Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken

Part 14

Chapter 143,711 wordsPublic domain

Op deze wijze heeft het verloop der feiten mij op even eigenaardige als afdoende wijze in het gelijk gesteld ten aanzien van de staatsrechtelijke vraag, welke naar aanleiding van hetgeen bij de installatie van het Steuncomité werd gesproken, in de Tweede Kamer naar voren kwam. Bij de behandeling van den begrootingspost betrekking hebbende op het door het Rijk aan het Steuncomité te verleenen subsidie, erkende ik mijne staatsrechtelijke verantwoordelijkheid voor het voorstel daartoe en aanvaardde ik ook het debat over de wijze van optreden van het Steuncomité, daar het oordeel over den voorgestelden begrootingspost natuurlijk ten nauwste samenhing met het oordeel dat de Kamer had over de werkzaamheid van het Steuncomité. Daarentegen wees ik elke staatsrechtelijke verantwoordelijkheid over hetgeen bij de installatie van het comité gesproken werd, af. Ik kwam daartoe, omdat in de Kamer in debat werd gebracht, hetgeen de Koningin bij die gelegenheid had gezegd. Daartegen kwam ik in verzet. Moest voor woorden, door de Koningin bij zulk een gelegenheid gesproken, een Minister de verantwoordelijkheid dragen, als hij bij het uitspreken daarvan tegenwoordig is, dan zou dit Haar vrijheid van spreken op geheel onnoodige en ongewenschte wijze aan banden leggen. De Koningin zou dan zeer belemmerd worden in het uiting geven aan hetgeen opwelt uit Haar eigen gemoed. Dat Zij dit wèl kon doen en in de crisis bij meer dan één gelegenheid ook gedaan heeft, is aan hetgeen ter leniging van nood had te geschieden, zeer ten goede gekomen.

Ik plaatste mij daarom in de Kamer op het m.i. niet op goede gronden aantastbare standpunt, dat de Koningin bij zulke gelegenheden niet optreedt als constitutioneel Vorstin, maar als de hoogstgeplaatste persoon in den lande en dat Hare Majesteit derhalve voor woorden, welke Zij alsdan spreekt, niet het contraseign van een Minister behoeft. Optredende als constitutioneel Vorstin spreekt de Koningin nooit te gelijk met een Minister. Als zoodanig treedt de Koningin, krachtens de Grondwet, slechts bij ééne gelegenheid in het publiek op, namelijk bij de opening der vereenigde vergadering van de Staten-Generaal. Voor hetgeen bij die plechtigheid wordt gezegd, zijn de Ministers verantwoordelijk. Overigens treden de verantwoordelijke Ministers niet naast, maar namens de Kroon op en vertegenwoordigen zij als zoodanig de uitvoerende macht en het aandeel dat de Kroon heeft in de wetgevende macht. Zoo dikwijls de Koningin uiting geeft aan Haar persoonlijke belangstelling in eenige blijde of droeve gebeurtenis, is Zij in Haar spreken niet gebonden door constitutioneele banden, maar alleen door Haar eigen persoonlijk inzicht en door de inspraken van Haar eigen gemoed.

Al heb ik daarover later eenige schampere opmerkingen moeten hooren, houd ik nog onverzwakt vol, dat deze opvatting volkomen strookt met onze Grondwet en dat daarvan de onafwijsbare consequentie is, dat een Minister die bij zulk een gelegenheid tegenwoordig is, daarbij niet als zoodanig optreedt, op zulk een oogenblik geen staatsrechtelijke functie vervult, en dat hij derhalve ook niet staatsrechtelijk verantwoordelijk is voor hetgeen hij zelf alsdan zegt. „Wie spreekt bij een dergelijke gelegenheid als bij de installatie van het Koninklijk Nationaal Steuncomité--zoo zeide ik den 4en Maart 1915 in de Tweede Kamer--zal zich natuurlijk steeds bewust zijn van de positie die men bekleedt, maar het zou volkomen in strijd zijn met de vrijheid van handelen, die ook het hoofd van den Staat moet hebben, wanneer men hier in de Kamer een Minister ter verantwoording kon roepen over hetgeen Hare Majesteit, niet als hoofd van de uitvoerende macht maar alleen als de hoogste burgeres in den staat, uitte op een oogenblik, waarin zij meende voor zichzelve uiting te moeten geven aan Haar gevoel en duidelijk te moeten maken, dat zij medeleeft met Haar volk.”

Niet als Minister was ik daar tegenwoordig, maar als iemand die aan zijn ministerschap dankte, dat de Koningin hem Haar vertrouwen had geschonken in een zaak, welke Haar bijzonder ter harte ging en voor welker uitvoering Hare Majesteit medewerking noodig had. Natuurlijk legde ik in die vergadering mijn ministerschap niet af, maar dit nam niet weg, dat ik daar niet als zoodanig, niet ambtelijk optrad en niet ambtelijk sprak. De omstandigheid dat mijne positie in het Kon. Nat. Steuncomité na mijn aftreden als Minister, op voor mij zeer vereerend verlangen van de Koningin, onveranderd blijven kon en onveranderd gebleven is, bewijst, beter dan het uitvoerigste betoog, de correctheid van het door mij ten aanzien van deze staatsrechtelijke kwestie ingenomen standpunt. Te allen overvloede voeg ik hier nog bij, dat het alleen ging om een staatsrechtelijke kwestie en dat ik persoonlijk niet het minste bezwaar heb tegenover het geheele land de volle verantwoordelijkheid te dragen voor hetgeen bij de installatie van het Kon. Nat. Steuncomité voorviel. Integendeel stel ik er een groote eer in, aan die installatie een werkzaam aandeel te hebben mogen nemen.

Doch ik moet terugkeeren tot hetgeen ik heb te vertellen. Den avond van denzelfden dag, waarop ’s middags de constitueerende vergadering van het Kon. Nat. Steuncomité plaats had, kwam de Uitvoerende Commissie daarvan in het Departement van Landbouw bijeen. Daar werd in de eerste plaats nader geregeld, hoe de oproep tot het ontvangen van bijdragen zou worden ingericht. De publicatie van dien oproep liet wat langer op zich wachten dan wel gewenscht was, omdat niet alle Commissarissen der Koningin, tot wie men zich telegrafisch gewend had, even spoedig gereed waren met hun opgaaf van de namen der personen in hun provincie, die voor mede-onderteekening daarvan in aanmerking kwamen.

Reeds voordat de oproep was verschenen, volgde de Ned. Handel-Maatschappij het Koninklijke voorbeeld met een bijdrage van ƒ 50.000; op den voet werd zij gevolgd door de Kon. Ned. Petroleum-Maatschappij, die ƒ 90.000 schonk. Ik vermeld deze beide giften niet alleen om haar bedrag, maar ook omdat zij, naast de bijdrage van de Koningin, als gangmakers dienst deden. Op die giften volgden tal van grootere en kleinere bijdragen. Toen de stroom daarvan begon te luwen en de behoefte nog groot was, herhaalde het Comité zijn oproep niet zonder succes.

Bijzondere vermelding verdienen de giften uit den vreemde, met name uit Noord-Amerika, van waar ook belangrijke zendingen kleederen inkwamen, een en ander afkomstig van afstammelingen van oude Hollanders in de Vereenigde Staten. Groot was ook de belangstelling voor het Kon. Nat. Steuncomité in Nederlandsch-Indië, van waar uit eveneens groote hoeveelheden kleedingstukken werden gezonden. Er vormde zich te Batavia een Centraal Comité tot het inzamelen van giften onder eere-voorzitterschap van den Gouverneur-Generaal. De Javasche Bank droeg ƒ 50.000 bij. Op 31 December 1915 beliep het totaal der bijdragen uit Nederlandsch-Indië omstreeks een millioen. Het daaruit sprekend gevoel van saamhoorigheid in nood stemt tot voldoening en dankbaarheid.

Op zeer te waardeeren wijze gaven onze kunstschilders en andere beeldende kunstenaren uiting aan hun sympathie voor de gedachte, die aan het Kon. Nat. Steuncomité ten grondslag ligt. Door de samenwerking van de verschillende genootschappen, maatschappijen en vereenigingen op het gebied der beeldende kunsten en der kunstnijverheid, werden in het voorjaar van 1915 in de zalen van „Pulchri Studio” in den Haag en in verschillende der grootere steden van ons land tentoonstellingen van schilderijen en andere kunstvoorwerpen georganiseerd, waaraan een loterij ten bate van het Kon. Nat. Steuncomité was verbonden. De ziel van de commissie, die dit denkbeeld verwezenlijkte, was Jhr. Mr. W. Röell. Tal van kunstenaars werkten ertoe mede. De opening van de tentoonstelling in den Haag had plaats door de Koningin. De heer Röell hield daarbij een openingsrede, waarin hij zoowel het doel als de wijze waarop men dit wilde bereiken, uiteenzette en zijn dank uitsprak in de eerste plaats aan H. M. de Koningin en voorts aan de kunstenaars die door hun algemeene medewerking de verwezenlijking van dat doel hadden mogelijk gemaakt. Als 1e voorzitter van het Steuncomité hield ik daarop een korte toespraak, die zich aansloot bij de woorden van den heer Röell. Het succes van deze even eigenaardige als belangrijke wijze van medewerking tot het doel van het Kon. Nat. Steuncomité was groot. Aan den penningmeester werd niet minder dan ƒ 140.000 als opbrengst ter hand gesteld.

Bij elkaar beliepen de bijdragen die het Kon. Nat. Steuncomité ontving, op 31 December 1915 meer dan ƒ 3.500.000. Alleen de Ned. Overzee Trust-Maatschappij, die volgens haar statuten haar geheele saldo aan het Kon. Nat. Steuncomité afstaat, droeg daarin voor ƒ 300.000 bij. In Juli jl. droeg de N. O. T. opnieuw ƒ 300.000 af. Met instemming van de Staten-Generaal stelde ik reeds spoedig na de oprichting in uitzicht, dat de Staat, zoo noodig, evenveel zou bijdragen als van elders inkwam. Gelukkig was het tot dusver niet noodig van deze toezegging ten volle gebruik te maken. Op 31 December 1915 was door den Staat ƒ 900.000 bijgedragen.

De giften van particulieren, maatschappijen en vereenigingen aan het nationale comité vormen intusschen slechts een deel, zij het ook een belangrijk deel, van hetgeen vooral in de eerste maanden van den crisistijd vrijwillig werd afgezonderd tot leniging van den nood dergenen, die hun bron van inkomst plotseling hadden zien opdrogen. Men moet, ter verkrijging van een volledig beeld, bij de ingekomen bijdragen ook tellen wat door de plaatselijke steuncomité’s werd ontvangen. Te dezen aanzien was de houding der schenkers nog al afwijkend naar gelang van de plaats hunner inwoning. Zoo droeg bijv. Rotterdam naar verhouding weinig bij voor het nationale comité, maar werden daarentegen aldaar zóó groote bijdragen voor het plaatselijke comité verkregen, dat het Rotterdamsche steuncomité, niettegenstaande het in den nood van een groot aantal havenarbeiders had te voorzien, geruimen tijd zijn uitgaven uit eigen middelen bestrijden kon, zonder gedwongen te zijn, bij het nationale comité aan te kloppen. Te Amsterdam daarentegen was de verhouding tusschen hetgeen aan het nationaal en aan het plaatselijk steuncomité werd gegeven, eenigszins anders. Uit Amsterdam ontving het Kon. Nat. Steuncomité naar verhouding veel meer dan uit Rotterdam, maar daar stond tegenover dat, hoewel de vermogende Amsterdammers ook het plaatselijk steuncomité niet vergaten, dit comité veel spoediger de hulp van het nationale comité moest inroepen, dan het Rotterdamsche comité dit behoefde te doen. Ten deele is dit mede toe te schrijven aan het groot getal diamantbewerkers dat plotseling buiten werk was gekomen, maar deels ook aan het zooeven aangeduide verschil in de houding der schenkers te Rotterdam en te Amsterdam. Dit hield weer hiermede verband, dat het Rotterdamsche steuncomité vrijwel de onverdeelde sympathie had van het deel der bevolking waarvan de bijdragen van beteekenis moesten komen, terwijl velen in Amsterdam een niet volledig vertrouwen hadden in de wijze waarop de steunbeweging daar werd geleid. De controle en de geheele wijze van werken was te Rotterdam inderdaad beter dan te Amsterdam. De Amsterdamsche schenkers, die in de eerste plaats het Kon. Nat. Steuncomité bedachten, bereikten daarmede hun doel. Het Amsterdamsche steuncomité moest als gevolg daarvan spoedig bij het nationale steuncomité aankloppen, dat nu aan zijn bijdragen in de Amsterdamsche uitgaven voorwaarden verbinden kon. De voortdurende aandrang van de zijde van het Kon. Nat. Steuncomité heeft er, na heel wat heen en weer geschrijf, toe geleid, dat te Amsterdam de controle op de gesteunden werd verscherpt en dat bij de leiders van het Kon. Nat. Steuncomité het onbehaaglijke gevoel niet behoefde te blijven bestaan, dat het door het Amsterdamsche steuncomité uitgegeven geld niet slechts bij hooge uitzondering te recht kwam bij gezinnen en personen voor wie het niet bestemd was. Toen de controle verscherpt werd, krompen de uitgaven van het Amsterdamsche steuncomité niet onbelangrijk in.

Wie zich de moeite getroost de door het Kon. Nat. Steuncomité gepubliceerde lijsten van giften na te gaan, zal er door worden getroffen hoe betrekkelijk weinig weerklank het woord van Hare Majesteit bij de plattelandsbevolking heeft gevonden. Eenigszins verklaarbaar is dit wel, daar spoedig bleek dat ten platten lande over het algemeen weinig oorlogsnood te lenigen viel, maar dit had ook ten gevolge dat in de dorpen zoo goed als niets buitengewoons behoefde gegeven te worden tot leniging van plaatselijke ellende. Toen weldra bleek dat de oorlogstoestand voor de boeren een zilveren, zoo niet een gulden tijd bracht, zou het aan de waardeering voor den boerenstand niet ten kwade zijn gekomen, als hij, en bloc genomen, wat vrijgeviger was geweest, waar het gold vrijwillig bij te dragen tot leniging van nood van landgenooten, die door den oorlogstoestand in verdrukking waren gekomen, ook al zag men die verdrukking niet in zijn onmiddellijke nabijheid. Het spreekwoord dat de winnende hand mild is, stamt blijkbaar niet uit een boerendorp.

Het is mijne bedoeling niet, hier een vergelijking te trekken tusschen de gemiddelde vrijgevigheid van de ingezetenen der verschillende gemeenten des lands. De zooeven gemaakte opmerkingen moesten mij echter van het hart.

Doch ik kan maar niet verder komen met mijn verhaal omtrent hetgeen er op den dag van de constitutie van het Kon. Nat. Steuncomité gebeurde. Gelijk reeds werd medegedeeld, was het de bedoeling behalve in bijzondere gevallen, niet rechtstreeks hulp te verleenen, maar dat over te laten aan de plaatselijke comités, die door bekendheid met locale toestanden beter er voor konden zorgen, dat de steun zou terecht komen bij hen die daaraan wezenlijk behoefte hadden. Een der eerste werkzaamheden van het comité was dan ook de oprichting van zulke plaatselijke comités aan te moedigen en te bevorderen. Dit had tot resultaat dat tegen het einde van 1914 ruim 500 plaatselijke comités in werking waren. Daarbij deed het Kon. Nat. Steuncomité al zijn invloed gelden om te bereiken, dat die comités zouden worden ingericht naar het voorbeeld van het nationale comité zelf, d. w. z. een plaatselijke centrale zouden vormen van de verschillende locale vereenigingen en commissies, welke zich met het steunen van noodlijdenden als gevolg van de oorlogscrisis, in verschillenden vorm, bezig hielden. Als gedragslijn stelde het Kon. Nat. Steuncomité zich daarom, dat het in elke plaats slechts ééne locale steunorganisatie erkende. Voorts werd er door het nationale comité steeds op aangedrongen, dat inzonderheid het voorbeeld van de nationale steunorganisatie in dit opzicht zou worden gevolgd, dat in de plaatselijke comités ook vertegenwoordigers der vakorganisaties van arbeiders zouden worden opgenomen. Aanvankelijk, toen de plaatselijke comités zich over het algemeen zelf bedruipen konden, moest het nationale comité zich beperken tot het geven van wenken en raadgevingen, die wel in de meeste gevallen maar toch niet algemeen opgevolgd werden. Zoo vaak echter de toestand zich in zoover wijzigde, dat het plaatselijk comité, ter voortzetting van zijn werk, bij het nationale comité om geld moest aankloppen, kon dit met meer kracht optreden en zijn medewerking afhankelijk stellen van zoodanige wijziging of aanvulling der plaatselijke steunorganisatie als het noodig of wenschelijk oordeelde. Op deze wijze is verkregen, dat op niet meer dan een paar uitzonderingen na, de steunbeweging over het geheele land op overeenkomstigen voet werd georganiseerd. In de uitzonderingsgevallen, in welke het Kon. Nat. Steuncomité zijn eisch omtrent de organisatie van het plaatselijke comité niet volhield (ik herinner mij trouwens slechts één geval daarvan), gaf het alleen toe op deze overweging, dat bij het onthouden van financieele medewerking, daar waar het plaatselijk comité zelf in de behoefte niet kon voorzien en dit toch niet wenschte te voldoen aan den gestelden eisch, de steunbehoevenden slachtoffers zouden zijn geworden van de halsstarrigheid der leiders van de plaatselijke organisatie. Het overigens streng vasthouden aan den bedoelden eisch, spruitte niet voort uit „Principienreiterei”; het is ook niet geheel te verklaren uit den op zich zelf zeker niet onredelijken wensch, ter wille van een goede werking van het geheel, de onderdeelen daarvan op een gelijkvormige leest te zien geschoeid. De grond van het verlangen naar medewerking van de vakvereenigingen ligt dieper.

Van den eersten dag af heeft het Kon. Nat. Steuncomité begrepen, dat de steunbeweging duidelijk afgescheiden moest blijven van de gewone armenzorg. Men ontveinsde zich natuurlijk niet, dat in de hulp wegens oorlogsnood het element der liefdadigheid niet ontbrak, maar men erkende tevens, dat de gesteunden met de gewone armlastigen niet op gelijke lijn mochten worden gesteld. Bij de gewone armlastigen heeft men te doen met personen en gezinnen, die onder normale omstandigheden den maatschappelijken strijd niet hebben kunnen volhouden en die te gronde zouden gaan, indien hetzij de kerkelijke of de particuliere liefdadigheid hetzij de overheidsarmenzorg zich niet over hen ontfermde. Zulk een tekort aan maatschappelijke kracht behoeft niet altijd blijvend te zijn; ook gezinnen en personen, die onder gewone omstandigheden tijdelijk niet in staat zijn om met eigen kracht het hoofd boven water te houden, vindt de armenzorg op haar weg en tracht zij den noodigen weerstand voor den strijd om het leven in de maatschappij te hergeven. Het is echter bekend genoeg, dat het streven om hen, die niet blijvend buiten staat zijn in eigen onderhoud te voorzien, er toe te brengen zich onafhankelijk te maken van giften en gaven en hun maatschappelijke zelfstandigheid te herwinnen, slechts in de minderheid der gevallen een gunstig resultaat heeft. Het karakter van de meerderheid der menschen zoowel in de hoogere lagen der maatschappij als in de lagen der minvermogenden, is nu eenmaal niet al te sterk. Een der meest algemeene uitingen van karakterzwakte is, dat men zich spoedig gewent aan het zonder moeite ontvangen van hetgeen men anders in het zweet zijns aanschijns moet verdienen. Dit hoogst nadeelig bijkomend gevolg der armenzorg tracht men wel eens te verkleinen; ontkend wordt het door niemand.

Reeds op grond van deze overweging was het noodig het onderscheid tusschen hen, die niet in staat waren zich zonder hulp door de oorlogscrisis heen te slaan, en de armlastigen niet te doen vervagen. Bij elke plotselinge calamiteit,--in dit opzicht staat een oorlogscrisis gelijk met een watersnood--worden personen uit hun brood gestooten, wien het aan werklust noch aan werkkracht ontbreekt, maar aan wie, zoolang die calamiteit aanhoudt of haar gevolg doet gevoelen, de gelegenheid wordt onthouden hun werkkracht aan te wenden. Wanneer men zulke slachtoffers van plotselinge rampen helpt, behoort men vóór alles er op bedacht te zijn, hun het gevoel van eigen kracht en eigen waarde niet te ontnemen.

Waar nu het Kon. Nat. Steuncomité niet ten doel had en niet ten doel hebben kon, armlastigen te helpen, maar slachtoffers van de oorlogscrisis daarover heen te brengen, was het noodig ook uiterlijk het verschil tusschen deze slachtoffers en de maatschappelijk gestrande armlastigen hoog te houden. Hiertoe kon veel worden bijgedragen door aan de gesteunden die tot een vakvereeniging behoorden, den steun te doen uitreiken door organen van de vakvereeniging zelve, waartoe zij behoorden. Dit was reeds een zeer gewichtige reden om de steunorganisatie voeling te doen houden met de vakorganisatie. Die reden was echter niet de eenige. Het Kon. Nat. Steuncomité, dat opgericht was ter voorziening in nood als gevolg van de oorlogscrisis, stond met zijn werk midden in de crisiswerkloosheid. Eensdeels trachtte het, op nader meer in het bijzonder te bespreken wijze, de crisis in omvang te beperken, door zijn medewerking bij het op gang brengen of op gang houden van onder de crisis lijdende bedrijven en zoodoende werkloosheid te voorkomen of in te krimpen; anderdeels stelde het zich tot taak de gevolgen der werkloosheid, die het niet had kunnen voorkomen of beëindigen, te lenigen. Aangezien nu de vakorganisaties zich in de latere jaren allengs meer met vakwerkloosheid bezig houden, zich allengs beter er op toe leggen den stand der arbeidsmarkt en den omvang der werkloosheid in het vak op elk gegeven oogenblik te kennen, was hare medewerking bij de steunbeweging ook gewenscht wegens de gegevens, welke zij ter beoordeeling van den toestand konden verstrekken, de medewerking, die zij bij de beoordeeling der steunaanvragen konden verleenen en de controle welke zij op hen, die steun ontvingen, konden uitoefenen.

Ware het Kon. Nat. Steuncomité er niet op bedacht geweest, dat voor zoover steun aan loonarbeiders werd verstrekt, met hooge uitzondering alleen werkloozen daarvoor in aanmerking kwamen, dan zou het gevolg van zijn werkzaamheid hoogst bedenkelijk zijn geweest. De steun zou dan ontaard zijn in een toeslag op het loon, een toeslag waartoe, in verband met het duurder worden der levensmiddelen, in de meerderheid der gevallen alle aanleiding bestond, maar die, voor zoover hij noodig was, door de werkgevers moest worden gegeven. Door uitkeeringen te verstrekken ook aan loontrekkenden, zouden de steuncomités langs een omweg de werkgevers hebben gesteund. Dat dit in het algemeen desorganiseerend zou hebben gewerkt, is duidelijk; voorkoming van zulk een werking was niet alleen een algemeen belang, maar ook een vakbelang van elke groep waarbij zulke averechtsche steunverleening, indien zij niet ware voorkomen, wellicht had kunnen insluipen. Er waren dus redenen te over voor het Kon. Nat. Steuncomité om er bij de plaatselijke comités op aan te dringen, ter wille van een goede uitvoering van de taak, welke men zich had gesteld, de vakorganisaties niet voorbij te gaan.

Dit neemt niet weg, dat het Kon. Nat. Steuncomité ook de medewerking van hen die op het gebied der armenzorg ervaring hadden opgedaan, op grooten prijs heeft gesteld. Speciaal wat de controle op de gesteunden betreft, was zij hoogst nuttig. Waar de uitkeeringen der steuncomités over het algemeen hooger waren dan die der armeninstellingen, ontstond een zeer begrijpelijk streven onder hen, die bij de armenzorg thuis hoorden en onder de arbeidsschuwen, om zich als slachtoffers van de oorlogscrisis bij de steuncomités aan te melden. Tot bestrijding van dezen uitwas, heeft de medewerking van armverzorgers veel bijgedragen; men mocht van de vakorganisaties niet verlangen dat te dezen aanzien van hen de noodige kracht zou uitgaan.

Ook was er tegenover de vakvereenigingen in tweeërlei opzicht een tegenwicht noodig. Eenerzijds waren zij te veel geneigd, de uitkeeringen op te drijven en daarmede den prikkel om aan het werk te gaan te verminderen; zij oordeelden in dit opzicht, begrijpelijk genoeg, over hun vak- en klassegenooten te gunstig en meenden, dat die prikkel ook bij hoog opgevoerde uitkeeringen wel voldoende zou blijven werken. Daarnaast stelden zij zich te spoedig aan de zijde van werklooze vakgenooten, die wel aan het werk konden gaan, maar die van oordeel waren dat het werk, dat zij krijgen konden, voor hen niet passend was. De ervaring heeft dan ook bewezen, dat het voor de goede werking der steuncomités noodig was, dat zij in samenwerking met de vakvereenigingen optraden, maar dat de invloed van deze vereenigingen toch ook niet overwegend was en door andere elementen werd in toom gehouden. Ik heb sterk den indruk gekregen, dat de niet geheel onberispelijke werking van het Amsterdamsche comité, waarop ik hierboven met een enkel woord doelde, aan het ontbreken van een voldoende tegenwicht tegen den aldaar, ook in verband met plaatselijk politieke toestanden, te sterk overwegenden invloed der vakorganisatie moet worden geweten.

* * * * *