Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken
Part 17
Door de Staatscommissie was met klem er op aangedrongen, dat zooveel maar eenigszins mogelijk was, door openbare lichamen voor crisistijden werk in reserve zou worden gehouden, opdat door het uitgeven daarvan in den crisistijd van overheidswege de verminderde vraag naar arbeidskrachten zoo goed mogelijk zou worden gecompenseerd. In overeenstemming daarmede werd door het Departement van Landbouw aanstonds bij de verschillende hoofden der Ministerieele Departementen aangedrongen op het uitgeven van al het werk, dat daarvoor gereed was en dat er toe kon bijdragen de heerschende werkloosheid te verminderen.
In de Eerste Economische Nota werd medegedeeld, dat dit tot gelukkig resultaat had, „dat inderdaad niet onbelangrijke opdrachten gegeven werden, die steeds plaats hadden in overleg met den Directeur-Generaal van den Arbeid, zoodat er gezorgd kon worden, dat de bestellingen zoo goed mogelijk verdeeld werden over de werkbehoevende fabrieken.
„Zulks geschiedde o.a. voor leveringen van meubelen, weefgoederen en papier. In het bijzonder kon de zwaar getroffen kleedingindustrie eenigermate geholpen worden met leveranties voor het leger. Ter voorziening in de plotselinge behoefte bij de mobilisatie was van enkele soorten kleedingstukken, speciaal uniformjassen en -broeken en ondergoed, spoedige levering noodzakelijk, zoodat toen de eisch van spoed alles beheerschend was. Daarna kon echter de verdeeling zoodanig plaats hebben dat over het geheele land de meest geteisterde bedrijven opdrachten ontvingen. De aanmaak van uniformen werd zelfs onafhankelijk van de onmiddellijke behoefte zoo hoog mogelijk opgevoerd. In de steden, waar de Centrale Magazijnen gevestigd zijn--Amsterdam, Delft, Woerden--en in de nabijgelegen groote steden--Rotterdam, ’s Gravenhage en Utrecht--werd het werk, behalve over de aan de magazijnen verbonden buitenwerkers, verdeeld over werklooze kleermakers. Aan deze laatsten werd slechts een zeer beperkte hoeveelheid gegeven, opdat een zoo groot mogelijk aantal een, zij het ook matig, weekloon zou kunnen verdienen.
„Wollen-, tricot-, linnen- en katoenen ondergoed, benevens kousen en later ook handschoenen werden, nadat in de eerste dringende behoefte met spoed was voorzien, besteld bij een groot aantal over het geheele land verspreide fabrieken. Gestreefd werd daarvan een zoo groot mogelijk aantal arbeiders en arbeidsters te doen profiteeren, o.a. door geen overwerk toe te staan, tenzij het legerbelang zulks dringend eischte. Aan het breien van kousen en handschoenen verdienen ook vele thuiswerkende vrouwen door tusschenkomst van comités en van den Bond voor Werkverschaffing een matig loon.
„Ook de schoenen voor het leger zijn, nadat in de eerste behoefte door aankoop uit voorraden terstond was voorzien, besteld bij verschillende fabrikanten in alle deelen van het land.
„Gedurende de crisis is er bovendien door de Regeering naar gestreefd om zooveel mogelijk de bouwwerken, die in uitvoering of voorbereiding waren, door te zetten of te doen beginnen.
„Het Departement van Waterstaat verleende daartoe zijn krachtige medewerking door de indiening der wet, bij welke voor het uitvoeren van tal van werken een som van ƒ 8.500.000 werd gevoteerd, waarvan ƒ 7.000.000 als voorschot van de spoorwegmaatschappijen.
„Het Departement van Binnenlandsche Zaken ging voort met het verleenen van bouwkredieten aan Vereenigingen in het belang der Volkshuisvesting. Op de begrooting van het fonds van tot het Departement van Binnenlandsche Zaken behoorende bouwwerken werd, mede in het belang der werkverschaffing, ƒ 3.023.475 aangevraagd, waarin begrepen een bedrag van ƒ 365.855 uitsluitend voor nieuwe werken.
„Verschillende gemeentebesturen volgden het door de Regeering gegeven voorbeeld en aarzelden niet, om niettegenstaande de interest der te sluiten leeningen thans hoog is, nieuwe werken te doen uitvoeren.”
Ter aanvulling van het hier uit de Eerste Economische Nota overgenomene zij nog medegedeeld, dat na de verschijning daarvan door de verschillende Departementen van Algemeen Bestuur niet alleen in dezelfde richting werd doorgegaan, maar daartoe ook de noodige wijzigingen in wetten of algemeene maatregelen van bestuur werden voorgesteld of bevorderd. Als resultaat van een gehouden overleg tusschen mijn ambtgenoot van Binnenlandsche Zaken en mij werd het bij Koninklijk besluit van 6 Maart 1915 mogelijk gemaakt, krachtens de Woningwet in den oorlogstijd voorschotten te blijven verleenen tegen een rente van 3⅞%. Waar het Rijk zelf als gevolg van de crisis 5% rente over zijn leeningsgeld betalen moest, ontging het ons natuurlijk niet, dat bij die renteberekening in het voorschot ook een bedekte subsidie werd verstrekt. Daar het echter zoowel ter bestrijding van werkloosheid als ter voorkoming van stilstand in den bouw van volkswoningen noodig was, mocht men zich niet te angstvallig vastklampen aan de oorspronkelijke bedoeling der Woningwet, dat voorschot en bijdrage voor den bouw van volkswoningen gescheiden zouden blijven. In denzelfden geest was de wijziging dier wet, welke 16 April 1915 haar beslag kreeg, waardoor voorschotten voor woningbouw ook met een aflossingstermijn van 75 jaar zouden kunnen gegeven worden.
Krachtens de Woningwet werden verschillende voorschotten voor den bouw van volkswoningen verleend. Het meest belangrijke daaronder was wel dat ter verwezenlijking van het groote woningbouwplan van de gemeente Amsterdam, dat door den heer Tellegen reeds was voorbereid, toen hij het directeurschap van het bouw- en woningtoezicht aldaar nog niet met den burgemeesterszetel had verwisseld. Ter verzekering dat dit goedkoope voorschot mede aan het doel der bestrijding van werkloosheid in de bouwvakken zou ten goede komen, werd daaraan als voorwaarde verbonden, dat met den bouw ook van het laatste blok der geprojecteerde woningen binnen twee jaar na de verleening van het voorschot moest zijn begonnen.
Ook aan het particuliere bouwbedrijf is wel gedacht; door den Directeur-Generaal van den Arbeid werd een plan van hulpverleening aan eigenbouwers gedurende de oorlogscrisis uitgewerkt. Over dit plan, dat de medewerking van drie Ministerieele Departementen behoefde, had een voorloopige bespreking tusschen den Minister van Landbouw, den Directeur-Generaal van den Arbeid en mij plaats. Het kon echter niet de instemming van alle daarbij betrokken autoriteiten krijgen en was ook minder noodig, toen met de algemeene opleving der bedrijven ook de werkloosheid in het bouwbedrijf afnam. Toch betwijfel ik, of men het over enkele jaren, in verband met den woningnood, die zich nu reeds in verschillende plaatsen begint te openbaren en waarvan verergering te verwachten is, niet zal betreuren, dat in de oorlogscrisis niet ook maatregelen werden getroffen, om het doorwerken van de particuliere bouwnijverheid te bevorderen.
Tot de categorie van maatregelen, waarover ik hier spreek, behoort ook hetgeen in verband met de werkloosheid in het havenbedrijf gepoogd werd bij de lossing van het regeeringsgraan, dat van overzee werd aangevoerd. De Eerste Economische Nota zegt hieromtrent: „voor zooveel mogelijk wordt er voor gezorgd, dat bij de lossing van het Regeeringsgraan--in verband met de groote werkloosheid in het havenbedrijf--van handenarbeid wordt gebruik gemaakt. Maatregelen zijn voorts getroffen, dat voor het binnenlandsch vervoer te water de binnenschippers zooveel mogelijk bij beurte bedacht worden.” Wat het eerste gedeelte van deze tweeledige mededeeling betreft, is het grootendeels bij het goede voornemen moeten blijven. Bij het spoedig intredende gebrek aan scheepsruimte, waardoor het noodzakelijk werd bij de lossing den grootst mogelijken spoed in acht te nemen, werd het voorbijgaan der machinale lossing, afgezien nog van het financieele nadeel van niet strikt noodzakelijke ligdagen, spoedig grootendeels onmogelijk.
Door den Nederlandschen Bond voor Werkverschaffing, die in April 1914 was opgericht en evenals de Werkloosheidsraad als een der kinderen van de Staatscommissie over de Werkloosheid is te beschouwen, werd spoedig na het uitbreken van den oorlog de aandacht der besturen van provinciën, waterschappen en gemeenten gewezen op de mogelijkheid, aan den strijd tegen de plotseling opgetreden werkloosheid door oordeelkundige werkverschaffing mede te doen. De bond zelf nam geen werkverschaffing ter hand. Dit is zijn doel niet. Hij bepaalde zich tot het geven van advies en heeft zeker nuttig werk verricht, niet slechts door hetgeen hij op het gebied der werkverschaffing heeft aangemoedigd en bevorderd, doch niet minder door zijn waarschuwingen tegen fouten, die vroeger bij het verschaffen van werk maar al te dikwijls werden begaan. De adviezen van den bond bevatten enkele hoofdpunten van groote beteekenis. Nadruk werd daarin gelegd op:
1º. het streng afgescheiden houden van valide werkwilligen eenerzijds en invaliden en arbeidsschuwen aan den anderen kant; de aandacht werd er op gevestigd, dat een werkverschaffing, waarbij de eerste categorie, de eigenlijke werkloozen, aan werk wordt geholpen tegelijk met lieden uit de eerste en meer nog uit de tweede categorie, voor de valide werkwillige arbeiders vernederend is en hun groote moreele schade doen kan;
2º. de ervaring dat van werkverschaffing aan valide arbeiders alleen dan iets goeds kan worden verwacht, wanneer zij zoodanig wordt uitgevoerd, dat allen die er aan medewerken, het gevoel hebben dat zij nuttigen arbeid verrichten;
3º. het te vermijden gevaar, dat de werkverschaffing den loonstandaard drukken zou; om dit te voorkomen werd aanbevolen geen lager loon uit te keeren dan het plaatselijk standaardloon, maar liever het aantal werkuren laag te houden, om den prikkel tot het verkrijgen van arbeid los van de Werkverschaffing niet te doen verslappen;
4º. het zooveel mogelijk eveneens te ontloopen gevaar, dat de werkverschaffing in werkverschuiving ontaarde, m. a. w. dat zij aan bedrijven, die nog aan den gang zijn, een deel van hun afzetgebied ontneemt; in verband hiermede werd er ten aanzien van werkverschaffing aan vakarbeiders bijv. op gewezen, dat de werkloozen zelf niet alleen behoefte hebben aan voedsel, maar ook aan allerlei gebruiksvoorwerpen, als schoenen, kleeren, huisraad enz. en aan bij die voorwerpen noodzakelijke reparaties.
„Bij een doelmatige organisatie der werkverschaffing nu, zal men het maken en repareeren van deze gebruiksvoorwerpen voor de werkloozen kunnen laten verrichten door dezelfde werkloozen. De voordeelen van dit systeem zijn drieledig. Ten eerste verrichten de werkloozen nuttigen en hun bekenden vakarbeid; ten tweede wordt in eene noodzakelijke behoefte der werkloozen voorzien en ten derde wordt, door het wegschenken der vervaardigde of gerepareerde voorwerpen aan op dat oogenblik weinig koopkrachtige personen, concurrentie met het gewone bedrijf voorkomen.”
Werkverschaffing blijft echter altijd een uiterst moeilijk in practijk te brengen middel tot bestrijding van werkloosheid, zoodra het verder gaat dan het concentreeren op den crisistijd van werk, dat toch noodig is en toch zou zijn geschied, maar anders tot later zou zijn uitgesteld. Tot aanmoediging van deze bij uitstek gezonde wijze van werkverschaffing ten bate van grond- en bouwarbeiders werd bij een wet van 27 Maart 1915 voor den oorlogstijd afgeweken van de noodzakelijkheid bij elke onteigening ten algemeenen nutte de gewone wettelijke formaliteiten te vervullen. Ter wille van bespoediging van de uitvoering van werken waarvoor gemeentebesturen onteigening behoeven en die tevens ten doel hebben werkloosheid tegen te gaan, werden bij die crisiswet de wettelijke onteigeningsformaliteiten aanmerkelijk vereenvoudigd en verkort. Aanleiding daartoe was een verzoek van het gemeentebestuur van Rotterdam, dat--zooals de Memorie van Toelichting vermeldt--”onder herinnering aan den aanleg van de Nieuwe Plantage daar ter stede in de jaren 1844-1848--een aanleg, welke nog steeds voor de burgerij een duurzaam genot oplevert en destijds tevens als middel van werkverschaffing werd gebezigd--er op aandrong, nu tijdelijk en voor bepaalde werken, de omslachtige wijze van behandeling van aanvragen tot onteigening ter zijde te stellen.”
De wet beperkt zich tot gemeentebesturen, eenerzijds omdat die voor een werkverschaffing als hier wordt bedoeld, het eerst in aanmerking komen en voorts omdat anders een eenvoudige tijdelijke regeling der zaak niet wel mogelijk zou zijn geweest. De wijze van werkverschaffing welke langs dezen weg bevorderd werd, behoort tot de meest aanbevelenswaardige voorzieningen in schaarschte van arbeidsgelegenheid voor arbeiders, die gewoon zijn in dergelijk werk hun brood te verdienen. Hoe meer de werkverschaffing een kunstmatig karakter krijgt, hoe grooter de kansen van mislukking en teleurstelling. Dit heeft o.a. de gemeente Amsterdam opnieuw ervaren bij zijn tijdelijk optreden op het gebied van de kleermakerij en den lompenhandel.
In de Memorie van Toelichting bij de zooeven besproken wet, wordt den gemeentebesturen gewezen op „parkaanleg, ontginning van heidegronden, uitbreiding van het wegennet, aanleg van kinderspeelplaatsen”, als voorbeelden van werken, die voor vervroegde uitvoering in aanmerking kunnen komen. In verschillende plattelandsgemeenten werd met goed resultaat in dien geest opgetreden. In een der publicaties van den Nederlandschen Bond voor Werkverschaffing werd een overzicht gegeven van hetgeen in 1914 en 1915 op zijn gebied in het geheele land plaats had. Daaruit blijkt wel, dat er over het algemeen geen reden was tot juichen en dat de goede wenken van den Bond vaak in den wind werden geslagen. Toch heeft de werkverschaffing,--waarin zij die het werkloosheidsvraagstuk hebben bestudeerd, zoodra zij verder gaat dan de zooeven bedoelde concentratie van toch noodig werk op den crisistijd, in het algemeen slechts een zeer bescheiden en bijkomstig wapen in den strijd tegen de werkloosheid zien,--in de mate waarin zij daartoe in staat is, er toe bijgedragen dat de arbeidersbevolking zonder te veel ellende door de eerste en voor haar gevaarlijkste maanden van de oorlogscrisis is heengekomen.
Onder de werkverschaffingen die voldeden aan de eischen, welke daaraan mogen worden gesteld, is er eene welke verdient met name te worden vermeld, niet alleen wegens de persoonlijke bemoeiïng, die de Koningin daarmede heeft gehad. In het najaar van 1914 stelde de Minister van Oorlog het bestuur van den Bond voor Werkverschaffing in de gelegenheid de plaatselijke steuncomités aan te schrijven over de mogelijkheid van werkverschaffing door het laten breien van wollen handschoenen en handmoffen voor de soldaten. Verschillende steuncomités gingen hierop in en door hun tusschenkomst werden een aantal breisters aan het werk gezet. In December 1914 begon dit echter te verslappen ten gevolge van de stijging van de wolprijzen, waardoor de meeste comités werden afgeschrikt de benoodigde wol in te slaan. Nadat de Koningin zich er van op de hoogte had doen stellen, aan welke gebreide wollen goederen het legerbestuur nog inzonderheid behoefte had, kocht Hare Majesteit een hoeveelheid wol in, voldoende voor het vervaardigen van 10.000 paar handschoenen, 10.000 paar polsmoffen en 10.000 paar sokken. De wol werd ter verdeeling afgestaan aan den Bond voor Werkverschaffing, die daarbij, gevolg gevende aan de bedoelingen der Koningin, in overleg trad met de steuncomités, welke bereid waren uit die wol door werklooze en behoeftige vrouwen en meisjes tegen eene behoorlijke vergoeding handschoenen, polsmoffen en sokken te laten vervaardigen en die goederen kosteloos te doen toekomen aan de Centrale Magazijnen van het legerbestuur. Zelfs deze werkverschaffing, die toch op zich zelf volkomen gezond was gedacht en met de noodige kennis van zaken werd uitgevoerd, had niet het resultaat dat ervan werd verwacht. Tot herhaling heeft deze proefneming, waarbij het moeilijk bleek de ter beschikking gestelde wol aan de vrouw te brengen, niet uitgelokt.
Alles bijeengenomen, heeft de oorlogscrisis nog eens bevestigd, dat men van werkverschaffing, mits zij met de noodige omzichtigheid en met de noodige kennis van zaken wordt toegepast, wel iets verwachten kan, maar dat men zijn verwachtingen van de resultaten van dit verweermiddel niet te hoog moet spannen.
* * * * *
Veel meer dan de werkverschaffing heeft de arbeidsbemiddeling kunnen bijdragen om de werkloosheid zooveel mogelijk te beperken. Vóór den oorlog was zij hier te lande uitsluitend plaatselijk georganiseerd en hadden slechts een klein getal grootere gemeenten onpartijdige arbeidsbeurzen. De onderlinge band tusschen deze gemeentelijke instellingen was uiterst los; hij werd alleen gevormd door het lidmaatschap van de Vereeniging van Nederlandsche Arbeidsbeurzen, waartoe die instellingen vrijwillig waren toegetreden. Deze vereeniging had natuurlijk niet de minste zeggingskracht; toch heeft zij ertoe bijgedragen, dat in de inrichting der verschillende gemeentelijke arbeidsbeurzen op de hoofdpunten allengs meer eenheid kwam. Ook strooide zij het eerste zaad van intercommunale arbeidsbemiddeling uit, door de arbeidsbeurs te ’s Gravenhage er toe te bewegen, als centrale beurs voor de verschillende bij de vereeniging aangesloten beurzen te fungeeren. Veel heeft de intercommunale arbeidsbemiddeling in dien vorm vóór den oorlog niet opgeleverd en kon zij ook niet opleveren; daartoe was de organisatie te weinig uitgebouwd en de geheele instelling bij de belanghebbende werkgevers en arbeiders te weinig bekend.
Met het uitbreken van de oorlogscrisis werd de behoefte aan intercommunale arbeidsbemiddeling plotseling zeer levendig. De groote schok dien zij te weeg bracht, de ernstige ontwrichting van het economisch leven, welke zij met zich voerde, hadden ten gevolge dat rekening gehouden moest worden met verschuivingen, waardoor in bepaalde takken van bedrijf overvloed van arbeidskrachten in de eene plaats gepaard zou gaan met een tekort in een andere gemeente of een andere streek. De Staatscommissie had ook het vraagstuk der intercommunale arbeidsbemiddeling in haar verslag onder de oogen gezien en een plan van organisatie daarvan aangegeven. Dat plan in het leven te roepen was in enkele dagen niet mogelijk, maar er werd aanstonds gedaan wat gedaan kon worden. Met den voorzitter van de Vereeniging van Nederlandsche Arbeidsbeurzen, Prof. de Vooys, werd door mij overleg gepleegd, met het resultaat dat toen deze even voortvarende als ter zake kundige man zich bereid had verklaard, de leiding op zich te nemen, reeds den 3den Augustus 1914 een Centrale Arbeidsbeurs van Regeeringswege werd opgericht, welke de taak overnam, die tot dusver door de Haagsche arbeidsbeurs was vervuld.
De nieuwe Centrale Arbeidsbeurs stelde zich aanstonds met de verschillende plaatselijke beurzen in verbinding; zij kon de taak der intercommunale arbeidsbemiddeling ook hierdoor terstond met grooter intensiteit aanvatten, omdat in verschillende gemeenten, die tot dusver geen blijk hadden gegeven van het nut der onpartijdige arbeidsbemiddeling te zijn doordrongen, onder den drang der omstandigheden tijdelijke arbeidsbeurzen werden opgericht, met welke de centrale beurs aanstonds in verbinding trad.
Op den heer de Vooys werd spoedig, in zijn kwaliteit van voorzitter van de Uitvoerende Commissie van het Kon. Nat. Steuncomité en van nijverheidscommissies die uit het Steuncomité voortsproten, zooveel beslag gelegd, dat hij de functie van directeur van de Centrale Arbeidsbeurs niet langer kon blijven waarnemen. Gelukkig was het mogelijk hem te vervangen door iemand, die eveneens aan het werk der Staatscommissie over de Werkloosheid een belangrijk aandeel had gehad en van hetgeen op het gebied der arbeidsbemiddeling werd verlangd, geheel op de hoogte was. De heer Ant. Folmer, oud-ambtenaar bij den dienst der arbeidsinspectie en gewezen adjunct-secretaris van de Staatscommissie over de Werkloosheid, die bij de inwerkingtreding der nieuwe Armenwet secretaris was geworden van den armenraad in Den Haag, werd door mij aangezocht, als leider op te treden van de afdeeling welke aan het Departement van Landbouw tijdelijk moest worden ingericht voor hetgeen op het gebied der bestrijding van de werkloosheid en van haar gevolgen gedurende den oorlogstoestand van Regeeringswege had te geschieden. Toen de heer Folmer die taak aanvaard had, werd het directeurschap van de Centrale Rijksarbeidsbeurs aan hem toevertrouwd. Daarmede verloor echter deze instelling haar tijdelijk karakter nog niet. Het werd nu echter mogelijk aan deze door den drang der omstandigheden voorloopig opgerichte Rijksinstelling niet alleen, behoudens de onmisbare medewerking van de Staten-Generaal, een blijvend karakter te verzekeren, maar ook haar plaats te bepalen in een aaneensluitende organisatie van plaatselijke, interlocale en nationale arbeidsbemiddeling. Daartoe werd door mij (de werkloosheidszorg was mij bij mijn overgang naar het Departement van Financiën gevolgd) de hulp ingeroepen van de Vereeniging van Nederlandsche Arbeidsbeurzen. Ook in verband met de mobilisatie was het dringend noodig met de organisatie der arbeidsbemiddeling spoed te maken, opdat men bij de demobilisatie zou gereed zijn.
Op dit punt moest ook samenwerking worden gezocht met de Nationale Vereeniging tot Steun van Miliciens. Ook deze vereeniging stelt zich namelijk tot taak miliciens weer aan werk te helpen, nadat zij met verlof zijn gegaan of uit den dienst zijn ontslagen. Zij beperkt haar werkzaamheid echter tot die soldaten, op wier gedrag in dienst niets valt aan te merken. Indien nu niet onderling voeling werd gehouden tusschen deze vereeniging en de georganiseerde arbeidsbemiddeling, zouden verwikkelingen, welke aan de zaak schade zouden hebben berokkend, niet te vermijden zijn geweest. De besprekingen tusschen de besturen der Nationale Vereeniging tot Steun van Miliciens en der Vereeniging van Nationale Arbeidsbeurzen, in tegenwoordigheid van den Directeur-Generaal van den Arbeid en den Directeur van de Centrale Arbeidsbeurs gehouden, wilden in het eerst niet recht vlotten. Men begreep elkaar niet goed, hetgeen ook hieruit te verklaren is, dat de Vereeniging tot Steun van Miliciens, van wie niet te verlangen en te verwachten was, dat zij een diepgaande studie van het vraagstuk der arbeidsbemiddeling had gemaakt, niet ten volle doordrongen was van de moeilijkheden der taak, welke zij op dit gebied op zich wilde nemen. In een bijeenkomst, waarin ook de voorzitter van de in het volgende hoofdstuk te bespreken Regeeringscommissie in zake het middenstandscrediet tegenwoordig was en welke op verzoek der heeren door mij werd geleid, werd na eenige gedachtenwisseling overeenstemming verkregen en de grondslag voor samenwerking gelegd.