Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken
Part 24
Echter zal men zich bij het maken van die schiftingen moeten wachten voor het te spoedig gereed zijn met zijn oordeel. Het is toch te verwachten, dat na den oorlog de economische bestaansvoorwaarden voor een aantal bedrijven zullen blijken belangrijk te zijn gewijzigd. Waarschijnlijk is, dat over het algemeen gesproken die wijzigingen zullen zijn in het voordeel van het grootere bedrijf en ten nadeele van de kleine zaakjes. _Deze_ verschuiving zal zich echter niet in alle takken van bedrijf in gelijke mate voordoen en in sommige daarvan, zooals bijv. in land- en tuinbouw, wellicht in het geheel niet zijn te constateeren.
Maar deze meer algemeene verschuiving zal doorkruist worden door een aantal plaatselijke veranderingen, die voor bepaalde kleine ondernemingen gunstig kunnen zijn of den druk der algemeene beweging nog kunnen verzwaren.
Bij het oordeel over elk geval zal dus noodig zijn, dat het worde gevestigd onder medewerking niet alleen van deskundigen op het gebied van den bedrijfstak waartoe de aanvrager behoort, maar ook van personen, die de bijzondere voorwaarden, welke afhankelijk zijn van plaatselijke toestanden, beoordeelen kunnen. Bovendien zal het daarbij aankomen op de persoonlijke bekwaamheid en geschiktheid van den aanvrager. Het is toch lang niet uitgesloten, dat in bijzondere gevallen een zaak te gronde ging, omdat de voorwaarden waaronder zij gedreven werd, te ongunstig en te machtig waren om haar er boven op te houden, niettegenstaande de eigenaar daarvan de noodige eigenschappen bezit om onder minder ongunstige omstandigheden zulk een zaak met goed gevolg te kunnen drijven. In zulk een geval zou de aanvrager afgewezen moeten worden, als hij halsstarrig opnieuw onder dezelfde ongunstige omstandigheden als voorheen wilde beginnen, maar zou zijn aanvraag in gunstige overweging kunnen worden genomen, indien hij kon aantoonen, dat de zaak die hij wenscht te beginnen, onder betere voorwaarden zou worden gedreven.
Niet minder groot is de moeilijkheid bij het bepalen van de juiste oorzaak of de juiste oorzaken van het achteruit of te gronde gaan van de zaak van den aanvrager. Het is namelijk met zekerheid te verwachten dat de aanvragers, meerendeels te goeder trouw, den kwijnenden of verloopen toestand van hun zaak op rekening van den oorlogstoestand zullen schrijven, ook in die gevallen, waarin de oorlog daaraan geen of slechts in geringe mate schuld heeft.
Scherp zal de juiste oorzaak van den toestand in den regel wel niet zijn aan te wijzen. In het algemeen zal men zich met benaderende aanwijzingen moeten en kunnen tevreden stellen. Slechts in één categorie van gevallen zal het anders zijn, namelijk waar de achteruitgang of het te gronde gaan der zaak te wijten is aan het gedurende langen tijd ontbreken van het hoofd der zaak of van een der onmisbare medewerkers daarin, als gevolg van de mobilisatie.
Dat er in de laatstbedoelde categorie van gevallen aanleiding voor den Staat is, aan den wederopbouw van die zaken zijn steun te verleenen, behoeft nauwelijks betoog. Waar de eischen der landsverdediging het economisch bestaan van sommige hunner, die daarvoor beschikbaar moesten blijven, voor de toekomst in gevaar hebben gebracht, ligt het op den weg van den Staat dat gevaar zooveel mogelijk af te wenden. Zoolang niet gedemobiliseerd kan worden, wordt toch--voor zoover dat met de eischen der landsverdediging vereenigbaar is--met de eischen ook van het economische leven der bevolking rekening gehouden door het geven van langere verloven en tijdelijke ontheffingen van den dienst aan de militie- en landweerplichtigen wier afwezigheid uit hun bedrijf niet alleen hun eigen economischen toestand schaadt maar bovendien de bron van inkomst van een groot aantal andere gezinnen in de waagschaal stelt. Maar toch kunnen die verloven en ontheffingen slechts in beperkte mate worden gegeven. Zoolang de tegenwoordige toestand duurt, moeten de eischen der landsverdediging voorgaan boven de economische belangen van hen, die daaraan hebben deel te nemen. Dit moge in sommige gevallen hard zijn; het is niet anders. Maar hieruit volgt dat de Staat zich niet kan onttrekken aan den zedelijken plicht er toe mede te werken, dat de economische wonden die door de mobilisatie geslagen werden, zoo goed mogelijk zullen worden geheeld.
In de andere gevallen valt _deze_ grond voor de medewerking van den Staat bij het pogen, het economisch verlies bij de te verwachten verschuiving tot een minimum te beperken, wel is waar weg. Maar er blijft toch over, dat het welslagen van dat pogen van groot algemeen belang is en dat de Staat uit dien hoofde zijn taak niet voorbij schiet, door tot dat pogen het zijne bij te dragen.
Wat nu de steun zelf betreft, die noodig is, deze is--zooals reeds met een enkel woord werd aangegeven--hier van gansch anderen aard dan de hulp, die door de steuncomités wordt verleend aan gezinnen en personen, die anders onder de buitengewone oorlogsomstandigheden gevaar zouden loopen noodlijdend te worden.
Hier gaat het bijna uitsluitend om steun door het vergemakkelijken van de gelegenheid tot het verkrijgen van crediet. Daarin ligt reeds opgesloten, dat zij die op deze wijze geholpen worden, geen giften maar voorschotten ontvangen en verplicht zijn rente en aflossing van die voorschotten uit eigen middelen af te doen.
Ware het nu zóó gelegen, dat er reeds voldoende gelegenheid voor den kleinen middenstand bestaat, zich het onder deze buitengewone omstandigheden noodige crediet te verschaffen, dan ware het noch voor particuliere instellingen noch voor den Staat noodig zich de zaak aan te trekken. Vandaar dat voor het grootbedrijf en voor het grootere middenstandsbedrijf geen bijzondere maatregelen beraamd behoeven te worden. Voor zoover de ondernemingen, die tot deze categorieën behooren, op gezonden grondslag rusten, kunnen zij--vooral na de uitbreiding welke de organisatie van het middenstandscrediet sedert Augustus 1914 heeft ondergaan--als regel op bevrediging hunner credietbehoefte door bestaande credietinstellingen rekenen.
Voor den kleinen middenstand bestaat echter geen organisatie van het credietwezen, die ook maar in de verte voldoende zijn zou voor de behoefte, welke in de naaste toekomst is te verwachten. Het is daarom noodig een organisatie, welke in die leemte voorziet, in het leven te roepen. Daarbij zal het gewenscht zijn, denzelfden weg te volgen, die in Augustus 1914 bij het organiseeren der steunbeweging bewandeld werd, namelijk zooveel mogelijk aan te sluiten bij bestaande instellingen. Dat wil dus hier zeggen: bij bestaande credietinstellingen en wel inzonderheid bij credietinstellingen ten behoeve van den middenstand.
In de eerste plaats komt hier in aanmerking de in Augustus 1914 onder den drang der omstandigheden, met steun en medewerking der Regeering, opgerichte Algemeene Centrale Middenstandscredietbank, die reeds in sommige plaatsen nieuw opgerichte middenstandscredietbanken in hare organisatie heeft opgenomen en bij welke zich verschillende vroeger reeds bestaande middenstandscredietinstellingen hebben aangesloten. Voorts de R. K. Hanse, die--naar verluidt--zich nog niet bij de centrale Middenstandscredietbank heeft aangesloten, en de centrale instellingen van landbouwcrediet.
Daar deze verschillende credietinstellingen door hunne vertakkingen en verbindingen beschikken over deskundigen in de verschillende takken van bedrijf, alsmede over de telkens noodige plaatselijke kennis en over de middelen ter beoordeeling van de persoonlijke geschiktheid en bekwaamheid der aanvragers, kan langs dezen weg worden voldaan aan de eischen, die boven voor eene behoorlijke vervulling van de hier te verrichten taak werden gesteld.
Aangezien het middenstandscrediet zich niet behoorlijk kan organiseeren zonder de medewerking van de groote bankinstellingen en van de Nederlandsche Bank, ligt het voor de hand in de organisatie der credietverleening voor de buitengewone omstandigheden gedurende den economischen ijsgang na den politieken vrede, ook vertegenwoordigers op te nemen van de Nederlandsche Bank en van de Vereeniging voor den Geldhandel. Wegens het verband met de steunbeweging 1914 mag ook een vertegenwoordiging van het Koninklijk Nationaal Steuncomité niet ontbreken.
Wellicht zal het aanbeveling verdienen ook de drie vereenigingen voor den effectenhandel en de Vereeniging van directeuren van hypotheekbanken, alsmede de Vereeniging tot steun aan miliciens in de zaak te kennen.
Eindelijk is, waar geldelijke steun van den Staat voor het welslagen van de zaak onmisbaar is, een vertegenwoordiging van het Ministerie van Financiën noodig. Hiertoe schijnt ’s Rijks Thesaurier-Generaal het meest aangewezen.
De steun van het Rijk kan tweeledig zijn. In de eerste plaats zal het noodig zijn, dat de Staat--hetzij dan het Rijk alleen, hetzij het Rijk in combinatie met de in elk bijzonder geval daarbij belanghebbende gemeente--wanneer aan de voorwaarden voor de credietverleening is voldaan, het daadwerkelijke verleenen daarvan mogelijk maakt door een deel van het risico voor zijn rekening te nemen. Zonder deze medewerking van den Staat zou het bij plannen maken op het papier blijven en zou het risico voor particuliere instellingen, juist omdat het hier gaat om kleine en zelfs om miniatuur-bedrijven, te groot zijn om op toepassing op eenigszins ruime schaal te kunnen rekenen. Trouwens werd in Augustus 1914 in deze richting reeds gegaan, toen de toenmalige Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel na overleg met zijn toenmaligen ambtgenoot van Financiën aan de Centrale Middenstandscredietbank--behoudens bekrachtiging voor de wet--toezegde de helft van de door haar wegens credieten, in den oorlogstijd verleend, te lijden verliezen tot een maximum van één millioen gulden te zullen dragen.
Evenwel zal thans in die richting verder moeten worden gegaan. Het is in verband met den aard der credieten, die hier gegeven zullen moeten worden, zeer de vraag of de particuliere instellingen zelfs zóóver zullen durven gaan om de helft van het risico daarvan voor hare rekening te nemen. Er zal op moeten worden gerekend, dat zij dit niet zullen aandurven en dat de Staat zich bereid zal hebben te verklaren tot het dragen van „premier risque” tot een voor de verschillende categorieën van gevallen vast te stellen percentage, behoudens afwijking van dat percentage in bijzondere gevallen, waar daartoe een speciale aanleiding bestaat.
Doordien in geval van schade op een post de Staat voor het dragen geheel zou opkomen, zoolang het bedrag het vastgestelde percentage voor het „premier risque” niet zou overschrijden, zou dit het risico der credietverleenende instellingen zeer beperken en de kans op welslagen der zaak zeer verhoogen. Van de zijde van den Staat zal, ten einde een onbeperkte aansprakelijkheid te ontgaan, een maximum moeten worden gesteld, waarboven de toezegging tot het dragen van het „premier risque” niet zou gaan. Hierbij kan òf alleen een algemeen maximum gesteld worden òf daarnevens ook een maximum voor elken post. Dit behoort tot de nader te regelen punten.
Toevallig is er op het oogenblik een plan in voorbereiding tot stichting van een verzekeringsmaatschappij, waaraan de verschillende middenstandscrediet-instellingen deelnemen, en welke ten doel heeft de verliezen door die instellingen op bepaalde posten te lijden, onderling om te slaan. Waarschijnlijk zal het aandeel van den Staat in het risico der hier bedoelde credietverleeningen het eenvoudigst door tusschenkomst van die maatschappij zijn te regelen.
Door deze wijze van steunverleening zal de Staat niet alleen het aantal gevallen waarin aan credietaanvragen uit kleine middenstandskringen kan worden voldaan, aanmerkelijk vergrooten, maar tevens door indirect voor een deel het crediet van den Staat ter beschikking van die aanvragers te stellen, de voorwaarden waaronder het crediet wordt verstrekt, minder bezwarend voor hen maken.
De tweede wijze, waarop de Staat steun verleenen kan, bestaat in het geven van een bijdrage aan den credietnemer om hem te helpen in het opbrengen van rente en aflossing van het hem verleende crediet. Een overeenkomstige steun dus als volgens de woningwet, in sommige gevallen aan woningvereenigingen kan worden verleend. Het zal wel gewenscht zijn, ten einde dezen vorm van steunverleening eenigszins binnen de perken te houden, hem als regel alleen toe te passen op die aanvragers voor wie het zelfstandig opbrengen van het volle bedrag van rente en aflossing te zwaar is en wier bedrijf in het ongereede is geraakt door het vervullen van militie- of landweerplicht.
De wijze van werken van deze organisatie voor middenstandscredieten in verband met achteruitgang door den oorlogstoestand, kan men zich ongeveer als volgt voorstellen.
De commissie welke gevormd zal worden uit de vertegenwoordigers der bovengenoemde vereenigingen en maatschappijen benoemt een kleiner comité van beoordeeling, hetzij geheel uit haar midden hetzij met opneming ook van één of meer personen van buiten af.
De crediet-aanvrager wendt zich tot de middenstandsbank of boerenleenbank te zijner keuze, mits deze instelling deel uitmaakt van één der bij de organisatie aangesloten centrale lichamen. De bank onderzoekt de aanvraag op gelijke wijze als andere bij haar inkomende aanvragen worden onderzocht. Meent zij dat de aanvraag valt onder de categorieën, waarom het hier gaat, dan zendt zij die met de daaromtrent verzamelde gegevens en met een gemotiveerd advies, door tusschenkomst van de centrale instelling waartoe zij behoort, aan het comité van beoordeeling toe. Het comité onderzoekt 1º of de aanvraag valt onder een der categorieën waarvoor deze bijzondere organisatie is ingesteld en, zoo ja, 2º of en in hoever de aanvraag voor inwilliging vatbaar is en tot welk percentage de Staat zich bij voorkeur aansprakelijk kan stellen. Het brengt verslag van zijn onderzoek uit aan den Thesaurier-Generaal, die door den Minister van Financiën wordt gemachtigd uit zijn naam de borgstelling door den Staat te fiatteeren.
Zonder twijfel zullen in dezen opzet bij de nadere uitwerking op verschillende punten veranderingen komen. Ondergeteekende meent echter, dat daarin de hoofdlijnen der zaak voldoende zijn aangegeven, ter beoordeeling van de uitvoerbaarheid van het plan.
’s-GRAVENHAGE, 1 Februari 1915.
TREUB,
MINISTER VAN FINANCIËN.
Toen de Koningin mij had te kennen gegeven, dat Zij zich met mijne uitwerking van Haar denkbeeld kon vereenigen, werd het noodige gedaan om de verwezenlijking daarvan voor te bereiden. Daartoe moest in de eerste plaats met de Nederlandsche Bank overeenstemming worden verkregen over een regeling, waarmede deze zich zou kunnen vereenigen. Er werden door mij hoofdpunten voor de in het leven te roepen oorlogscrediet-organisatie voor den kleinen middenstand ontworpen en aan de Nederlandsche Bank ter beoordeeling toegezonden. Nadat als gevolg van de gedachtenwisseling daarover op enkele punten wijzigingen in het plan waren aangebracht, en het voorloopig was gereed gekomen, werd het aan de goedkeuring van Hare Majesteit onderworpen en verzocht ik Haar, evenals Zij bij de oprichting van het Kon. Nat. Steuncomité had gedaan, aan de zaak wijding te willen geven, door de constitueerende vergadering der te vormen organisatie met een korte toespraak te openen. Toen de Koningin zich daartoe bereid had verklaard en de dag, waarop die vergadering zou worden gehouden, was bepaald, werden alle organisaties, die geacht konden worden bij de zaak belang te hebben of daarin belang te stellen, opgeroepen tegen Zaterdag 13 Maart 1915. De uitnoodigingen tot de vergadering gingen uit van de Ministers van Oorlog, van Landbouw, Nijverheid en Handel en van Financiën, van den president van de Nederlandsche Bank, den president van de Vereeniging voor den Geldhandel en den voorzitter van de uitvoerende commissie van het Koninklijk Nationaal Steuncomité. De vergadering had plaats in de Rolzaal van het Gebouw der Grafelijke zalen. Zij werd behalve door de genoemde Ministers ook door den Minister van Marine en den Opperbevelhebber alsmede door een groot aantal andere belangstellenden bijgewoond.
Evenals bij de installatie van het Kon. Nat. Steuncomité trad Hare Majesteit zonder gevolg de vergaderzaal binnen, waar Zij plaats nam tusschen den Minister van Oorlog en mij. Terstond nam de Koningin het woord tot het uitspreken van de volgende rede:
_Mijne Heeren!_
Het is mij eene levendige voldoening te ontwaren, dat aan de uitnoodiging tot deze vergadering door zoo talrijke instellingen en vereenigingen is gevolg gegeven.
Aan hunne vertegenwoordigers alhier wensch ik een oprecht welkom toe te roepen.
Uw opkomen te dezer vergadering versterkt mijn vertrouwen in het welslagen van den arbeid welke met de oprichting van het Koninklijk Nationaal Steuncomité werd begonnen; een arbeid welke ten doel heeft de bezwaren te overwinnen, die de huidige wereldgebeurtenissen voor breede kringen in ons Vaderland na zich sleepen en die, naar gelang der belangen welke hij behartigt, zich moet vertakken in uiteenloopende richting.
Het is U bekend dat Uwe medewerking wordt gevraagd tot het vergemakkelijken van verkrijgen van crediet voor hen die door den oorlogstoestand hun zaak zagen kwijnen of te niet gaan. Terwijl de heer Treub, Minister van Financiën, straks aan deze vergadering de ontworpen plannen zal toelichten, gevoel _Ik_ mij gedrongen reeds dadelijk met nadruk te _zeggen_, hoezeer het mij verheugt, dat thans al een begin kan worden gemaakt met eene organisatie, welke eerst na afloop van den oorlogstoestand haar geheele arbeidsveld voor zich zal zien ontsluiten. Niet alleen dat aan hen, voor wie het achterwege blijven van bijstand wissen financieelen ondergang zoude beteekenen, de behulpzame hand kan worden geboden, doch ook de _zorgen_ van de velen, die buiten hun schuld in benarde geldelijke omstandigheden zijn gebracht, zullen door de in uitzicht gestelde verlichting aanmerkelijk kunnen worden verzacht. Ik denk in de eerste plaats aan degenen, die opgeroepen om het Vaderland te dienen, naast huis en haard een bedrijf achterlieten, dat de gevolgen hunner afwezigheid heeft ondervonden; doch daarnevens aan allen die ernstig nadeel leden door de jongste storingen in den economischen toestand.
Eene opwekkende gedachte is het, te kunnen bijdragen tot de vergemakkelijking der bestaansvoorwaarden der door de crisis getroffenen; eene schoone taak tevens daadwerkelijk mede te arbeiden tot herstel en uitdijen der vroegere welvaart, waarin ons dierbaar Vaderland zich mocht verheugen.
Ik noodig U allen uit, gemeenschappelijk Uwe krachten te wijden aan dit bij uitstek nationale doel in nauwe samenwerking met de steunorganisatie en de vereeniging welke de belangen der bij de weermacht dienenden behartigt.
Ik besluit met een woord van warmen dank aan Uwe Excellentie voor de voortvarendheid waarmede U dit plan hebt ontworpen en in staat van behandeling gebracht.
Hiermede open ik deze vergadering en verzoek U thans de leiding dezer beraadslagingen op U te nemen.
De rede, welke ik daarna op uitnoodiging van de Koningin hield, ving ik aldus aan:
_Majesteit!_
Het zij mij vergund aan het openingswoord, zooeven door Uwe Majesteit gesproken, met Uwe toestemming, een korte uiteenzetting toe te voegen van het doel, dat ons samenbrengt.
Alvorens daartoe over te gaan moet mij een woord van eerbiedigen dank van de lippen, dat Uwe Majesteit door Hare tegenwoordigheid hier ter plaatse ook aan deze nationale zaak wijding heeft willen geven. Ik ben overtuigd dat ik met dit woord van dank de gevoelens vertolk niet alleen van de hier aanwezigen, maar van heel Uw volk, dat de beteekenis van Uwer Majesteits aanwezigheid hier in deze bijeenkomst nog beter zal beseffen, als het weet dat de grondgedachte welke tot het bijeenroepen van deze vergadering heeft geleid van Haar afkomstig is; dat Uwe Majesteit de eerste is geweest die uitdrukking heeft gegeven aan het denkbeeld, de instellingen die zich met het crediet voor den kleinen middenstand bezighouden of daarin belangstellen, met het oog op de bijzondere taak welke dat crediet tengevolge van de oorlogscrisis zal hebben te vervullen, in nauwere aanraking met elkander te brengen.
Het is te hopen en te verwachten, dat de erkentelijkheid welke in heel het land zal worden gevoeld voor dit nieuwe initiatief van Uwe Majesteit in het belang dergenen, die den druk der omstandigheden bijzonder zwaar gevoelen, zich zal uiten in eene verhoogde toewijding aan het na te streven doel van de zijde van allen, die tot de bevordering daarvan kunnen bijdragen.
Vervolgens gaf ik eene uiteenzetting van het doel der samenkomst, welke met eenigszins andere woorden in hoofdzaak hetzelfde inhield als het zoo even medegedeelde rapport aan Hare Majesteit en die ik dus niet opneem, om niet in herhalingen te vervallen. Na die uiteenzetting vervolgde ik aldus:
Ten einde aan de zaak het algemeen nationaal karakter te geven, dat voor haar welslagen noodig is, zijn tot deze bijeenkomst ook uitgenoodigd verschillende maatschappijen en vereenigingen, zich bewegend op onderscheiden terreinen van het maatschappelijk leven, die bij groote onderlinge verscheidenheid allen belang hebben bij- of belangstellen in een zoo goed mogelijke voldoening aan de credietbehoeften van den kleinen middenstand.
Doch met hoe goede bedoelingen men ook zou zijn bezield, het zou niet mogelijk zijn die in practische daden om te zetten, indien de Nederlandsche Bank niet bereid was daartoe hare medewerking te verleenen. Ik mag en wil daarom niet nalaten er met erkentelijkheid op te wijzen dat de Nederlandsche Bank, zoodra zij van het plan kennis kreeg, daarmede hare volle sympathie betuigde en bij de uitwerking daarvan hare medewerking met de meeste welwillendheid verleende.
Het enkele feit, dat de uitnoodiging tot deze bijeenkomst mede uitgaat van den president der Nederlandsche Handel-Maatschappij, die tevens voorzitter is van de Vereeniging voor den Geldhandel, waarborgt voorts, dat als het plan in de uitvoering de medewerking van den grooten geldhandel behoeft, daartoe niet te vergeefs zal worden aangeklopt.