Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken

Part 19

Chapter 193,508 wordsPublic domain

Voor zoover de vakvereenigingen wel reeds vóór 1 Augustus 1914 werkloosheidsverzekering hadden in toepassing gebracht, maar de werkloozenkas niet afgezonderd hadden gehouden van de centrale kas van de vereeniging of den bond, moest ook een cijfer worden bepaald dat geacht werd op 1 Augustus 1914 voor de werkloozenverzekering te zijn bestemd, en dat tot maatstaf had te dienen voor den duur der bijdrage van de vakvereeniging zelve. Voor den A. N. D. B. werd dit bepaald op ƒ 500.000, zoodat deze bond aan de verzekering zijner leden zelf bijdroeg, totdat het voor dit doel afgezonderde bedrag verminderd was tot ƒ 125.000. Voor de andere vereenigingen en bonden, die geen afzonderlijke werkloozenkas hadden, waren de bedragen welke voor dit doel naar billijkheid volgens den toestand op 1 Augustus 1914 werden afgezonderd, aanmerkelijk lager. Bij die andere was het aantal verzekerde leden dan ook zeer veel minder.

Bij de vaststelling dezer bedragen was het natuurlijk niet mogelijk met een goudschaaltje te wegen, er werd daarbij telkens zoo goed mogelijk en met inachtneming der billijkheid beslist. Dit knoopen doorhakken is trouwens gedurende den oorlogstijd, niet alleen bij de werkloosheidsverzekering, herhaaldelijk noodzakelijk geweest. Voor zoover ik mij daarmede bezig heb gehouden, en dat kwam nog al eens voor, heb ik gemeend dat mijne staatsrechtelijke en ook mijne moreele verantwoordelijkheid ten volle gedekt waren, als ik daarbij steunde op deskundig advies, maar er mij tevens rekenschap van gaf, hoe zulk een advies soms onwillekeurig niet geheel van partijdigheid was ontbloot. Deskundige voorlichting strekte daarbij dus steeds tot richtsnoer; slaafs gevolgd werd zij evenwel niet en mocht zij niet worden.

Zooals in de uiteenzetting van de hoofdpunten der noodregeling werd gezegd, was de financieele kant daarvan zoodanig geregeld, dat Rijk en gemeente de kosten daarvan ongeveer bij helfte deelden. Hierop is slechts één uitzondering van beteekenis gemaakt ten aanzien van de verzekering der diamantbewerkers. Met het uitbreken van den oorlog kwam de diamantnijverheid zoozeer in den druk, dat er een bijna algeheele werkloosheid in het vak ontstond. De financieele gevolgen van de noodregeling wat dit vak betreft, waren derhalve bijzonder zwaar voor Rijk en gemeente te zamen genomen. Het gemeentebestuur van Amsterdam nu voerde aan, dat vooral nu de gemeente door de oorlogscrisis toch reeds met zoo groote buitengewone lasten moest rekenen, het niet gerechtvaardigd zou zijn, indien het Rijk haar bovendien de helft der zeer groote kosten van de werkloosheidsverzekering der diamantbewerkers wilde doen dragen. Het was toch bekend dat de kosten daarvan, na aftrek van het deel dat door den diamantbewerkersbond zelf daarin werd betaald, voor zoover het Rijk die niet voor zijn rekening nam, zoo goed als uitsluitend op de gemeente Amsterdam zouden drukken. De gegrondheid dezer opmerking werd door mij ingezien. Er werd derhalve over de kosten der verzekering der diamantbewerkers met het gemeentebestuur van Amsterdam een speciale regeling getroffen, waarvan de bedoeling en het gevolg was, dat het Rijk het leeuwenaandeel dier kosten voor zijn rekening nam. De noodregeling is voor de diamantbewerkers aan het Rijk op bijna ƒ 2 millioen te staan gekomen; aan de gemeente Amsterdam op ongeveer ƒ 300.000. Voor alle andere vakken te zamen heeft zij aan het Rijk en de gemeenten elk ongeveer ƒ 900.000 gekost. Alles bij elkaar genomen, hebben de uitgaven uit dezen hoofde voor Rijk en gemeente meer dan ƒ 3.600.000 bedragen. Daarvan is het grootste deel aan de werklooze diamantbewerkers ten goede gekomen.

* * * * *

Naast het hoofddoel der noodregeling, de bescherming en instandhouding van het in opkomst zijnde instituut der werkloosheidsverzekering, heeft bij mij zwaar gewogen, dat het van groote maatschappelijke beteekenis was, die arbeiders die zich in tijden dat zij werkten en loon trokken, in den vorm van premiebetaling eenige opoffering hadden getroost om bij werkloosheid niet geheel van inkomen verstoken te zijn, een voorsprong te geven boven hen, die dezen voorzorgsmaatregel hadden verzuimd. Ik behoor tot degenen die nog zoo achterlijk zijn, dat zij hooge maatschappelijke waarde hechten aan de aankweeking van het gevoel van „self help” ook en vooral bij de arbeidende klasse, ter bestrijding van sociale gevaren, welke deze klasse onder bijzondere maatschappelijke of persoonlijke omstandigheden kunnen bedreigen. Gelukkig heeft de politiek haar vangarmen nog niet tot de zoo jeugdige werkloosheidsverzekering uitgestrekt en is ook in arbeiderskringen, wanneer ik de weinige volgelingen der anarchistische arbeidersbeweging ter zijde laat, nog algemeen het besef aanwezig, ook al laat het aan levendigheid soms wel wat te wenschen over, dat het den arbeider siert, als hij in de tijden dat het hem goed gaat, wat terzijde legt om zichzelven en zijn vakgenooten tegen totaal gebrek bij werkloosheid te behoeden. De arbeider komt trouwens gemakkelijk genoeg tot het inzicht, dat een goede werkloosheidsverzekering voor de vakbeweging van groote beteekenis is in den georganiseerden maatschappelijken strijd der werklieden. Die stemming ten aanzien der werkloosheidsverzekering bij de arbeiders zelven, inzonderheid bij de leiders der verschillende schakeeringen in hun vakbeweging, is aan dit cardinale punt van de noodregeling ten goede gekomen. Zij trok met volle bewustheid den verzekerden arbeider boven den niet verzekerden voor, den laatste verwijzende naar het steuncomité. De instemming welke dit van de zijde der arbeidersorganisaties heeft gevonden, is voor een goed deel hieraan toe te schrijven, dat al dekte de aldus gemaakte onderscheiding zich niet geheel met die tusschen de georganiseerde en de ongeorganiseerde arbeiders, beide onderscheidingen toch nauw aan elkander verwant waren.

Het onderscheid tusschen de verzekerde en de niet verzekerde werklieden mocht echter niet verder gaan, dan dat men de eerste categorie in staat stelde door hun eigen verzekeringsorganen, met bijstand van Rijk en gemeente, gedurende de zoo onverwachts opgekomen en zoo buitengewoon heftige crisis te blijven ontvangen, wat zij bij normale werkloosheid in gewone tijden daaruit wekelijks zouden hebben getrokken. Geen enkel steekhoudend motief was er aan te voeren, om gedurende de crisis op den grondslag van werkloosheidsverzekering meer te geven, dan het bedrag waarvoor zij zich zelven verzekerd hadden. Dit kon alweer niet op een goudschaaltje worden gewogen. Er moest eenvormigheid in de regeling zijn en daarom werd het gemiddelde der uitkeeringsbedragen tot algemeenen regel genomen. Had de Regeering zich hieraan niet gehouden, dan zou zij den geheelen grondslag der noodregeling hebben ondermijnd en een niet langer te rechtvaardigen onderscheid hebben gemaakt tusschen werkloozen, die wèl en werkloozen die niet onder de noodregeling vielen. Ik heb mij daarom dan ook stelselmatig tegen den herhaaldelijk op mij uitgeoefenden aandrang tot verhooging der uitkeeringen krachtens de noodregeling verzet.

Het was echter niet te miskennen, dat de rechtvaardigingsgrond van het gemaakte onderscheid tusschen de verzekerde en de niet verzekerde arbeiders zwakker werd, naar gelang de noodregeling langer moest worden in stand gehouden. Hoe verder het eindpunt der medebetaling door de werkloozenkas zelve in het verleden begon te liggen, hoe minder het uitgangspunt van de noodregeling, de instandhouding van de werkloozen-_verzekering_, op de werkelijkheid steunde, hoe meer de zoogenaamde verzekering het karakter kreeg van een uitkeering om niet, die slechts uiterlijk van de uitkeeringen der steuncomités verschilde. Daarbij kwam, dat de datum van 1 Augustus 1914 wel beslissend was voor de toelating der werkloozenkassen tot de noodregeling, maar niet voor de toetreding der vakgenooten tot de werkloozenkas. Wel is waar werd deze fout in de noodregeling verkleind door de bepaling, dat iemand die werkloos was op het oogenblik dat hij wilde toetreden, niet kon worden toegelaten en dat wie eenmaal toegelaten was, ook al werd hij werkloos, uit de werkloozenkas niet kon trekken, zoolang hij niet gedurende drie maanden contributie had betaald; maar toch stak hierin een fout. Deze zou slechts van theoretische beteekenis zijn geweest, indien de noodregeling na drie maanden had kunnen zijn opgeheven, zij werd echter meer van practische beteekenis, naar gelang de regeling langer moest worden in stand gehouden.

Daarbij kwam eenerzijds, dat de noodregeling er krachtig toe had bijgedragen de beteekenis der werkloosheidsverzekering in arbeidskringen te doen doordringen, met het gevolg dat allengs meer nieuwe werkloozenkassen werden opgericht, die van de noodregeling, indien deze ongewijzigd bleef, geen profijt konden trekken, omdat haar oprichting eerst van later dan 1 Augustus 1914 dagteekende, en anderzijds dat eene gelukkige verandering gaande was in de organisatie van verschillende toegetreden kassen, waardoor de werkloozenkas van de plaatselijke vakvereeniging bij de best georganiseerde vakbonden meer en meer plaats maakte voor de algemeene werkloozenkas van den over het geheele land werkenden bond. Zoowel het een als het ander maakte wijzigingen in de noodregeling wenschelijk, die deden uitkomen, dat zij voor een zóó langdurige oorlogscrisis, als werd doorgemaakt, niet geheel berekend was.

Voorts bleek allengs meer, dat verschillende kassen, niettegenstaande zij volgens de noodregeling niet meer bijdroegen in de kosten der verzekering, uit gedurende de crisis ontvangen contributies hun vermogen hadden zien toenemen niet alleen boven het gestelde minimum van ¼ van het bedrag op 1 Augustus 1914, maar zelfs in verschillende gevallen boven het totale bedrag der kas op dien dag. In één woord, de fouten der noodregeling werden grooter naar gelang zij door den duur harer werking meer het karakter van noodregeling verloor en dat van eene normale regeling begon aan te nemen.

Dit leidde er toe, dat in de tweede helft van 1915 met ernst aan hare opheffing werd gedacht. Dit kon echter niet geschieden zonder een blijvend betere passende regeling daarvoor in de plaats te stellen. Het Rijk kon niet eenvoudig zijn handen van de werkloosheidsverzekering aftrekken; daarvoor is de zaak van een te groot maatschappelijk belang. Na verschillende besprekingen met den Directeur van het Centraal Bureau voor Werkloosheidsverzekering en met Prof. de Vooys als voorzitter van den Werkloosheidsraad, werd den 19en Januari 1916 een circulaire aan de gemeentebesturen gericht, welke ten doel had die besturen te brengen tot vrijwillige medewerking aan een nationale regeling der werkloosheidsverzekering, die voor de noodregeling in de plaats zou treden. In die circulaire werd door mij als Minister van Financiën toegezegd, dat--indien de Staten-Generaal daartoe hunne medewerking zouden verleenen--het Rijk in de toekomst 50 pct. van den geldelijken steun aan de werkloozenkassen voor zijn rekening zou nemen. Bij die blijvende regeling zouden eenige maatregelen worden getroffen voor den overgang van de noodregeling in de blijvende organisatie en werd er voor gezorgd, dat de werkloozenkassen weder geregeld hun aandeel in de kosten der werkloosheidsverzekering zouden betalen. Opdat de voorgestelde organisatie in toepassing zou kunnen komen, was algemeene deelneming der gemeentebesturen noodig; de circulaire wees er daarom op dat, indien het beroep op vrijwillige medewerking niet het gewenschte resultaat had, een wettelijke regeling, waarbij medewerking zou worden opgelegd, niet zou kunnen uitblijven. De bedoeling was de nieuwe regeling op 1 Mei 1916 voor de noodregeling te doen plaats maken.

De circulaire van 19 Januari 1916 heeft haar doel bereikt. Wel kon de nieuwe blijvende regeling niet te gelijk met de opheffing der noodregeling op 1 Mei worden in werking gesteld, maar blijkens de Memorie van Toelichting van den Minister van Waterstaat bij het wetsontwerp waarbij de noodige gelden daarvoor worden aangevraagd, is het de bedoeling haar met 1 October 1916 in werking te doen treden. De Tweede Kamer heeft de noodige gelden voor de werkloosheidsverzekering met staatsbijdrage reeds toegestaan; vermoedelijk zal de Eerste Kamer haar daarin weldra volgen. Dan zal de werkloosheidsverzekering, al is zij nog niet wettelijk geregeld, toch op wettelijken grondslag komen te staan.

Evenals het geval was bij de organisatie der nationale arbeidsbemiddeling moet ik mij ook hier weerhouden van eene bespreking van de hoofdtrekken der blijvende nationale regeling van de werkloosheidsverzekering. Tusschen beide organisaties is een nauw verband gelegd en bij haar uitbouw is van de resultaten van den arbeid der Staatscommissie over de Werkloosheid ruimschoots gebruik gemaakt.

Ten aanzien van de werkloosheidsverzekering heeft de oorlogscrisis hetzelfde effect gehad als waarop bij de bespreking der organisatie van de arbeidsbemiddeling reeds werd gewezen; zij heeft er toe bijgedragen dat de Staatswerkzaamheid op dit gebied zeer is bespoedigd; voorts heeft zij niet alleen de Regeering en de gemeentebesturen maar ook de arbeiders zelf, meer dan vóór dien het geval was, van de beteekenis zoowel van de nationale arbeidsbemiddeling als van de nationale werkloosheidsverzekering doordrongen. Beide groote sociale maatregelen zijn doorgevoerd, wel niet zonder medewerking van den wetgever,--deze toch heeft er de gelden voor beschikbaar gesteld,--maar zonder wettelijken grondslag voor de maatregelen zelf. Voor de werkloosheidsverzekering geldt te dezen aanzien, wat reeds bij de bespreking van de nationale arbeidsbemiddeling werd opgemerkt: een wettelijke regeling zal op den duur niet kunnen uitblijven; doch bij het maken daarvan zal de toekomstige wetgever zich in hoofdzaak kunnen bepalen tot het geven van sanctie aan hetgeen de ervaring als bruikbaar en maatschappelijk gewenscht zal hebben aangewezen.

* * * * *

Ik kan van de bespreking der maatregelen tot voorkoming en leniging van nood in den crisistijd niet afstappen, zonder nog een oogenblik terug te komen op de noodregeling in zake de werkloosheidsverzekering en haar verband met de steunorganisatie. Die beide stonden met elkander in nauw verband en hebben elkander op gelukkige wijze aangevuld. Toch was er een groot principieel verschil tusschen het karakter der uitkeering krachtens de noodregeling en die der uitkeeringen van de steuncomités. Deze laatste waren vrijwillige giften, welke beperkt werden tot de personen en gezinnen die daaraan behoefte hadden; de eerste waren uitkeeringen, waarop de verzekerde zich, althans in beginsel, een recht had verworven door zijn premiestorting. Hier was dus geen onderzoek naar de behoefte noodig, al zal de uitkeering wel slechts in uitzonderingsgevallen zijn in handen gekomen van personen, die daaraan geen behoefte hadden. Toch zijn zulke uitzonderingsgevallen voorgekomen, wanneer de verzekerde behoorde tot een gezin, waarin door den arbeid van andere gezinsleden het wekelijksch inkomen niet onvoldoende was voor het onderhoud van alle gezinsleden te zamen. In zulke gevallen was van uitkeering door een steuncomité natuurlijk geen sprake; dit had te rekenen met het gezinsinkomen. Wel nam het voor de gezinnen, waarvan sommige leden door hun arbeid iets inbrachten, doch die toch nog beneden de grens bleven van waar af geen steun meer werd verleend, het loon, dat die leden ontvingen, bij de bepaling van het bedrag der uitkeering slechts ten deele in aanmerking, ten einde den prikkel tot werken niet weg te nemen. De uitkeering krachtens de noodregeling was daarentegen van het gezinsinkomen onafhankelijk. Op zich zelf was dit juist, maar hoe meer de noodregeling haar karakter van de regeling eener _verzekering_ verloor, hoe minder deze principieel juiste toepassing practisch te rechtvaardigen bleef. Ook dit heeft bij de opheffing der noodregeling gewogen.

Veel meer dan het uitkeeren krachtens de noodregeling aan personen die daaraan, strikt genomen, geen behoefte hadden, is het voorgekomen, dat de uitkeering krachtens die regeling onvoldoende was. Wanneer de werklooze verzekerde een gezin had te onderhouden, waarvan geen der andere leden iets inbracht, kon hij met de ƒ 6 die hij van de noodregeling bleef trekken, niet rondkomen. In die gevallen vulde het steuncomité door den huurbon en door suppletoire uitkeering aan, wat de verzekering te weinig gaf. Ten einde er echter ook alsdan voor te zorgen, dat de werklooze verzekerde het gevoel bleef behouden, dat hij de uitkeering principieel althans grootendeels dankte aan eigen premiebetaling vóór de crisis intrad, drong het Kon. Nat. Steuncomité er steeds op aan, dat ook in die gevallen de uitkeeringen van de plaatselijke comités aan de verzekerden door tusschenkomst van de werkloozenkas werden verstrekt.

Vraagt men zich nu af, hoe het oordeel over de steunbeweging en de noodregeling moet luiden, dan komt in de eerste plaats op het credit van de noodregeling, dat zij haar hoofddoel, de instandhouding en bevordering der werkloosheidsverzekering, ten volle heeft bereikt. Het aantal verzekerden dat op 1 Augustus 1914 omstreeks 70.000 bedroeg, was op 1 Mei 1916 haast verdubbeld. Overigens geldt voor beide dat zij, al kleefden er ook fouten aan en al was de toepassing, vooral bij de steunbeweging, niet altijd en overal even onberispelijk, in den aanvang hoogst nuttig hebben gewerkt en veel ellende hebben voorkomen en gelenigd. Naar gelang de buitengewone toestand evenwel langer duurde, werden de fouten grooter en steeg het gevaar van ontaarding der steunbeweging. Allengs groeide het getal dergenen onder de gesteunden aan, voor wie de steunorganisatie niet was bestemd, namelijk de half-validen en brekebeenen, of die dezen vorm van steun niet waardig waren, namelijk de arbeidsschuwen.

Zeker mede ten gevolge van verschillende maatregelen, welke reeds besproken werden of in de volgende hoofdstukken ter sprake komen, maar vooral tengevolge van een wending in de oorlogsconjunctuur, welke voor ons land zoo gunstig was als bij het uitbreken van den krijg niet alleen niemand verwachtte, maar zelfs niemand durfde hopen, is de werkloosheid in een groot aantal vakken vrij spoedig tot normale verhoudingen teruggedrongen en is er zelfs, ook in verband met de onttrekking van arbeidskrachten door de mobilisatie, in verschillende bedrijven gebrek aan arbeiders ontstaan. Dit heeft er toe geleid, dat een aantal steuncomités, zonder zich officieel te ontbinden, in afwachting van een eventueelen slechten keer in den toestand, het bijltje er bij neerlegden. Het vroegst geschiedde dit ten platten lande, waar de toestand het eerst weer normaal werd en na eenigen tijd zelfs een abnormaal gunstige phase intrad. Weldra volgden verschillende bedrijven de zwenking, die het landbouwbedrijf had gemaakt, ook al was over het algemeen de conjunctuur voor hen lang niet zoo gunstig als voor de boeren.

Het gevolg was, dat in het eind van 1915 en het begin van 1916 in hoofdzaak alleen het havenbedrijf, en dit nog wel hoofdzakelijk te Rotterdam, overbleef, waar ten gevolge van het gedurende den oorlog stop gezet blijven van den doorvoer, slechts ⅓ van het normale aantal havenarbeiders noodig bleef. Ook hier was in zoover verbetering gekomen, dat een deel dier arbeiders, ook wegens de hooge loonen die in den landbouw verdiend konden worden, naar het platteland was teruggestroomd. Maar toch bleef in het havenbedrijf, vooral te Rotterdam, een overschot van arbeiders, dat niet aan zijn lot kon worden overgelaten.

In het bouwbedrijf werd de toestand allengs zóó gunstig voor de arbeiders, dat niettegenstaande dit bedrijf grootelijks belemmerd werd door de hooge prijzen van hout en ijzer, in het voorjaar van 1916 veeleer gebrek aan- dan overschot van arbeidskrachten viel waar te nemen. Alleen Amsterdam maakte hierop een uitzondering; de Amsterdamsche bouwvakarbeiders konden echter, zoo zij wenschten, elders arbeidsgelegenheid vinden.

Zelfs de diamantindustrie leefde zoozeer op, dat de toestand in het begin van 1916 over het algemeen gunstiger was dan bij het uitbreken van den oorlog. Alleen de roosjesslijperij, waarvan het product voornamelijk naar de Balkanlanden gaat, bleef nog kwijnend. Overigens was van gebrek door buitengewone werkloosheid in het voorjaar van 1916 over het algemeen weinig of niets meer te bespeuren.

Dit gaf het Kon. Nat. Steuncomité aanleiding, door tusschenkomst van zijn subcommissie voor de liefdadige stichtingen overleg te plegen met armeninstellingen, tot overneming van het overgebleven overschot van gebrekkigen en arbeidsschuwen, die bij de steuncomités niet thuis behoorden en tot het richten van een circulaire aan de plaatselijke comités, welke de uitkeeringen nog niet hadden gestaakt, om het voorbeeld der comités, die dit wél hadden gedaan, te volgen, met dit voorbehoud dat met steun zou worden doorgegaan ten aanzien van de beoefenaars van die vakken, waarin nog steeds eene buitengewone werkloosheid heerschte. De circulaire had niet ten doel de plaatselijke steuncomités er toe te bewegen, zich te ontbinden. Daarvoor is de toestand nog veel te onzeker en moet nog te veel gerekend worden met de mogelijkheid, dat de zaken door gebrek aan grondstoffen voor verschillende takken van nijverheid of door andere vooraf niet te bepalen oorzaken zich ten kwade zullen keeren. Wel beoogde zij het résidu van lijntrekkers op te ruimen en de plaatselijke comités beter paraat te maken voor de taak, welke zij opnieuw zullen hebben op te vatten, indien onverhoopt de steunverleening op groote schaal weer in gang zou moeten worden gezet. Daartoe hield de circulaire in, dat uit de kas van het Kon. Nat. Steuncomité, behalve in bijzondere gevallen, geene bijdragen voor uitkeeringen meer zouden worden verstrekt, tenzij die werden gedaan aan personen, behoorende tot een vak, waarin, hetzij nog steeds hetzij opnieuw, buitengewone werkloosheid heerschte.

Voor het diamantbewerkersbedrijf werd na eenige besprekingen een regeling met den Algemeenen Nederlandschen Diamantbewerkers Bond getroffen, waartoe ook de andere organisaties van diamantbewerkers alsmede het gemeentebestuur van Amsterdam toetraden, en welke tot grondslag had, dat de organisaties der arbeiders zoowel als het Kon. Nat. Steuncomité en de gemeente elk een deel der verdere kosten van den steun aan werklooze diamantbewerkers zouden dragen en dat de contrôle op de uitkeering van dien steun in de eerste plaats bij die organisaties zelve zou berusten.

Evenzeer als de noodregeling ter zake van de werkloosheidsverzekering heeft ook de steunbeweging haar schaduwzijde gehad. Een onvermengd goed is zij, vooral bij den langen duur waarvoor zij gelden moest en waarop in het begin van Augustus 1914 niet kon worden gerekend, niet geweest. Maar geen ingewijde zal ontkennen, dat zij, alles bijeengenomen, groot en goed werk heeft gedaan en dat zij de taak heeft vervuld, die de Koningin haar bij de installatie van het Kon. Nat. Steuncomité toedacht: zij heeft bewerkt, dat menig bezorgd hart verruimd heeft kunnen kloppen!

Moge het verloop der omstandigheden zoodanig zijn, dat zij, behalve in de uitzonderingsgevallen, waarin zij ook thans nog optreedt en vooreerst zal moeten blijven optreden, haar taak niet opnieuw zal behoeven op te nemen!

HOOFDSTUK IV.

GELD EN CREDIET IN DEN OORLOGSTIJD.

§ 1. _De paniek en haar meest urgente bestrijdingsmaatregelen._