Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken

Part 15

Chapter 153,571 wordsPublic domain

Onder de hulp, welke door de steuncomités werd verleend, behoort hetgeen werd gedaan ter voorkoming van uitzettingen wegens huurschuld afzonderlijke vermelding. Vooral in de eerste maanden van de crisis heeft het gevaar van zulke executies op groote schaal ook aan de Regeering heel wat hoofdbreken gekost. Er hebben daarover tusschen den Minister van Justitie en mij verschillende besprekingen plaats gehad. Het was een moeilijk op te lossen vraagstuk. Eenerzijds kon den huiseigenaren niet worden opgelegd, dat zij van de hun verschuldigde huur geheel of gedeeltelijk afstand zouden doen en de gezinnen uit de arbeidende klasse, of meer bijzonder die waarvan de hoofden door de oorlogscrisis werkloos waren geworden, voor niets of voor een heel kleine huur zouden laten wonen. Dit zou, als de wet er toe verplicht had, een vorm van onteigening zonder schadevergoeding zijn geweest, waaraan niet te denken viel. Maar men kon aan den anderen kant aan de werklooze arbeiders niet het gevaar boven het hoofd laten hangen, dat zij met hunne gezinnen zouden worden op straat gezet. Den uitweg, die door den heer Mendels reeds in de vergadering van de Tweede Kamer van 31 Augustus 1914 werd aangeprezen en door hem den 29sten September d. a. v. in een wetsvoorstel werd belichaamd, dat de huurders geheelen of gedeeltelijken afslag van huur zouden ontvangen, maar zonder dat de verhuurders belangrijke schade zouden lijden, wilde de Kamer evenmin opgaan als de Regeering. Dat wetsvoorstel werd dan ook door hem ingetrokken, nadat art. 1 daarvan, na eene uitvoerige en belangwekkende gedachtenwisseling op 4 December 1914 was verworpen. Het onvermijdelijke element daarvan, dat hetgeen de huurder te weinig betaalde, aan den verhuurder op kosten van den Staat zou worden vergoed, was niet alleen wegens de consequenties waartoe het zou hebben geleid, niet vrij van ernstige bedenking. Afgezien van het principieele bezwaar tegen dat denkbeeld, zou verwezenlijking ervan practisch allerlei moeilijkheden hebben gebracht en wegens het haast onmogelijke van het onderscheiden waar wel en waar niet aanleiding was tot het overnemen van huurschuld door den Staat, zou de maatregel, gelijk vooraf was te voorzien, zich--eenmaal in practijk gebracht--ver buiten de grenzen der strikte noodzakelijkheid hebben uitgezet.

De ervaring heeft bewezen, dat een zoo kras en diep ingrijpen als waarop de sociaal-democraten aandrongen, ook niet noodig was. Zonder dat de wetgever is tusschenbeide gekomen, is het mogelijk geweest ook aan deze moeilijkheid het hoofd te bieden. Reeds aanstonds werd daartoe medegewerkt door den Minister van Justitie met zijne circulaire, waarin bij rechterlijke autoriteiten, notarissen en deurwaarders werd aangedrongen op groote matiging bij het bevelen, bevorderen of uitvoeren van executies in het algemeen en speciaal ter zake van huurschuld. Die wenk kon echter wel tijdelijk eenige verlichting brengen; helpen, in den eigenlijken zin van het woord, kon hij niet. De oplossing werd gevonden door het Rotterdamsche steuncomité, dat het voorbeeld heeft gegeven voor eene regeling die, zonder geheel onberispelijk te zijn, haar practische bruikbaarheid in uiterst moeilijke tijden heeft bewezen. Dat comité stelde de verstrekking van wekelijksche huurbons in, tot een bedrag van de helft der weekhuur. Zulk een bon werd echter niet betaald, tenzij bij hare aanbieding een kwitantie voor de volle huurschuld werd overgelegd. Het gevolg van deze regeling was niet--hoewel het op het eerste gezicht aldus schijnt--dat de huiseigenaar, indien hij met een huurbon genoegen nam, de helft van de huur moest laten vallen, maar dat huurder en verhuurder beiden belang kregen het omtrent het niet door den huurbon gedekte deel met elkander eens te worden. Bij dit stelsel werd nu eens tegen volle kwijting ¾ of ⅔ van de huur betaald, terwijl het ook wel zal zijn voorgekomen, dat met de helft werd genoegen genomen of dat de volle wederhelft van de huur boven den huurbon werd betaald. Het stelsel was dus vatbaar voor aanpassing aan verschillende bijzondere omstandigheden en er werd mede bereikt, dat als de arbeider weer werk vond en hij opnieuw uit zijn eigen verdienste zijn gezin zou kunnen onderhouden, hij niet nog weken of maanden lang zuchten zou onder opgeloopen huurschuld uit de weken zijner werkloosheid. De toepassing daarvan werd dan ook door het Kon. Nat. Steuncomité sterk aangemoedigd door een circulaire van 5 October 1914 aan de plaatselijke steuncomités, waarin het de Rotterdamsche huurbon-regeling uiteenzette en zich bereid verklaarde de kosten van een dergelijke huurbonregeling overal waar zij werd overgenomen, voor ½ voor zijn rekening te nemen boven de uitkeering, welke het toch reeds aan het plaatselijk comité deed. Het gevolg daarvan is geweest, dat de Rotterdamsche huurbonregeling met verschillende niet principieele varianten in een aantal plaatsen werd overgenomen.

De huurbonregeling heeft bij uitstek nuttig gewerkt; zij heeft er meer dan eenige andere maatregel toe bijgedragen dat de uitzettingen wegens huurschuld het normale getal niet hebben overschreden. Zij verdient uit dien hoofde volle waardeering, ook al wekte zij bij de belanghebbenden lang niet volle bevrediging. De huiseigenaren hadden er op tegen, dat er een sterke moreele druk in was gelegen tot kwijtschelding van een grooter of kleiner deel van de huur, terwijl de werklooze huurders meenden, dat zij niet ver genoeg ging. Volmaakt was de regeling zeker niet, maar ondanks hare gebreken is hare werking bij uitstek nuttig geweest. Tot 1 Januari 1916 werd aan de plaatselijke comités een bedrag van ƒ 833.000 door het Kon. Nat. Steuncomité toegezonden, uitsluitend bestemd voor bijdragen in huurschuld.

* * * * *

De huurbonregeling vormt den overgang tusschen de verleening van steun in geld en in natura. Zooals uit mijn rede, uitgesproken in de constitueerende vergadering blijkt, was ik op dat oogenblik, toen het buitenlandsch verkeer geheel en het binnenlandsch verkeer grootendeels stilstond, van meening dat de verstrekking van steun in natura, dus in den vorm van levensmiddelen, hoofdzaak, de giften in geld bijzaak zouden zijn. Het is echter anders uitgekomen. Het buitenlandsch verkeer, zoowel te land als ter zee, herstelde zich spoediger dan het zich in het begin van Augustus 1914 liet aanzien. Dit bracht een totalen omkeer te weeg in den toestand, zooals hij in de eerste weken na het uitbreken van den oorlog zich vertoonde. Scheen het toen een oogenblik dat verschillende levensmiddelen, inzonderheid tuinbouwproducten, gevaar zouden loopen van op het veld te blijven staan, omdat zij het oogstloon niet waard waren, en dat bij het wegvallen van den gewonen afzet een buitengewone oorlogsorganisatie zou moeten worden geschapen, om het nutteloos bederven dier levensmiddelen tegen te gaan, de aan bederf onderhevige producten op te koopen en onder de bevolking te distribueeren;--spoedig bleek het verloop van zaken een geheel ander te zijn. Het tijdelijk wegvallen van de buitenlandsche vraag, mede veroorzaakt doordat men in de eerste dagen van den oorlogstijd met het stellen van uitvoerverboden, voorzichtigheidshalve wat verder was gegaan dan strikt noodzakelijk was, maakte al heel spoedig plaats voor een zoodanig verhoogde buitenlandsche vraag, met name uit Duitschland, dat--gelijk in hoofdstuk II meer uitvoerig werd besproken--beperking van den uitvoer ter voorkoming van schaarschte en van prijsverhooging allengs meer noodig werd.

Onder dien fundamenteel gewijzigden toestand was er toch reden voor het maken van voorraden van verduurzaamde levensmiddelen, om bij de te verwachten prijsstijging die waren tegen billijken prijs aan de plaatselijke steuncomités ter verstrekking aan de ondersteunde gezinnen te kunnen afgeven. Nog in Augustus 1914 werd door het Kon. Nat. Steuncomité een circulaire aan alle plaatselijke steuncomités gericht met de vraag, of deze zich van ingemaakte groenten zouden wenschen te voorzien. Daarin werd er op gewezen, dat men door spoedig opgaaf te doen, het nationaal comité in staat zou stellen tot het doen van groote bestellingen, waarbij van de toen lage prijzen dier groenten zou worden geprofiteerd en tevens een welkome werkgelegenheid zou worden verschaft aan de inmakerijen en fabrieken van verduurzaamde levensmiddelen. Het resultaat was echter bedroevend. De plaatselijke comités zagen het belang der zaak niet in, of wel zij zagen op tegen de moeite verbonden aan de distributie der ingemaakte groenten, welke hun zouden worden toegezonden. De aanvragen waren zoo luttel, dat het Kon. Nat. Steuncomité zich gedwongen zag den verkoop van verduurzaamde groenten veel meer in te perken dan het aanvankelijk voornemens was. Het legde ongeveer ƒ 80.000 ten koste aan den inslag van omstreeks 2000 vaten ingemaakte boonen en omstreeks 1500 vaten zuurkool, alsmede van ongeveer 700 H.L. groene erwten en 1400 H.L. bruine boonen. In het laatst van 1914 had het daarvan nog zooveel over, dat in de publicatie van December van dat jaar door het steuncomité moest worden medegedeeld, dat als de plaatselijke comités in het begin van 1915 den heelen voorraad nog niet hadden gekocht, het overblijvende ook aan armbesturen ter beschikking zou worden gesteld.

Deze proefneming was weinig aanmoedigend. De medewerking der plaatselijke comités bleef ver beneden hetgeen men had mogen verwachten. Bij velen was het eerste élan spoedig verslapt en over het algemeen bleek men te weinig vooruit en tegen het maken eener locale distributie-regeling op te zien. Ware bij de plaatselijke steuncomités het inzicht van den aanvang af wat ruimer geweest en het organiseerend talent voor locale levensmiddelendistributie wat grooter, dan zou het mogelijk zijn geweest, dat zich de kern van een distributie-organisatie had gevormd, die had kunnen zijn ontwikkeld en verbeterd, toen de Regeering zelve levensmiddelen moest distribueeren niet slechts onder hen, die binnen het bereik der steuncomités vielen.

* * * * *

Naast uitkeeringen in geld, huurbons en levensmiddelen werden door tusschenkomst van de plaatselijke comité’s ook kleedingstukken en schoeisel aan gesteunden verstrekt. De met dezen vorm van hulp verkregen ervaring was bevredigender dan die met de verstrekking van levensmiddelen. Vooral door de distributie der groote partijen kleederen in de eerste maanden van de crisis uit Nederlandsch Indië en Noord-Amerika ontvangen, is veel nut gesticht. Voorts kon vaak op zeer practische wijze indirect voor kleeding worden gezorgd door het lossen van kleederen, die aan een bank van leening waren verpand. In dit voorjaar werd den plaatselijken steuncomité’s nog eens in overweging gegeven, na te gaan of er geen aanleiding was in hun gemeente op eenigszins ruime schaal kleederen te verstrekken. Wel is waar konden toen de meeste steuncomité’s wegens de verbetering van den toestand haar werkzaamheid in het algemeen reeds schorsen. Het Kon. Nat. Steuncomité overwoog echter, dat ook in verband met de stijging der levensmiddelen in vele gezinnen van arbeiders met kleine loonen, voor aankoop van kleederen wel weinig of niets zou zijn overgeschoten en dat er dus in die gezinnen vrij algemeen behoefte zou zijn aan kleederen of aan geld tot aankoop daarvan. De circulaire had evenwel niet het effect, dat ervan verwacht worden mocht. Slechts betrekkelijk weinige plaatselijke comité’s getroostten zich de moeite van een onderzoek. Men leide hieruit intusschen niet af, dat er voor deze speciale hulp geen aanleiding was.

De steunverleening in geld is verreweg de hoofdzaak gebleken. Afgezien van tal van bijzondere uitkeeringen bedroeg zij op het eind van het jaar 1915 meer dan ƒ 2.200.000 tegenover ruim ƒ 830.000 aan huurbons en ongeveer ƒ 115.000 aan kleeding en dekking.

* * * * *

Onder den steun in bijzondere gevallen neemt een eerste plaats in, hetgeen het Kon. Nat. Steuncomité deed ten bate van onder de wapenen zijnde kleine neringdoenden, wier zaakje door de vervulling van hun militie- of landweerplicht dreigde te verloopen. Met dezen bijzonderen vorm van hulp belastte het comité zich op verzoek van den Minister van Oorlog. Toen deze bewindsman aan de compagniescommandanten in het laatst van December 1914 berichtte, dat het Kon. Nat. Steuncomité deze taak had aanvaard, stroomden de aanvragen spoedig toe. Zij werden steeds zoowel plaatselijk als door vakdeskundigen onderzocht. Nadat de in het volgend hoofdstuk te bespreken Regeeringscommissie voor het Middenstandscrediet haar werkzaamheid was begonnen, werden alle aanvragers die met een voorschot geholpen konden worden, daarheen verwezen. Op 31 December 1915 was aan giften voor dienstplichtige kleine neringdoenden omstreeks ƒ 156.000 besteed. Onder die kleine neringdoenden werden ook de binnenschippers begrepen.

Tot den steun in bijzondere gevallen behoort ook hetgeen gedaan werd ten bate van liefdadige stichtingen, die voor de vervulling van haar liefdewerk afhankelijk zijn van vrijwillige bijdragen en die, als gevolg van den oorlogstoestand, haar inkomsten zagen verminderen. Het steuncomité stelde een subcommissie in om te onderzoeken, welke van deze instellingen door den oorlogstoestand dreigden in nood te geraken en sprong die, welke gevaar liepen haar menschlievend werk niet te kunnen voortzetten, zoover bij, als bleek noodig te zijn. Tot 31 December 1915 was aan liefdadige instellingen ruim ƒ 34.000 verstrekt.

Voorts zij hier nog vermeld, wat in aansluiting aan hetgeen door de beeldende kunstenaren voor het Kon. Nat. Steuncomité werd gedaan, door het comité wederkeerig voor diegenen onder hen geschiedde, die onder den druk van den oorlogstoestand gebukt gingen. Bij de organisatie van de boven vermelde tentoonstelling met loterij was tusschen de commissie van uitvoering daarvan en het Kon. Nat. Steuncomité overeengekomen, dat een zeker percentage van de opbrengst daarvan ten goede zou komen aan het Nederlandsch Steuncomité voor Beeldende Kunstenaren en aan de Vereeniging voor Ambachts- en Kunstnijverheid. In verband met deze regeling werd ten behoeve van noodlijdende beeldende kunstenaars en beoefenaars der kunstnijverheid tot het eind van het jaar 1915 een bedrag van rond ƒ 42.000 uitgegeven.

Eveneens valt hieronder, wat gedaan werd ten bate van Nederlanders in den vreemde. Dit beperkte zich hoofdzakelijk tot de Nederlanders in België en tot die in Duitschland, inzonderheid in Westphalen en in de Rijnprovincie. Voor de Nederlanders in Brussel werd tusschen het Kon. Nat. Steuncomité en de Nederlandsche Vereeniging van Weldadigheid aldaar een regeling getroffen, waarbij deze vereeniging de rol vervulde van de plaatselijke steuncomités hier te lande. Voor de behartiging der belangen van de Nederlanders in België werd voorts door den Minister van Buitenlandsche Zaken eene bijzondere commissie ingesteld, onder leiding van Mr. Dr. J. van Best, lid van de Tweede Kamer. De hulp aan Nederlanders in Duitschland werd voornamelijk verleend door tusschenkomst van de Nederlandsche consuls in Westphalen en in de Rijnprovincie. Aanvankelijk bepaalde zij zich in hoofdzaak tot vergoeding van huishuur op overeenkomstige wijze als hier met de huurbons geschiedde. Later, bij het schaarscher worden der levensbehoeften, werden ook wel levensmiddelen verstrekt. Hierbij moest echter met de grootste omzichtigheid worden te werk gegaan. Niet alleen moest worden voorkomen, dat de verstrekte levensmiddelen in plaats van aan het gezin ten goede te komen, zouden worden verkocht, maar ook mocht de steunverleening niet ontaarden in indirecte subsidieering van buitenlandsche werkgevers. Hier diende men dus overwegingen te laten medespreken, die in Nederland, waar de steun tot werkloozen en hunne gezinnen beperkt was, niet behoefden te gelden. De medewerking van de Nederlandsche arbeidsbeurs te Oberhausen is bij de steunverleening aan de gezinnen van Nederlanders in West-Duitschland van groote waarde geweest. Die arbeidsbeurs heeft ook haar tusschenkomst verleend om aldaar vertoevende Nederlanders hier aan werk te helpen. Dit geldt vooral voor mijnwerkers. Later, toen de nood in Duitschland steeds klemmender werd, moest ook de terugkomst van gezinnen, die het niet langer konden uithouden, bevorderd worden. Sommige van die gezinnen zijn toen in een der vluchtelingenkampen ondergebracht, die hun ontstaan aan de invasie der Belgen na den val van Antwerpen te danken hebben.

Tot 31 December 1915 gaf het Kon. Nat. Steuncomité uit: voor Nederlanders in België ruim ƒ 175.000; voor Nederlanders elders (hoofdzakelijk in Duitschland) ruim ƒ 46.000 en voor Nederlanders die uit het buitenland waren gevlucht ruim ƒ 26.000.

§ 2. _Hulp aan vreemdelingen._

Als tegenhanger van wat voor Nederlanders in den vreemde werd gedaan, moet ook worden gedacht aan hetgeen voor vreemdelingen, in de eerste plaats voor Belgen, hier te lande geschiedde. Toen het Duitsche leger met schending van België’s neutraliteit naar Frankrijk oprukte en de Belgische bevolking het verdedigen van hun verkracht grondgebied niet uitsluitend aan het leger overliet, maar in de algemeene verontwaardiging ook franc-tireurs de indringers trachtten tegen te houden, gaf dit aanleiding tot represaille-maatregelen en tooneelen, welke aan de bevolking den schrik om het hart deed slaan. Naar mate het Duitsche leger oprukte, vluchtten beangste Belgen eerst uit Visé en Luik en omstreken naar Nederlandsch Limburg. Later kwam, onder den indruk van wat in Leuven was geschied, Noord-Brabant aan de beurt. Het was geen wonder dat na die gebeurtenis, waarvoor de verantwoordelijkheid nog niet onomstootelijk is vastgesteld, zoowel ontzetting als heftige verbittering tegen den schender van recht en grondgebied zich van de Belgische bevolking meester maakte. Dit leidde er toe, dat het aan velen onder de Duitsche inwoners van België en vooral van Antwerpen aldaar te benauwd werd, en dat deze uit vrees van slachtoffers te zullen worden van de verontwaardiging, welke hun landgenooten hadden gewekt, naar hier de wijk namen. Zij waren slechts voorloopers. Toen het Duitsche leger allengs verder in België doordrong, beving de Antwerpsche bevolking de angst, dat het hun vergaan zou gelijk het den Leuvenaren vergaan was. Toen begon de uittocht eerst recht; de een stak bovendien den ander aan, en wat aanvankelijk een klein beekje was, werd spoedig een overweldigende stroom. Het was een ware volksverhuizing. Half Antwerpen liep leeg. Goeden en kwaden, zooals er in elke groote stad zijn, fatsoenlijke burgers, naast boeven en lichtekooien overschreden, onder den indruk van het ééne groote gevaar, dat allen zonder onderscheid bedreigde en dat allen in hun schrik nog grooter zagen dan het reeds was, de grens van Staats-Vlaanderen en van westelijk Noord-Brabant. Zóó plotseling en zóó onverwachts kwam die stroom opzetten, dat maatregelen van voorbereiding tot ontvangst en tot het onder dak brengen van een zóó overweldigende menschenmassa niet hadden kunnen worden genomen. Natuurlijk zijn er toen dingen gebeurd, die niet hadden moeten zijn geschied, natuurlijk hebben de arme vluchtelingen, die niet slechts het gevoel hadden van berooid te zijn van huis en hof, maar die bovendien door angst werden voortgedreven, niet overal de medelijdende gastvrijheid gevonden, waarop zij in hun deerniswaardigen toestand aanspraak mochten maken. Men brengt zulk een menschenmassa niet in een of twee dagen onder, zonder dat het hier en daar verkeerd gaat. Maar de donkere vlekjes die er bij de invasie aan onze Zuidgrens door, de opgeschrikte Belgische bevolking zonder twijfel zijn geweest, en die het dwaasheid zijn zou, te willen verbloemen of vergoelijken, vallen toch Goddank geheel in het niet tegenover den geest van gastvrijheid en offervaardigheid, welke over de gansche bevolking van ons land vaardig werd. Overal was men bereid om te helpen. Het was daarbij een groot geluk, dat de weersgesteldheid in het laatst van September en het begin van October 1914 niet al te slecht was, want met den besten wil was het niet mogelijk die toegestroomde menschenmassa terstond geheel onder dak te brengen. Een groot deel moest de eerste nachten onder den blooten hemel slapen; daartegen was trots alle inspanning van militaire en burgerlijke autoriteiten en trots de groote medewerking en toewijding der bevolking tot verzachting van het hartverscheurende leed, dat zij onder hun oogen zagen, niets te verhelpen. Het was al een praestatie, welke eerbied afdwingt, dat door die honderdduizenden, waaronder kinderen en grijsaards, zieken en gebrekkigen, zoowel als gezonden van lijf en van geest, geen dag honger werd geleden, dat aan die allen binnen 24 uur althans het hoogst noodige voedsel werd verstrekt. Wat er in die dagen voor de vluchtelingen werd gedaan en gedaan moest worden, kan ik het best weergeven in de woorden, door den heer Cort van der Linden in de vergadering van de Tweede Kamer van 17 December 1914 gesproken:

„Toen de Duitschers in België kwamen en men de gevechten heeft gehad bij Visé, zijn er dadelijk een aantal vluchtelingen gekomen in Limburg, eenige duizenden. Zij hebben een onderdak gekregen en voedsel; daarvoor is, mag ik zeggen, door den Commissaris van Limburg op voortreffelijke wijze gezorgd. Toen langzamerhand het Duitsche leger voorttrok in België, heeft de Regeering voorzien--dit in antwoord aan den heer Hugenholtz, die vroeg of de Regeering niets had voorzien--dat het aantal vluchtelingen dat in ons land zou komen zou vermeerderen. In dien tusschentijd waren er ook door de bevolking verschillende steuncomités opgericht voor de vluchtelingen, die zich in Limburg bevonden, en toen heeft de Regeering een organisatie in het leven geroepen: ik heb toen aan de Commissarissen der Koningin verzocht om provinciale comités te vormen, die samenwerking zouden bevorderen van die steuncomité’s, die zich in het land hadden gevormd en die dikwijls tegen elkander inwerkten en veel noodeloos werk deden. Ook heb ik in het leven geroepen een centraal comité, dat in verband kwam met een comité dat reeds te Amsterdam bestond, maar geen officieel karakter had, en dat over een zeker kapitaal kon beschikken. Men had dus een organisatie van de steuncomité’s over het geheele land.

„Maar wat ik niet voorzien had, en wat ik geloof niemand heeft voorzien, dat was de enorme massa, die ons land overstroomd heeft, en waarvoor die organisatie ten eenenmale is bezweken. Tegen een dergelijken aandrang was zij niet bestand. Maar zulk een aandrang kon ook inderdaad niemand voorzien. Dat heeft de Regeering niet voorzien, dat heeft de Belgische Regeering niet voorzien en niemand.

„Ik zeg: een enorme overstrooming. Men moet niet vergeten dat er op een zeker oogenblik hier in het land 8 à 900.000 Belgische vluchtelingen waren, en men moet zich eens een oogenblik voorstellen wat dat beteekent. Dat is meer dan dubbel de bevolking van den Haag die zich in enkele dagen over ons land verspreidde.

„Wat was nu de taak van de Regeering op dat oogenblik? Die kon dit niet anders behandelen dan als een zuiver massaverschijnsel; die kon geen onderscheid maken. In enkele dagen of in een dag moest voor die ontzaglijke massa voedsel verschaft worden. Dat voedsel is verschaft. Ik geloof niet dat de vluchtelingen 24 uur hebben doorgebracht zonder dat er gelegenheid was om eten te krijgen. Dat is verschaft, met groote inspanning en dank zij de inderdaad uitstekende organisatie van onze intendance.