Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken
Part 16
„Er moest ook zooveel mogelijk gezorgd worden voor onderdak. Die menschen konden niet blijven daar in de bosschen waar zij waren, mannetje aan mannetje, zooals de heer Schaper het zelf heeft bijgewoond, op de wegen, op de markt, in de straten. Van alle kanten heeft men getracht tenten bijeen te brengen, maar dat was niet voldoende. Ik had trouwens reeds vóór den val van Antwerpen begrepen, dat de toestand onhoudbaar zou worden als men die massa niet althans ten deele over het land kon verspreiden. Door tusschenkomst van de Commissarissen der Koningin is daarom overleg gepleegd met de verschillende burgemeesters. Wanneer men de streek eenigszins wilde verlichten en althans eenige mogelijkheid van organisatie wilde krijgen, moest men de menschen ergens anders onder dak brengen. Men moest er zich dus van verzekeren, waar gelegenheid was om ze althans tijdelijk te bergen. Dat is door het heele land heen gebeurd in nog geen twee dagen. In nog geen twee dagen wist ik precies over het heele land waar vluchtelingen konden worden geborgen. Men kan dus niet zeggen dat er in deze eenig verzuim is geweest. Dat is alles ook weer per telegraaf gegaan, en dat is inderdaad geweest een zeer groot stuk werk, dat in korten tijd moest worden volbracht.
„Vervolgens moest het vervoer geregeld worden, en indien men weet wat het zeggen wil duizenden en duizenden menschen te vervoeren en dat vervoer geregeld te doen plaats hebben, dan zal men toch ook beseffen dat het een prachtig stuk werk is geweest--ik zeg dat niet om mij zelf te verheffen, want het is hoofdzakelijk ook weer geschied door ambtenaren, door de stafofficieren en door de spoorwegen--dat men dadelijk die treinen heeft kunnen organiseeren, de vluchtelingen heeft kunnen concentreeren op de hoofdplaatsen en van de hoofdplaatsen van de provincies verder heeft kunnen verspreiden, zoodat althans een groot gedeelte van die menschen onderdak had en er voor gezorgd werd dat zij verder eten en drinken hadden.
„Dat was des te moeilijker, omdat ter zelfder tijd meer dan 30.000 soldaten over de grenzen kwamen die geïnterneerd moesten worden, die vóór moesten gaan en die dus dwars door die regeling heen, gebracht moesten worden naar de kazernes en kampen.
„In den tijd dat de treinen naar het noorden werden gedirigeerd, moest het voedsel, brood en ander, worden verdeeld onder de menschen en dat is een werk geweest waarbij de particulieren groote diensten hebben bewezen. Zonder dat de particulieren zich daarmede hadden bemoeid, zouden de autoriteiten, die daar waren, en de steuncomité’s eenvoudig niet in staat zijn geweest het werk te doen. Op allerhande wijzen, ook bij het vervoer van vluchtelingen naar het noorden, heeft het particulier initiatief groote diensten bewezen aan de Regeering.”
Dat, zooals de heer Cort van der Linden verder opmerkte, de particulieren met de beste bedoeling de autoriteiten, die bezig waren orde te brengen in den chaos, ook wel eens hebben in den weg geloopen, spreekt van zelf. Maar over het algemeen was, daar allen werden geleid door hetzelfde gevoel van meewarigheid en menschelijkheid, de samenwerking groot. Het was hoog noodig, dat onverwijld voor verspreiding van die opgehoopte menschenmassa werd gezorgd, niet alleen omdat anders een behoorlijke verzorging onmogelijk zou zijn geweest, maar ook omdat die bij de grens verzamelde menigte de militairen zoozeer in beslag nam en ook indirect voor de taak der landsverdediging zóó belemmerend was, dat verspreiding dier menigte met het oog op gebeurlijkheden, waarop men voorbereid moest blijven, in het belang van ’s lands veiligheid geboden was. Bovendien gaf die menschenmassa, als zij niet werd verspreid en geschift, nog aanleiding tot andere gevaren. Niet alleen was met gezeten burgers, ook het schuim, dat in elke groote stad is te vinden, meegekomen, maar aangezien in de paniek zelfs de poorten der gevangenissen en Rijkswerkinrichtingen waren geopend, had men ook te rekenen met de aanwezigheid van gewezen bewoners daarvan, zeer ongewenschte gasten. En daarnaast zieken en zelfs krankzinnigen die, gedeeltelijk met hun verplegers, den stroom hadden gevolgd! Van allerlei gevaren van maatschappelijken en hygienischen aard werd met de invasie der Belgen de kiem hierheen gedragen. Dit is geen bedekt verwijt aan het Belgische volk. Als bijv. de Rotterdamsche of Amsterdamsche bevolking naar België had moeten vluchten, zou het niet anders zijn geweest. Ik wijs er alleen op, omdat men het niet vergeten mag bij het beoordeelen der maatregelen, die genomen werden.
Nadat de eerste weken van paniek voorbij waren, begon bij een deel der vluchtelingen het gevoel op te komen, dat zij beter gedaan hadden zich niet door den algemeenen stroom te laten medesleepen en, met achterlating van alles wat zij hadden, de vlucht te nemen. Er kwam daardoor spoedig een terugstrooming van ons land naar België, met name naar Antwerpen. Zij werd aangemoedigd door eenige invloedrijke Belgische persoonlijkheden, onder wie in de eerste plaats de heer Louis Franck is te noemen, die voor de bevolking van Antwerpen en zijn omgeving een ware schutspatroon is geweest. Ook de heer Huysmans stak aan de gevluchten een hart onder den riem en raadde hen tot terugkeer. Van hier uit werden die pogingen ondersteund, voor zoover dit mogelijk was zonder den valschen schijn te wekken, als zou men zich de vluchtelingen, wier verzorging men op zich had genomen, weer van den hals willen schuiven. Sommige burgemeesters zijn, uit vrees dat die gemengde menigte aanleiding zou kunnen geven tot epidemieën of andere gevaren voor de bevolking, wel eens te ver gegaan. Zoo dikwijls hiervan iets bleek, heeft de Minister van Binnenlandsche Zaken zich gehaast zulke overzorgzame burgervaders duidelijk te maken, dat hun overmaat van ijver niet met de bedoelingen der Regeering strookte. Deze was zoozeer doordrongen van hetgeen de plicht der menschelijkheid aan ons land oplegde, dat toen van Engelsche zijde werd aangeboden een deel der vluchtelingen op kosten der Britsche regeering naar ginds over te brengen, dezerzijds beleefd maar beslist werd geantwoord, dat wij geen hulp van elders verlangden voor de verzorging van vluchtelingen, die een beroep op onze gastvrijheid hadden gedaan. Natuurlijk werd aan die vluchtelingen, die zelven verkozen naar Engeland over te steken, met het boven in hoofdstuk I gemaakte voorbehoud[11] geen beletsel daartoe in den weg gelegd.
[11] Zie bl. 25.
De zooeven bedoelde tegenstrooming had ten gevolge, dat het aantal Belgische vluchtelingen na enkele weken tot 200 à 300.000 terugliep en daarna geregeld afnam, zoodat een jaar later hun aantal op 50 à 100.000 was te schatten. Onder de achtergebleven Belgen is een groot deel welgestelden, die geheel in staat zijn in eigen onderhoud te voorzien. De tijdelijke toevluchtsoorden in de steden liepen het spoedigst leeg. Zij die niet op eigen kosten konden leven of niet bij particulieren onderkomen hadden gevonden, werden bij voorkeur opgenomen in de vluchtelingenkampen. Toen het mogelijk was geworden een schifting te maken, werd zooveel eenigszins mogelijk was geindividualiseerd en werden de fatsoenlijke lieden van het minderwaardige deel der vluchtelingen gescheiden. De gevaarlijke elementen, die uit tuchthuis of werkinrichting waren gekomen, werden in Veenhuizen ondergebracht.
De kampen, die eerst onder militair toezicht hadden gestaan, werden spoedig onder het Departement van Binnenlandsche Zaken gebracht, waar zij ook veel meer thuis hoorden. Eerst werd een deel der vluchtelingen in een kamp te Oldeberkoop ondergebracht, maar toen na den val van Antwerpen geïnterneerden daar gehuisvest moesten worden, was dat kamp niet langer voor hen beschikbaar. Hals over kop werd er toen te Nunspeet een voor hen in gereedheid gebracht. Dat daarbij niet alles terstond geheel in orde was, spreekt van zelf. Men breekt nu eenmaal geen ijzer met handen en men bouwt niet in enkele dagen een kamp voor meer dan 10.000 vluchtelingen, zonder dat er gegronde aanmerkingen op zijn te maken. Aanvankelijk waren er zeker groote leemten, maar Dr. Hendrik Muller, die zich aanstonds bij het uitbreken van de oorlogscrisis ter beschikking van den lande had gesteld en aan wien door den Minister van Binnenlandsche Zaken het beheer van het kamp te Nunspeet als Regeeringscommissaris was toevertrouwd, was den toestand spoedig meester.
Op uitnoodiging van den heer Muller heb ik dat kamp, met medeweten en goedvinden van mijn ambtgenoot van Binnenlandsche Zaken, in den zomer van 1915 als particulier bezocht. De indruk dien dat bezoek bij mij heeft achtergelaten, is zeer gunstig. De geest onder de kampbewoners was klaarblijkelijk zeer goed; het trof mij ook dat het afgeschoten gedeelte, dat door militairen werd bewaakt en waar vrouwen met venerische ziekten afgezonderd werden gehouden, in het geheel niet den indruk van een gevangenis maakte en dat de stemming onder de vrouwen, die er vertoefden, veel minder somber was, dan ik had verwacht. Het geheel was goed ingericht en er heerschte een prettige stemming, die opviel zoowel bij het bezoek der scholen, waar de kinderen onder leiding van geestelijke of wereldlijke onderwijskrachten uit hun eigen land bijeen waren, als in de verschillende werkplaatsen waar de volwassenen zich met allerlei werk onledig hielden. Die goede geest was zeker voor een niet gering deel te danken aan de omstandigheid dat de heer Muller zich de medewerking had weten te verschaffen van een tweetal beschaafde jonge vrouwen, die met grooten tact met de kampbewoners omgingen en klaarblijkelijk een grooten invloed ten goede op hen hadden. Als Minister van Financiën heb ik ook zeer het streven van Dr. Muller gewaardeerd, om bij het beheer van het kamp de uitgaven niet te doen stijgen boven het strikt noodzakelijke. Als over het algemeen bij de verschillende leiders van onderdeelen der wijdvertakte oorlogscrisis-organisatie, zoowel onder de militaire als onder de burgerlijke autoriteiten, dat streven even sterk ontwikkeld was geweest, zou de oorlogstoestand aan het land op heel wat minder millioenen zijn te staan gekomen, ook al hadden slechts weinigen den heer Muller kunnen navolgen in zijn vaderlandschlievende daad van terugstorting in ’s Rijks schatkist der hem als Regeerings-Commissaris toekomende vergoeding.
Naast het kamp te Nunspeet werden nog enkele kleinere opgericht. Daarover kan ik niet oordeelen. Dat ik van Nunspeet een eigen indruk heb gekregen, is vrijwel toeval. De geheele zorg voor de vluchtelingen is, na de eerste weken, toen ook de militaire autoriteiten veel daartoe hebben bijgedragen, geleid door het Departement van Binnenlandsche Zaken. De heer Cort van der Linden is daarbij krachtig bijgestaan door Jhr. Mr. Ch. J. M. Ruys de Beerenbrouck, die enkele dagen na den grooten toevloed uit Antwerpen en omgeving tot Regeerings-commissaris werd benoemd en veel er toe heeft bijgedragen, dat met grooten spoed orde en regelmaat werd gebracht. Officieel heb ik zelf met de vluchtelingenzorg heel weinig te maken gehad. Alleen herinner ik mij uit de allereerste dagen van den binnenvallenden stroom, een telegrafisch verzoek van den burgemeester eener grensgemeente uit Noord-Brabant tot het vaststellen van maximum-prijzen voor koppen koffie en voor broodjes, daar er herbergiers en bakkers in zijn gemeente waren, die van den toestand misbruik maakten. Aan dat verzoek werd telegrafisch door mij voldaan.
Wat er van particuliere zijde voor de vluchtelingen werd gedaan, is moeielijk onder cijfers te brengen. De omvang van ’s Rijks werkzaamheid ten behoeve der Belgen, die hier te lande een goed heenkomen zochten, kan hieruit eenigszins worden nagegaan, dat de uitgaven te hunnen behoeve in het jaar 1914 bijna ƒ 3½ millioen en in 1915 ruim ƒ 9 millioen bedroegen, dus samen tot het begin van het loopende jaar ongeveer ƒ 12½ millioen.
Naast de eigenlijk gezegde vluchtelingenzorg hebben ook de Nederlandsche Bank en de Rijkspostspaarbank aan de naar Nederland uitgeweken Belgen de behulpzame hand geboden. De Nederlandsche Bank, die ook aan andere vreemdelingen de inwisseling van hun geld vergemakkelijkte, moest ten behoeve der gevluchte en geïnterneerde Belgen daarvoor een bijzonderen dienst organiseeren. Het verslag van de Bank over 1914/15 zegt hiervan: „Nadat wij aanvankelijk de verwisselingen van Belgisch geld voor eigen rekening hadden aangevangen, liet de Banque Nationale de Belgique ons later daarvoor middelen verschaffen. Tijdens den grooten stroom van Belgische vluchtelingen naar ons land moesten wij de verwisseling bij een groot aantal kantoren openstellen, en werd over het geheele land door honderdduizenden hiervan gebruik gemaakt. Later zijn de gelegenheden tot verwisseling van Belgisch geld aanmerkelijk ingekrompen, omdat de Banque Nationale geen aanleiding kon vinden voor de verwisseling op eene zoo uitgebreide wijze gelden ter beschikking te stellen. Bovendien werd veelal misbruik gemaakt van den gunstigen koers. Wij hebben al deze werkzaamheden (dit geldt niet alleen voor inwisselingen ten behoeve van Belgen, maar ook ten behoeve van Engelschen, Duitschers en Amerikanen) zonder eenige vergoeding, in welken vorm dan ook op ons genomen, uitsluitend als een vriendendienst voor de vreemde nationaliteiten, met welke wij sedert jaren in goede vriendschap hebben verkeerd, terwijl ook de inwoners van ons land door de mogelijkheid dier inwisseling werden gebaat.”
Ook de Rijkspostspaarbank was in de gelegenheid te hulp te komen. Er bestaat een overeenkomst tusschen de Rijkspostspaarbank en de Belgische „Algemeene Spaar- en Pensioenkas”, dat na afgifte van een betalingsorder door de instelling, welke een spaarbankboekje heeft uitgegeven, daarop door de zusterinstelling wordt uitbetaald, natuurlijk behoudens latere verrekening. Toen nu onder de vluchtelingen er een zeker aantal waren die Belgische spaarbankboekjes bij zich hadden, sprak het wel van zelf dat deze gaarne hun tegoed terugnamen; zij hadden hun geld zoo hoog noodig. De officieele aanvragen om orders van betaling, welke door de Rijkspostspaarbank naar hare Belgische zusterinstelling werden verzonden, bleven echter als gevolg van den ontredderden toestand in België, onbeantwoord. De Minister van Waterstaat heeft toen, met volle instemming van den Ministerraad, den Directeur van de Rijkspostspaarbank gemachtigd op de boekjes van de Belgische Algemeene Spaar- en Pensioenkas door middel van de postkantoren uitbetalingen te doen, met voorbijgang van de betalingsorders dezer spaarbank. Daarbij werd den directeuren der postkantoren op het hart gebonden, goed toe te zien, dat van den vrijgevigen uitzonderingsmaatregel alleen zouden profiteeren de Belgen, die als vluchteling hier te lande vertoefden en in behoeftige omstandigheden verkeerden, en dat daarvan geen misbruik zou worden gemaakt door personen, die even over de grens zouden komen ter verkrijging van betaling op hun Belgisch boekje, om daarna terstond weer naar België terug te keeren. Aan dezen maatregel was een risico verbonden, dat de Regeering geen oogenblik geaarzeld heeft, op zich te nemen.
De Regeering, de Nederlandsche Bank, de Rijkspostspaarbank, particuliere comités en het heele publiek hebben voor de gevluchte Belgen alles gedaan, wat zij konden. Niet altijd werd die hulp besteed aan personen die haar verdienden; zooals ik reeds opmerkte was de toegestroomde Belgische bevolking zeer gemengd. Zij die slechte ervaringen opdeden met personen, die zij onder hun bescherming hadden genomen, generaliseerden in den regel te veel en verweten aan „_de_” Belgen, wat enkele Belgische individuen tegenover hen op hun kerfstok hadden. Omgekeerd werd ook door Belgen, als zij terecht ontevreden waren over een behandeling die zij hadden ondervonden, niet alleen niet altijd rekening gehouden met de groote moeilijkheid voor de Nederlandsche Regeering en het Nederlandsche publiek hen zoo onverwachts te ontvangen en te herbergen, noch met de onmogelijkheid daarbij aanstonds het kaf van het koren te scheiden; ook zij konden, als zij ergens een minder aangename ervaring hadden opgedaan, zich van te veel generaliseeren evenmin terughouden als de zooeven door mij bedoelde Nederlanders. Dit heeft over en weer soms kwaad bloed gezet, waar een nauwere innerlijke aansluiting als gevolg van de ramp, die België had getroffen en van de wijze waarop Nederland daarop had gereageerd, had mogen worden verwacht. In bijzondere gevallen heeft het gevoel van elkander beter te hebben leeren begrijpen en waardeeren, zeker wel wortel geschoten. Dat het zich algemeen zou hebben ontwikkeld, moet ik helaas betwijfelen.
Ook de Belgische grensgemeenten, die onder den oorlogstoestand het zwaar te verantwoorden hadden, werden intusschen niet vergeten. Men bevond zich met zijn hulpverleening daar op zeer delicaat terrein. Men had te rekenen met de gevoeligheden zoowel van de Duitschers als van de geallieerden, en men mocht ook niet vergeten, dat het medelijden met de beklagenswaardige zuidelijke naburen niet mocht leiden tot het verleenen van hulp op eene wijze, waardoor de eigen bevolking zou kunnen tekort komen. Toch wilde de Regeering evenmin als het Nederlandsche volk, dat het alleen aan de Amerikaansche „Relief Commission” zou worden overgelaten, de Belgen te hulp te komen, voor zoover dit binnen de zooeven uitgestippelde grenzen mogelijk was. Daartoe werd bij Koninklijk besluit van 5 December 1914 een commissie in het leven geroepen tot regeling van de voorziening in noodzakelijke levensbehoeften in Belgische grensgemeenten. Zij ressorteerde onder het Departement van Landbouw; als haar voorzitter werd benoemd de heer A. N. Fleskens, lid van de Tweede Kamer en burgemeester van de gemeente Geldrop, die in zijn laatstgenoemde kwaliteit de nooden en behoeften der Belgische grensgemeenten uit eigen aanschouwing kende. Die commissie heeft haar taak met grooten tact vervuld. Vaak was haar kunnen echter heel wat beperkter dan haar willen; maar toch heeft zij veel ellende gelenigd of verzacht. De eer daarvan komt in de allereerste plaats toe aan haar president, wien geen moeite te veel was en die ook onvermoeid in de weer was tot het tegengaan van knoeierij, waartoe gewetenlooze smokkelaars de commissie als onschuldig tusschenpersoon meer dan eenmaal poogden te misbruiken. Het werk der menschelijkheid dat aan de andere zijde van de zuidelijke grens door Nederland werd verricht, mag de heer Fleskens voor een goed deel op zijn rekening schrijven.
Bij hetgeen voor berooide vluchtelingen en noodlijdende grensbewoners werd gedaan, zijn fouten zeker evenmin achterwege gebleven als bij het vervullen der andere buitengewone opgaven, die door den oorlogstoestand werden opgelegd. Maar ook al wil men die tekortkomingen breed uitmeten, blijft toch de hoofdindruk onverzwakt, dat Nederland hier naar de mate zijner krachten zijn plicht heeft gedaan.
§ 3. _Voorkoming van werkloosheid; arbeidsbemiddeling._
Een der moeilijkste problemen bij de vluchtelingenzorg was hoe men hen aan het werk zou kunnen houden, zonder dat zij in mededinging kwamen met de Nederlandsche arbeiders, onder wie de werkloosheid in de eerste oorlogsmaanden toch reeds zoo buitengewoon groot was, dat alles moest worden gedaan om deze maatschappelijke crisisziekte zooveel mogelijk in te perken en, voor zoover men daartoe niet bij machte was, de gevolgen ervan zooveel mogelijk te verzachten. Wat tot leniging van nood als gevolg van werkloosheid door de steunbeweging, met het Kon. Nat. Steuncomité aan het hoofd, werd gedaan in den vorm van giften in geld, in huurbons, in levensmiddelen en in kleeding, werd reeds in § 1 van dit hoofdstuk besproken. Wat met medewerking van dat comité geschiedde om de bedrijven op gang te brengen en te houden en zoodoende indirect de werkloosheid te bestrijden, bespreek ik hieronder in hoofdstuk V. Hier vinde zijn plaats wat rechtstreeks ter inkrimping van de werkloosheid werd gedaan.
Het was zaak het dreigende werkloosheidsgevaar te gelijkertijd van alle kanten onder de oogen te zien en onverwijld alle maatregelen te nemen, die genomen konden worden deels om het te keeren, deels om de gevolgen der werkloosheid die niet af te wenden waren, zooveel mogelijk te verzachten. Dat dit mogelijk was, zonder dat te groote fouten werden begaan en dat men als het ware van den eersten dag af met zijn mobilisatie van strijdkrachten tegen dit gevaar gereed was, is te danken aan het gelukkige toeval, dat de Staatscommissie over de Werkloosheid, welke de werkloosheid alsmede de middelen tot bestrijding en tot leniging daarvan in alle richtingen had onderzocht, enkele maanden vóór den oorlog was gereed gekomen en haar eindverslag had uitgebracht. Aan het slot van haar verslag had zij een organisch geheel van instellingen en maatregelen tot het voeren van den strijd tegen deze kwaal onzer moderne maatschappij aanbevolen, waarbij zij, met gebruikmaking van de ervaringen in binnen- en buitenland opgedaan, zich had aangesloten aan regelingen en instellingen, die ten deele reeds bestonden toen zij haar werkzaamheden begon, deels gedurende haar onderzoek en onder haar invloed waren tot stand gekomen. Het voorzitterschap van die commissie was in mijne handen geweest, het secretariaat in dat van Prof. de Vooys; verschillende hoofdambtenaren van het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel, met name de Directeur-Generaal van den Arbeid en de Inspecteur van den Landbouw, de heer F. B. Löhnis, hadden deel van de commissie uitgemaakt. Men stond dus, toen de crisis uitbrak, niet onvoorbereid en greep onwillekeurig naar de voorstellen, welke zoo kort te voren waren onderzocht en aanbevolen. Dientengevolge was er geen gevaar van het in practijk brengen van onberaden plannen en kon met kennis van zaken worden opgetreden, niet alleen bij het nemen en aanmoedigen van maatregelen, maar ook bij het ontraden van goed bedoelde pogingen tot werkverschaffing, zooals reeds zoo herhaaldelijk in tijden van buitengewone werkloosheid waren gedaan en die, indien zij niet op een gezonde economische basis rustten, steeds op mislukking en teleurstelling zijn uitgeloopen.
Als centraal orgaan, dat bestemd was de verschillende vereenigingen op het gebied der arbeidsbemiddeling, der werkloosheidsverzekering, der landverhuizing, der werkverschaffing en der algemeene bestudeering en bestrijding van werkloosheid met elkaar en met de centrale organen van de vakbeweging der arbeiders, voor zoover deze zich met het werkloosheidsvraagstuk bezig houden, in aanraking te brengen, en samenwerking tusschen die verschillende lichamen te bevorderen, was als gevolg van de onderzoekingen der Staatscommissie eenige maanden vóór het uitbreken van den oorlog de Werkloosheidsraad gesticht. Hij was samengesteld uit vertegenwoordigers der bedoelde lichamen. Terstond na het uitbreken van de oorlogscrisis werd aan den Werkloosheidsraad door mij advies gevraagd over hetgeen zou kunnen geschieden om de werkloozenkassen der vakvereenigingen en de gemeentelijke werkloozenfondsen, die tegen een toestand als zich in Augustus 1914 plotseling voordeed, niet bestand waren, in staat te stellen de crisis door te komen. Ook het probleem der instandhouding van de werkloosheidsverzekering in tijden van zware crisis had in de Staatscommissie over de werkloosheid een punt van overweging uitgemaakt, maar een concreet en uitgewerkt voorstel daaromtrent had die commissie niet gegeven. Ik bewaar echter de werkloosheidsverzekering tot de volgende paragraaf en bespreek eerst eenige maatregelen die aan de hand van het verslag der Staatscommissie werden genomen of aanbevolen ter voorkoming of inkrimping van werkloosheid.