Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken

Part 20

Chapter 203,673 wordsPublic domain

Ware ik in het neerschrijven mijner herinneringen en indrukken naar chronologische volgorde te werk gegaan, dan zou dit hoofdstuk als eerste in de rij zijn geplaatst. Immers de algemeene beroering zette in op de beurs; maatregelen naar aanleiding daarvan moesten worden genomen, zelfs nog vóór tot mobilisatie besloten werd. De beurs heeft met den barometer gemeen, dat zij bij kleine schommelingen in den atmospherischen druk vaak miswijst en hem die te veel op haar aanwijzingen vertrouwt, de kans doet loopen bedrogen uit te komen. Maar evenmin als de orkaan uitblijft, wanneer de barometer plotseling sterk daalt, evenmin blijft groote maatschappelijke beroering uit, als de beurs plotseling onrustig wordt. De beurs _maakt_ wel eens _kleine_ storingen. _Groote_ storingen maakt zij _niet_; zij ondergaat die en kondigt ze aan, zonder er meer schuld aan te hebben, dan een lage barometerstand aan het slechte weer. Zoo ging het thans meer dan ooit.

Bij de voortschrijding der maatschappelijke ontwikkeling, het ingewikkelder en onderling samenhangender worden van de onderdeelen van het raderwerk der maatschappelijke samenleving wordt het onderlinge vertrouwen een factor van steeds grooter beteekenis. Vertrouwen nu in het economische fundament dier samenleving is synoniem met crediet. Niet alleen hij die geld ter leen geeft, ook hij die ter beurze een obligatie koopt in een staatsleening of een aandeel in een Amerikaansche spoorwegonderneming, geeft crediet. Het verschil is alleen, dat in het eene geval credietgever en credietnemer wat dichter bij elkaar staan dan in het andere. Brengen groote politieke of maatschappelijke gebeurtenissen plotseling onrust, dan wordt het onderlinge vertrouwen dat, algemeen genomen, een der hoofdpijlers is waarop de onderbouw der moderne maatschappelijke samenleving rust, geschokt en maakt het plaats voor een algemeen angstgevoel. Evenals het in het algemeen onmisbaar onderling vertrouwen in bijzondere gevallen vaak misplaatst of overdreven is, zoo gaat het ook met het algemeen wantrouwen, dat er bij dreigende maatschappelijke onheilen voor in de plaats treedt. Het verschil is alleen, dat misplaatst vertrouwen in bijzondere gevallen slechts dengene treft, die te goedgeloovig was, en dat een plotseling opkomend algemeen wantrouwen een der pijlers van het tegenwoordig maatschappelijk leven aan het wankelen brengt.

Hetgeen zich op de beurs in dagen van groote politieke of maatschappelijke beroering afspeelt, dringt ver buiten de beurskringen zelve door. Niet ieder koopt effecten; het aantal speculanten is gelukkig nog kleiner dan het aantal beleggers; maar als de belegger en de speculant beangst worden, is dat een teeken dat de pijler van het crediet niet meer voldoende draagt. Wordt de onrust zóó groot, dat zij tot beurssluiting leidt, dan _doet_ deze sluiting dien pijler niet vallen, maar is zij het teeken, dat hij op vallen staat en dat daarmede het heele zakenleven met ontreddering wordt bedreigd. En komt het eens zoover, dan heeft zulk een gebeurtenis, door de wisselwerking, die in de maatschappelijke samenleving nooit ontbreekt, het noodlottig gevolg, dat zij de onrust vermeerdert, welke haar veroorzaakte.

Dat is de groote, ver buiten beurskringen reikende beteekenis geweest van hetgeen op 28 Juli 1914, onder den invloed van de oorlogsverklaring van Oostenrijk-Hongarije aan Servië en van de onweerswolken, welke zich in verband daarmede aan den internationalen politieken hemel samenpakten, op de Amsterdamsche effectenbeurs geschiedde. De beurs werd gesloten niet als gevolg van een weloverwogen besluit van haar bestuur, maar onder den onweerstaanbaren drang der leden, die--bevreesd voor het opkomende onweer--hun zaken in den steek lieten en, in overdrachtelijken zin, hun heil zochten in de vlucht. Het was het hijschen van den stormbal, ten teeken dat een economische orkaan in aantocht was en dat de pijler van het crediet zou vallen, zoo hij niet werd geschraagd.

Men heeft de paniek die de Amsterdamsche beurs op 28 Juli 1914 beving, wel toegeschreven aan het daar geldend prolongatiestelsel. Zij die aldus oordeelden, drongen niet tot het wezen der zaak door. Het crediet dreigde niet tegen den grond te worden geslingerd, omdat het prolongatiestelsel zijn dienst weigerde; het prolongatie-stelsel kon zijn dienst niet langer doen, omdat het crediet op omvallen stond. Met verschillen van enkele dagen waren of werden ook de beurzen te Weenen, Parijs, Brussel, Frankfort, Berlijn, Londen, New-York gesloten. Door de beurssluiting te Amsterdam aan de fouten van het prolongatiestelsel toe te schrijven, doet men dit stelsel onrecht, door er te veel eer aan te bewijzen.

Onmiddellijk na de beurssluiting staken de voornaamste bankiers en commissionnairs in effecten de hoofden bij elkaar, om het wankel geworden crediet te ondersteunen. Aan volledig herstel viel zelfs niet te denken. De leiding bij al hetgeen zoowel in de eerste dagen van de crisis als daarna geschiedde tot steun van de geldmarkt was bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij, dank zij de voortvarendheid van haar president, den heer C. J. K. van Aalst. De heer Van Aalst is een homo novus in de Amsterdamsche bankierswereld. Wel telt hij niemand minder dan Admiraal de Ruyter onder zijn voorvaderen, afstammen van de oude Amsterdamsche handelspatriciers doet hij echter niet; maar door zijn helderen blik, zijn koopmansgaven en zijn „pushing power” was hij reeds vóór den oorlog zoozeer primus inter pares geworden, dat bij het uitbreken van de crisis de veldheerstaf hem als het ware van zelf in de hand viel.

Nadat de beurssluiting op 28 Juli het bestuur der Vereeniging voor den Effectenhandel overvallen had, noodigde dit den volgenden ochtend den waarnemenden president van de Nederlandsche Bank (de president bracht zijn vacantie in Zwitserland door en had nog niet kunnen terugkeeren), den president van de Nederlandsche Handel-Maatschappij en den voorzitter van de Kamer van Koophandel uit tot een bijeenkomst ter beraadslaging over hetgeen gedaan moest worden. Aangezien de tijd te kort was om vóór het openingsuur reeds daarmede gereed te zijn, werd besloten de effectenbeurs voor dien dag gesloten te houden. ’s Middags had ten kantore van de Nederlandsche Handel-Maatschappij een groote vergadering plaats van de voornaamste bankiers en commissionnairs in effecten, die door de genoemde heeren was voorbereid en waarin, mede als gevolg van het overleg gepleegd met de Nederlandsche Bank, een syndicaat gevormd werd van ƒ 25 millioen, om door het beschikbaar stellen van gelden voor prolongatiën als anderszins den effectenhandel te steunen. Als voorwaarde werd gesteld, dat de effectenbeurs den volgenden dag weer zou worden geopend. Het bestuur van de Vereeniging voor den Effectenhandel was hiermede accoord gegaan. Men had echter de beteekenis en de diepte van de crisis onderschat. Het meerendeel der in prolongatie gegeven effecten was, als gevolg van de vrees voor het onheil, dat over de wereld dreigde te komen, zóó diep in koers gezonken, dat beursopening, welke de mogelijkheid van aanzegging van prolongatieposten met zich zou brengen, voor vele beursbezoekers doodend zou zijn geweest. De commissionnairs in effecten vreesden van de beursopening „afslachting” op groote schaal. Den 30sten waren velen hunner reeds ’s morgens vroeg ter beurze; hun vrees voor de onheilen, die van heropening der beurs het gevolg zouden zijn, en hun aandrang om ze te voorkomen, waren zóó groot, dat het bestuur zwichten moest. De beurs bleef gesloten; het syndicaat kwam niet tot stand. Het was een daad van eigen rechting van de commissionnairs geldnemers,--een daad die onder minder abnormale omstandigheden volstrekt onverdedigbaar zou zijn geweest, maar die nu als uiting van noodweer verklaarbaar was en spoedig door den loop van zaken gerechtvaardigd zou worden.

Nu moest opnieuw raad geschaft worden. Onder de leiding van den president der Nederlandsche Handel-Maatschappij kwamen de voornaamste bankiers ten kantore dier maatschappij opnieuw bijeen. De besprekingen, welke in hun bijeenkomst werden gehouden, hadden ten gevolge, dat de heer Van Aalst den voorzitter van den Ministerraad telefonisch op de hoogte bracht van den toestand en door zijn tusschenkomst den Minister van Financiën en den Minister van Landbouw, als Minister tevens van den handel, verzocht in de vergadering van bankiers te komen, opdat overleg met hen en met de Nederlandsche Bank zou kunnen worden gepleegd over hetgeen door samenwerking tusschen de Regeering en de „haute finance” zou kunnen geschieden, om aan de eischen van het oogenblik te gemoet te komen. De Ministerraad vergaderde in die dagen dagelijks, hij was zelfs bijna permanent bijeen. Het was dus geen groot toeval, dat het telefonisch gesprek van den heer Van Aalst met den heer Cort van der Linden plaats had terwijl de Ministerraad bijeen was. Men begreep terstond, dat hier zeer groote economische belangen op het spel stonden en dat aan het verzoek gevolg moest worden gegeven. De heer Bertling en ik verlieten den Raad en gingen met den eersten trein, dien wij nemen konden, naar Amsterdam.

Ten kantore van de Nederlandsche Handel-Maatschappij gekomen, vonden wij daar de vertegenwoordigers van de Amsterdamsche bankwereld bijeen. Ons werd bij monde van den heer Van Aalst medegedeeld, wat er den vorigen dag en denzelfden ochtend was geschied. Daaraan werd toegevoegd, dat nu de berichten uit het buitenland sedert den vorigen dag zooveel dreigender waren geworden en de toestand op de geheele geld- en effectenmarkt dientengevolge zooveel ernstiger was, aan heropening van de beurs vooreerst niet meer kon worden gedacht. Daarvan uitgaande, waren maatregelen beraamd om aan de credietbehoeften van handel en nijverheid te kunnen voldoen buiten de beurs om, en dat wel op zoodanige wijze, dat het speculatieve crediet geheel zou worden uitgeschakeld en alleen in reëele credietbehoeften zou worden voorzien. Het plan was een algemeen syndicaat daartoe te vormen, dat over ten minste ƒ 200 millioen zou kunnen beschikken. Men was hierover al in voorloopige besprekingen getreden met de Directie van de Nederlandsche Bank, welke zich in beginsel tot medewerking bereid had verklaard. Echter deed zich daarbij een moeilijkheid voor. Hoewel de positie van de Nederlandsche Bank voor normale omstandigheden zeer krachtig was (zij had in Juli 1914 een beschikbaar metaalsaldo van ruim 37½ millioen), was toch te voorzien, dat nu het geheele credietwezen tijdelijk bij de Bank zou worden geconcentreerd, een uitzetting van de bankbiljettencirculatie daarvan het gevolg zou wezen, waarbij de metaaldekking wel eens onvoldoende zou kunnen blijken. Men achtte het dus voorzichtig zoo niet noodzakelijk, dat haar verplichte metaaldekking, welke volgens het bankoctrooi bestaat in een bij Koninklijk besluit, op voordracht van de directie der Bank, bepaalde verhouding tot het gezamenlijk bedrag van bankbiljetten, bankassignatiën en rekening courant saldo’s, zou worden herzien. Alleen onder die voorwaarde zou haar vermogen om als centrale credietinstelling in den crisistijd op te treden, de vereischte rekbaarheid krijgen. Sedert 1864 was die verhouding twee vijfden van het bedrag dier obligo’s geweest; in overweging werd gegeven, dat die dekking tot een vijfde gedeelte zou worden verminderd.

Nadat wij de uiteenzetting hadden gehoord, verklaarden wij ons bereid over deze vermindering van de metaaldekking met de directie der Nederlandsche Bank te spreken en eventueel, op haar voorstel, daartoe het noodige te doen. Evenwel werd door ons opgemerkt, dat men bij het nemen van dien maatregel, er wel op bedacht moest zijn, dat hij tot geen wegvloeiing van goud naar het buitenland zou mogen leiden. Ons werd op die opmerking geantwoord, dat men ook hieromtrent reeds van gedachten had gewisseld. De aanwezige bankiers verklaarden, dat zij geen goudzendingen naar het buitenland zouden doen en daarvoor ook niet hun tusschenkomst zouden verleenen, maar zij erkenden dat zulk een verklaring niet voldoende was. Er moest tegelijk met de vermindering van de verplichte metaaldekking van de Nederlandsche Bank een uitvoerverbod van goud worden uitgevaardigd. Hierin lag een groote moeilijkheid. Daar de gebeurtenissen elkander zoo bliksemsnel opvolgden, moest de Nederlandsche Bank zonder verwijl gereed staan, om te voldoen aan eene te verwachten uitzetting harer bankbiljetten circulatie, die het normale hoogtepunt daarvan ver zou overschrijden. Uit dien hoofde was oogenblikkelijke vermindering van de verplichte metaaldekking noodig en deze kon gevaarlijk zijn, indien zij niet met een verbod van gouduitvoer gepaard ging. De moeilijkheid nu was, dat de Regeering tot zulk een verbod geen bevoegdheid had.

Het zal wel geen verwondering wekken, dat mijn ambtgenoot van Financiën en ik er tegen op zagen de verantwoordelijkheid te dragen van een maatregel waartoe, naar wij wisten, de Regeering onbevoegd was. Na eenig heen en weer praten kwamen wij tot de volgende oplossing. Indien het onderhoud, dat met de directie van de Nederlandsche Bank zou worden gevoerd, er toe zou leiden, dat van die directie een voorstel zou uitgaan tot vermindering der metaaldekking en indien ook zij van oordeel was, dat met die vermindering een onmiddellijk verbod van gouduitvoer moest gepaard gaan, zouden wij onze ambtgenooten trachten te overtuigen van de noodzakelijkheid om de verantwoordelijkheid van zulk een extra-legaal verbod te dragen. Wij knoopten hieraan echter de voorwaarde vast, dat zoowel de directie van de Bank als de ter vergadering aanwezige bankiers des avonds in den Ministerraad zouden komen en de zaak daar zouden voordragen, opdat de verantwoordelijkheid voor een zóó buitengewone daad niet alleen formeel maar in werkelijkheid voor dien geheelen Raad zou komen.

Nadat dit voorloopig resultaat werd bereikt, hadden de Minister van Financiën en ik, in het bijzijn van enkele der heeren, met wie wij ten kantore van de Nederlandsche Handel-Maatschappij hadden vergaderd, in het gebouw der Nederlandsche Bank een bijeenkomst met de directie. Daar werd ons bevestigd, wat wij in de pas verlaten vergadering hadden gehoord. De directie van de circulatiebank zou, overeenkomstig de wet, een voorstel doen ter vermindering van de verplichte metaaldekking. Zij verklaarde zich bereid met de andere heeren des avonds naar Den Haag te komen, om in verband daarmede, de noodzakelijkheid van een onverwijld verbod van gouduitvoer te bepleiten.

In den Haag teruggekeerd, brachten wij den Ministerraad op de hoogte. Deze vergaderde des avonds opnieuw. In den laten avond deed zich toen het in onze staatkundige geschiedenis wel nooit voorgekomen geval voor, dat de vergadering van den Raad door een zoo groot aantal personen werd bijgewoond, dat uit verschillende kamers van het Departement van Justitie stoelen en banken moesten worden bijeengehaald, opdat de heeren althans konden zitten.

Ter vergadering van den Ministerraad voerde de heer Van Aalst het woord uit naam van de aanwezige bankiers; daarna werd, in aansluiting aan het door hem gesprokene, door den heer Van Heukelom, als waarnemend president van de Nederlandsche Bank, de noodzakelijkheid van het nemen van de zooeven uiteengezette maatregelen betoogd.

Zoowel des middags op de bijeenkomsten te Amsterdam als des avonds in de vergadering van den Ministerraad was bovendien de wenschelijkheid besproken, aan de Regeering de bevoegdheid te geven, zoo dit onverhoopt noodig mocht blijken, de verplichting van de Bank om hare biljetten bij aanbieding te betalen, in den oorlogstijd op te schorten. Waar de toestand zóó onzeker was en de gebeurtenissen elkaar zóó snel opvolgden, moest gerekend worden met de mogelijkheid, dat de Nederlandsche Bank in moeilijkheden zou kunnen geraken, indien zij in een tijd, waarin zulke buitengewone beroepen op haar hulp als centrale credietinstelling werden gedaan, verplicht zou kunnen worden tevens groote bedragen aan bankbiljetten te verzilveren. Niemand ontveinsde zich welk een diepen indruk het zou maken, indien de Regeering van zulk een bevoegdheid gebruik zou moeten maken, maar dit nam niet weg dat, waar men de mogelijkheid voorzag, dat het daartoe zou moeten komen, het toch voor het geval die mogelijkheid onverhoopt eens werkelijkheid mocht worden, niet slechts gewenscht maar noodig was, dat de opschorting der uitbetaling wettelijk was geregeld. Het schriftelijk verzoek van de Bank aan de Regeering tot het voorstellen van dien maatregel werd dien nacht nog opgemaakt en onmiddellijk aan haar ter hand gesteld.

Nadat de bankiers en de directie van de Nederlandsche Bank de vergadering hadden verlaten, besloot de Ministerraad, overtuigd van de noodzakelijkheid, dat de Regeering naar vermogen zou medewerken tot herstel van het geschokte crediet, aan de Koningin voor te stellen: de verplichte metaaldekking van de Nederlandsche Bank van twee vijfden op een vijfde terug te brengen; den gouduitvoer te verbieden, en een wetsvoorstel in te dienen tot wijziging van het bankoctrooi op het punt van de betaalbaarheid der bankbiljetten. Het gevolg van een en ander was, dat reeds den volgenden dag twee Koninklijke besluiten werden afgekondigd; één tot verbod van den uitvoer van gouden munt en goudmuntmateriaal en één betreffende de verplichte metaaldekking van de Nederlandsche Bank, terwijl voorts een ontwerp van wet werd ingediend, betreffende de mogelijkheid van opschorting der verplichte betaling van de bankbiljetten.

In het bovenstaande vindt men tevens de verklaring hoe het kwam, dat het verbod van gouduitvoer de medeonderteekening draagt van alle leden van den Ministerraad. Het wetsontwerp tot wijziging van het octrooi der Nederlandsche Bank, wat betreft de betaalbaarheid van hare biljetten, verkreeg den 3den Augustus kracht van wet. De wet van denzelfden dag op de uitvoerverboden hield tevens een terugwerkende bekrachtiging in van hetgeen de Regeering eigenmachtig ten aanzien van den uitvoer van goud had gedaan.

Na den Ministerraad van 30 Juli werd aan het Nederlandsch-Indische Gouvernement telegrafisch opgedragen ten aanzien van de Javasche Bank overeenkomstige maatregelen te treffen als voor de Nederlandsche Bank genomen of voorgesteld waren.

Van de bevoegdheid aan de Regeering bij de eerstgenoemde wet gegeven, om de betaalbaarheid der bankbiljetten zoo noodig op te schorten, behoefde gelukkig geen gebruik te worden gemaakt. Daarentegen bleek de halveering van de verplichte metaaldekking spoedig geen overvoorzichtigheidsmaatregel te zijn geweest. Het verslag van de Nederlandsche Bank over het boekjaar 1914/15 zegt hiervan: „De uitkomst heeft geleerd, dat deze vermindering inderdaad tijdelijk noodzakelijk is geweest; immers de dekking is tijdelijk teruggeloopen tot beneden 40% (laagste percentage 32.59% op 16 October 1914). De emissiekracht der Bank was door dit Besluit zeer belangrijk toegenomen, hetgeen zeker eene groote gerustheid voor de gemeenschap is geweest. Reeds vrij spoedig was het percentage van 40 pct. metaaldekking wederom bereikt (op 12 December 1914) en werd zelfs de dekking bijna doorloopend sterker, om op 31 Maart 1915 tot ruim 52% op te loopen.” In het boekjaar 1915/16 namen de dekking en dus ook het beschikbare metaalsaldo nog zeer aanmerkelijk toe. Op het eind van het boekjaar 1914/15 bedroeg dat saldo ongeveer 169½ millioen; op het eind van 1915/16 omstreeks 373 millioen. Op de hoofdoorzaken van de toeneming van den goudvoorraad kom ik hieronder terug.

Eerst moet ik nog melding maken van hetgeen verder onverwijld noodzakelijk was ter ontspanning van de geld- en credietcrisis. De onrust die op de beurs reeds in het laatst van Juli geleid had tot de paniek, waarvan haar sluiting het resultaat was, kwam heel spoedig daarna op allerlei wijzen over heel het land tot uiting. De meest algemeene en tegelijk voor het geregeld verkeer gevaarlijkste uiting van het angstgevoel, dat zich van het publiek had meester gemaakt, was het onttrekken van zilver aan de circulatie en het oppotten van alles wat men aan gereed geld machtig kon worden. Bijna ieder werd in de eerste week van Augustus 1914 een Warenar. Helaas was de voorraad gemunt zilver bij de Nederlandsche Bank bij den aanvang der crisis zeer klein; op 25 Juli bedroeg hij slechts ruim 8 millioen gulden. De oorzaken van dien beperkten voorraad zilvergeld bespreek ik niet. Dat zou mij te ver in het verleden terugvoeren; genoeg dat de groote behoefte aan zilvergeld in Nederlandsch-Indië daartoe veel heeft bijgedragen. Die betrekkelijk kleine voorraad zilvergeld slonk in een week tijds, deels ten gevolge van grootere behoefte aan ruilmiddel als uitvloeisel van de stoornis in het crediet, maar vooral tengevolge van het oppotten van zilver, tot beneden 3 millioen. Aan redding in den nood door het in circulatie brengen van goud viel niet te denken; daardoor zou de positie van de Nederlandsche Bank zijn verzwakt, zonder dat het iets zou hebben gebaat. Meer nog dan het zilver zou de gouden munt zijn opgepot, en er was bovendien vooral behoefte aan ruilmiddel van kleinere waarde dan het gouden tientje of het gouden vijfje.

Reeds aanstonds toen de wegvloeiing van zilver zich openbaarde, werd tusschen de directie van de Nederlandsche Bank en het Ministerie van Financiën van gedachten gewisseld over hetgeen gedaan kon worden om in de behoefte aan kleiner ruilmiddel tegemoet te komen. De Nederlandsche Bank kon daarin door de uitgifte van klein bankpapier niet voorzien, daar het bankoctrooi haar uitgifte van biljetten tot een lager bedrag dan ƒ 10 verbiedt. Men wist geen anderen uitweg dan dat de staat tijdelijk papieren geld in kleine coupures zou uitgeven. Voor men in beginsel het er over eens was geworden, dat daartoe zou moeten worden overgegaan, was het noodig verschillende punten betreffende de uitvoering van het denkbeeld mondeling te bespreken. Daartoe zouden de president van de Nederlandsche Bank, die terstond uit Zwitserland was teruggekomen, en de president van de Nederlandsche Handel-Maatschappij met den Minister van Financiën op den avond van den 3den Augustus eene bijeenkomst hebben.

Aangezien zulke zaken in die dagen geregeld tusschen den Minister van Financiën en mij, als Minister van Handel, besproken werden, vroeg mijn ambtgenoot mij bij die bijeenkomst tegenwoordig te zijn. Des avonds omstreeks elf uur stapten wij van huis. De Amsterdamsche heeren hadden getelefoneerd, dat zij ongeveer half twaalf zouden komen. De bijeenkomst zou plaats hebben in de Kamer van den Thesaurier-Generaal, den tegenwoordigen Minister van Financiën, die, toen wij aankwamen, reeds aanwezig was. Wij moesten echter wachten tot omstreeks half een voor de heeren uit Amsterdam aankwamen. Het was in de drukste dagen van de mobilisatie; per trein konden zij dus niet komen en zij hadden oponthoud gehad onderweg door het springen van een band van hun automobiel. Wij begonnen al wat te wanhopen, toen de heeren eindelijk, vergezeld van den heer A. L. Kulenkamp Lemmers, den Agent van het Ministerie van Financiën, aankwamen. Nauwelijks hadden wij tijd gehad om te verklaren, dat wij het in principe over de uitgifte van klein papier van Regeeringswege eens waren, of de heer Van Aalst vloog naar de telefoon om Maastricht op te roepen. Van Amsterdam uit was er namelijk voor gezorgd, dat de telefoon te Maastricht tot ’s nachts half een zou open blijven; het was dus hoog tijd, dat er verbinding gevraagd werd. Om geen tijd te verliezen, had men zich ’s middags reeds, van Amsterdam uit, met de vraag der papierlevering bezig gehouden,--waarbij was gebleken dat de Koninklijke Nederlandsche Papierfabriek te Maastricht in staat was het noodige terstond te leveren. Voor veel heen en weer praten over de keuze van een leverancier was geen tijd. De Minister van Financiën ging er dan ook mede accoord, dat het benoodigde papier terstond telefonisch aan de genoemde fabriek zou worden besteld. Hetgeen door den heer Van Aalst, sprekende namens den Minister van Financiën, geschiedde.