkens gedeeltelijke demobilisaties plaats hadden, hebben beide organisaties reeds thans een terrein gevonden, waarop zij hoogst nuttig werkzaam zijn. Het aantal behandelde credietaanvragen door de Regeeringscommissie bedraagt reeds meer dan 2800. Daaronder is er een aantal, dat betrekking heeft op de algeheele demobilisatie en voorloopig kon blijven rusten. Afgedaan werden ruim 1400 aanvragen; daarvan moesten bijna 400 worden afgewezen. Op 1 Augustus 1916 waren er 640 credieten verleend en opgenomen tot een bedrag van ƒ 630.000. De commissie heeft reeds heel wat zaakjes op de been kunnen houden of brengen; bij de algemeene demobilisatie zal haar medewerking onmisbaar blijken. Zij zal dan, als voor haar het groote werk aankomt, het voordeel hebben van reeds over heel wat ervaring te kunnen beschikken.
Toen ik als Minister was afgetreden, deed Hare Majesteit mij de eer aan mij als Haar uitdrukkelijken wensch te kennen te geven, dat ik mij persoonlijk met deze aangelegenheid zou blijven bemoeien. Er werd toen, in overleg met den voorzitter, op gevonden, dat ik door den Minister van Financiën tot lid der Regeeringscommissie werd benoemd, in het vertrouwen dat de verschillende vereenigingen en instellingen, die de Algemeene Commissie voor deze credietverleening vormen, daartegen wel geen bezwaar zouden hebben.
§ 3. _De Beurswet._
Onder het in herinnering brengen van hetgeen er op financieel gebied al zoo werd gedaan om het crediet te herstellen, heb ik--figuurlijk gesproken--de beurs onwillekeurig dicht gelaten. Dit strookt vrijwel met hetgeen er in werkelijkheid geschiedde. Er werd over hetgeen met de beurs moest gebeuren, heel wat van gedachten gewisseld, zelfs een wet over deze materie kwam tot stand, maar intusschen bleef zij voorloopig gesloten.
Reeds op den 1sten Augustus had er op het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel een conferentie plaats, waar met mij als vertegenwoordigers van de Regeering aanwezig waren de Ministers van Financiën en van Justitie, en welke werd bijgewoond door den president van de Nederlandsche Bank, het consortium van bankiers, dat spoedig Vereeniging voor den Geldhandel werd, en de voorzitters van de Vereeniging voor den Effectenhandel te Amsterdam, den Provincialen Bond van Effectenhandelaren en de Rotterdamsche Vereeniging voor den Effectenhandel. Op die eerste conferentie kwam men, wat dit punt betreft, niet verder dan dat de Regeering en de verschillende vereenigingen geen stappen zouden doen in verband met de beurscrisis, zonder eerst onderling overleg te hebben gepleegd. Daarmede was alleen tijd gewonnen en ook hier gold het woord van Vondel: „De veldheer wint al veel, al wint hij niet dan tijd”. Het was nu echter zaak, zich den tijd, dien men tot voorziening in het deraillement van de beurs kreeg, zonder verwijl ten nutte te maken. Daartoe werd aan het Departement van Landbouw een wetsontwerp voorbereid op dezen grondslag, dat gedurende den oorlogstijd de beurzen zouden staan onder toezicht van den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel (bij mijn overgang naar het Departement van Financiën, werd dit veranderd in: den Minister van Financiën), dat de Minister gedurende dien tijd zou kunnen beslissen over haar opening en sluiting en dat de noteeringen en de wijze van het doen van zaken op de beurs onder zijn toezicht zouden staan. Voorts werd daarin het executierecht ten aanzien van in onderpand gegeven fondsen, voor het geval de debiteur niet aan zijne verplichtingen voldeed, aan beperkende regelen onderworpen, waarvan de voornaamste was, dat de executant een bod zou moeten doen tot ten minste het bedrag dat de Minister zou bepalen. Door een en ander werd de effectenbeurs gedurende den oorlogstijd sterk aan banden gelegd en werd afdoende tegengegaan, dat hare heropening zou leiden tot „afslachting” van de geldnemers, wier onderpanden onder den oorlogstoestand in waarde sterk waren gedaald.
Toen omtrent de hoofdpunten van dit voorontwerp overeenstemming was verkregen tusschen de Ministers van Financiën, van Justitie en mij, werden de vereenigingen op het gebied van den fondsenhandel en den geldhandel op den avond van den 6den Augustus op nieuw tot een bijeenkomst in het Departement van Landbouw samengeroepen, die ditmaal ook werd bijgewoond door eenige vertegenwoordigers van Kamers van Koophandel en van de verschillende Middenstandsbonden. Dit laatste, omdat het de bedoeling was ook het vraagstuk van het moratorium en hetgeen de Minister van Justitie zich voorstelde, zonder moratorium, in het belang van in het ongereede geraakte debiteuren te doen, ter vergadering ter tafel te brengen.
Het eerst werd het ontwerp-beurswet besproken; daarbij kwam al aanstonds een groot belangenverschil tusschen de primaire geldgevers, vertegenwoordigd door de Vereeniging voor den Geldhandel, en de commissionnairs in effecten, als geldnemers of secundaire geldgevers, aan het licht. De geldgevers en de bankiers wilden wel, dat de Regeering zeggenschap zou krijgen over de opening en de sluiting der beurs, maar niet dat zij zich ook zou bemoeien met de wijze waarop daar zaken worden gedaan en speciaal niet, dat het executierecht zou worden beperkt. Dat verschil gaf aanleiding tot een gedachtenwisseling, die op een gegeven oogenblik zóó scherp werd, dat het de vraag was of het gelukken zou de heeren tot overeenstemming te brengen. De bankiers-geldgevers beriepen zich er op, dat zij niet met hun eigen geld werkten, maar verantwoordelijk waren tegenover hun lastgevers, voor het meerendeel groote handelslichamen, spoorwegmaatschappijen, spaarbanken, cultuurondernemingen enz., die het tijdelijk niet benoodigde deel van hun bedrijfskapitaal in prolongatie hadden gegeven en die thans in groote moeilijkheden waren gekomen, nu zij hun kapitaal tegen hun wil in de handen van anderen vastgelegd zagen. Van de zijde van de commissionnairs werd daartegenover verdedigd, dat ook zij door de beurssluiting hun bedrijf grootendeels zagen stilgezet, maar dat zij als tusschenpersonen, opkomende voor de geldnemers, of als commissionairs-geldnemers voor eigen rekening niet het volle gewicht konden dragen van de calamiteit, die de oorlog over de beurs had gebracht. Voor beide standpunten viel veel aan te voeren en werd veel aangevoerd, maar het was duidelijk dat het verweer van de commissionnairs met den geest van het den heeren voorgelegde ontwerp meer strookte dan het geldgeversstandpunt. Deze zijn mans genoeg om voor zich zelven te zorgen; er was geen gevaar dat zij of hunne klienten zóó in de knel zouden komen, dat zij hunne betalingen zouden moeten staken. Bovendien vonden zij steun bij de pas herboren en voor het eerst werkelijk in het leven getreden Vereeniging voor den Geldhandel. Het algemeen belang dat bij de zaak betrokken was, lag in het gevaar, dat een groot aantal commissionnairs het niet zouden kunnen houden en dat er in dien kring een stroom van faillissementen zou komen, welke veel verder zou reiken dan alleen tot hen, die er direct mee uit hun brood zouden zijn gestooten. Niet voor de grooten, maar voor de kleinen, zoo merkte ik den heeren op, hadden Regeering en wetgever in een zoo ernstige crisis op te komen.
Nadat van de verschillende kanten de meeningen waren verdedigd, zonder er veel doekjes om te winden, klaarde--zooals het na een onweer pleegt te geschieden--de lucht op. Men zocht toen niet meer naar hetgeen nog verder zou uiteendrijven, maar naar hetgeen als brug zou kunnen dienen tot het samenbrengen der verschillende belangen. Het waren vooral de bankiers-geldgevers, die over die brug hadden te komen. Het eerst toonde de heer Van Aalst, die ook hier weer blijk gaf een goed diplomaat op handelsgebied te zijn, neiging tot toenadering. Hij werd spoedig door de andere bankiers gevolgd. De groote moeilijkheid bleek voor de geldgevers te zijn, dat zij hun prolongatiekapitaal niet voor onbepaalden tijd dood konden laten liggen. De gegrondheid van dit bezwaar moest worden erkend. Om het te ondervangen opperde de heer Van Nierop het denkbeeld, dat voor de vastgeraakte prolongatieposten als uitzonderingsmaatregel wettelijke sanctie zou worden gegeven aan de ter beurze reeds veel voorkomende practijk der herbeleening van in prolongatie gegeven onderpanden. Dat denkbeeld werd door mij aangegrepen en na nog eenig heen en weer praten, lieten de bankiers hunne oppositie varen, als het herbeleeningsrecht in het ontwerp zou worden opgenomen. Hoewel door de Regeering, met name door den Minister van Justitie, het juridisch bezwaar van het toekennen van zulk een herbeleeningsrecht sterk werd gevoeld, begrepen wij toch, dat daarover moest worden heengestapt, nu het er om ging, groote onheilen bij de heropening der effectenbeurs te voorkomen, zonder een kapitaal van eenige honderden millioenen voor onbepaalden tijd dood te laten liggen. Het juridisch beginsel, hoezeer het ook in het algemeen door elke Regeering wordt hoog gehouden, moest hier wijken voor de economische noodzakelijkheid.
Nadat het op die wijze gelukt was, de met elkander strijdende belangen alle zooveel mogelijk te bevredigen, werd het ontwerp Beurswet op 23 Augustus ingediend. Het was nu aangevuld met een bepaling betreffende de herbeleening. In de afdeelingen van de Kamer ontmoette het nog al tegenstand en, eigenaardig genoeg, ging de tegenkanting voornamelijk uit van de democratisch gezinden onder de vrijzinnigen. Door de Commissie van Rapporteurs werd ik uitgenoodigd tot mondeling overleg. Daarbij werd mij in de eerste plaats in overweging gegeven, het ontwerp te bepalen tot de artikelen, die aan de Regeering de bevoegdheid gaven voorschriften te geven omtrent de opening en sluiting der beurzen, en den verderen inhoud van het ontwerp over te laten aan een nader te maken wettelijke regeling, waarvan de behandeling rustiger zou kunnen geschieden. Inzonderheid de genoemde democraten wilden mij dringen in de richting, die door de „haute finance” was gewenscht. Dit denkbeeld werd eerst losgelaten, toen ik verklaarde tot overleg op die basis niet bereid te zijn en bij aanneming van een amendement in dien geest de intrekking van het geheele ontwerp te zullen uitlokken. De verdere bespreking liep over den inhoud van het ontwerp zelf en had vruchtbaarder resultaat; het leidde tot verbeteringen, zonder dat aan de hoofdpunten werd geraakt. Evenmin als ik kon toestaan, de wijze van zaken doen op de beurs onder den abnormalen oorlogstoestand geheel vrij te laten, kon ik toegeven aan den aandrang tot het uitsluiten van de mogelijkheid van executie ter beurze gedurende de crisis. Het executierecht moest worden geregeld en beperkt, niet op zij gezet.
Bij de mondelinge behandeling vond het ontwerp heftige bestrijding van den heer Marchant vooral ten aanzien van het herbeleeningsrecht. Deze afgevaardigde toonde zich op dit punt een even onverzoenlijk en onverzettelijk jurist als de heer Rethaan Macaré, die in een brochure en stukken in de pers uiting gaf aan zijn juridische verontwaardiging en die, nadat de beide Kamers zich met het ontwerp vereenigd hadden, zelfs zóóver ging van aan de Koningin te verzoeken daaraan Haar bekrachtiging te onthouden. De heer Marchant eindigde zijn rede met de verklaring dat van hem „geen medewerking te verwachten (zou) zijn aan het tot stand komen van een wet, die het kwaad van het schenden van goede trouw loochent, die onrecht sanctionneert en die als geoorloofd stempelt, wat misdadig is”.