Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken
Part 12
In de eerste plaats, zoo redeneerde de Minister van Landbouw, bereik ik hetzelfde met een hoofdbestanddeel van het budget der bevolking terug te brengen tot of beneden vredespeil, als met het in veel mindere verhouding in prijs drukken van een aantal voedingsartikelen. Brood heeft elk huishouden noodig en de grootste huishoudens het meest. Waar nu de medewerking der burgemeesters onmisbaar was en deze geen kans zagen goedkoop brood alleen ter beschikking te stellen van de minvermogende ingezetenen hunner gemeente, nam men zijn toevlucht tot algemeene verkrijgbaarstelling met een dubbele rem. Deze bestond hierin: 1º. werd alleen ongebuild tarwebrood, bruinbrood, (of ongebuild tarwemeel) ter beschikking gesteld; zij die wittebrood wenschten te eten en zich die weelde konden veroorloven, moesten daarvoor een prijs blijven betalen, die de verschillende kosten dekt; 2º. werd het bruine regeeringsbrood alleen verstrekt aan hen die aan het gemeentebestuur een brood- (of meel-) kaart aanvroegen. De broodkaart gaf recht op een half kilogram ongebuild tarwebrood per dag en per persoon tegen contante betaling van zes centen per half kilogram. Ook voor de uitvoering van dezen maatregel was nog heel wat administratie noodig. Maar aangezien door de feitelijke verandering welke, zooals boven werd uiteengezet, het bakkerijbedrijf in den oorlogstijd had ondergaan, de bakkers indirect toch reeds onder overheidscontrole stonden, was het mogelijk een regeling van de broodkaarten te treffen, waarbij al te groote knoeierijen werden voorkomen. Voor die gemeenten waar het roggebrood volksvoedsel is, werd een overeenkomstige regeling getroffen als ten aanzien van het tarwebrood voor de andere gemeenten. Ten einde het den gemeentebesturen gemakkelijk te maken, werd bij de circulaire van 24 April 1915 door den Minister van Landbouw een model gevoegd van een door het gemeentebestuur te maken uitvoeringsbeschikking.
De bruinbroodregeling kost aan het Rijk heel wat, maar dat geld is bij uitstek goed besteed; het goedkoope bruine brood was in tal van gezinnen met kleine beurzen een ware uitkomst. Helaas is men bij het beoordeelen van regeeringsmaatregelen maar al te zeer geneigd de goede uitkomsten daarvan spoedig te vergeten en zich zelf en anderen over de minder goede resultaten op te winden en, naar aanleiding daarvan, den verantwoordelijken bewindsman het „steenigt hem” toe te schreeuwen. Minister Posthuma heeft die eenzijdige en hoogst onbillijke beoordeeling van zijn moeilijk en ondankbaar werk ruimschoots ondervonden.
* * * * *
Tot slot van dit hoofdstuk schijnt mij een korte beschouwing over het algemeen karakter van de daarin besproken maatregelen en van de daartegen geopperde principieele critiek niet misplaatst. De Regeering heeft, zooals uit het volgend hoofdstuk nader blijken zal, zich niet onttrokken, waar en voor zoover dit noodig was, haar medewerking te verleenen bij het steunen van economisch zwakkeren, op wie de druk der tijden bijzonder zwaar neerkwam. Maar toch was haar streven in de allereerste plaats gericht niet op het lenigen maar op het voorkomen van nood, en heeft zij zich bovenal toegelegd op het algemeen beschikbaar stellen en beschikbaar houden van voorraden tegen redelijke prijzen. Het te hulp komen der mindergegoeden door maatregelen, die alleen hen betroffen, werd niet verwaarloosd maar kwam eerst in de tweede plaats. Voor zoover ik aan de inzetting van deze vreedzame economische oorlogspolitiek heb medegewerkt, is daarover door mij weinig gephilosofeerd.
In de eerste dagen van Augustus 1914, toen leiding gegeven moest worden aan het ontwrichte economisch leven en richting aan het staatsbeleid op economisch gebied onder de zoo plotseling veranderde omstandigheden, ontbrak daartoe de tijd. Wat geschiedde kon ook geen uiting zijn van theoretische overtuiging, want die geldt op economisch gebied alleen voor normale omstandigheden. Men behoefde zulk eene overtuiging, toen de toestanden plotseling geheel abnormaal waren geworden, niet af te zweren, haar niet geschikt te achten om in de rommelkamer te worden opgeborgen; maar wèl was het besef noodig, dat zij tijdelijk niet tot leiddraad kon strekken. Men moest zich los maken van theorieën, die alleen voor normale omstandigheden bedoeld zijn en die, voor zoover zij het moderne economisch leven betreffen, steeds den meestal onuitgesproken ondergrond hebben, dat het internationaal verkeer, behoudens belemmering door protectionistische tarieven, geen hinderpalen op zijn weg vindt; dat de handel zonder aanzien der nationaliteit, met dat voorbehoud, ongehinderd en veilig kan worden uitgeoefend en dat inzonderheid de economische tendensen sterk genoeg werken, om voor elk modern georganiseerd land schaarschte van levensmiddelen als ernstig gevaar uitgesloten te achten. Onder die onuitgesproken voorwaarde, is het voor de overheid geraden den weg der prijszetting niet op te gaan. Hoezeer ik die meening ben toegedaan, bleek nog kort vóór het uitbreken van den oorlog, toen ik bij de behandeling der Stuwadoorswet tegen sterken aandrang zoowel van links als van rechts mijn verzet heb volgehouden tegen regelingen, welke principieel de kiem van officieele prijs- of loonzetting van overheidswege in zich droegen.
De oorlog heeft mijn overtuiging te dezen aanzien niet geschokt, maar het plotseling wegvallen van essentieele factoren uit de gewone voorwaarden, waaronder het maatschappelijk leven wordt geleefd, onttrok aan die overtuiging de basis, waarop zij voor practische toepassing geschikt was. Ik word dan ook niet geplaagd door wroegingen van mijn economisch geweten omdat ik, zonder aarzeling, er toe heb medegewerkt, om voor den buitengewonen tijd, waarin de gewone maatschappelijke levensregelen waren omvergeworpen en waarin toch ook moest worden geleefd, de vrijheid van het economisch handelen van overheidswege in te perken voor zoover de omstandigheden dit eischten. De oorlog had plotseling Europa op economisch gebied, en op dat gebied niet alleen, meer dan een eeuw teruggezet. De maatregelen, die men nam, moesten geschikt zijn voor toestanden uit het verleden, welke weer harde werkelijkheid waren geworden en die, zoo zij al niet middeneeuwsch waren, toch een middeneeuwschen bijsmaak hadden.
Het heeft aan critiek op het vierkant omzetten van het roer van staat op economisch gebied bij het uitbreken van den oorlog niet ontbroken. Niet algemeen was men doordrongen van het besef, dat de zoo plotseling geworden toestand niet mocht worden gemeten naar gewonen maatstaf, niet mocht worden beoordeeld naar gewone theorieën en niet kon worden beheerscht met gewone middelen. In de allereerste weken, toen het oorlogsgevaar het meest dreigde en de volksvertegenwoordiging evenals de geheele bevolking nog sterk gevoelde dat het, ook al werden er fouten begaan, vóór alles noodig was het vertrouwen in de Regeering hoog te houden;--in de allereerste weken legde de critiek zich zelve het zwijgen op. Maar die zelfbeheersching is aan sommigen spoedig te machtig geworden. De veranderde stemming uitte zich niet slechts in critiek op bepaalde regeeringsdaden; een critiek die, voor zoover zij zakelijk was, door de Regeering gretig werd aanvaard. Niemand was zoozeer als de verantwoordelijke personen zelven ervan doordrongen dat bij het zoo plotseling betreden van reeds sedert eeuwen onbekend geworden paden, fouten niet konden worden vermeden, en dat zakelijke, opbouwende critiek er toe kon bijdragen, ze tot het onvermijdelijk minimum terug te brengen. Maar ook het uitgangspunt van de regeeringsbemoeiing werd als ondeugdelijk aangetast. De Regeering regeerde te veel; zij liet aan handel, nijverheid en landbouw te weinig vrijheid, mengde zich te veel in de verhoudingen op de markt; vergat te veel de wet van vraag en aanbod. Die boodschap heeft de Regeering reeds spoedig gehoord en allengs sterker werd zij haar aangezegd; toch heeft zij getoond, dat het geloof in de juistheid daarvan haar ontbrak. Het is voor het land een geluk, dat zij zich door die critiek niet van de wijs heeft laten brengen. Zeker zou zij door aan de wet van vraag en aanbod vrij spel te laten, minder gelegenheid hebben gehad fouten te maken.
Wie niets doet, maakt ook geen fouten. Maar het niets doen zelf kan een fout zijn van heel wat ernstigeren aard dan de gebreken, die het handelen nu eenmaal aankleven. Dat er fouten gemaakt zouden worden, heb ik van het eerste oogenblik af openlijk erkend. In de vergadering van de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914 zeide ik daaromtrent: „Dat onder deze uiterst moeilijke omstandigheden door de Regeering herhaalde malen fouten zullen worden begaan, dat er maatregelen zullen worden genomen, waarvan de Regeering zelf na korten tijd zegt: wij hadden dat eigenlijk anders moeten doen,--ik zou haast zeggen, dat spreekt zoo vanzelf, dat ik geen oogenblik aarzel om te erkennen, dat ongetwijfeld nu reeds fouten zijn begaan en er nog veel meer fouten begaan zullen worden.
„Maar--wanneer later wij ter verantwoording zullen worden geroepen, hoop ik, dat men, waar er fouten kunnen worden geconstateerd--en dat zal zeker geschieden--hiermede rekenen zal, dat wij onze maatregelen moeten nemen in een tempo, waarin lang wikken en wegen herhaaldelijk onmogelijk is, en onder omstandigheden, waarin het veel beter is, dat er van tijd tot tijd fouten worden begaan, dan dat door lang delibereeren men te laat komt met de maatregelen, die moeten worden genomen”.
Wat ik toen voorzag, is uitgekomen. Er zijn fouten gemaakt. Voor zoover ik ze in mijn verhaal tegenkwam, heb ik ze niet verbloemd. Ze te vermijden zou alleen mogelijk geweest zijn door blindelings te vertrouwen op economische krachten uit het normale maatschappelijk leven, zonder er mede rekening te houden, dat die thans voor een goed deel faalden, en door in dat blind vertrouwen den tijd van handelen te laten voorbijgaan en de bevolking aan haar lot over te laten.
Had de Regeering de vingerwijzing gevolgd, haar door de hier bedoelde economische raadslieden in en buiten de Kamer gegeven, de maatregelen waarover dit hoofdstuk handelt, zouden veel minder in aantal, veel minder veelzijdig en veel minder ingrijpend zijn geweest, maar de noodzakelijkheid van voorzieningen in dientengevolge in hun uitwas niet belemmerde noodtoestanden zou des te dringender zijn geworden. De economische zwakte zou zich verder hebben uitgebreid en de steun van de daaronder lijdenden zou nog heel wat omvangrijker hebben moeten zijn, dan nu reeds het geval was.
Toch is zulk een economische politiek voor den oorlogstijd bepleit, zelfs met erkenning en aanvaarding van de onvermijdelijkheid van dat gevolg. Op die wijze zou men de paarden achter den wagen hebben gespannen; het zou in de oorlogscrisis averechtsche politiek zijn geweest. De Regeering heeft zich van den aanvang af op het standpunt geplaatst, dat waar de omstandigheden aan het verkeer niet meer zijn eigen gang lieten gaan, de politiek van het „laisser faire” minder dan ooit op haar plaats was. Geen oogenblik heeft bij haar voorgezeten bepaalde groepen van ingezetenen te belemmeren in het maken van oorlogswinst, als en voor zoover die gemaakt kon worden zonder de bevolking in haar geheel op kosten te jagen, welke door ingrijpen van overheidswege konden vermeden of verminderd worden. Maar geen oogenblik ook is het bij haar opgekomen, dat zij haar roeping in den moeilijken oorlogstijd zou hebben vervuld, door het maken van oorlogswinst vrij te laten, ook daar waar die, zonder noodzaak, zou zijn behaald op kosten van de geheele bevolking en naar verhouding het meest op kosten van de minst weerstandskrachtigen. Dit zou geweest zijn het kwaad eerst ongestoord laten voortwoekeren, om het daarna door steun te verstrekken niet alleen aan hen, die van het begin af economisch zwak waren, maar ook aan diegenen, die men dit door zijn stilzitten had laten worden, weer zoo goed mogelijk te heelen.
Zulk een repressief optreden zou, zelfs voor zoover het had kunnen slagen, allerlei nadeelen zoowel van stoffelijken als van geestelijken aard voor de bevolking met zich hebben gebracht. In stede van de groote verschuivingen in draagkracht en welstand, welke een oorlogstoestand medebrengt, naar vermogen in te toomen, zou het die tot bergstortingen hebben laten aangroeien en daarmede de noodzakelijkheid, aan de slachtoffers de helpende hand toe te steken, zeer hebben vergroot. Dit zou de schatkist, die toch reeds voor zulke zware uitgaven stond, nog veel meer hebben gedrukt en het zou verslappend hebben gewerkt, door de groepen der bevolking, welke, zonder armlastig te zijn, niet voldoende weerstand konden bieden aan den druk der buitengewone omstandigheden, ongehinderd in omvang te doen aanzwellen. Op die wijze zouden breedere lagen der bevolking geleerd hebben, het vertrouwen op eigen kracht prijs te geven voor het steunen op hulp van elders, dan bij een zooveel mogelijk preventief optreden, als waartoe de Regeering haar toevlucht nam, onvermijdelijk was. Daarbij zou de volkskracht onnoodig veel hebben ingeboet. Ook voor oorlogstijd geldt, dat voorkomen beter is dan genezen. Met volle bewustheid dat zij daarbij fouten niet zou kunnen vermijden, heeft de Regeering dien regel in toepassing gebracht. Daarvoor zal zij zich te verantwoorden hebben, zoo al niet staatsrechtelijk dan voor de rechtbank der vaderlandsche geschiedenis. Haar uitgangspunt zal die rechter zeker niet veroordeelen.
HOOFDSTUK III.
VOORKOMEN EN LENIGEN VAN NOOD.
§ 1. _Het Koninklijk Nationaal Steuncomité._
De economische politiek welke door de Regeering in den oorlogstijd werd toegepast, had wel ten doel en tot gevolg de kringen dergenen, ten aanzien van wie speciale voorzieningen noodig waren, om hen door den plotseling ingetreden noodtoestand heen te helpen, zooveel mogelijk te beperken. Zij kon niet voorkomen, dat zulke speciale voorzieningen noodig waren, en zij heeft, zonder aarzeling, voor zooveel dergelijke voorzieningen moesten getroffen worden, daartoe bijgedragen.
De even plotselinge als hevige schok in het maatschappelijk leven, welke sommigen omhoog wierp, deed te gelijker tijd breede lagen van hen, die op de grens der zelfstandigheid stonden, naar beneden vallen. Voor zoover het ingrijpen der overheid dien val niet kon breken, was steunverleening noodzakelijk. Die noodzakelijkheid werd geheel spontaan in verschillende gemeenten van het land reeds aanstonds zóó sterk gevoeld, dat al in de allereerste dagen van Augustus 1914 zich in enkele plaatsen comité’s vormden, om in de buitengewone behoefte aan hulp en steun te voorzien. Aan het gelukkig initiatief van Hare Majesteit de Koningin is het te danken, dat die plaatselijk opgekomen drang geleid werd in de geregelde banen eener over het geheele land verspreide organisatie en daardoor een veel grooter en nuttiger uitwerking kon hebben, dan bij het plaatselijk en zonder algemeen nationaal verband verstrekken van hulp ware mogelijk geweest.
Bij een audiëntie, welke mij op den avond van 7 Augustus 1914 door de Koningin werd verleend ter bespreking van reeds genomen en nog te nemen maatregelen op economisch gebied, gaf Hare Majesteit mij Haar vrees te kennen, dat de plaatselijk zich vormende comités tot leniging van nood, ontstaan door den oorlogstoestand, bij gebrek aan onderlinge samenwerking, zouden leiden tot versnippering van krachten en tot eene ongewenschte ongelijkheid in de behandeling van mindergegoeden, die als gevolg van den oorlogstoestand steun zouden behoeven. Ten einde met den vereischten spoed eenheid te brengen in de spontaan ontsproten plaatselijke steunbewegingen, had Hare Majesteit het plan opgevat zichzelve aan het hoofd te stellen van eene centrale nationale organisatie der steunverleening en werd mij door Haar de wensch te kennen gegeven, dat ik mij met het ontwerpen van zulk een organisatie zou onledig houden. Bij die audiëntie zelve werden door mij daaromtrent voorloopig eenige denkbeelden ontwikkeld, die ik later nog eens overdacht. Daar er groote haast bij was, moest hier, zooals zoo vaak in de eerste oorlogsweken, in toepassing worden gebracht „que la nuit porte conseil”. Als resultaat daarvan schreef ik den volgenden ochtend, 8 Augustus 1914, aan den particulieren secretaris van Hare Majesteit een brief, waarvan ik den inhoud met Hare toestemming hier laat volgen:
DEN HAAG, 8 Augustus 1914.
HoogEdelGestrenge Heer,
Nadat H. M. de Koningin mij gisteren avond de eer had gedaan mij Haar wensch kenbaar te maken, zich aan het hoofd te stellen van een comité dat eenheid en organiek verband kan brengen in de verschillende pogingen tot leniging en--zoo het kan--tot voorkoming van nood, door den oorlog in de ons omringende landen en het oorlogsgevaar hier, heb ik van nacht de zaak nog eens rijpelijk overdacht. Als gevolg daarvan kom ik er toe, aan H. M. een eenigszins breederen opzet in overweging te geven dan door mij gisteren avond mondeling werd opgeworpen.
Wèl blijf ik er bij, dat practisch het werk voor een groot deel kan uitgaan van den onlangs opgerichte Werkloosheidsraad, waarvan Prof. De Vooys voorzitter is, maar toch komt het mij, bij nader inzien, beter voor, de zaak niet aan den Werkloosheidsraad alleen op te dragen.
Om aan de zaak aanstonds het breede en in elk opzicht onpartijdige en algemeen nationale karakter te geven, dat hier onmisbaar is, geef ik thans in overweging het te benoemen comité samen te stellen uit den _Werkloosheidsraad_ (of zijn dagelijksch bestuur), voorzitter Prof. De Vooys; de _Algemeene Armencommissie_, voorzitter Jhr. Mr. J. H. J. Quarles van Ufford en het Hoofdbestuur hetzij van „_Arbeid adelt_”, hetzij van „_Tesselschade_”. Welke van deze twee vrouwenvereenigingen voor dit doel het meest in aanmerking komt, kan H. M. zelve of H. M. de Koningin-Moeder beter beoordeelen dan ik.
De hoofdleiding zou dan kunnen liggen bij een dagelijksch bestuur gevormd door de voorzitters van de drie genoemde organisaties. Daar H. M. te kennen gaf dat Zij het noodig oordeelt dat er samenwerking zij tusschen het op te richten comité en het departement van Landbouw enz., een samenwerking die inderdaad hoogst gewenscht is, zou de volgende regeling van de hoofdleiding m.i. passend kunnen zijn.
H. M. de Koningin, _Beschermvrouwe_ of _Eere-Voorzitster_, ter beslissing van H. M. zelve; de ondergeteekende, in hoedanigheid van Minister van Landbouw enz., _voorzitter_; de drie bedoelde presidenten _onder-voorzitters_. Mijne bedoeling zou dan zijn, de leiding feitelijk in handen te laten van de drie onder-voorzitters als college van dagelijksch bestuur. Maar bij deze organisatie zou er voor zijn gezorgd, dat ik bij meer of minder principieele beslissingen medezeggenschap zou hebben.
Ik heb Prof. De Vooys er op voorbereid, dat hij van avond bij H. M. zal worden ontboden en ik zal overeenkomstig Haar verlangen hem voorloopig op de hoogte brengen van de wenschen en bedoelingen van H. M. ten aanzien van deze aangelegenheid. Tevens zal ik hem van den inhoud van dezen brief mededeeling doen.
Mocht H. M., niettegenstaande Hare drukke en drukkende werkzaamheden in deze ernstige dagen, gelegenheid hebben nog vóór heden avond van dezen brief kennis te nemen, dan zou bij de audientie welke Zij aan Prof. De Vooys wil verleenen, kunnen blijken in hoever het in enkele algemeene trekken hier neergelegde plan van organisatie met de wenschen van H. M. strookt.
Ik heb gezocht naar eene combinatie van bestaande organisaties, omdat op deze wijze 1º de zaak in enkele dagen is in elkaar te zetten, 2º het gevaar van gevoeligheden op te wekken--een gevaar dat bij het uitkiezen van individueele personen haast niet te vermijden zijn zou--tot de kleinste afmetingen wordt teruggebracht, en 3º de grootste waarborg wordt verkregen dat het comité een waarlijk nationaal karakter zal dragen.
Mocht blijken dat ook Staatshulp hier niet te ontberen zijn zal, dan zou ook de Regeering in een aldus samengesteld comité het orgaan kunnen vinden, dat ook de Staatssteun verdeelt en brengt waar hij noodig is en zou op deze wijze Koninklijk en particulier initiatief met Staatszorg op, naar het mij wil voorkomen, gelukkige wijze zijn gecombineerd.
Ik heb van dit schrijven mededeeling gedaan aan mijne ambtgenooten.
Met de meeste hoogachting heb ik de eer te zijn,
HoogEdelGestrenge Heer Uw dienstw. TREUB.
HoogEdelGestrengen Heere F. M. L. Baron VAN GEEN, Particulier Secretaris van H. M. de Koningin.
Gelijk ik in den brief mededeelde, had ik denzelfden dag een onderhoud met den heer de Vooys, wien ik er op voorbereidde, dat hij des avonds ten Paleize zou worden ontboden en met wien ik het denkbeeld van de Koningin en de wijze van uitvoering daarvan besprak in verband met de audientie die hem zou worden verleend. Het resultaat van onze besprekingen en van het nader overleg door Hare Majesteit met Prof. de Vooys ter audientie gepleegd, was dat ten einde aan de zaak een zoo algemeen mogelijk karakter te geven, het aantal vereenigingen, dat uitgenoodigd werd tot de vergadering ter constitueering van de in het leven te roepen nationale steun-organisatie belangrijk werd uitgebreid. Zondag 9 Augustus werden de uitnoodigingen tot bijwoning der vergadering telegrafisch verzonden. De vergadering zelve had plaats Maandag 10 Augustus des namiddags te 3 uur in de Trèves-zaal. Aanwezig waren omstreeks 60 personen, meerendeels vertegenwoordigers der opgeroepen vereenigingen.
Het was een plechtig oogenblik, toen de Koningin, die zonder eenig gevolg ter vergadering verscheen, door mij werd binnengeleid. Ieder der aanwezigen gevoelde het treffende van het feit, dat de Koningin op zulk een wijze deelnam aan een bijeenkomst, belegd om eenheid en kracht te geven aan de pogingen tot voorkoming en leniging van nood in den oorlogstijd, en door Hare tegenwoordigheid en Haar woord de groote beteekenis van hetgeen stond te gebeuren en den diepen ernst van den toestand, die moest worden beheerscht, te onderstrepen. Ook aan de Koningin zelve was het aan te zien dat Zij onder den indruk was van de beteekenis van Haar onder zulke omstandigheden en met zulk een doel zonder eenige praal, in den grootsten eenvoud, verschijnen te midden van een aantal vertegenwoordigers van vereenigingen met een zeer uiteenloopend karakter, maar die alle dit eene gemeen hadden, dat zij konden medewerken aan het denkbeeld ter verwezenlijking waarvan de vergadering was bijeengeroepen.
Ter vergadering waren behalve vertegenwoordigers van de vereenigingen en commissies, welke door de Koningin in Haar toespraak werden genoemd, aanwezig vertegenwoordigers van het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen, het Bureau van de Roomsch Katholieke Vakorganisatie, het Christelijk Vaksecretariaat en het Nederlandsch Verbond van Neutrale Vakvereenigingen, voorts hoogst enkele persoonlijk uitgenoodigden, onder wie met name zijn te noemen de heeren C. J. K. van Aalst, president der Nederlandsche Handel-Maatschappij en Dr. D. Bos, alsmede eenige heeren, die zich hadden bereid verklaard hunne persoonlijke medewerking bij de uitvoering van het plan te verleenen.
Ter vergadering verschenen, nam Hare Majesteit plaats tusschen den heer Van Aalst en mij en sprak Zij, onmiddellijk na Haar binnentreden, de volgende rede uit: