Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken
Part 13
„De berichten, die tot mij komen omtrent de stoornis of den stilstand in bedrijven, ontstaan ten gevolge van den oorlog en het ten onzent bestaande oorlogsgevaar, doch bovenal de kommer en de zorg, die mij allerwegen tegemoet treden, waar ik mij beweeg te midden van mijn volk, vervullen mij met groote deernis voor de velen, die in zoo benarde omstandigheden verkeeren. Het is daarom, dat ik een beroep doe op al mijn landgenooten, die tot helpen in staat zijn, ten einde met mij eendrachtig de handen ineen te slaan om plannen te beramen en uit te voeren, opdat aan den nood, voor zoover dit in ons vermogen ligt, het hoofd worde geboden. Daartoe heb ik gemeend in de eerste plaats de medewerking te moeten inroepen van den Werkloosheidsraad, van de Algemeene Armen-commissie, van den Nationalen Vrouwenraad, van den Tuinbouwraad, van het Landbouwcomité, van de Maatschappij van Nijverheid en van de plaatselijke commissies, die zich te Amsterdam, Rotterdam, ’s Gravenhage en Utrecht gevormd hebben, en naar ik hoop in andere plaatsen nog gevormd zullen worden, om in overleg te willen treden. Doch ik wil uitdrukkelijk verklaren, dat iedere vereeniging, die tot hetzelfde doel wenscht samen te werken, met instemming zal worden begroet en dat ik dus bij den oproep tot deze vergadering geen voorkeur heb willen toonen voor enkele commissies, met achterstelling van andere. Met groote waardeering heb ik kennis genomen van de alom getoonde hulpvaardigheid. Zoo vertrouw ik, dat het hier te stichten comité het middelpunt zal vormen van de pogingen, die allerwege gedaan worden tot leniging van den nood, en dat wij allen eenmaal de blijde voldoening zullen smaken, dat menig bezorgd hart verruimd zal kunnen kloppen. Den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel mijn oprechten dank voor zijn bereidverklaring, de leiding van deze vergadering op zich te nemen. Ik verzoek U thans, onder voorzitterschap van den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, Uw beraadslagingen aan te vangen, en vertrouw, dat gij met den Minister een kern-comité zult vormen”.
Nadat de Koningin haar rede had beeindigd, en mij de leiding der vergadering had toevertrouwd, sprak ik als volgt:
Majesteit! Gaarne aanvaard ik de leiding dezer bijeenkomst, door U aan mijn handen toevertrouwd. De tijden zijn hoogst ernstig. Ook al zucht ons land niet onder de rechtstreeksche verschrikkingen van den oorlog, en al mogen wij hopen, dat die rechtstreeksche verschrikkingen aan ons zullen voorbijgaan, toch is de toestand zorgvol, ook voor Nederland. In het moderne economische leven vervult het internationale verkeer zulk een overwegende rol, dat door den plotselingen stilstand van dit verkeer alle lagen des volks voor moeilijkheden geplaatst worden, waarvan ze zich nog geen goede voorstelling kunnen maken. Hen, die moeten leven van de opbrengst van den arbeid, zal die plotselinge stilstand, door het bange vooruitzicht, dat met den dag toeneemt, met angst vervullen, hun eenige bron van inkomsten te zien opdrogen. Het economische leven is als het ware met één slag uit zijn voegen gerukt. Voor maar al te velen onzer medeburgers beteekent dit: gevaar voor honger. Van verschillende kanten is gevoeld, dat men tegenover een zóó dreigend en zóó ernstig gevaar niet mag blijven stilzitten. Vandaar de oprichting van steuncomité’s in eenige groote steden, vandaar ook de plannen van verschillenden aard tot leniging van den nood in bepaalde gevallen of voor bepaalde kringen der bevolking. Uwe Majesteit, die dezer dagen meer dan ooit met haar volk medeleeft en een open oog heeft voor de gevaren, die het, niet alleen van buitenaf, bedreigen, heeft gevoeld, dat, indien er niet eenheid komt in die pogingen tot voorkoming en tot leniging van nood, versnippering van krachten daarvan onvermijdelijk gevolg zou zijn en dat dientengevolge zij, die bedreigd worden, niet half zoo goed zouden worden geholpen, als het geval zal zijn bij onderlinge samenwerking tusschen alle comité’s en vereenigingen, die zich opmaken om voor Nederland het hongergevaar af te wenden. Ik stel er prijs op te verklaren, dat het juiste inzicht in hetgeen noodig is, niet van buitenaf tot Uwe Majesteit is gekomen, maar dat het een uiting is van wat er thans omgaat in Uw eigen hart en in Uw eigen hoofd.
De gedachte van deze bijeenkomst, en de daad, daaraan door Uwe tegenwoordigheid en door Uw woord wijding te geven, zijn uitsluitend van Uwe Majesteit afkomstig. Uw volk heeft recht dit te weten, en Gij hebt recht, dat Uw volk het wete, al zoudt Gij mij niet veroorloofd hebben, het hier openlijk te zeggen, indien ik U vooraf toestemming gevraagd had. Zeker zou ik het niet gewaagd hebben, hier een mededeeling te doen, die door Uwe Majesteit niet is gewild, indien ik niet besefte, dat de wetenschap bij heel het volk, dat het werk, hetgeen wij staan te beginnen, te danken is aan Uw eigen initiatief, in hooge mate ten goede zal komen aan het bereiken van het beoogde doel, en indien ik niet mocht vertrouwen, bij Uwe Majesteit zelf uit dien hoofde verontschuldiging te vinden.
Het werk, dat ons te doen staat, is zwaar en alleen door vereende krachten en door de nauwste samenwerking zal het gelukken, de taak die vervuld moet worden, zoo te vervullen als de omstandigheden het eischen. Tijd van voorbereiding is er niet, er moet gehandeld worden, onverwijld. Maar het dringende der behoeften en de onafwijsbaarheid van de eischen tot tegemoetkoming daarin, doen bij ieder onzer de hersens sneller werken en versterken bij ons den wil en de kracht, onverwijld ten uitvoer te brengen wat snelle en intensieve overweging als noodig heeft aangewezen. Bij het werk, dat onze krachten vraagt, vinden wij wel aansluiting bij maatschappelijk werk, dat ook in normale tijden bestaat, maar toch is er een fundamenteel verschil tusschen dit normale maatschappelijk werk, inzonderheid de armenzorg, en hetgeen thans van ons gevraagd wordt.
Armenzorg en ander maatschappelijk werk gaan er van uit, dat in onze hedendaagsche maatschappij alle goederen gewaardeerd worden naar hun handelswaarde. Van een groot deel der goederen geldt dit ook thans nog, zelfs onder de zeer buitengewone omstandigheden, waaronder wij verkeeren. Maar voor een aantal goederen, inzonderheid voor levensmiddelen, komt, onder den druk der omstandigheden, een andere maatstaf naar voren; voor de levensmiddelen wordt thans de directe gebruikswaarde hoofdzaak, en dit de meer, nu ook Regeering en Wetgever gedwongen zijn, door hun maatregelen er toe bij te dragen, dat de gewone regelen van het handelsverkeer op verschillende punten buiten werking gesteld worden of in abnormale banen worden geleid. Voor levensmiddelen is het thans niet de vraag, wat verkoopbaar maar wat eetbaar is.
Dit is geen theoretische beschouwing. Voor theoretische beschouwingen heeft thans niemand onzer tijd. Het is een aanwijzing van een der grondslagen, waarop ons werk moet rusten. Terwijl in normale tijden de armenzorg voor een groot deel uit giften in geld kan bestaan, en ook nu giften in geld niet ter zijde gesteld behoeven te worden, zal toch veel meer dan in gewone omstandigheden de steun in het beschikbaar stellen van levensmiddelen moeten bestaan. Daarbij komt, dat nu met toevoer van buitenaf plotseling niet meer in beteekenende mate gerekend mag worden, een eerste plicht is, er nauwlettend op toe te zien, dat van wat er eetbaars is in Nederland niets teloor gaat, onverschillig of het verkoopbaar is of niet. Indien niet snel en krachtig wordt ingegrepen, verrotten en bederven verschillende tuinbouwproducten, omdat ze als handelswaar het plukloon niet waard zijn, weet men met producten van visscherij geen raad, omdat men er geen koopers voor vinden kan, dreigen fabrieken van levensmiddelen, die in den regel voor export werken, en wier producten thans voor binnenlandsch gebruik hoogst welkom, zoo niet onmisbaar zijn--ik noem slechts onze cacaofabrieken--te worden stopgezet.
Dit alles moet verhinderd worden. Op de voorkoming daarvan moet de organisatie, die wij staan in het leven te roepen, in de eerste plaats toezien. Voorts moeten degenen, die steun behoeven, worden doordrongen van het besef, dat hun voedsel thans vaak van anderen aard zal moeten zijn dan dat, waaraan zij gewoon zijn. De aardappel zal soms vervangen moeten worden door de een of andere groente, het brood zal bij sommige maatregelen plaats moeten maken voor rijstepap, enz.
Men zal thans het volk moeten doen beseffen, dat het niet meer kan aankomen op wat men graag lust, maar alleen en uitsluitend op wat men krijgen kan en welke waarde het als voedsel heeft. Daartoe kunnen vooral de ontwikkelde vrouwen in Nederland veel bijdragen. Landbouwcomité, Tuinbouwraad en Maatschappij van Nijverheid zullen in het op te richten comité de rol hebben te vervullen van fourageurs. Zij zullen het comité hebben in te lichten, waar en hoe land- en tuinbouwproducten, alsmede artikelen van de voedingsnijverheid, die niet of moeilijk verkoopbaar zijn, verkregen kunnen worden en welke prijzen men er voor besteden kan eenerzijds zonder de te vormen kas te spoedig uit te putten, anderzijds zonder nieuwe slachtoffers te maken, door hun, die deze producten voortbrengen, zelfs niet een bescheiden belooning te geven voor hun moeite. Op hen rust dit deel der intendance, die wij gaan inrichten, dat de noodige levensmiddelen beschikbaar stelt.
Voor de verdeeling van de producten alsook voor den steun in geld, daar waar met dezen kan worden volstaan, zal op de andere organisaties, die door Hare Majesteit tot deze bijeenkomst werden opgeroepen, een beroep worden gedaan. Dat hierbij de armencommissies nuttig werk kunnen doen door met haar ervaring en met haar organisatie ten dienste te staan, spreekt wel vanzelf. Vandaar de uitnoodiging aan de Algemeene Armencommissie, die als het ware de vertegenwoordigster is van het gansche Nederlandsche armwezen.
De nog zoo jonge Werkloosheidsraad, die werd ingericht tot tegemoetkoming en leniging van nood door werkloosheid, heeft zelf nog wel geen ervaring, maar het feit, dat deze instelling na nauwgezette studie speciaal met dit doel werd georganiseerd, mag doen vermoeden, dat ook zij goede diensten zal kunnen bewijzen. Vooral is dit het geval, omdat zij in verschillende opzichten in aanraking is met den werkenden stand en met de vakbonden van verschillende politieke en godsdienstige kleur, die in den Werkloosheidsraad vertegenwoordigd zijn, zoodat het comité door de medewerking van dit college tevens heeft den raad en daadwerkelijke hulp van vakorganisaties,--een raad en hulp, waarop het comité zonder twijfel bij voortduring een beroep zal moeten doen.
Dat hier, waar zooveel en zulk een buitengewone nood te lenigen zal vallen, vrouwenwerk in overvloed noodig zal zijn, zal wel door niemand worden betwijfeld. De Nationale Vrouwenraad zal door het groote aantal vrouwen, dat hij onder zijn leden telt, in staat zijn aan het comité de vrouwenhulp te verzekeren, waaraan het zoo dringend behoefte hebben zal.
Daar het onderzoek naar de gevallen, waarin steun wordt gevraagd, de zorg, dat die steun werkelijk wordt verleend, waar hij noodig is, en de verleening en uitkeering van dien steun zelf uit den aard der zaak plaatselijk geregeld moeten zijn, is de medewerking der reeds opgerichte plaatselijke comité’s vanzelf gewenscht.
Op mijn verzoek heeft de Directeur-Generaal van den Arbeid zich bereid verklaard, de leiding van het algemeen secretariaat van het comité op zich te nemen. Dit heeft het voordeel, dat daarmede ook zijn over het geheele land vertakte, met de industrie in nauwe aanraking staande dienst, aan welken stoornissen in de bedrijven niet kunnen ontgaan, voor het werk van het comité ter beschikking staat. Het zal echter wel gewenscht zijn voor het speciale doel, dat hier moet worden nagestreefd, het secretariaat van het comité aan te vullen met eenige personen, die kunnen gekozen worden uit een groot aantal hunner, die aan het Ministerie van Landbouw in deze ernstige tijden bijna dagelijks hun diensten komen aanbieden.
Zoo aanstonds zullen wij gelegenheid hebben, de organisatie van het op te richten comité meer in bijzonderheden uit te bouwen en de werkverdeeling te regelen. Ik heb echter gemeend goed te doen, de hoofdtrekken hier met enkele breede lijnen aan te geven. De taak, die ons wacht, is zwaar, maar met vereende krachten zullen wij haar weten te vervullen. Hoe ernstig onze economische toestand ook moge wezen, er _mag_ geen honger worden geleden in Nederland, en er _zal_ geen honger worden geleden in Nederland.
Dat wij met onze organisatie zóó bijtijds gereed staan, dat wij ook met _deze_ mobilisatie niet te laat komen, hebben wij te danken aan Uwe Majesteit, aan Haar helder inzicht. Ik hoop dan ook, dat Uwe Majesteit ons de eer zal willen aandoen, met recht de kroon op onze in ’t leven te roepen organisatie te zetten en het Eere-Voorzitterschap van het comité te willen aanvaarden.
Overtuigd te handelen namens alle aanwezigen, van welke kleur of richting ook, bied ik het U eerbiedig aan, eensdeels als erkenning van Uw initiatief in deze, anderdeels omdat _Uw_ Eere-voorzitterschap niet nalaten zal groote kracht bij te zetten aan den oproep tot het Nederlandsche volk, dien het comité, in aansluiting aan Uw Koninklijk woord, zal hebben te doen.
Nadat de Koningin had verklaard het Eerevoorzitterschap van het comité te willen aanvaarden, deed ik Hare Majesteit uitgeleide. Met het verlaten der vergadering door de Koningin was een treffende bladzijde uit de inwendige geschiedenis van ons vaderland omgeslagen.
* * * * *
Terstond nadat de Koningin de vergadering verlaten had, werd van gedachten gewisseld over doel en werkwijze van het Nationaal Comité. Daarbij werd spoedig overeenstemming gekregen over het belangrijke punt, dat de plaatselijke comité’s niet mochten worden verdrongen. Als resultaat van de gedachtenwisseling hierover in de vergadering werd door mij opgemerkt: „de bestaande plaatselijke comités moeten gehandhaafd en gesteund worden, terwijl waar zulke comités ontbreken, nieuwe plaatselijke centrale comités moeten worden opgericht. Aldus zullen aan het Nationale comité ook voortdurend de gegevens worden verschaft, die noodzakelijk zijn om te kunnen beoordeelen wat en waar gegeven moet worden.”
Met toestemming van Hare Majesteit kreeg het comité den naam van Koninklijk Nationaal Steuncomité 1914. Nadat over naam en doel was beraadslaagd, werd overwogen op welke wijze men aan het noodige geld zou komen. Daarbij kon door mij worden medegedeeld dat de Koningin was voorgegaan door ƒ 20.000 beschikbaar te stellen, een bedrag waaraan door Hare Majesteit later nog ƒ 100.000 werd toegevoegd.
Overwogen werd bij de behandeling van den te publiceeren oproep om geld, dat die oproep een zeer algemeen karakter hebben moest en dat tevens duidelijk zou moeten uitkomen, dat het nationale steuncomité de plaatselijke comités niet zou overbodig maken, zoodat zij die voor de steunbeweging geld wilden afzonderen zoowel het nationale als het plaatselijke comité hadden te bedenken. Ten einde aan den oproep de verlangde algemeenheid te geven, werd de hulp van de Commissarissen der Koningin ingeroepen, om opgaaf te doen van bekende personen in hunne provincie, die geschikt en bereid waren om door hunne mede-onderteekening het algemeen nationale karakter, dat reeds door het initiatief en de medewerking van Hare Majesteit vaststond, in alle deelen van het land nog duidelijker te doen uitkomen.
Daar het moeilijk bleek ter vergadering de Uitvoerende Commissie zoodanig te kiezen dat zij aan de verschillende eischen, waaraan moest worden voldaan, geheel zou beantwoorden, werd besloten dat de voorzitters van: den Werkloosheidsraad, de Algemeene Armencommissie, den Nationalen Vrouwenraad, den Nederlandschen Tuinbouwraad, het Nederlandsch Landbouwcomité en de Maatschappij van Nijverheid te zamen zouden vaststellen, wie de uitvoerende commissie vormen „en daarbij in het oog zullen houden eenerzijds dat het uitvoerend comité vertegenwoordigers der genoemde organisaties en ook van de vakorganisaties moet bevatten, anderzijds dat zoo mogelijk de verschillende politieke richtingen in de Uitvoerende Commissie vertegenwoordigd moeten zijn”. Met toestemming van den heer Van Aalst werd de Nederlandsche Handel-Maatschappij aangewezen als kassier van het Comité.
Nadat nog eenige algemeene beschouwingen waren gehouden over hetgeen op het gebied der levensmiddelen-voorziening en vooral ten aanzien van de distributie daarvan noodig zijn zou, werd besloten de verdere voorbereiding en de uitvoering van hetgeen zou hebben te geschieden over te laten aan de te benoemen Uitvoerende Commissie. Daarbij deed ik nog eens uitdrukkelijk uitkomen, dat door het Comité zou getracht worden niet alleen nood te lenigen, maar waar het kon, die ook te voorkomen, bijv. door pogingen in het werk te stellen om de noodzakelijkheid van het stopzetten van fabrieken af te wenden en zoodoende uitbreiding van werkloosheid tegen te gaan. Omtrent de wijze waarop ter bereiking van dit doel door het steuncomité zou kunnen worden medegewerkt, werden ter vergadering nog eenige behartigingswaardige wenken gegeven, waarna ik aan het slot der vergadering, resumeerende, opmerkte: „Natuurlijk moet er op aangestuurd worden het economisch leven tot normale banen terug te brengen, maar op dit oogenblik is dat onmogelijk en deze toestand zal nog weken, misschien nog maanden kunnen duren”. Wèl is de toestand niet lang zoo uiterst zorgwekkend gebleven als hij zich in de eerste helft van Augustus 1914 liet aanzien, doch wie dacht toen, dat de weken niet slechts maanden, maar ook de maanden jaren zouden worden, voordat het economische leven weer in zijn normale banen zou zijn teruggeleid!
Zoodra de vergadering was gesloten, kweten de voorzitters der genoemde zes organisaties zich van de hun opgedragen taak der aanwijzing van de leden van de Uitvoerende Commissie. Het voorzitterschap werd aan mij opgedragen, als ondervoorzitter werd gekozen Prof. Is. P. de Vooys, tot leden werden aangewezen: Mevrouw H. van Bierna-Hymans (Nationale Vrouwenraad) en de heeren Jhr. Mr. W. Th. C. van Doorn, tevens penningmeester (Nederlandsche Tuinbouwraad); J. van Hasselt (Maatschappij van Nijverheid); J. R. Snoeck Henkemans (Algemeene Armencommissie); Mr. J. T. Linthorst Homan (Nederlandsch Landbouwcomité), Prof. Dr. W. H. Nolens, J. Oudegeest, A. S. Talma (Werkloosheidsraad). Overeenkomstig hetgeen ik in mijn schrijven aan de Koningin als wenschelijk had te kennen gegeven, werd de heer H. A. van IJsselsteyn, Directeur-Generaal van den Arbeid, aangewezen als algemeen secretaris; hem werden toegevoegd als adjunct-secretarissen de volgende heeren, die zich daartoe welwillend bereid hadden verklaard: J. W. Albarda, Jhr. Mr. W. M. de Brauw, Mr. J. G. Meilink, Mr. W. A. J. M. van Waterschoot van der Gracht, Mr. J. A. de Wilde.
Later kwamen zoowel in de samenstelling van de Uitvoerende Commissie als vooral in die van het secretariaat eenige wijzigingen, die echter op de werkwijze van het Comité geen invloed hebben gehad en die ik dus met stilzwijgen voorbijga. De opdracht van het secretariaat aan den Directeur-Generaal van den arbeid is een gelukkige greep geweest. Niet alleen omdat de heer van IJsselsteyn alles wat hij op zich neemt met groote toewijding volvoert; maar bovendien bleek de bedoeling, dat op die wijze het Steuncomité, door de organisatie van den dienst der arbeidsinspectie, van den stand der arbeidsmarkt voortdurend op de hoogte zou zijn, geheel tot haar recht te komen. De combinatie van het secretariaat van het Kon. Nat. Steuncomité met den dienst der arbeidsinspectie heeft zeer veel er toe bijgedragen om het werk van het comité aan de daarvan gekoesterde verwachting te doen beantwoorden. Vooral ook ter controleering van sommige plaatselijke comités, die de zaak wat gemoedelijk opnamen en niet voldoende doordrongen waren van de nadeelen van het geven zonder goede contrôle of hetgeen men gaf, wel goed besteed was, is de medewerking van den dienst der arbeidsinspectie en in de eerste plaats van den algemeenen secretaris zelf niet slechts zeer nuttig, maar onmisbaar gebleken. Door dit hier met nadruk te constateeren, kom ik aan niemands verdienste te na, ook niet aan die van den onder-voorzitter, Prof. de Vooys, die feitelijk van het begin af, het Steuncomité heeft geleid op een wijze, welke door allen die met hem samenwerkten, eenstemmig wordt geprezen. De veeljarige samenwerking die tusschen de heeren de Vooys en van IJsselsteyn had bestaan, kwam aan het werk van het Steuncomité zeer ten goede, en de omstandigheid, dat de heer de Vooys en ik gedurende den tijd, dat wij in de Staatscommissie over het werkloosheidsvraagstuk hadden samengewerkt, elkander van nabij hadden leeren kennen en waardeeren, vergemakkelijkte het in gang zetten en in gang houden dezer noodorganisatie zeer.
Toen de heer Posthuma mij als Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel opvolgde, werd met goedkeuring van de Koningin besloten, ook dezen bewindsman in het bestuur van het Kon. Nat. Steuncomité op te nemen, opdat het zoo noodige contact tusschen dit comité en het Departement van Landbouw niet zou worden verbroken. De heer Posthuma en ik werden nu algemeene voorzitters en Prof. de Vooys voorzitter van het Uitvoerend Comité, een regeling die met de werkelijkheid overeenkwam. Opdat de beide algemeene voorzitters van het werk van het Steuncomité op de hoogte zouden blijven en deel zouden kunnen blijven nemen aan de algemeene leiding daarvan, kwamen de heeren Posthuma en de Vooys geregeld met mij op het Departement van Financiën samen. Aanvankelijk hadden die bijeenkomsten tweemaal per week plaats, later werden zij tot eenmaal per week beperkt en bij de geleidelijke vermindering van het werk van het Steuncomité werden de bijeenkomsten ongeregelder. Sedert mijn aftreden zijn zij spoedig geheel achterwege gebleven.
Bij mijn aftreden als Minister was mijn voornemen ook uit het Kon. Nat. Steuncomité te treden. Op de afscheidsaudientie, welke de Koningin mij verleende, over dat voornemen sprekende, gaf Hare Majesteit mij echter Haar wensch te kennen dat ik, indien mijnerzijds daartegen geen overwegend bezwaar bestond, 1e Algemeene Voorzitter van het Steuncomité zou blijven; een wensch, die voor mij natuurlijk afdoende reden was, om mijn aanvankelijk voornemen te laten varen.