Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken
Part 22
„In deze ƒ 40 millioen werd door ons deelgenomen voor een bedrag van ƒ 8 millioen. Verder namen daarin deel de volgende instellingen en firma’s: Rotterdamsche Bankvereeniging, Amsterdamsche Bank, Twentsche Bankvereeniging, B. W. Blijdenstein & Co., Hope & Co., Van Loon & Co., Nederlandsch-Indische Handelsbank, Lippmann, Rosenthal & Co., Incasso-Bank, R. Mees & Zoonen, Wertheim & Gompertz, Adolph Boissevain & Co., Gebrs. Teixeira de Mattos, A. van Hoboken & Co., Internationale Crediet- en Handelsvereeniging „Rotterdam”, Van Eeghen & Co., Wiegman’s Bank, De Wissel- en Effectenbank, Disconto-Maatschappij, Marx & Co.’s Bank, Vermeer & Co. en Nederlandsch-Indische Escompto-Maatschappij.
„Hierdoor werd bereikt, dat de noodige middelen beschikbaar waren, om aan allen, die zakelijke zekerheid konden aanbieden, Zoo noodig hulp te verschaffen.”
Zoowel over de beteekenis van de „Vereeniging voor den Geldhandel”, waarvan het voorzitterschap aan den president van de Nederlandsche Handel-Maatschappij werd toegekend, als over den moreelen steun, welke door de Regeering bij haar wedergeboorte was verleend, bestond misverstand. Men meende dat met den getroffen maatregel de Vereeniging voor den Geldhandel alleen de „haute finance” en den groothandel helpen zou. Al zou het onjuist zijn te ontkennen, dat bij de groote bankiers niet even goed als bij hunne vakgenooten uit de provincie de overweging gold, welke in het zooeven door mij aangehaalde Fransche spreekwoord wordt uitgedrukt, toch had de Vereeniging voor den Geldhandel niet de bedoeling uitsluitend voor het groote bankwezen en den groothandel werkzaam te zijn en verspreidde haar werkzaamheid zich ook inderdaad over veel ruimeren kring. Tot tweemaal toe achtte ik het noodig omtrent de beteekenis dier vereeniging in de Tweede Kamer misverstanden uit den weg te ruimen. Op 3 Augustus zeide ik daaromtrent: „Van het oogenblik af, dat de toestand dreigde zoo kritiek te worden als hij op het oogenblik is, is er van uit de bankwereld verband gezocht en connectie verkregen met de Regeering, en de Regeering heeft zich bij monde van den Minister van Financiën, van den Minister van Justitie en van mij, bereid verklaard om in overleg met de verschillende organen van ons geld- en kredietwezen te treden en aan den toestand, voor zoover het maar eenigszins mogelijk is en zoolang het mogelijk is, het hoofd te bieden. En nu is de voorstelling, alsof door de getroffen regeling alleen zou worden geholpen de groothandel gelukkig niet juist en ik kan er bij zeggen dat, wanneer ik den indruk had gekregen, dat door de zeer bijzondere maatregelen die genomen zijn, door het Koninklijk besluit tot verandering van de dekking der Nederlandsche Bank en tot verandering van het octrooi, alleen de groothandel zou worden geholpen, ik gemeend zou hebben, dat de Regeering niet verantwoord was. Maar om het krediet ook voor den kleinhandel, ook voor den landbouw en de groote en kleine nijverheid zoo goed mogelijk in dezen kritieken tijd in staat te stellen te voldoen aan zijn taak, moet in de allereerste plaats de centrale, de groote kredietorganisatie in staat zijn om aan de verschillende gewettigde aanvragen te voldoen.
„Met bijzonder veel genoegen kan ik hier verklaren, dat er is verkregen overeenstemming tusschen het bestuur van de Nederlandsche Bank, een consortium van groote bankiers en de commissionnairs in effecten in de provincie en de Regeering om een regeling te treffen, waarbij aan alle gewettigde kredietaanvragen in den tegenwoordigen tijd zal worden voldaan, voor zoover dit met de bestaande kredietmiddelen mogelijk is.”
Het misverstand was daarmede echter niet uit den weg geruimd. Een vraag van Dr. Bos gaf mij aanleiding in de vergadering van de Tweede Kamer van 6 Augustus 1914, nadat het ontwerp van wet op de zilverbons zonder mondelinge beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming was aangenomen, nog op te merken: „Men meent dat het syndicaat eigenlijk speciaal is opgericht en speciaal werkt ten gunste van den effectenhandel, van den geldhandel en niet van den goederenhandel en, voor zoover het dan nog voor den goederenhandel zou zijn, alleen voor den groothandel. Laat ik herhalen in eenigszins andere woorden hetzelfde wat ik reeds Maandag gezegd heb, toen ik deze zaak besprak. De Regeering zou ongetwijfeld niet hebben medegewerkt tot het nemen van de zeer buitengewone maatregelen, die genomen zijn om het kredietwezen zoo goed mogelijk in stand te houden, indien zij niet de overtuiging had, dat volstrekt niet alleen de geldhandel, volstrekt niet alleen de groothandel, maar dat èn de goederenhandel èn de geldhandel èn de kleinhandel èn de groothandel, natuurlijk voor zoover het kan, zullen worden geholpen. Er is in dit opzicht inderdaad eenig misverstand ontstaan, en nu is in de advertentie, die hedenmorgen in de verschillende bladen heeft gestaan, een advertentie, die ook een gevolg is van de besprekingen, die reeds weer plaats gehad hebben met het consortium, zoo duidelijk mogelijk door dat consortium aangegeven, dat het inderdaad even goed voor den goederenhandel als voor den geldhandel werkt.
„In die advertentie lees ik het volgende: De ondergeteekenden berichten, dat de voorschotten welke de Vereeniging voor den Geldhandel verstrekt, worden verleend tegen goed te keuren _fondsen_, _ceelen_, _wissels_, _promessen_, _hypothecaire zekerheid_, en andere _zakelijke waarborgen_, aan alle handelaren, industrieelen, particulieren, spaarbanken en andere instellingen, waar ook in Nederland gevestigd, welke onder de bestaande omstandigheden geld behoeven”.
De grief dat de Vereeniging voor den Geldhandel wel wat langzaam te werk ging bij het verleenen van haar hulp, kon ik niet tegenspreken. Ook al werd de noodzakelijkheid van zorgvuldig onderzoek van elke bij haar inkomende aanvraag, een onderzoek dat in nauwe samenwerking met de Nederlandsche Bank moest geschieden, volmondig erkend, had men toch mogen rekenen op een snellere afdoening van zaken dan in werkelijkheid plaats had. Als Minister van Handel heb ik in die dagen op het betrachten van grooteren spoed bij het behandelen der credietaanvragen meermalen aangedrongen, zoowel bij de Vereeniging voor den Geldhandel als bij de Nederlandsche Bank.
Omtrent de wijze waarop de aanvragen behandeld werden, schrijft het Verslag van de Nederlandsche Bank over het boekjaar 1914/15: „De Nederlandsche Bank heeft in haar gebouw lokaliteiten beschikbaar gesteld voor de Vereeniging, alwaar deze een eigen kantoor inrichtte met bijzondere boekhouding. Alle aanvragen om steun moesten bij het Bestuur dezer Vereeniging worden ingediend, waartoe elken werkdag, gedurende de gewone kantooruren door dit Bestuur zitting werd gehouden. Een eerste onderzoek werd dan door het Bestuur van de Vereeniging v. d. Geldhandel naar die aanvragen ingesteld, waarna deze door het Bestuur der Vereeniging met praeadvies werden overgebracht bij de Directie van De Nederlandsche Bank ter verdere zelfstandige beslissing.
„Bij inwilliging van het verzoek stelde De Nederlandsche Bank het geld ter beschikking van de Vereeniging voor de goedgekeurde aanvrage. Als zekerheid voor deze verleende credieten werden in groote verscheidenheid roerende goederen in onderpand genomen, waaronder dikwijls zaken, welke in gewone omstandigheden voor onderpand bij de Bank niet in aanmerking kwamen; bovendien werden ook als onderpand aangenomen onroerende goederen, welke met een hypotheek ter verzekering van het voorschot werden belast, en ook grossen van hypotheek.
„Op deze wijze werd het mogelijk met behulp van De Nederlandsche Bank in werkelijk dringende gevallen ook geld op hypotheek of op beleening van grossen van hypotheek te krijgen, niettegenstaande het bedrijf der gewone hypotheekbanken door de crisis was stop gezet.”
De werkzaamheid van de Vereeniging voor den Geldhandel kreeg intusschen bij lange na niet zulk een omvang als waarop was gerekend. In het verslag van de Nederlandsche Bank over het boekjaar 1914/15 wordt hiervan gezegd: „De Vereeniging voor den Geldhandel had tot 31 Maart 1915 voor een bedrag van ƒ 31.867.477,50 aan voorschotten in allerlei richting toegezegd, waarvan was opgenomen ƒ 23.512.306,84^{5} en wederom afgelost ƒ 10.782.431,04; dit cijfer is dus gebleven verre beneden de ƒ 200 millioen, aanvankelijk als maximum voor een hulpverschaffing in die richting gesteld. Deze cijfers op zichzelven geven echter geen juist beeld van de werkzaamheden der Vereeniging; immers zij heeft haar intermediair verleend voor aanvragen tot een belangrijk grooter bedrag, welke evenwel.... zijn teruggebracht bij de gewone bankrelaties. Vooral in dit opzicht heeft de dagelijksche samenwerking van den „Geldhandel” met De Nederlandsche Bank een heilzame uitwerking voor het crediet in Nederland gehad. Zoowel kleine handelaars, scheepswerven, industrieelen, alsook zeer groote groepen van handel, landbouw en industrie hebben van deze samenwerking en voorlichting kunnen profiteeren, om langs normale wegen weder het noodige bedrijfscrediet te verkrijgen, toen voor velen hunner het verloop van de crisis uit andere oorzaken gunstiger bleek te worden dan eerst was verwacht en zij dientengevolge buitengewone credietfaciliteiten als van den „Geldhandel” niet noodig hadden. Verschillende anderen kwamen zelfs in zóó veel beter omstandigheden, dat zij den aangevraagden steun in het geheel niet meer behoefden.”
Hieruit blijkt genoeg, welk een gunstige uitwerking het heeft gehad, dat de vooraanstaande mannen van den geldhandel zonder verwijl, zoodra de crisis losbrak, maatregelen namen om in de credietbehoefte van handel, landbouw en nijverheid te voorzien. Zooals ook de president van de Nederlandsche Bank opmerkt, is de beteekenis van dat initiatief niet slechts af te meten naar den omvang der werkzaamheden van de daaruit voortgekomen organisatie van het crisiscrediet, maar ten minste evenzeer naar den kalmeerenden invloed, dien het enkele feit van het optreden van de Vereeniging voor den Geldhandel heeft gehad. Het werkte als olie op de crisis-golven.
Intusschen had het aanvankelijk een groote schaduwzijde. Het crediet dat verleend werd, kwam den credietbehoevenden op een bij uitstek hooge rente te staan. Toen de crisis was ingetreden, de effectenbeurs was gesloten en het gewone crediet tijdelijk was stop gezet, had dit tot gevolg, dat bij de bepaling der rente voor de credietzaken, welke door de Vereeniging voor den Geldhandel werden afgesloten, uitgegaan werd van de renteberekening der Nederlandsche Bank voor voorschotten in rekening-courant. Daar die Vereeniging het geld voor de credieten, welke zij gaf, zooals werd uiteengezet, van de Nederlandsche Bank ontving, kon zij voor haar eigen renteberekening geen anderen grondslag nemen. Doch ook de Vereeniging voor den Effectenhandel ging dien weg op. Ook zij bepaalde, dat bij de berekening van prolongatierente van de rente der Nederlandsche Bank voor voorschotten en rekening-courant zou worden uitgegaan. Deze was door de directie op 29 Juli eerst tot 6% verhoogd en op 1 Augustus op 7% gebracht. Hierboven werd 2% berekend, bovendien moesten de debiteuren van prolongatieposten nog 1 per mille per maand betalen aan den commissionnair in effecten. Het crediet kwam dus in de eerste weken van Augustus aan de debiteuren op meer dan 10 pct. per jaar te staan. Dat was inderdaad veel te hoog, zelfs de omstandigheden in aanmerking genomen. Van verschillende zijden ontving de Regeering daarover klachten en in de pers werd op deze groote schaduwzijde van de hulp, welke aan de credietbehoevenden werd verleend, met meer of minder scherpte de aandacht gevestigd. Dit gaf mij aanleiding tot het houden van eenige besprekingen zoowel met den president van de Nederlandsche Bank als met den president van de Vereeniging voor den Geldhandel. Bij den laatste werd met goed gevolg aangedrongen op verlaging van het rentesurplus van 2% dat boven de bankrente geëischt werd.
Minder gemakkelijk ging het de directie van de Nederlandsche Bank tot verlaging van haar renteberekeningen te bewegen. Zij stelde zich op het voor normale omstandigheden volkomen juiste standpunt, dat zij in haar rentepolitiek vrij moest zijn en zich niet kon noch mocht laten leiden door overwegingen, ontleend aan de rente, welke voor beursoperaties of voor andere credietzaken door particuliere bankiers of commissionnairs wordt berekend. Het spreekt wel van zelf, dat de Regeering dit standpunt van de Nederlandsche Bank in beginsel volkomen eerbiedigde. Een circulatiebank, die in de eerste plaats heeft te zorgen voor de volstrekte betrouwbaarheid van het door haar uitgegeven papier, heeft in het normale verkeer vooral rekening te houden met de fluctuaties in haar eigen goudvoorraad en met hetgeen vreemde circulatiebanken doen, hetzij om goud tot zich te trekken hetzij om voor tijdelijken overvloed van goud een uitweg te vinden. Voorts zal zij, ook in verband met hare moreele verantwoordelijkheid als centrale credietinstelling, vooral in crisistijd alles doen wat in haar vermogen is, om de speculatie in toom te houden of althans niet onwillekeurig aan te wakkeren.
In normale tijden nemen zulke overwegingen bij de directie der Nederlandsche Bank de allereerste plaats in en moeten zij dit doen. Maar met het uitbreken van den oorlog werden de omstandigheden op eenmaal geheel abnormaal, ook voor de Nederlandsche Bank. Uitvoer van goud was overal verboden; overwegingen ontleend aan de goudfluctuatie waren dien ten gevolge uitgeschakeld. Het hoog houden der rente ter beperking van de speculatie was bovendien in deze crisis niet noodig. Beursspeculaties waren uitgesloten, omdat er geen beurs werd gehouden, en voor zoover er crediet werd verleend, werd er, grootendeels met dagelijksche medewerking van de Nederlandsche Bank zelf, voor gezorgd, dat dit slechts zou geschieden voor de reëele behoeften van handel, landbouw en nijverheid en dat credietoperaties met speculatieve oogmerken niet in aanmerking zouden komen.
Daarentegen was de Nederlandsche Bank in de crisis, veel meer nog dan in normale omstandigheden, het middelpunt geworden van het geheele credietwezen, en leidde dit er o.m. ook toe, dat over heel de linie de bankrente de leiding kreeg. Dit was een even onvermijdelijk gevolg van den toestand als de groote tijdelijke concentratie van het credietwezen zelf. Maar dit bracht voor de Bank de verplichting met zich, andere overwegingen bij de vaststelling der door haar te berekenen rentevergoedingen te doen gelden, dan waaraan zij gewoon is in de eerste plaats waarde te hechten. Zoo iets kost bij een veelhoofdige directie altijd eenige moeite. Bij mijne besprekingen met den president van de Nederlandsche Bank werd vooral op die groote verandering in den toestand door mij de nadruk gelegd, alsook op de fundamenteele wijzigingen in de overwegingen van de Nederlandsche Bank bij de bepaling van haar rentepolitiek, welke daarvan, zoolang de toestand op de credietmarkt bleef, gelijk hij in Augustus 1914 was, het noodzakelijk gevolg moesten wezen. In principe bestond daarover tusschen den heer Vissering en mij niet veel verschil van gevoelen, maar de president van de Bank was wat huiverig voor de aanvaarding van de consequenties, waartoe afwijking van de gewone regelen zou kunnen leiden. Intusschen kostte het niet veel moeite het Bankbestuur tot zijn eerste renteverlaging te brengen, welke den 14den Augustus plaats had en welke ½ pct. bedroeg voor beleeningen en voor voorschotten in rekening-courant. Meer overredingskracht was noodig om haar over te halen tot de tweede verlaging, welke op 20 Augustus volgde en een vol procent over de geheele lijn bedroeg. De rente voor beleeningen was daarmede teruggebracht tot 5% en die voor voorschotten in rekening courant tot 5½%.
Nog voordat op grond van de Beurswet de bepaling der prolongatierente in handen van den Minister van Financiën was gesteld, was de Vereeniging voor den Effectenhandel er toe overgegaan, daarvoor het surplus van 2% boven de bankrente in te trekken en, zooals ik reeds opmerkte, had de Vereeniging voor den Geldhandel de marge van 2% voor de door haar bemiddeling afgesloten wordende posten reeds spoedig verlaagd. Ten gevolge van een en ander was de crisis-rentestand in het eind van Augustus tot omstreeks 6½% gedaald. Dit gaf mij aanleiding, mij bij de behandeling der Beurswet, zoowel in de schriftelijke stukken als bij de mondelinge beraadslagingen, te verzetten tegen een uit de Tweede Kamer gekomen wensch, dat de Minister van Financiën, zoolang die wet zou gelden, in het algemeen bevoegd zou zijn een maximale rente vast te stellen voor nieuwe credietoperaties. Naar aanleiding van dien wensch en van het door mij daartegenover ingenomen standpunt, werd in het Verslag over de besprekingen tusschen de Commissie van Rapporteurs en mij geschreven: „Voor vordering van hooge renten behoefde naar de meening des Ministers niet gevreesd te worden. Wel is waar werden voor eenige weken hooge renten voor beleeningen gevergd, maar al zeer spoedig zijn, ofschoon er geen wettelijke dwang mogelijk was, die renten tot een in de bestaande omstandigheden matig te achten bedrag teruggebracht.”
Later was bemoeiing van de Regeering met rentebepalingen, buiten de uitvoering der Beurswet, niet meer noodig. Hiertoe heeft zeer medegewerkt de in den loop van 1915 voortdurend toegenomen ruimte van geld. Deze heeft van zelf ook ten gevolge gehad, dat de particuliere banken veel minder op de Nederlandsche Bank behoefden te steunen dan in de eerste weken der crisis en dat de door hen berekende rentevergoedingen konden worden losgemaakt en feitelijk los werden van de bankrente. Reeds in de laatste maanden van 1914 begonnen in den geldhandel meer gewone toestanden terug te keeren. Die beweging heeft zich in 1915 zeer geaccentueerd.
Nog een oogenblik moet ik thans stilstaan bij de uitbreiding der circulatie van bankbiljetten als gevolg van de crisis. De automatische centraliseering van het credietwezen bij de Nederlandsche Bank leidde bij het uitbreken der crisis tot een even plotselinge als ongekende verhooging van de vraag naar bankbiljetten. Op 25 Juli 1914 stond een bedrag aan bankpapier uit van ƒ 310 millioen, op 7 Augustus was dit reeds toegenomen tot ƒ 461 millioen. De reserve aan biljetten bij de Bank was op zulk een ongekende verhooging van de vraag niet berekend. Met groote snelheid werden daarom hulpbiljetten aangemaakt en in omloop gebracht, die later weer door gewoon bankpapier zijn vervangen. De bankbiljetten-circulatie is echter niet slechts in de eerste crisisweken toegenomen, zij is in den oorlogstijd voortdurend stijgende gebleven en bedroeg op 31 Maart 1916 reeds meer dan ƒ 600 millioen. Het is evenwel minder juist hier te spreken van biljetten_circulatie_. Voor een niet onbelangrijk deel, dat wel niet ver van de ƒ 200 millioen zal afwijken, is de ongekend groote uitgifte van bankbiljetten niet te verklaren uit grootere behoefte aan ruilmiddel dan onder normale omstandigheden, maar uit het vasthouden en wegbergen daarvan. Met de bankbiljetten is het gegaan als met het zilvergeld; een groot gedeelte daarvan is opgepot. Of dit alleen moet worden beschouwd als een uiting van een nog niet geheel overwonnen gevoel van onzekerheid, dan wel of de terughouding ook aan speculatieve overwegingen moet worden toegeschreven, is moeilijk te zeggen. Bij de vasthouding van bankbiljetten zal speculatieve overweging, vooral het gereed staan, als eens bij den vrede groote veranderingen zullen komen in de conjunctuur, een grootere rol spelen dan bij het wegbergen van zilvergeld. Ook dragen zoowel de welvaart, welke de oorlog speciaal onder de boeren gebracht heeft, als de vrees voor het bekend worden van gemaakte oorlogswinsten daartoe bij.
Ware het bedrag aan uitstaande biljetten niet zoo buitengewoon groot geweest en gebleven, dan zou langzamerhand de toestand zich wat de metaaldekking betreft, zoodanig gewijzigd hebben, dat die dekking in stede van beneden 40% te dalen, zooals in den aanvang het geval was, tot zelfs boven 100% zou zijn gestegen. Nu is zij, ondanks de groote uitzetting van de bankbiljettenuitgifte, toch tot bijna 80% geklommen. De groote goudtoevoer is een zoo merkwaardig verschijnsel in het totaal der invloeden van den oorlogstoestand op de economische omstandigheden en wijkt zoozeer af van de vrees voor wegstrooming van goud, die in den aanvang moest worden gekoesterd, dat ik er niet stilzwijgend aan mag voorbijgaan. Hij staat in nauw verband met de groote depreciatie der buitenlandsche valuta tegenover den Nederlandschen gulden, of anders gezegd, met de groote waardevermeerdering van den Nederlandschen gulden tegenover bijna alle buitenlandsche munteenheden in het internationaal verkeer. Beide verschijnselen hebben tot dieper liggende oorzaak de toeneming van Nederlandsche vorderingen op het buitenland, voortspruitende uit verkoop van goederen en van effecten en uit het vervallen van coupons en dividenden van buitenlandsche fondsen, zonder dat die vorderingen door voldoenden verkoop van goederen en effecten uit den vreemde aan Nederland werd gecompenseerd.
Op het Nederlandsch effectenbezit heeft de oorlog in verblijdenden zin gewerkt, in zoover dat een groot deel van de Nederlandsche fondsen, die vóór den oorlog door buitenlanders werden bezeten, naar Nederland zijn teruggevloeid en dat daartegenover veel Amerikaansche fondsen in verband met de groote rijzing daarvan zijn uitgestooten. Daardoor is het belang van de Nederlandsche effectenbezitters bij buitenlandsche ondernemingen kleiner, dat bij Nederlandsche ondernemingen grooter geworden. Mocht dit leiden tot eene blijvende verlevendiging van de belangstelling onzer beleggers in Nederlandsche waarden, dan zou dat een onvermengd voordeel zijn.
De beweging, waarop ik wees, heeft eenerzijds den gulden tegenover den dollar gesteund en er toe medegewerkt, dat de dollar zelfs gedeprecieerd werd, anderzijds de depreciatie van de andere buitenlandsche valuta, inzonderheid van de mark en de kroon eenigszins tegengehouden. Voor verhindering van die depreciatie was de aangewezen factor in het internationaal economisch verkeer in den oorlogstijd bij lange na niet sterk genoeg. Ook de invoer uit den vreemde van enkele hulpstoffen van nijverheid en landbouw, zooals steenkool, kunstmest en dergelijke, was daarvoor niet voldoende. Ware de effectenverkoop naar Amerika niet zoo levendig geweest, dan zou afstand van goud aan Amerika, vooral in verband met de groote aankoopen van graan door de Regeering, niet hebben kunnen uitblijven. Nu kwam zelfs van daar goud naar ons land. De groote toevloeiing van dit edel metaal kwam uit de oorlogvoerende landen, Duitschland en Oostenrijk vooraan, ondanks de credieten welke beide landen hier afsloten om de depreciatie hunner valuta zooveel mogelijk tegen te gaan. Wel was er overal, behalve in Amerika, verbod van gouduitvoer, maar ten gevolge van de aankoopen vooral van land- en tuinbouwproducten in ons land, zonder dat een eenigszins daarmede equivaleerende verkoop van goederen daartegenover stond, was men tegen wil en dank wel verplicht uitzonderingen daarop toe te laten om te verhoeden, dat de waarde van de eigen munt tegenover die van den gulden nog meer zou vallen en daardoor hetgeen men, gedwongen door de omstandigheden, hier koopen moest, dus nog duurder zou te staan komen. De economische aantrekkingskracht voor goud van het groote agio van den Nederlandschen gulden bleek sterker te zijn zelfs dan wettelijke uitvoerverboden. Dit is vooral hierom merkwaardig, omdat men in de oorlogvoerende landen, inzonderheid in Duitschland, zich alle denkbare moeite gaf om, ter versterking van de financieele positie van het land, een zoo groot mogelijken goudvoorraad in de kelders der centrale circulatiebank bijeen te zamelen en te bewaren. De goudtoevloeiing naar ons land bewijst hoe economische krachten, al worden zij nog zoo aan banden gelegd, door staatswetten slechts tot zekere grenzen in toom gehouden kunnen worden.