Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken
Part 21
Bij die gelegenheid bleek ons spoedig dat de directeur der papierfabriek te Maastricht een voorzichtig man is, die niet over één nacht ijs loopt. De aandeelhouders van zijne vennootschap hebben reden hem in eere te houden. Geen kwartier nadat het bedoelde telefonisch gesprek was gevoerd, werd de Thesaurier-Generaal uit Maastricht opgescheld en vroeg de directeur der fabriek, of hij inderdaad met het Ministerie van Financiën gesproken had. Nadat de papierkwestie geregeld was, moest de vraag over de grootte der stukken behandeld worden. Na eenig overleg werd besloten, coupures te maken van ƒ 1.--, ƒ 2.50 en ƒ 5. Daarna moest worden beslist, hoe het tijdelijke papieren geld zou heeten. Daarover was men het spoedig eens; de naam „zilverbon” werd gekozen als kort en sprekend. Maar toen kwam het groote vraagstuk: hoe zou men een voldoend aantal van die bons in enkele dagen gedrukt krijgen, zóó dat namaak daarvan niet al te gemakkelijk zijn zou? De agent van het Ministerie van Financiën had zich daaromtrent reeds voorloopig in verbinding gesteld met de firma J. H. de Bussy te Amsterdam. Hij had van die firma eenige „gronden” en modellen meegekregen, die moeilijk zouden zijn te vervalschen. Na eenig wikken en wegen werd een keus gemaakt en werden model en kleur van de verschillende soorten van zilverbons bepaald. In hoofdzaak werd gevolgd het model der vroegere zoogenaamde „kasorders” van de Nederlandsche Handel-Maatschappij ter Oostkust van Sumatra. Ook werd de vraag behandeld of de bons genummerd zouden worden. Door mij werd er zeer op aangedrongen, dat dit ter vermindering van het vervalschingsgevaar zou geschieden. Toen mij echter den volgenden dag werd medegedeeld, dat de nummering zooveel vertraging in de aflevering zou brengen, dat per dag in plaats van 700.000 stuks, slechts 300.000 stuks zouden kunnen worden gemaakt, gaf ik mij gewonnen. De behoefte aan ruilmiddel was zoo uitermate dringend, dat hetgeen niet volstrekt noodzakelijk was, achterwege moest blijven, zoodra het vertraging van beteekenis zou veroorzaken.
Daar het bankoctrooi aan den Staat, op straffe van verlies van de voordeelen, welke het aan den Staat toekent, verbiedt muntpapier uit te geven, moest vastgesteld worden, dat de Bank de zilverbons niet zou beschouwen als muntpapier in den zin dier wet, omdat zij slechts een tijdelijk hulpmiddel zouden zijn, niet uitgegeven met de bedoeling om geld te verschaffen aan den Staat. Echter moest de Staat begrijpelijkerwijze de verplichting op zich nemen, de zilverbons in te trekken, zoodra de Nederlandsche Bank voldoende zilver ter beschikking van de Regeering zou kunnen stellen, ter inwisseling daarvan. Hoewel men het omtrent dit punt van den aanvang af geheel eens was, moest het toch vastgesteld worden. Dit geschiedde in een correspondentie met de directie der Bank.
Toen eenmaal de zaak zelve zoover was voorbereid, was het wetsontwerp dat aan de Staten-Generaal moest worden ingediend, aangezien de Regeering zonder machtiging van den wetgever geen bevoegdheid had tot uitgifte van papieren geld, spoedig gereed. Den volgenden dag werd het aan het Departement van Financiën in orde gemaakt en om advies naar den Raad van State gezonden. Op 5 Augustus werd het aan de Tweede Kamer aangeboden. Den volgenden dag werd het in spoedvergaderingen van de beide Kamers der Staten-Generaal behandeld en aangenomen. Nog denzelfden dag bekrachtigde de Koningin het ontwerp en verscheen de wet tot uitgifte van zilverbons tot een bedrag van ten hoogste ƒ 25 millioen in het Staatsblad, onmiddellijk gevolgd door het Koninklijk besluit tot vaststelling van den uiterlijken vorm en de hoeveelheid van elke soort der uit te geven bons.
Doordien men alles wat op de uitvoering van den maatregel betrekking had, terstond met den meest mogelijken spoed had ter hand genomen, vertrouwende dat de Staten-Generaal hunne medewerking niet zouden weigeren, was het mogelijk Vrijdag 7 Augustus reeds voor een bedrag van ruim ƒ 1.700.000 aan zilverbons in omloop te brengen. Dat om dit te bereiken de uiterste inspanning van allen, die bij de vervaardiging, de controle en de uitgifte betrokken waren, noodig was, behoeft wel niet te worden gezegd. Zelfs met die inspanning was het resultaat nog niet voldoende, maar het gaf toch verlichting. De heele week had men onder gemis aan klein geld gezucht en daarvan de moeilijkheden ondervonden: in winkels, aan de postkantoren, aan de spoorwegstations, letterlijk overal. Het op zilvergeld beluste publiek trachtte bovendien overal waar het maar kon, daarvan wat machtig te worden door niet met gepast geld te betalen, maar bankbiljetten aan te bieden, waarop wisselgeld terug moest worden gegeven. Dit kunstmiddeltje leidde weer tot den maatregel van tegenweer, dat aan stations, postkantoren enz. niet anders dan gepast geld werd aangenomen en dat in koffiehuizen en winkels dit voorbeeld werd gevolgd, voor zoover niet met bons werd verrekend. In één woord, in de week van 3-8 Augustus 1914 was het alledaagsche verkeer geheel ontredderd door gebrek aan voldoende klein ruilmiddel. Zoo sterk was dit het geval, dat verschillende gemeente-besturen het niet durfden laten aankomen op de maatregelen van Rijkswege, die men in voorbereiding wist en, deels in overleg met de Regeering, deels geheel op eigen gezag gemeentelijke bons uitgaven.
In theorie was daartegen veel, zoo niet alles te zeggen. De veelsoortigheid van papier, dat op die wijze in enkele gemeenten in omloop kwam, moest wel verwarrend op het muntwezen werken; maar.... hoe ongewenscht ook, het was noodig. De toestand was de heele week al zoo slecht geweest als hij maar wezen kon; den Zaterdag, den dag waarop overal arbeidsloonen moesten worden betaald, kon men op die manier niet ingaan. De Regeering was niet bij machte meer te doen, dan zij deed, en dat was, hoe uiterst verdienstelijk de praestatie met de aflevering der zilverbons op zich zelf ook was, niet genoeg. Men moest dus wel over alle bezwaren heenstappen en zag met vreugde, zij het ook gemengd met eenigen weemoed, dat de gemeenten waar de meeste arbeidsloonen te betalen waren, zich zelf hielpen. Zoo is men den critieken Zaterdag, 8 Augustus, doorgekomen. Het zal wel niet overal even gemakkelijk zijn gegaan, maar men kwam er door. Toen was het gevaar geweken. De volgende week konden zilverbons in genoegzaam getal beschikbaar worden gesteld. Hoe noodig de maatregel wel was, kan men afleiden uit het feit, dat van 7 Augustus tot half September omstreeks ƒ 19 millioen aan zilverbons in het verkeer werd opgenomen. Sedert dien is het bedrag geleidelijk verminderd. De bons van ƒ 5 waren niet in trek; de uitgifte daarvan werd spoedig gestaakt.
Toen in het begin van 1915 de namaak der zilverbons onrustbarende afmetingen aannam, werd besloten de oorspronkelijke stukken door andere te vervangen, die zorgvuldiger konden zijn voorbereid en beter afgewerkt en daardoor niet alleen sierlijker waren van uiterlijk, maar ook meer waarborg boden tegen valschheid. Daarbij werden voor de ingetrokken zilverbons van ƒ 1 geen nieuwe in de plaats gesteld. Men bepaalde zich tot stukken van ƒ 2.50. Toen er in April 1916 weer een klein paniekje kwam, openbaarde zich dit opnieuw in onttrekking van zilver aan de circulatie en moest mijn opvolger als Minister van Financiën zijn toevlucht weer nemen tot de uitgifte van zilverbons ook van een gulden.
Men heeft het intusschen niet bij den aanmaak van zilverbons gelaten. Ook aan het gemunt zilver heeft men terstond zijn aandacht gewijd. Door tusschenkomst van de Nederlandsche Bank en de Nederlandsche Handel-Maatschappij werden groote aankoopen van zilver voor den Staat gedaan en aan ’s Rijks Munt werd voorbeeldig gewerkt om den voorraad gemunt zilver aan te vullen. Maar het was echte Sisyphus-arbeid. Toen ik het Departement van Financiën verliet, was er sedert het begin van de crisis voor ruim ƒ 30 millioen zilvergeld aangemunt, maar steeds vloeide het weer uit de circulatie weg. De honger naar zilvergeld was onverzadiglijk. Wel was in verband daarmede het bedrag der in omloop zijnde zilverbons tot omstreeks ƒ 6 millioen teruggebracht, maar zelfs als men dit in aanmerking neemt, was het in omloop verkeerend en vastgehouden gemunt zilver, met inbegrip van de zilverbons, ruim 50 pct. hooger dan de normale behoefte.
Toen het hoogtepunt der geldcrisis achter ons lag, en men den toestand weer meester was geworden, werd op 17 Augustus 1914 door het Departement van Financiën de medewerking van de Commissarissen der Koningin ingeroepen, opdat de gemeentelijke bons, welke nu niet meer noodig waren, zoo spoedig mogelijk uit het verkeer zouden worden genomen. De gemeenten, die waarlijk niet voor haar genoegen tot het uitgeven van eigen bons waren overgegaan, gaven hieraan gereedelijk gehoor, met het gevolg dat die bons spoedig tot de geschiedenis behoorden.
Intusschen had het gebrek aan zilver in de week van 3 tot 8 Augustus nog tot een anderen zeer bedenkelijken misstand geleid. De omstandigheid dat men bankbiljetten niet meer aan postkantoren, stations enz. in betaling kon geven, als men kleinere sommen te betalen had en wisselgeld terug moest hebben, gaf er aanleiding toe, dat een deel van het publiek in den waan begon te verkeeren, dat ze geen vertrouwen meer verdienden. Eenige minder kieskeurigen onder de zilverpotters, die de leer van keizer Vespasianus omtrent den oorsprong van het geld waren toegedaan, als men het maar binnen kreeg, maakten van dat volkomen onredelijk, maar uit de algemeene paniekstemming verklaarbare wantrouwen in de credietwaardigheid van de Nederlandsche Bank gebruik om hun beangste medeburgers af te zetten, door bankbiljetten van tien gulden ter inwisseling tegen ƒ 9, ƒ 8 of nog minder aan te nemen. Enkele schaamden zich zelfs niet die afzetterij, in de dagen van den zilvergeldnood, openlijk als bedrijf aan te kondigen en uit te oefenen.
Door geruststellende openbare mededeelingen van de Regeering en van enkele gemeentebesturen werd al het mogelijke gedaan om het vertrouwen te doen terugkeeren en tegen de afzetterij, waarvan ik zoo even sprak, te waarschuwen. De pers, die op slechts enkele hooge uitzonderingen na, gedurende den geheelen oorlogstijd en vooral in de zoo critieke eerste weken, steeds bereid was de Regeering met haar invloed te steunen, droeg daartoe met al haar krachten bij. Dit een en ander miste zijn effect niet, maar toch zou een ware ramp over ons land zijn gekomen, indien er op 8 Augustus niet genoeg ruilmiddel was geweest om de loonen te betalen. Onder het neerschrijven hiervan ontsnapt mij nu nog een zucht van verlichting bij de gedachte, dat men met vereende krachten er in slaagde die ramp te bezweren.
Sprekende in de vergadering van de Tweede Kamer van 3 Augustus 1914, zeide ik onder den indruk van het nieuwe gevaar, dat het hoofd had opgestoken en dat het publiek, als het zijn kalmte niet had verloren, zich zelf en de Regeering had kunnen besparen:
„Er zijn blijkbaar een aantal personen, die meenen dat zij zich zelf op het oogenblik helpen door zooveel mogelijk zilver-ruilmiddel aan het verkeer te onttrekken en weg te bergen. Ik zou wenschen dat elk in eigen kring, en de pers in breeden kring, toch ieder tracht te overtuigen dat hij, door dat te doen, niet alleen zeer schaadt het algemeen belang, maar per slot van rekening ook zich zelf. Wat er op het oogenblik gebeurt met het onttrekken van zilver aan het verkeer is in hooge mate ernstig en door niets gemotiveerd.
„Tot nog toe was het onverstandig, maar het ziet er uit of het weldra misdadig zou kunnen worden. En wanneer het mocht blijken dat een deel van het Nederlandsch publiek, op hetwelk wij allen toch wel recht hebben een beroep te doen, doorgaat met op deze wijze het belang van het volk te schaden, dan zal de Regeering zeker niet aarzelen om met de middelen die zij heeft of, voor zoover zij op het oogenblik nog geen middelen heeft, met de middelen die zij dan zal voorstellen, zoo krachtig mogelijk daartegen in te gaan.
„Er is aan de Regeering ook ter oore gekomen, dat gewetenlooze individuen nu reeds er een bedrijf van maken, om de goedgeloovige gemeente, welke inderdaad vreest, dat de bankbiljetten niet meer hun volle waarde zouden hebben, haar goed bankpapier af te nemen tegen minderen prijs in zilver.
„Ik aarzel niet dat te noemen gewetenloos en op dit kritieke oogenblik voor ons land zóó ernstig, dat, indien dit in eenige mate mocht doorgaan, de Regeering geen oogenblik zal aarzelen door krachtig in te grijpen, het tegen te gaan.”
Gelukkig behoefde het daartoe niet te komen. Wel bleef een deel van het publiek aan het opzamelen van zilvergeld, maar het vertrouwen in de bankbiljetten keerde toch spoedig geheel terug. Ook de zilverbons kwamen onder den drang der omstandigheden zonder moeite in het verkeer. Dit neemt niet weg, dat er in enkele gevallen daarmede moeilijkheden werden ondervonden. Een winkelier in Den Haag plakte zelfs op zijn winkelraam aan, dat zilverbons niet in betaling werden genomen. Zoodra ik dat hoorde, verzocht ik den burgemeester den heelen winkelvoorraad krachtens de levensmiddelenwet in beslag te nemen, daar het niet aannemen van wettig betaalmiddel wel de ergste vorm van prijsopdrijving is. De schadevergoeding zou dan dien vijand der zilverbons uitsluitend in dat geld zijn uitbetaald. Toen de man werd gewaarschuwd en begon te begrijpen wat hem boven het hoofd hing, koos hij eieren voor zijn geld, of liever: zilverbons voor zijn eieren, en gaf hij zijne oppositie tegen den zilverbon op.
* * * * *
Een duidelijk beeld van de snel stijgende maar ook spoedig gelukkig weer dalende lijn van het algemeen wantrouwen in de eerste oorlogsweek geven de cijfers der opvragingen bij de Rijkspostspaarbank. Het normale getal opvragingen bij die instelling is per dag omstreeks 800 tot een bedrag van ƒ 200.000. In de ergste crisisdagen beliep het aantal en het bedrag der aanvragen tot terugbetaling:
op aantal bedrag Juli 29 1.408 362.000 „ 30 2.871 1.035.000 „ 31 6.874 2.585.000 Augustus 1 13.771 4.821.000 „ 3 11.228 3.718.000 „ 4 1.607 515.000 „ 5 1.777 518.000 „ 6 1.289 336.000 „ 7 696 176.000
Toen de storm opstak, was het noodig dat ook hier maatregelen werden genomen. Op 30 Juli verscheen een communiqué in de dagbladen, den spaarders waarschuwende tegen geheel ongemotiveerde ongerustheid, daar de Staat den inleggers de teruggaaf hunner inlagen waarborgt. Toen de run niettemin toenam, was het noodig de Rijkspostspaarbank tegen dien stroom in zoover te beveiligen, dat de termijn van verplichte uitbetaling werd verlengd en zoodoende tijd werd verkregen om aan de aanvragen daartoe geleidelijk te kunnen voldoen. Daartoe werd bij Koninklijk besluit van 3 Augustus de termijn der verplichte terugbetaling van 14 dagen op zes maanden gebracht, met dien verstande dat binnen dien termijn ten hoogste ƒ 25 in één week zou worden uitbetaald. Toen bleek dat die maatregel tot misverstand aanleiding gaf en het publiek daaruit las, dat iedere inlegger op de Rijkspostspaarbank zes maanden op de terugbetaling van zijn spaarpenningen zou moeten wachten, gaf de Directie een communiqué aan de dagbladen, waarin duidelijk gemaakt werd, dat die termijn alleen als uiterste termijn bedoeld en gesteld was, doch dat daarbinnen de terugbetalingen geleidelijk zouden geschieden. Aangezien spoedig bleek dat de meeste aanvragers hun spaargeld eigenlijk niet terugverlangden, maar alleen hadden gehandeld onder den invloed van de algemeene ongerustheid, werd hun op 8 Augustus door de Directie medegedeeld, dat hun aanvraag als vervallen zou worden beschouwd, indien zij niet werd herhaald. Een even nuttige als practische maatregel. Op 13 Augustus werd medegedeeld dat niet of niet voldoende gemotiveerde aanvragen voorloopig zouden worden ter zijde gelegd, maar dat terstond ƒ 25 per week zou verkregen kunnen worden. Den 19den werd bericht dat alle aanvragen tot terugbetaling weer dadelijk in behandeling zouden komen; den 20sten dat de aanvragen verder niet meer behoefden te worden gemotiveerd, en den 24sten dat de termijn van afdoening van niet met redenen omkleede aanvragen werd teruggebracht op zeven dagen. De snelle opeenvolging van de dagteekeningen dezer maatregelen en communiqués geeft een duidelijk en zeer overzichtelijk beeld zoowel van de plotselinge zenuwachtigheid van het publiek als van den spoedigen terugkeer tot bezinning.
Geheel in dezelfde lijn als de maatregelen van de Rijkspostspaarbank lag hetgeen gedaan werd door den Bond voor den Geld- en Effectenhandel in de Provincie. Het bestuur van dezen bond had zich Zaterdag 1 Augustus met mij in verbinding gesteld en wendde zich den volgenden ochtend ook tot de directie van de Nederlandsche Bank, daar het van het geschokte vertrouwen en van de plotseling opgekomen zucht tot oppotten van geld niet slechts voor de leden van de vereeniging maar ook voor het publiek onheilen vreesde, als niet door de provinciale bankiers één lijn werd getrokken tegenover reeds begonnen en nog meer te verwachten zenuwachtige opvragingen van geld. Als gevolg van de besprekingen met mij en met de directie van de Bank, verzocht het bestuur van den Bond op Zondag 2 Augustus per circulaire aan zijne leden „zich bij het doen van uitbetalingen te beperken tot hetgeen noodig is voor levensonderhoud, werkloonen of onafwijsbare verplichtingen.”
Men heeft achteraf den Provincialen Bond en zijn bestuur daarover hard gevallen. Die grief is ongerechtvaardigd. Wat dat bestuur deed, lag geheel in de lijn der maatregelen, die zoowel door de Regeering als door de Nederlandsche Bank en den Geldhandel te Amsterdam tot beperking der speculatie en tot intooming van het oppotten van geld werden genomen of bevorderd. Voor die circulaire, welke zich geheel aansluit bij de gedragslijn door de Regeering en de Directie dezer Rijksinstelling ten aanzien van de Rijkspostspaarbank gevolgd, dragen èn de Regeering èn de Nederlandsche Bank mede de moreele verantwoordelijkheid. Ik voor mijn deel aanvaard die zonder voorbehoud. De Amsterdamsche bankiers, die in de eerste crisisdagen een overeenkomstige gedragslijn volgden, maar die daarvan spoediger dan hun collega’s in de provincie konden afwijken, toen zij uit den aard der zaak het eerst aan bod waren bij de hulp, welke de Vereeniging voor den Geldhandel verleende, hadden niet noodig dit bij circulaire bekend te maken. Ook zij waren echter in den aanvang terughoudend in het doen hunner uitbetalingen. Diegenen onder hen die dit schijnen vergeten te hebben, vergeten daarmede tevens, dat zij tegenover alle maatregelen, die genomen moesten worden om ongewenschte speculatie en oppotting van geld tegen te gaan, onverantwoordelijk zouden hebben gehandeld door hun medewerking daaraan te onttrekken. Zij deden beter, dan zij het zich achteraf nog herinneren.
Formeel was de terughoudendheid der bankiers in het doen van terugbetalingen weinig minder bedenkelijk dan de beurssluiting was geweest. Het was ook een daad van eigen richting, maar met dit verschil dat hier de Regeering en de Nederlandsche Bank vooraf in de zaak waren gekend en dat de heeren wisten in den geest van beide te handelen, door te doen gelijk zij deden. Ter moreele rechtvaardiging van hun daad van eigen richting, die gelijk stond met het zich eigenmachtig toekennen van een beperkt moratorium, behoeft niet uitsluitend een beroep te worden gedaan op het: „nood breekt wetten”. Het algemeen belang wees in de eerste dagen van Augustus in de richting, welke de bankiers uit eigen lijfsbehoud insloegen.
Niet alleen zouden verschillende bankiers en commissionnairs in effecten anders gevaar hebben geloopen, individueel hun betalingen te hebben moeten staken, hetgeen tot een débacle in de financieele wereld zou hebben geleid, waarvan het effect een nog grootere stoornis in het crediet, een nog hooger oplaaien van algemeen wantrouwen zou zijn geweest. Tegenweer was in dit geval, al gold ook hier dat „charité bien ordonnée commence par soi-même”, uit dien hoofde tevens in het algemeen belang. In de vergadering van de Tweede Kamer van 3 Augustus 1914 zeide ik hieromtrent: „Daardoor wordt verkregen dat het beschikbaar kredietmiddel ook beschikbaar blijft alleen en uitsluitend voor hen bij wie en voor zoover er werkelijk behoefte aan bestaat, en wordt tegengegaan, voor zoover het eenigszins kan, elke poging om nu van de abnormale toestanden van dezen tijd gebruik te maken om later door speculatie rijk te worden. Of dit in alle opzichten gelukken zal, dat kan niemand zeggen, maar ik wil dit toch constateeren, dat evengoed de groote bankiers als de organisatie van het bankwezen in de provincie met de Regeering eens van zin niet alleen, maar eensgezind handelen om alle dergelijke pogingen van het kredietwezen misbruik te maken en zich te verrijken ten koste van het geheele volk, tegen te gaan zooveel het kan en daarmede te gelijk in de werkelijke kredietbehoeften te voorzien, zoover het maar eenigszins mogelijk is.”
Toen er, gelukkig spoedig, ontspanning kwam, volgden de provinciale bankiers, na overleg met de Regeering, dezelfde gedragslijn die door de Rijkspostspaarbank werd aangenomen. Den 15den Augustus berichtte het bestuur van den Provincialen Bond aan zijne leden, dat het in strijd zou zijn met de bedoelingen van den genomen maatregel, indien betalingen werden geweigerd, noodig voor de verplichtingen of de voortzetting van het gewone bedrijf der cliënten. Spoedig daarna ging het bij de uitbetaling van deposito’s en rekening-courant saldo’s weer geheel normaal in zijn werk.
Zooals ik reeds met een enkel woord aanstipte, waren de Amsterdamsche bankiers nog spoediger dan hun collega’s in de provincie in staat, hun terughoudendheid bij het voldoen aan opvragingen, die geen voldoend economisch motief hadden, te laten varen. Het syndicaat van de groote bankiers dat zou gevormd worden, tot een bedrag van ten minste ƒ 200 millioen, indien de Regeering bereid was de boven behandelde maatregelen te nemen tot versterking van de positie van de Nederlandsche Bank, kwam reeds tot stand voordat die maatregelen door de wet waren bekrachtigd. Men herinnert zich dat op 30 Juli laat in den avond de directie van de Nederlandsche Bank en de voornaamste bankiers in de vergadering van den Ministerraad waren verschenen. Wat er daarna door de groote bankiers geschiedde, ontleen ik aan het verslag van de Nederlandsche Handel-Maatschappij over het boekjaar 1914:
„Vrijdag den 31sten Juli hadden te onzen kantore wederom uitvoerige besprekingen tusschen de voornaamste bankiers en met de Directie van De Nederlandsche Bank plaats, welke tot diep in den nacht voortduurden.
„Het resultaat van deze besprekingen is geweest, dat den 1sten Augustus in de dagbladen kon worden medegedeeld, dat een steun-syndicaat van ƒ 200 millioen was tot stand gekomen.
„Dit syndicaat, dat zich de medewerking van de reeds bestaande, rechtspersoonlijkheid bezittende „Vereeniging voor den Geldhandel” verzekerde, verschafte aan deze Vereeniging bij De Nederlandsche Bank een crediet van ƒ 200 millioen, ten aanzien waarvan het syndicaat zich voor 20% van de opgenomen voorschotten, tot een maximum van ƒ 40 millioen borg stelde.