Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken

Part 23

Chapter 233,505 wordsPublic domain

§ 2. _Het middenstandscrediet._

Onder de bevolkingsgroepen, die door het uitbreken van den oorlog zeer werden bedreigd, neemt de kleine handeldrijvende en industrieele middenstand een eerste plaats in. Deze klasse van personen werd van twee kanten getroffen. Door den schok welken het geheele economische leven ontving, verminderde zoowel de koopkracht als de kooplust van een groot deel der bevolking. Dit kon niet nalaten den middenstand te treffen, vooral diegenen onder hen, die onder het volk afname hunner producten vonden, alsmede hen, wier waren in meerdere of mindere mate onder de weeldeartikelen gerangschikt kunnen worden. Bovendien leden zij onder de groote credietcrisis. Als gevolg daarvan konden zij veelal slechts contant betrekken, wat zij onder normale omstandigheden tegen betaling na één of meer maanden hadden kunnen afnemen, terwijl vooral in den eersten tijd hunne vorderingen niet of uiterst slecht binnenkwamen. Hun toestand was door de samenwerking dezer ongunstige oorzaken in den aanvang der crisis bijzonder hachelijk. Aan de eerste dier oorzaken viel rechtstreeks niets te verhelpen; alleen mocht worden verwacht, dat de middenstand er de gunstige terugwerking van zou ondervinden, als het mocht gelukken door het samenstel van maatregelen, welke de Regeering in overleg en in samenwerking met verschillende particuliere personen en organisaties nam, den algemeenen economischen toestand te verbeteren. Die verwachting is uitgekomen. Ook heeft de kleinhandel in sommige weeldeartikelen zich zelfs opmerkelijk snel hersteld als gevolg van het ontstaan van een groep oorlogswinsttrekkers, die, zooals dat met „nouveaux riches” gewoonlijk het geval is, behoefte hadden hun welstand ook uiterlijk ten toon te spreiden. De vermindering der werkloosheid als gevolg van de verbetering der conjunctuur, waartoe ook de verschillende maatregelen, welke op die vermindering gericht waren, het hunne hebben bijgedragen, kwam wat later ook aan den middenstand in de volksbuurten ten goede. In de Nota over den Economischen Toestand in het begin van het jaar 1916 kon dan ook worden vermeld: „De toenemende koopkracht van een groot deel van het publiek oefende een gunstigen invloed uit op den gang van zaken in het winkeliersbedrijf. Dit gold voornamelijk de winkels, die de meer gegoede kringen bedienen. De vermindering der werkloosheid verbeterde den toestand der kleinere winkeliers, die vooral in de eerste maanden der crisis met ernstige moeilijkheden te kampen hadden.” Maar in de Nota betreffende dien toestand in Juli 1915 moest toch nog geschreven worden: „De slechte toestand in tal van groote steden heeft een nadeeligen invloed op den kleinen winkelstand aldaar, die met moeite het hoofd boven water houdt.”

Het lag dus voor de hand dat de Regeering, die overal had te helpen en te steunen om de zaken op gang te houden, ook den handeldrijvenden en den industrieelen middenstand niet vergeten mocht. Trouwens reeds aanstonds bij het begin van de crisis stegen noodkreten uit de organisaties van den middenstand op en namen deze gelukkigerwijze zelven het initiatief om althans in de credietbehoeften der winkeliers te voorzien. De Vereeniging voor den Geldhandel kon deze categorie van handeldrijvenden niet helpen; zij toch verlangde als waarborg voor hare credieten zakelijk onderpand: beleening van effecten, goederen, gronden, gebouwen of grossen van hypotheken. Onder de middenstanders, die crediet noodig hadden, waren velen hierdoor van de hulp die de „Geldhandel” verleende, reeds van meet af aan uitgesloten. Wel werden enkelen geholpen; de meesten echter zouden zich niet eens hebben durven aanmelden bij zulk een lichaam, dat aan de vele credietbehoeften der middenstanders, die bijna altijd kleine bedragen betroffen en wier onderzoek zeer tijdroovend was, ook met den besten wil niet had kunnen voldoen. Hier moest dus op andere wijze raad worden geschaft. De stoot daartoe ging van Amsterdam uit. Het eerste verslag van de Algemeene Nederlandsche Centrale Middenstandscredietbank verhaalt haar eigen ontstaan in de volgende woorden:

„Op 6 Augustus 1914 werd op eene door de Algemeene Winkeliersvereeniging te Amsterdam uitgeschreven vergadering overlegd, welke maatregelen men zou kunnen nemen. Op deze vergadering werd op krachtige wijze de wensch naar afdoende hulp aan den middenstand geuit en werd onverwijld naar den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, die tezelfder tijd over de te nemen maatregelen confereerde met de Vereeniging voor den Geldhandel, Dr. D. Bos en den Voorzitter van den Middenstandsbond, een telegram gezonden, om aan te dringen op het nemen van doeltreffende maatregelen.

„Ter genoemde conferentie bleek men er van doordrongen, dat het oogenblik was gekomen om afdoende maatregelen te treffen ter regeling van het middenstandscrediet.

„De Regeering bleek bereid den steun, dien zij in den vorm van subsidie van ƒ 10.000.-- per jaar tot nog toe aan het middenstandscrediet verleende, te verhoogen en ook de Vereeniging voor den Geldhandel verklaarde zich bereid, na overleg omtrent de te nemen maatregelen, steun te verleenen.

„Een Commissie van voorbereiding onder leiding van Dr. D. Bos nam op zich het ontwerpen van de grondslagen, waarop een goede organisatie zou moeten worden gebaseerd. De samensprekingen te dien einde gehouden met de Nederlandsche Bank en de Vereeniging voor den Geldhandel en eenige vooraanstaande middenstanders, leidden ten slotte tot de oprichting van de Algemeene Nederlandsche Centrale Middenstands-Credietbank. De akte van oprichting werd verleden op 19 September 1914. Het kapitaal bedroeg ƒ 1.000.000.--, waarvan ƒ 200.000.-- geplaatst. Verschillende particulieren en groote bankinstellingen gaven door deelname in het kapitaal blijk van hun belangstelling in de zaak van het middenstandscrediet. De Regeering zegde toe te bevorderen, dat voor het jaar 1915 de jaarlijksche subsidie ten behoeve van het Middenstandscrediet tot ƒ 50.000.-- zou worden verhoogd, en nam evenals de Vereeniging voor den Geldhandel een zekere garantie voor de Instelling ten behoeve van de Nederlandsche Bank op zich.

„Met de Instelling is beoogd in ’t leven te roepen een centraal punt voor alle middenstands-credietbanken in den lande. Van haar zal uitgaan een krachtige propaganda ten einde zoo spoedig mogelijk een net van middenstandscredietbanken over het geheele land tot stand te brengen. Zij zal bij de inrichting en ontwikkeling dezer banken organiseerend optreden en leiding geven. Zij zal leiding geven aan pogingen om door het oprichten van inkoop-, verkoop- en productie-vereenigingen den economischen toestand van den Middenstand te verbeteren. Verder is het hare taak de aangesloten banken en instellingen van het noodige crediet te voorzien.”

De garantie der Regeering bestond in een borgstelling ten behoeve van de Nederlandsche Bank van 50% van de promessen, welke zij van de aangesloten middenstandsbanken in beleening nemen zou tot een--later verhoogd--maximum van één millioen. Ook de Vereeniging van den Geldhandel nam tot 1 Januari 1916 een garantie tegenover de Nederlandsche Bank op zich.

De oprichting werd eveneens door enkele groote banken zooals de Nederlandsche Handel-Maatschappij, de Amsterdamsche Bank, de Rotterdamsche Bankvereeniging en de Twentsche Bankvereeniging gesteund; de heeren Van Aalst en Mr. F. S. van Nierop namen zitting in het college van commissarissen, daarmede aan hun sympathie met de nieuwe instelling openlijk uiting gevende. Dr. Bos, die steeds met de middenstandsbeweging in nauwe betrekking had gestaan, die ook als voorzitter van de Staatscommissie tot onderzoek van de toestanden in den middenstand van diens nooden en behoeften bijzonder op de hoogte was en die een zeer groot aandeel had in de totstandkoming van de Algemeene Centrale Middenstandsbank, nam het voorzitterschap van het college van commissarissen op zich. De dagelijksche leiding werd in handen gegeven aan bekwame en beproefde voorstanders van de credietcoöperatie voor den middenstand, onder wie in de eerste plaats is te noemen de heer M. H. G. F. Fiedeldy Dop, een der van ouds bekende figuren in de middenstandsbeweging. Met ijver en niet zonder succes werd propaganda voor de zaak gemaakt. De Algemeene Nederlandsche Centrale Middenstandscredietbank wist op slechts enkele uitzonderingen na de bestaande middenstandsbanken te bewegen, zich bij haar aan te sluiten. Vele nieuwe middenstandsbanken werden opgericht. Op 31 December 1915 waren 72 banken bij haar aangesloten, waarvan ongeveer de helft sedert haar oprichting was tot stand gekomen. Op dien dag beliep het uitstaand crediet der bij haar aangesloten banken ongeveer ƒ 5 millioen, verstrekt aan ten naastenbij 3500 credietnemers. Toch bleef een groot deel der credietbehoeften van den middenstand onbevredigd.

Dit is aan velerlei oorzaken toe te schrijven. In de eerste plaats moesten de bij de Algemeene Centrale aangesloten banken in hare statuten opnemen, dat geen credieten zouden worden verleend dan tegen persoonlijke of zakelijke zekerheid. Hoewel de opneming van deze bepaling getuigde van voorzichtig beleid en noodig was, werd hierdoor toch een breede schare van middenstanders uitgesloten, vooral omdat onze wet verpanding van voorraden zonder dat zij uit het bezit van den pandgever gaan, niet kent. Voorts staat het middenstandscrediet in financieele kringen niet àl te zeer in aanzien. Vooral de banken in de provincie vreezen daarvan concurrentie, hoewel over het algemeen de zaken, welke zij met middenstanders zouden kunnen doen, zelfs als de credietwaardigheid van deze credietzoekenden voldoende zou vaststaan, elk op zich zelf van te weinig beteekenis zijn, om voor hen aantrekkelijk te wezen. Jammer genoeg is het ook niet te ontkennen, dat er middenstandscredietbanken zijn, die zich niet gehouden hebben binnen hun terrein en die, door tevens als gewone effecten- en geldhandelaars op te treden, den bankiers in de provincie rechtstreeks concurrentie aandeden. Doch daarnaast ligt de geringe sympathie van de financieele wereld in de credietcoöperatie zoowel van den middenstand als van den landbouw, in de neiging van onze bedrijfscoöperators om hunne aansprakelijkheid te veel te beperken. Dit is inderdaad een groot gebrek. Ook de Nederlandsche Bank is terecht weinig geneigd promessen van een coöperatieve bank te disconteeren, wanneer de aansprakelijkheid harer leden bij de statuten te zeer beperkt is.

Bij de oprichting van de Algemeene Nederlandsche Centrale Middenstandscredietbank stond men onmiddellijk voor deze moeilijkheid. Stelde men de aansprakelijkheid te ruim, dan zou men geen deelnemers vinden; stelde men haar te eng, dan zou men in financieele kringen niet voor vol worden aangezien en zou de Nederlandsche Bank bezwaar maken, het papier der middenstandsbank te disconteeren. Ter oplossing van deze moeilijkheid heeft men een uitweg gekozen, die wel goed bedoeld, maar weinig practisch was.

Er moest echter rekening worden gehouden met de voorwaarde, die de Nederlandsche Bank en dientengevolge ook de Vereeniging voor den Geldhandel ten aanzien van dit punt aan haar bereidwilligheid tot medewerking verbonden. Daarbij legden zich de oprichters, zij het ook noode, ten slotte neer. Voor de Regeering was er toen geen aanleiding plus royaliste te zijn que le roi. Die conditie toch was zeker bevorderlijk voor de credietwaardigheid der middenstandsbanken, al belemmerde zij haar ontwikkelingsvatbaarheid.

De voorwaarde, waarop ik doel, bestaat hierin dat de bij de Alg. Ned. Centr. Middenstandscredietbank aangesloten banken in hun statuten moesten opnemen, dat alle credietnemers zich aansprakelijk zouden stellen niet alleen voor de voldoening aan hun eigen verplichtingen, maar bovendien nog tot een bedrag van 20% boven het hun verleende crediet, voor eventueele verliezen door de bank te lijden. Wanneer zulk een verplichting gesteld was telkens voor een kleine groep van elkaar persoonlijk kennende credietnemers, die elkander beoordeelen kunnen, zou daartegen niet het minste bezwaar zijn geweest. Het onderling voor elkaar instaan door kleine groepen van personen, die elkander niet vreemd zijn, is zelfs de kern der crediet-coöperatie. Daarin ligt het geheim der ontwikkeling van de landbouw-coöperatie, welke, omdat zij dorpscoöperatie is, onderlinge aansprakelijkheid vraagt en vragen kan van personen, die door het enkele feit, dat zij dorpsgenooten zijn, elkanders betrouwbaarheid en draagkracht beoordeelen kunnen. Verbindt men daarentegen als voorwaarde aan een credietverleening, dat de credietbehoeftige behalve voor zich zelven bovendien tot een bedrag van een vijfde van het hem verleende crediet nog er voor zal instaan dat anderen, die hij niet kent en van wie hij niets weet, hunne verplichtingen ook zullen nakomen, dan loopt men gevaar juist hen af te stooten, wier medewerking men voor een goede crediet-coöperatie in de eerste plaats noodig heeft, en houdt men, in het algemeen genomen, vooral hen over, die niet te zwaar denken over verplichtingen, welke zij op zich nemen, of die elders niet terecht konden en die nu van den nood een deugd maken. Zal de crediet-coöperatie van den middenstand tot bloei willen komen, dan zal zij zich van die haar in hare ontwikkeling ernstig belemmerende bepaling moeten weten los te maken, zonder aan de waarborgen, welke zij aan de Nederlandsche Bank bieden moet, tekort te doen.

Maar zelfs al gelukt haar dit, en al zou er van den beginne af een regeling zijn getroffen die de Alg. Ned. Centr. Middenstandscredietbank niet in haar groei belemmerd had, dan zou zij toch de kleine middenstanders niet hebben bereikt. Misschien zullen ook zij langs den weg der coöperatie te helpen zijn, als deze zich in de middenstandskringen werkelijk zal hebben ingeburgerd; thans, nu het meerendeel der middenstanders nog vreemd, zoo niet vijandig daartegenover staat, zou het getuigen van kortzichtige voorbarigheid, daarvan heil te verwachten ook voor het kleine winkeliertje, en het kleine handwerksbaasje, die zelfs hun eigen zaak niet kennen en die verbaasd staan, als men hun vraagt of zij eenige, zij het nog zoo eenvoudige, boekhouding voeren.

Hetgeen door het gemeentebestuur van Amsterdam in overleg met de Algemeene Winkeliersvereeniging ter bevordering van het middenstandscrediet in de hoofdstad is gedaan, is meer aan de kleine middenstanders ten goede gekomen, al heeft het vooral het bouwbedrijf aldaar gebaat. Deze gemeente besloot tot een bedrag van ƒ 1.000.000 zich borg te stellen voor personen uit den middenstand, aan wie door de Credietvereeniging of door de Amsterdamsche Centrale Middenstands-Credietbank crediet werd verleend; doch alleen voor credieten, welke door Burgemeester en Wethouders, bijgestaan door een speciale commissie, waren goedgekeurd. Aangezien het plan van deze Amsterdamsche borgstelling ten behoeve van credietbehoevende middenstanders goed was in elkander gezet, besloot het Rijk, ten einde de uitvoering daarvan te bevorderen, de helft van de eventueele verliezen, welke voor de gemeente uit die borgstellingen zouden voortvloeien, aan haar te zullen vergoeden. Die maatregel, welke als crisis-maatregel bij uitnemendheid, zijn doel niet heeft gemist, is--gelijk ik opmerkte--in hoofdzaak ten goede gekomen aan de bouwers, maar toch zijn ook andere middenstanders en onder hen ook een aantal kleinere daardoor gebaat geworden.

Percentsgewijze is aan den kleinen middenstander nog eenigszins meer ten goede gekomen hetgeen de gemeente ’s Gravenhage deed. Zij gaf tot een bedrag van ƒ 100.000 een voorschot aan de Coöperatieve Middenstandsbank aldaar, met de bedoeling dat dit zou strekken voor credietverleening aan kleine middenstanders binnen de gemeente, die door deze middenstandsbank credietwaardig zouden worden geacht en die als gevolg van den oorlogstoestand een voorschot behoefden. Voor zoover dit hielp, was die hulp, evenals in Amsterdam, plaatselijk. Bovendien geeft het bedrag, dat door de gemeente ’s Gravenhage voor deze hulp werd beschikbaar gesteld, reeds aan, dat zij slechts op bescheiden schaal kon werken.

Toch mocht ook deze breede schaar van kleine neringdoenden en handwerksbazen, die geen of slechts onvoldoende zekerheid konden stellen, niet aan hun lot worden overgelaten, voor zoover zij door den oorlogstoestand in hun bedrijf waren of werden geschaad. Vooral in de gevallen, waarin de achteruitgang van den winkel of het bedrijfje rechtstreeks verband hield met de mobilisatie, doordien de kleine middenstander was opgeroepen voor den militairen dienst en zijn zaak had moeten verwaarloozen, had de Staat niet slechts aanleiding maar zelfs den moreelen plicht, de helpende hand te reiken, om het zaakje weer op de been te krijgen. Niettemin was deze categorie van middenstanders tot in het begin van het jaar 1915 om de zooeven aangegeven redenen feitelijk grootendeels buiten den van staatswege verleenden steun aan het middenstandscrediet gebleven en werden alleen zij, die er het slechtst aan toe waren, zooals in het vorig hoofdstuk werd medegedeeld[12], met kleine giften van het Kon. Nat. Steuncomité geholpen. Op deze leemte werd mijn aandacht gevestigd door de Koningin, in eene audiëntie welke Hare Majesteit mij in het laatst van Januari 1915 verleende en waarin Zij mijn oordeel over enkele economische toestanden en maatregelen vroeg. De vraag van de Koningin, mijn gedachten over deze zaak te laten gaan en Haar, zoo mogelijk, een plan van organisatie van een credietverleening voor te leggen, welke binnen het bereik zou liggen van de kleine en kleinste middenstanders, die onder den oorlogstoestand gebukt gingen, leidde tot het hieronder volgend rapport, dat ik op 1 Februari aan Hare Majesteit indiende en waarvan de opneming mij door Haar welwillend werd toegestaan.

[12] Zie bl. 142/3.

De tijd is gekomen om het noodige voor te bereiden ten einde, na het weer vlot raken van den door den oorlog in menig opzicht vastgeraakten toestand, een aantal onder de kleine ondernemers niet geheel weerloos te doen staan tegenover de gevaren, die hun van de alsdan te verwachten verschuivingen zullen dreigen. Wel is waar is de Europeesche vrede nog niet in het zicht en is er nog niet de minste zekerheid dat Nederland door den loop der omstandigheden, niettegenstaande het optreden der Regeering ter verzekering van onze onafhankelijkheid en van onze neutraliteit, niet toch in den grooten krijg zal worden medegesleept. Deze overweging mag er intusschen niet toe leiden, met het voorbereiden van de noodige weermiddelen tegen economischen ondergang van een aantal kleine ambachtslieden, neringdoenden en boeren te wachten, totdat omtrent den vrede en het lot van ons land in den thans woedenden oorlog zekerheid zal zijn verkregen.

Om gereed te zijn als de economische verschuiving bij den terugkeer tot normale politieke verhoudingen zal beginnen, moeten de vereischte maatregelen, vóór het zoover is, worden genomen. Ook hier geldt dat „gouverner c’est prévoir”. En mocht het verloop der gebeurtenissen zoodanig zijn, dat het onmogelijk wezen zou de beraamde maatregelen in toepassing te brengen, dan zal de daaraan ten koste gelegde arbeid toch wel door niemand als onnut worden aangemerkt.

Hetgeen te doen staat voor den tijd van het los komen van den economischen ijsgang is uit den aard der zaak verwant aan de steunbeweging, die zich uit het door H. M. de Koningin in Augustus 1914 genomen initiatief heeft ontwikkeld. Die verwantschap sluit echter niet uit, dat er wezenlijke punten van verschil zijn. Wel is uit de steunbeweging mede gegroeid, dat het Koninklijk Nationaal Steuncomité, in verbinding met de organisatie van de Directie van den Arbeid en onder de medewerking van personen en instellingen, werkzaam op de verschillende terreinen van het economisch volksbestaan, zich voortdurend op de hoogte houdt van de verschillende takken van nijverheid, handel en landbouw, en belanghebbenden zoowel als Regeering van advies dient omtrent den stand der verschillende bedrijven, de betrekking van de noodige grond- en hulpstoffen voor zoover die van elders moeten komen, de mogelijkheid van het vrij laten uitgaan of de noodzakelijkheid van het binnenslands houden der producten, omtrent de schommelingen in de arbeidsgelegenheid, in één woord omtrent het geheele verloop van het bedrijfsleven in dezen zoo bewogen en zoo bijzonderen tijd. Maar voor zoover het Koninklijk Nationaal Steuncomité meer is dan een adviseerend lichaam, bepaalt zijn werkkring zich er zoo goed als geheel toe, door tusschenkomst van de verschillende plaatselijke steuncomités wekelijksche toelagen in verschillenden vorm te geven aan die gezinnen en personen, die door den oorlogstoestand tijdelijk buiten staat zijn geraakt om in eigen onderhoud te voorzien. Hetzelfde geldt voor de plaatselijke steuncomités zelve. Trouwens het doel waarmede deze organisatie in de zoo moeilijke dagen van Augustus 1914 werd in het leven geroepen, was geen andere, en de taak die deze steunorganisatie heeft te verrichten, is bij uitstek zwaar en gewichtig, en haar werkkring, door het wegdringen van honger en ellende, bij uitstek zegenrijk.

Wat noodig zal zijn in den overgangstijd tot het economisch leven zich weer geheel in den nieuwen toestand zal hebben gevoegd, is ook wel te brengen onder het algemeene begrip _steun_, maar toch is hier een steun van gansch ander karakter van noode.

Hier geldt het aan kleine bedrijven, die door den oorlogstoestand in het ongereede zijn geraakt, hulp te verleenen bij het zich opwerken tot de te voren bereikte hoogte; en kleine nijveren, wier bedrijf onder dien toestand geheel te gronde ging, in staat te stellen van hun vakkennis en hun ervaring als kleinondernemer gebruik te maken en opnieuw een zaakje in de branche, waarmede zij vertrouwd zijn, te beginnen.

Hier gaat het dus niet om het verstrekken van wekelijksche of maandelijksche toelagen, maar om het verstrekken van kleine credieten voor oprichtings- en bedrijfskapitaal, voor zoover het nieuwe zaakjes betreft, voor aanvulling van verloren kapitaal, voor zoover betreft zaakjes, die niet zijn te gronde gegaan maar verzwakt.

Het terrein dat hier te bearbeiden zijn zal, levert zeker niet minder moeilijkheden op dan hetwelk door de steuncomités bestreken wordt. In de allereerste plaats zal het noodig zijn scherp te onderscheiden tusschen de kleine bedrijven die vóór den oorlog getoond hadden levensvatbaarheid te bezitten, maar door den oorlogstoestand in het ongereede zijn geraakt en die welke reeds te voren ten doode waren opgeschreven, maar welker einde door den oorlogstoestand alleen werd verhaast.

Het zou economisch verkeerd zijn en op een aaneenschakeling van teleurstellingen uitloopen, indien bij het werk dat hier te doen staat, niet zoo zorgvuldig mogelijk tusschen beide groepen van noodlijdende of omvergeworpen zaken werd onderscheiden. Hoe hard het in sommige bijzondere gevallen ook moge zijn, moet de tweede categorie van de hier bedoelde hulp streng worden buitengesloten. De eigenaars van zulke zaakjes moeten hun heil zoeken niet in vruchteloos pogen van nieuw leven te blazen in wat niet levensvatbaar is, maar in het aanbieden van hun dienst als leider, opzichter of arbeider in beter toegeruste en aan de economische eischen beter beantwoordende ondernemingen.