Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken

Part 18

Chapter 183,515 wordsPublic domain

Het is duidelijk dat bij de demobilisatie arbeidsbemiddeling dubbel noodig zijn zal. Er komen dan plotseling een aantal arbeidskrachten beschikbaar, wier plaatsen gedurende den tijd, dat zij onder dienst waren, door anderen werden ingenomen, of die bij herplaatsing in hun vorigen werkkring andere, tijdelijk aangenomen, krachten zullen verdringen. Hoe het dan met de vraag naar arbeidskrachten zijn zal, is bovendien hoogst onzeker. Te verwachten is, dat als de vrede in het vooruitzicht zijn zal, er spoedig een groote vraag zal ontstaan naar artikelen, welker voortbrenging gedurende den oorlog moest worden verwaarloosd en dat daartegenover bedrijven die oorlogsbenoodigdheden produceeren of waren, welke met de oorlogsbehoefte verband houden, tot stilstand zullen komen of hunne productie zullen moeten inkrimpen. Als gevolg van een en ander is niet te voorzien hoe het er, als er eindelijk vrede zijn zal, met vraag en aanbod op de arbeidsmarkt zal uitzien. Alleen dit is wel zeker, dat de verhouding van vraag en aanbod in verschillende bedrijfstakken heel anders zijn zal dan vóór of gedurende den oorlog het geval was en dat, ten gevolge daarvan, zoowel verschuivingen van arbeidskrachten tusschen aanverwante bedrijven als verplaatsingen tusschen verschillende deelen van het land noodig zullen zijn. Men behoeft dus nog niet eens te denken aan de algemeene crisis, die als gevolg van de economische uitputting van Europa ten gevolge van den oorlog na het sluiten van den vrede wel niet lang op zich zal laten wachten, om te beseffen, hoe groot de behoefte in een nabije toekomst aan een goed georganiseerde, over heel het land vertakte arbeidsbemiddeling zijn zal.

Deze overwegingen hebben mij er toe geleid om de totstandkoming van die organisatie zooveel mogelijk te bevorderen. Toen de Vereeniging van Nederlandsche Arbeidsbeurzen mij een plan daartoe aanbood, dat zich in hoofdzaak aansloot bij de voorstellen der Staatscommissie over de Werkloosheid omtrent dit onderwerp, heb ik met volle overtuiging omtrent de hooge noodzakelijkheid en de groote sociale beteekenis van dezen maatregel, aan de Staten-Generaal gelden aangevraagd voor de verwezenlijking daarvan. De Tweede Kamer heeft erkend, dat het hier een zaak gold van algemeen nationaal belang en de daartoe noodige gelden reeds gevoteerd. Op het oogenblik dat ik dit schrijf, moet de Eerste Kamer haar oordeel nog uitspreken, maar het is weinig twijfelachtig dat zij haar medewerking niet zal onthouden. Zoodra deze zal vaststaan, zal de Rijks Centrale Arbeidsbeurs haar tijdelijk karakter definitief hebben verloren. Feitelijk is zij reeds sedert het begin van het jaar niet alleen een blijvende Rijksinstelling geworden, maar het knooppunt van een over het geheele land verspreid netwerk van plaatselijke, intercommunale en nationale arbeidsbemiddeling. Ik moet aan de verleiding weerstand bieden op de inrichting daarvan hier in te gaan. Dit zou mij te ver voeren. Genoeg dat, terwijl bij het uitbreken van den oorlog de arbeidsbemiddeling zoo goed als uitsluitend plaatselijk georganiseerd was en zich bepaalde tot ruim 30 arbeidsbeurzen in de grootere steden, thans het aantal stedelijke arbeidsbeurzen meer dan verdubbeld is, en bovendien in zoo goed als alle gemeenten, waar geen beurs bestaat, correspondenten van de Centrale Arbeidsbeurs zijn, zoodat de georganiseerde arbeidsbemiddeling nu bijna 1000 gemeenten bestrijkt en dat een 24 tal der plaatselijke arbeidsbeurzen tevens op Rijkskosten dienst doen als districtsbeurzen voor de arbeidsbemiddeling ten platten lande en voor de intercommunale en nationale arbeidsbemiddeling, welke in de Rijks Centrale Arbeidsbeurs te ’s Gravenhage haar hoofdleiding en haar vereenigingspunt vindt. Op den duur zal de noodzakelijkheid eener wettelijke regeling van dit onder den drang der omstandigheden tot stand gekomen geheel, zich zoo goed als zeker doen gevoelen, maar als de wetgever daartoe overgaat, zal hij niet iets nieuws hebben te scheppen, maar zich er toe kunnen bepalen, aan het reeds bestaande en uit het vrije initiatief met aanmoediging van het Rijk gewordene, wettelijke sanctie te verleenen, met wegneming hier van een uitwas en met oplegging elders van een wettelijken dwang, waar moreele en sociale drang niet voldoende bleken.

* * * * *

Reeds vóór de arbeidsbemiddeling als over het geheele land verspreide instelling haar beslag kreeg, verleende de Centrale Arbeidsbeurs goede diensten aan de landweerplichtigen, die telkens, bij het opkomen van een lichting oorspronkelijk van dienst vrijgestelde landstormplichtigen, met klein verlof naar huis gezonden werden. Daardoor is de centrale arbeidsbemiddeling reeds in staat geweest, haar recht van bestaan en het nut dat zij kan afwerpen, practisch te bewijzen. Het vertrouwen in de openbare arbeidsbemiddeling is daardoor zoowel bij werkzoekenden als bij werkgevers versterkt.

Bij de gedeeltelijke demobilisatie heeft zich de vraag voorgedaan, wat zou moeten gebeuren met arbeiders, die, indien zij van het klein verlof dat zij konden krijgen, gebruik maakten; werkloos zouden zijn. Het Kon. Nat. Steuncomité heeft zich, na overleg met zijne beide algemeene voorzitters, op het standpunt gesteld, dat zulke werkloozen geen hulp moesten ontvangen, aangezien zij niet verplicht werden den werkelijken dienst tijdelijk te verlaten, maar daartoe alleen een verlof kregen, waarvan zij geen gebruik behoefden te maken. Door zulke personen, die buiten het leger geen werk konden vinden, te helpen in de burger-maatschappij leeg te loopen, zou men lieden ondersteunen, die in het leger zeer nuttige diensten konden bewijzen en er de voorkeur aan gaven, niet te werken. Tegen de circulaire aan de plaatselijke comités van 21 Mei 1915, waarin dit standpunt werd uiteengezet en zij werden uitgenoodigd aan de bedoelde gedemobiliseerden geen ondersteuning te geven, kwam groot verzet uit arbeiderskringen. Dat verzet ging van een principieel verkeerd standpunt uit en er kon dus ook niet aan worden toegegeven. De protesteerende arbeidersorganisaties hadden echter in zoover gelijk, dat het beginsel waarvan de circulaire uitging, daarin tot een te krasse consequentie had gevoerd. Het was billijk en redelijk dat men den gedemobiliseerden arbeider, die op het oogenblik zijner demobilisatie nog geen werk had, gelegenheid gaf gedurende korten tijd naar werk te zoeken. Vandaar dat in het begin van Juni 1915 de circulaire in dien zin werd verzacht. Aan personen die redelijke kans hadden, spoedig werk te zullen vinden, zouden de plaatselijke comités gedurende zeer korten tijd ondersteuning kunnen geven.

Ook de organisatie der intercommunale arbeidsbemiddeling, al had zij in het midden van het jaar 1915 nog slechts ten deele haar beslag gekregen, droeg er toe bij, dat het Kon. Nat. Steuncomité zonder onbillijk te zijn, dit standpunt kon innemen. Men vergete bij de beoordeeling dezer zaak voorts niet, dat--gelijk door dit comité terecht wordt opgemerkt--als er van de oudste landweerlichting werkloozen naar huis gaan, „de plaatsen, die zij ledig laten, moeten vervuld blijven worden door hen, voor wie de terugkeer in het maatschappelijk leven inderdaad dringend noodig mag heeten.”

Behalve bij de plaatsing van gedemobiliseerden heeft de Centrale Arbeidsbeurs hare bemiddeling ook verleend bij het tewerkstellen van vluchtelingen en van geïnterneerden. Hierbij heeft zij er zooveel mogelijk voor gezorgd, dat de geïnterneerden alleen open plaatsen zouden innemen en dat hun tewerkstelling niet ten gevolge zou hebben, dat Nederlandsche arbeiders, die anders werk zouden hebben gevonden, werkloos zouden blijven. Dat dit nu en dan tot eenige wrijving aanleiding gaf en het wel eens bleek, dat er ook onder de zeer groote werkgevers waren, die aan de meer handelbare geïnterneerden boven Nederlandsche werklieden de voorkeur gaven, vermeld ik slechts ter loops. Het zal wel niemand verwonderen; verbazingwekkend zou het geweest zijn, als zulke wrijvingen en moeilijkheden geheel waren uitgebleven.

In den aanvang, toen de werkloosheid hier groot was, werkte de Centrale Arbeidsbeurs door bemiddeling van de bij haar aangesloten Nederlandsche Arbeidsbeurs te Oberhausen afvoer van arbeiders naar Duitschland in de hand. Daarbij werd er streng aan vastgehouden, dat geen bemiddeling werd verleend aan werkgevers, die arbeiders zochten voor oorlogsdoeleinden. Te dezen aanzien hebben zoowel de Centrale Arbeidsbeurs als de arbeidsbeurs te Oberhausen gezorgd, dat op de eischen der neutraliteit niet de minste inbreuk werd gemaakt. Later, toen de economische toestand in Duitschland allengs slechter werd en tegelijkertijd hier de werkloosheid zoodanig verminderde, dat in vele bedrijfstakken gebrek aan werkkrachten kwam, heeft de internationale arbeidsbemiddeling een tegenovergestelde richting aangenomen en hebben de genoemde beurzen er toe bijgedragen, dat Nederlandsche arbeiders, die tijdelijk in Duitschland hadden gewerkt, hier in de Limburgsche mijnen en elders werk vonden.

§ 4. _De Werkloosheidsverzekering._

Naast de verschillende andere maatregelen, die in dit hoofdstuk besproken werden en in de volgende hoofdstukken behandeld zullen worden, heeft de georganiseerde arbeidsbemiddeling er zeker toe bijgedragen, de werkloosheid te verminderen en de crisis voor de arbeidende klasse minder pijnlijk te doen verloopen. Zij was wel is waar niet in staat de arbeidsgelegenheid te vergrooten, maar zij leidde er toe, dat de duur van het werk zoeken door de werklooze arbeiders, voor wie werkgelegenheid bestond en van het arbeiders zoeken door werkgevers, die om arbeidskrachten verlegen waren, werd verkort. Zoo kwam zij zoowel aan het weder op gang brengen van het bedrijf als aan de vermindering van werkloosheidsellende ten goede. Toch is hetgeen op het gebied der arbeidsbemiddeling in den oorlogstijd tot stand kwam van nog meer waarde voor de toekomst dan voor de oorlogscrisis zelf. Anders staat het met hetgeen ten aanzien van de werkloosheidsverzekering geschiedde.

De werkloosheidsverzekering is over het algemeen en inzonderheid hier te lande nog in haar kindsheid; maar toch gaven de laatste jaren verblijdende teekenen van vooruitgang te zien. Een toenemend aantal vakvereenigingen en nationale vakbonden begon zich ernstig met dezen vorm van steun der vakgenooten in den maatschappelijken strijd bezig te houden en de gemeentelijke werkloosheidsfondsen namen in verband daarmede toe in aantal zoowel als in beteekenis. De onderzoekingen van de Staatscommissie over de Werkloosheid waren aan die verlevendiging der belangstelling in de werkloosheidsverzekering niet geheel vreemd. In zoover wierp het verslag der Staatscommissie reeds vóór zijn verschijning zijn licht vooruit.

Toen nu de oorlogscrisis zoo onverwachts uitbrak en een ongekende werkloosheid als gevolg daarvan voor de deur stond, dreigde al hetgeen op het stuk der werkloosheidsverzekering met veel moeite en zorg was opgebouwd, met één slag te worden omvergeworpen. Het was toch te voorzien, dat noch de werkloosheidskassen der vakvereenigingen en vakbonden noch de werklozenfondsen der gemeenten tegen een werkloosheid van zulk een buitengewoon grooten omvang bestand zouden zijn. Begrijpelijkerwijze wekte dit bezorgdheid in de eerste plaats in de kringen der belanghebbenden; maar niet alleen daar. Toen in de vergadering van de Uitvoerende Commissie van het Koninklijk Nationaal Steuncomité, welke den avond van den 10den Augustus 1914 werd gehouden, hierop door den heer Oudegeest werd gewezen, kon ik hem antwoorden dat het reeds mijn aandacht had getrokken en „dat hiertegen in elk geval maatregelen zullen worden beraamd zoo noodig met Regeeringshulp”. De heer Oudegeest nam als vertegenwoordiger van het Nederlandsch Vakverbond in den Werkloosheidsraad de gelegenheid te baat, den Voorzitter van dien Raad, Prof. de Vooys, uit te noodigen deze zoo urgente aangelegenheid in den Werkloosheidsraad ter tafel te brengen. In overleg met mij gaf de heer de Vooys daaraan zóó spoedig gehoor, dat die vergadering reeds den volgenden dag kon worden gehouden. Daar werd een subcommissie benoemd onder voorzitterschap van Mr. Dr. Hudig, destijds directeur van het Centraal Bureau voor Sociale Adviezen, om het vraagstuk met den meesten spoed te onderzoeken en een voorstel daaromtrent aan den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel te doen. Wegens de dringende urgentie van de zaak werd door mij in de volgende dagen, toen ik bijna dagelijks met den heer de Vooys confereerde, nog enkele malen bij hem er op aangedrongen, dat hij de subcommissie tot den meest mogelijken spoed zou aanmanen. Den 21en Augustus kwam het rapport van den Werkloosheidsraad als resultaat van den arbeid der subcommissie in. Daar de materie mij, na hetgeen ik er als voorzitter van de Staatscommissie over de Werkloosheid over had moeten nadenken, niet vreemd was, behoefde ik niet veel tijd om te beslissen, dat het ingekomen rapport in hoofdzaak kon worden gevolgd en op welke ondergeschikte punten het wijziging noodig had. Dientengevolge kon reeds den 22en Augustus aan de besturen der gemeenten waar een werkloosheidsfonds bestond, een circulaire worden gericht, waarin de noodregeling ter instandhouding en bevordering der werkloosheidsverzekering werd uiteengezet en die gemeentebesturen tot medewerking werden aangezocht. Den 26en Augustus volgde een aansluitende circulaire aan een aantal gemeenten, die zich nog niet op het gebied der werkloosheidsverzekering bewogen hadden. De in die circulaires uiteengezette regeling is in de kringen der verzekeringsfondsleiders en der besturen van vakvereenigingen bekend geworden als de noodregeling-Treub.

Eigenaardig genoeg is zoodoende mijn naam toevallig verbonden geworden aan een der noodmaatregelen, waartoe ik persoonlijk het minst heb bijgedragen. Mijn aandeel heeft, wat deze noodregeling betreft, zich zoo goed als geheel bepaald tot aandrang op spoed bij de voorbereiding daarvan en tot het betrachten van spoed bij haar inwerkingstelling. Ik erken zelf, dat ook hierin eenige verdienste stak, maar toch niet genoeg om met voorbijgang der werkelijke ontwerpers daarvan de noodregeling met mijn naam te doopen. Intusschen is dit wel niet het eenige geval, waarin de paarden, die de haver verdienen, haar niet krijgen of waarin een Minister pronkt met andermans veeren.

De hoofdtrekken der noodregeling werden door den heer Folmer in zijn artikel „De verzekering tegen de werkloosheid tijdens de crisis” in aflevering 3, jaargang 4 van het _Tijdschrift der Nationale Vereeniging tegen de Werkloosheid_ in de volgende woorden weergegeven:

„Haar hoofddoel was de instandhouding der verzekering, die op den datum, waarop de crisis geacht werd in te gaan, bestond. Dientengevolge omvatte zij uitsluitend die werkloozenkassen, welke op gemelden datum reeds in werking waren, hetzij afzonderlijk, hetzij als onderdeel eener andere kas (in welk laatste geval zij thans moesten worden afgezonderd).

„Deze werkloozenkassen zouden zelf zoo lang mogelijk blijven uitkeeren, met dien verstande, dat zij de uitkeeringen zouden staken, zoodra haar vermogen was gedaald tot op een vierde deel van haar bezit op 1 Augustus 1914, welke datum als beginpunt der crisis werd aangenomen. Met het vierde deel, dat in kas moest blijven, zouden zij na afloop der noodregeling hare normale taak kunnen hervatten, terwijl aldus voor uitkeeringen tijdens de crisis beschikbaar was 75% van het bezit van 1 Augustus 1914, benevens de opbrengst der contributiën, die voortdurend in de werkloozenkas bleven vloeien.

„Zoolang nu de kassen zelf konden uitkeeren, zouden de gemeentebesturen, door middel hunner organen voor de werkloosheidsverzekering--n.l. de gemeentelijke werkloozenfondsen--de uitkeeringen aanvullen, door daarop een toeslag van 100% te geven, in aansluiting aan de tot nu toe gevolgde practijk. De steun bij werkloosheid zoude op deze wijze aanvankelijk voor de helft voor rekening der kassen, voor de wederhelft voor rekening der gemeenten komen.

„Hierbij werd echter een bepaling gevoegd, die aanstonds ook aan het Rijk een blijvend aandeel der kosten oplegde. De uitkeeringen uit de kassen der arbeiders en de bijslag uit de gemeentelijke fondsen waren n.l., voordat in zake werkloosheidsverzekering eene noodregeling in het leven trad, door statuten en reglementen aan bepalingen gebonden. Zoo moesten de arbeiders gedurende een bepaalden termijn contributie hebben betaald, alvorens recht op uitkeering te bezitten; voorts moesten zij doorgaans een bepaalden tijd in de gemeente hebben gewoond, alvorens bijslag kon worden verkregen. Aan de andere zijde bezaten de verzekerden het recht op uitkeering of bijslag slechts voor een beperkten duur der werkloosheid, waarna zij zoogenaamd „uitgetrokken” waren. Deze beperkende bepalingen, die uitkeering en bijslag aan onderling nog al afwijkende termijnen bonden, zouden tijdens de noodregeling vervallen (behoudens dat een termijn van drie maanden voor de contributiebetaling werd gesteld). Daardoor nu werden uitgaven veroorzaakt, die nu eens de kassen, dan weer de fondsen in normale tijden niet zouden hebben gedaan, en in deze buitengewone uitgaven zou het Rijk van meet af minstens de helft bijdragen.

„Zoodra echter door de uitkeeringen het vermogen van eene kas was gedaald beneden de grens van 25%, zouden hare uitkeeringen en daarmede haar aandeel in den steun, in het algemeen genomen, ophouden. De steunverleening zou dan in haar geheel door de gemeenten worden overgenomen, die voortaan dus èn uitkeering èn bijslag betaalden.

„Ook ten aanzien der gemeentelijke fondsen was een speciale regeling noodig. Voor haar gold ongeveer hetzelfde als voor de werkloozenkassen; ook zij beschikten n.l., toen de noodregeling intrad, slechts over een bepaald bedrag. De gemeenten stellen doorgaans elk jaar een bepaald crediet ter beschikking harer gemeentelijke fondsen, om daaruit den bijslag te betalen, van welk crediet de omvang natuurlijk op de behoefte in normale tijden is berekend. Dit crediet zou door de thans sterk verhoogde eischen zeer spoedig zijn uitgeput; daarom werd bepaald, dat van alle uitkeeringen welke een gemeentelijk fonds zou hebben te doen boven 75% van het voor 1914 toegestane bedrag, het Rijk de helft zou restitueeren, terwijl de wederhelft voor rekening der gemeente bleef en als extra-crediet door haar zou worden beschikbaar gesteld. Op deze wijze zou ook het fonds een vierde deel van het crediet voor 1914 kunnen reserveeren voor de hervatting der taak in normale tijden, en droeg in het algemeen het Rijk voor de helft in den steun bij.

„Inschrijving der kassen bij een gemeentelijk fonds was voor haar een der eerste voorwaarden, om onder deze noodregeling te kunnen vallen; niet alleen echter zouden daarvoor in aanmerking komen die werkloozenkassen, welke reeds in gewone tijden bij de gemeentelijke fondsen ingeschreven waren, doch bovendien zouden voor den duur der noodregeling alle zoodanige kassen kunnen worden ingeschreven, die tot nu toe, om welke reden dan ook, zich niet hadden aangesloten.

„Eindelijk zouden--om het terrein der noodregeling nog verder uit te breiden--de gemeentelijke werkloozenfondsen ook uitkeering kunnen verstrekken aan werklooze, verzekerde arbeiders, wonende in gemeenten, die in de onmiddellijke nabijheid liggen van (onmiddellijk grenzen aan) gemeenten, waar een werkloozenfonds reeds bestond--of zou worden opgericht--voor zoover namelijk die omliggende gemeenten niet zelf voor de oprichting van een fonds in aanmerking kwamen, en de arbeiders leden waren van werkloozenkassen, die in de hoofdgemeente bij het fonds aldaar waren ingeschreven. De bijslag, dien de fondsen aan deze arbeiders verleenden, zou evenwel _geheel_ voor rekening van het Rijk komen, omdat hierbij niet het onmiddellijk belang der gemeente zelf betrokken was. Nam het gemeentefonds de uitkeering zelf over, dan kwam ook deze geheel voor rekening van het Rijk.

„Ten slotte zou de uitkeering niet alleen worden verleend bij _geheele_ werkloosheid, doch ook bij _gedeeltelijke_, b.v. als een arbeider slechts enkele dagen per week of minder dan het normale aantal uren per dag werkte, of wel het volle aantal uren en dagen werkte, doch tegen verminderd loon. Dit was een belangrijke uitbreiding der bestaande verzekering, die tot nu toe in slechts zeer enkele gevallen bij zulke werkloosheid uitkeerde.”

De uitkeeringen werden bepaald op het peil, waarop zij door de werkloozenkassen zelf, met inbegrip van den bijslag van het werkloozenfonds, voor gewone tijden gemiddeld waren gesteld. Bij gedeeltelijke werkloosheid moesten verdienste en uitkeering beneden het normale loon blijven. De werklooze verzekerden waren verplicht, indien hun passend werk werd aangeboden, dit te aanvaarden, ook al lag het buiten hun woonplaats. Zij behoefden echter geen werk aan te nemen beneden het standaardloon ter plaatse. Bij werkloosheid werd gedurende de eerste week geen uitkeering gedaan. Voor het geval over de toepassing van de noodregeling verschil ontstond tusschen een werkloozenkas en een gemeentelijk werkloozenfonds, kon men zich wenden tot den Minister. Indien geen overeenstemming was te verkrijgen, wees deze een scheidsrechter aan, wiens uitspraak voor beide partijen bindend was. Van deze laatste bepaling behoefde slechts enkele malen te worden gebruik gemaakt.

De uitvoering van de noodregeling werd opgedragen aan het Centraal Bureau voor Werkloosheidsverzekering, dat in verband daarmede werd opgericht en eerst aan het Departement van Landbouw, later aan dat van Financiën verbonden was. (Na mijn aftreden als minister ging het met de geheele arbeidersverzekering naar het Departement van Waterstaat over.) Aan het hoofd van dit bureau werd gesteld de heer Folmer, die in October 1914 ook belast was geworden met het directeurschap van de Centrale Arbeidsbeurs. Hierin lag een eerste uitwerking van de gedachte, welke de geheele noodregeling op het gebied der werkloosheid heeft beheerscht, dat voor de goede werking der werkloosheidsverzekering nauwe samenwerking met de georganiseerde arbeidsbemiddeling een eerste eisch is. Die band tusschen de noodregeling en de arbeidsbeurzen sprak ook uit de verplichting voor de verzekerde werkloozen, zich geregeld bij de arbeidsbeurs hunner woonplaats aan te melden.

De noodregeling bracht met zich, dat de werkloozenkassen, die aanvroegen onder de noodregeling te vallen, alvorens op de aanvraag kon worden beslist, aan eene administratieve en financieele contrôle moesten worden onderworpen, een contrôle die ook na de aansluiting nu en dan moest worden herhaald. Tot het uitoefenen daarvan werd aan den heer Folmer toegevoegd de heer I. G. Keesing, die bij den Algemeenen Nederlandschen Diamantbewerkersbond groote ervaring omtrent de administratie van werkloozenkassen had opgedaan en die van zijn kennis en ervaring op dit gebied als lid van de Staatscommissie over de Werkloosheid de meest doorslaande bewijzen had gegeven. De door hem uitgeoefende contrôle heeft zeer nuttig gewerkt. Helaas bleek daarbij ook een enkele maal van pogingen tot frauduleuze verdraaiing van feiten om onder de noodregeling te kunnen vallen of wel om de financieele uitkomst daarvan voor de kas gunstiger te maken. Gelukkig echter bleef dat tot zeer weinige uitzonderingsgevallen beperkt. Herhaaldelijk daarentegen bleek dat de administratie van een werkloozenkas te wenschen overliet, ook zonder dat daarbij eenige kwade trouw in het spel was. In die gevallen hebben de wenken van den controleur van het Centraal Bureau, wenken die nu en dan den vorm van eischen moesten aannemen, er veel toe bijgedragen de administratie te verbeteren. Op deze wijze is de noodregeling, ook voor de toekomst, aan een behoorlijke administratieve regeling der werkloozenkassen zeer ten goede gekomen.