Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken
Part 11
Meer moeilijkheden dan bij de prijszetting van het meel leverde het op, de medewerking van de meelfabrikanten te verkrijgen bij de uitvoering van een maatregel,--waartoe enkele gemeentebesturen spoedig na het uitbreken van den oorlog, na overleg met- en met groote instemming van het Departement van Landbouw besloten--er toe strekkende dat binnen de gemeente, behalve voor zieken, geen wittebrood mocht worden gebakken. De toestand was in den aanvang van den oorlogstoestand zóó onzeker, dat verschillende proeven werden genomen met „noodbrood”. Zelfs werd mij als proef een brood toegezonden, bestaande voor een deel uit tarwemeel, voor een deel uit gedroogde aardappelen. Toen dit brood versch was, rook het inderdaad heel goed en was de smaak ook niet onaangenaam, maar een dag later was het reeds heelemaal duf geworden. Het noodbrood met 20 of 30 pct. rijstemeel hield zich daarentegen zeer goed en dit werd dan ook in vele gemeenten _het_ brood. Algemeen was de medewerking der gemeentebesturen echter niet. In één der publicaties van het Kon. Nat. Steuncomité wordt over het noodbrood-tijdperk geschreven: „Langzaam aan heeft het noodbrood zich omgevormd in het gewone bruinbrood en de kleur hiervan is hoe langer hoe witter geworden. In sommige gemeenten is echter, vrijwel de geheele crisis door, wit brood in groote hoeveelheden verkrijgbaar geweest, terwijl andere gemeenten tijden gekend hebben, waarin uitsluitend of bijna uitsluitend bruin brood verkrijgbaar was. En terwijl sommige gemeenten reeds vóór de regeeringsmaatregelen uit zichzelf hare inwoners beperking in het verbruik van tarwebloem oplegden, waren er andere, die zelfs na het afkondigen van de regeeringsmaatregelen de magen der bewoners klaarblijkelijk wilden sparen”.
Onder de hierbedoelde maatregelen die van regeeringswege werden genomen, neemt een eerste plaats in, dat aan de meelfabrikanten werd opgedragen, de regeeringstarwe niet tot bloem, maar met een kleine uitzondering voor zieken en zwakken alleen tot ongebuild meel te vermalen. Tot het opleggen van die verandering in het bedrijf kon ik als Minister van Landbouw overgaan reeds vóórdat regeeringstarwe van over zee was aangevoerd, omdat ter regeling van de verhouding tusschen het Rijk en de meelfabrikanten, de Regeering ook de voorraden van de meelfabrikanten had overgenomen. Bij de voorbereiding van dien maatregel, die tot December 1914 gehandhaafd moest worden, werd aanvankelijk van de zijde der meelfabrikanten het technische bezwaar geopperd, dat hunne fabrieken wel ingericht waren op de voortbrenging van bloem, maar niet van ongebuild meel. Met eenigen goeden wil bleek dat echter, met kleine tijdelijke veranderingen in de inwendige inrichting der fabrieken, wel te ondervangen. Voor zoover ik mij herinner, werd slechts een enkele fabrikant op een poging tot listige ontduiking der regeling, waaraan hij zich had onderworpen, betrapt. De ernstige waarschuwing, dat hij bij herhaling geen tarwe meer ter vermaling zou krijgen en zijn fabriek gedurende den oorlogstoestand wel zou kunnen stopzetten, was intusschen voldoende om dien fraudeur tot reden te brengen.
Minder gemakkelijk ging het met de graanboeren en met de handelaars in binnenlandsch graan. Deze konden zich niet indenken in den nieuwen toestand, die door den oorlog en door de maatregelen, welke de Regeering in verband daarmede nemen moest en nemen mocht, was geboren. Zij meenden dat de zoogenaamde wet van vraag en aanbod (een economische „wet” welke meer aangehaald dan begrepen wordt) meer kracht had en moest houden dan de Rijkswet, welke aan de Regeering het middel in de hand had gegeven om terughouding en prijsopdrijving van waren tegen te gaan. Zij verkozen niet zich aan de maximumprijzen voor inlandsche tarwe en rogge te houden, tenzij die prijzen niet lager waren dan op de graanmarkt konden worden bedongen. Natuurlijk kon de Regeering zich zulk een houding van de graanboeren en van den graanhandel niet laten welgevallen. Toen de Groningsche graanbeurs, de grootste graanbeurs van het land, blijk gaf zich aan de gestelde maximum-prijzen voor inlandsche tarwe en inlandsche rogge niet te storen en telegrafische uiteenzetting aan den voorzitter dier beurs van de onhoudbaarheid van het standpunt van den graanhandel en van den plicht van dien handel om zich evengoed als ieder ander te houden aan de wettelijk vastgestelde maximum-prijzen, geen effect had, zat er niet anders op dan het graan, dat aldaar ter beurze werd aangevoerd, door den burgemeester te doen in beslag nemen. Ik ging tot dien maatregel zeer ongaarne over en ik heb eenige dagen geaarzeld vóór ik dat deed; achteraf gezien ware het beter geweest, dat ik minder gedraald had en op het eerste bericht had ingegrepen met alle middelen die de levensmiddelenwet den Minister van Landbouw in oorlogstijd geeft.
Men meene intusschen niet, dat naar mijn oordeel speciaal de Groningsche graanhandel en de Groningsche boeren zich vergrepen hebben en daardoor ongunstig afsteken bij hun vakgenooten in andere deelen van het land, zooals geheel ten onrechte wel uit uitlatingen, door mij als Minister gedaan, is afgeleid. Het conflict tusschen de Regeering eenerzijds en graanhandel en graanboeren aan den anderen kant speelde zich alleen hierom in de provincie Groningen eerder en in meer geprononceerden vorm af, omdat de graanbouw aldaar van meer beteekenis is dan in andere provinciën, en vooral omdat de Groningsche beurs een leidende rol in den graanhandel vervult. De meening die bij sommigen schijnt te hebben postgevat, dat de Groningsche boeren onhandelbaarder waren dan de landbouwers in andere provinciën mist elken grond. Over het algemeen viel over medewerking van de zijde der boeren ter vergemakkelijking van de uitvoering van regeeringsmaatregelen, welke door den oorlogstoestand noodig waren geworden, niet te roemen; de Groninger boeren hebben het echter in dit opzicht niet erger gemaakt dan de anderen. De billijkheid eischt bovendien te erkennen, dat ook in andere kringen der bevolking niet te veel op medewerking kon worden gerekend, als het maatregelen gold, die een streep haalden door oorlogswinsten, welke men meende te kunnen behalen.
Over het algemeen hebben de moeilijkheden ten aanzien van het binnenlandsche broodkoren zich meer voorgedaan bij de rogge dan bij de tarwe. Er wordt meer rogge dan tarwe verbouwd, daar de laatste graansoort zwaarderen grond noodig heeft dan de rogge; bovendien wordt de hier verbouwde rogge in normale omstandigheden voor het grootste deel in het boerenbedrijf zelf als veevoeder, speciaal varkensvoeder, gebruikt. Bij de schaarschte aan rogge niet minder dan aan tarwe als grondstof voor brood, kon in den oorlogstijd niet vrijelijk worden toegelaten dat een eenigszins aanzienlijk deel daarvan voor veevoeder werd besteed. Het was hier echter gemakkelijker het doel te stellen dan de maatregelen die tot bereiking daarvan moesten leiden, door te voeren.
Het is wel duidelijk, dat, om een oogenblik bij de provincie Groningen te blijven, de inbezitneming van het aangevoerde graan op de Groningsche beurs, indien de maatregel op zich zelf was blijven staan, weinig had kunnen baten. Het gevolg zou dan geweest zijn, dat ten deele à la barbe van de wet, buiten de beurs om, voorraden zouden zijn verhandeld, tegen hoogere dan de vastgestelde maximumprijzen en dat voor een ander deel de voorraden door de boeren zouden zijn vastgehouden, hetzij met speculatief oogmerk, hetzij tot gebruik in het eigen bedrijf. De inbezitneming ter beurze moest gevolgd worden en werd gevolgd door de inbezitneming van de aanwezige voorraden rogge en tarwe bij de boeren zelf. Dit was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. Niet alleen moest er mede rekening worden gehouden, dat het boerenbedrijf niet geheel van rogge kon worden verstoken, te minder omdat er schaarschte was ook aan veevoeder, met name aan maïs, en de prijs hiervan ver boven het normale was opgeloopen, maar bovendien was een deel van de rogge en de tarwe ongedorscht en werd zij in ongedorschten toestand vaak onder andere graanvruchten of onder peulvruchten bewaard. Daarbij kwam nog dat, als de maatregel der inbezitneming goed zou werken, de medewerking der burgemeesters noodig was niet alleen voor de inbezitneming zelve, maar ook voor de distributie van het inbezitgenomene onder de bakkers, voor zoover het niet voor andere gemeenten was bestemd. In een vergadering van burgemeesters uit de provincie Groningen werden de verschillende moeilijkheden besproken en werd besloten aan de Regeering mede te deelen, dat een krachtig optreden volgens een van te voren goed overwogen plan noodig scheen en dat zij bij de uitvoering van zulk een plan op de medewerking der Groninger burgemeesters zou kunnen rekenen. Naar aanleiding van die vergadering kwamen drie burgemeesters uit de provincie mij op het Departement van Landbouw bezoeken en mij hunne meening zeggen over hetgeen zou kunnen en zou moeten geschieden, om zooveel mogelijk rogge voor brood beschikbaar te houden en de boeren zonder te veel onbillijkheid en te veel ongelijkheid te behandelen. Voor de Groninger burgemeesters was de tarwe als broodkoren van veel minder belang dan de rogge, omdat Groningen behoort tot de provinciën waar het gewone brood van de bevolking niet gebakken wordt uit tarwebloem of tarwemeel, maar uit zoogenaamde gebroken rogge. De zekerheid van de medewerking der burgemeesters van de provincie Groningen maakte het mogelijk voor die provincie een maatregel door te voeren, welke tevens als proef voor de andere provinciën zou kunnen dienen. De burgemeester van Veendam, Jhr. Mr. E. A. van Beresteijn, die bij het geheele optreden der Groninger burgemeesters in deze gewichtige aangelegenheid de leiding had gehad, verklaarde zich op mijn verzoek bereid, de afdeeling van het Departement van Landbouw, welke zich daarmede inzonderheid had bezig te houden, bij het ontwerpen der regeling van de inbezitneming van rogge en van de distributie van het in bezit genomene ter zijde te staan. Zoo kwam mijne circulaire van 5 October 1914 aan de burgemeesters in de provincie Groningen tot stand, waarbij hun opdracht werd gegeven, de rogge en de tarwe in hunne gemeenten, voor zoover dat graan in het bedrijf niet strikt noodzakelijk was, in bezit te nemen. De inbezitneming der tarwe was op zichzelf minder noodig; tot dien maatregel werd hoofdzakelijk overgegaan om de inachtneming der daarop gestelde maximumprijzen op de Groninger beurs af te dwingen. Toen dit doel was bereikt, kon de tarwe ongeveer 14 dagen later weer worden vrijgegeven.
Bij circulaire van 20 October 1914 gaf ik den burgemeesters der gemeenten in de overige provinciën in overweging, onverwijld over te gaan tot het voor rekening der gemeenten aankoopen van alle partijen rogge binnen de gemeente, voor zoover zij voor de broodbakkerijen geschikt waren. Ten einde te bewerken, dat de burgemeesters bij het gevolg geven aan dien aandrang niet los van elkander zouden handelen, noodigde ik de Commissarissen der Koningin uit, hun invloed te doen gelden, opdat zooveel mogelijk samenwerking zou worden verkregen tusschen de verschillende burgemeesters in hunne provincie en zoodoende zou kunnen worden bereikt, dat een overschot in de eene gemeente kon strekken tot dekking van een tekort in eene andere. Daarbij werd in overweging gegeven, dat een „roggecommissie” zou worden ingesteld, die als centraal lichaam in de provincie de verdeeling der rogge over de verschillende gemeenten leiden zou. In alle provinciën, waarin daaraan behoefte bestond, werden als gevolg van het beroep op de medewerking van de Commissarissen der Koningin zulke rogge-commissies ingesteld; vóór het einde van het jaar 1914 was in elke provincie een zoodanige commissie.
Hoewel die commissies onder de centrale leiding van het Rijksgraanbureau zeer nuttig werkzaam waren, bleef het roggevraagstuk voortdurend veel hoofdbreken kosten. Een aantal boeren ging, ondanks de maatregelen die van den Haag uit genomen of bevorderd werden, voort de rogge, die zij hadden, aan hun vee, voornamelijk aan de varkens, op te voeren, en onder de burgemeesters ten platte lande waren er maar al te veel, wier medewerking om dit tegen te gaan veel, zoo niet alles te wenschen overliet. Den boeren, die aldus niet alleen tegen de bedoelingen der Regeering in handelden, maar bovendien gevaar deden ontstaan voor gebrek aan brood in die streken, waar het roggebrood volksvoedsel is, valle men intusschen niet al te hard. Te verontschuldigen is hun handelwijze niet; verzachtende omstandigheden daarvoor zijn er wèl. Rogge is in normale omstandigheden in hoofdzaak een voederartikel in het bedrijf van den boer zelf en aan dat voederartikel was nu nog meer behoefte, nu de maïs schaarsch en peperduur was geworden.
Om hierin te voorzien, was reeds door mij de aanvoer van maïs van Regeeringswege en de distributie daarvan onder de boeren ter hand genomen. De heer Posthuma ging in die richting met kracht voort. Om bij de distributie der maïs zoo goed mogelijk georiënteerd te zijn over de behoeften aan veevoeder ter vervanging van rogge in de verschillende plattelandsgemeenten, werd door hem den 17den December 1914 aan de Commissarissen der Koningin verzocht op te geven, in welke gemeenten het in beslag nemen van rogge een noodtoestand ten opzichte van het veevoeder veroorzaakt had. Intusschen was reeds in het laatst van November aan de burgemeesters der gemeenten, waarin door de bevolking algemeen roggebrood wordt gegeten, in overweging gegeven, te bevorderen, dat de inlandsche gebroken rogge met buitenlandsch tarwemeel zou worden vermengd en hun medegedeeld, dat uit proeven was gebleken dat op die wijze een zeer smakelijk baksel werd verkregen. Toen het met die raadgeving ging, zooals het, jammer genoeg, met dergelijke wenken in den regel is gegaan, d. w. z. toen het meerendeel der plattelandsburgemeesters de circulaire, waarin die raad werd gegeven, eenvoudig naast zich neerlegden, schreef de Minister van Landbouw op 19 Januari 1915 voor, dat het verboden zou zijn verder roggebrood te bakken dat niet voor de helft uit tarwemeel zou bestaan. _Iets_ zal dat wel geholpen hebben, maar de Regeering hing bij de uitvoering ook van dit voorschrift in hoofdzaak van de medewerking der plattelandsburgemeesters af; en....
In Juli 1915 meende de Minister van Landbouw, met een ernstig beroep op de boeren om niet meer rogge als veevoeder te gebruiken dan strikt noodzakelijk was en met herinnering aan hetgeen de Regeering gedaan had en nog steeds deed om maïs ter beschikking te stellen, ter vermijding van de in het vorig jaar gerezen moeilijkheden, alsook in verband met de gewijzigde omstandigheden, de proef te kunnen nemen met het niet toepassen voor den oogst van 1915 der in 1914 genomen maatregelen, „zoodat de landbouwers dus vooralsnog de vrije beschikking (konden) behouden over dezen oogst”. Doch reeds in Augustus d. a. v. bleek dat het zóó, zonder meer, niet ging. Een nieuwe circulaire moest aan de burgemeesters worden gericht, om hun medewerking in te roepen opdat er voldoende rogge voor menschelijk voedsel in de streken, waar algemeen roggebrood en geen tarwebrood gegeten wordt, behouden zou blijven. De grootere vrijheid die in 1915 werd gelaten, heeft evenwel niet voldaan, al werd zij spoedig in dezer voege ingekort, dat de burgemeesters der roggeverbouwende gemeenten er voor hadden te waken, dat niet meer rogge dan strikt noodzakelijk was als veevoeder werd gebruikt, en dat, voor zoover in hun gemeente rogge ten verkoop beschikbaar was, dat broodkoren tegen de gestelde maximale prijzen door tusschenkomst van de roggecommissies alleen en uitsluitend aan het Rijk zou worden verkocht. Deze commissies hadden er dan voor te zorgen, dat de aangekochte rogge zou worden gedistribueerd over de gewesten, welke daaraan voor brood behoefte hadden. Voor 1916 moesten weer strengere maatregelen getroffen worden.
Het is met de rogge een ware lijdensgeschiedenis geweest en het zal dat, naar ik vrees, tot het einde van den oorlogstoestand blijven. Deze aangelegenheid en de moeilijkheden, welke daaraan verbonden waren, zijn op zich zelf van zoodanig belang, dat zij eenigszins uitvoerig behandeld moesten worden. Bovendien zijn zij ook van gewicht om te doen uitkomen, hoe eenzijdig en daardoor hoe onjuist de bewering is, welke van agrarische zijde werd geuit, als zou de zorg der Regeering voor de levensmiddelenvoorziening een zorg zijn voor de stedenbewoners op kosten van de boeren. Rogge wordt in de steden weinig verbruikt. Het is daarentegen, naast den aardappel, het hoofdvoedsel van de plattelandsbevolking in het Noord-Oosten en het Oosten van het land. Het spreekt van zelf, dat de maatregelen welke in het belang der volksvoeding moesten worden genomen, in het algemeen meer drongen voor de stedelingen dan voor de bewoners van het platteland. Deze laatsten krijgen als regel veel minder spoedig gebrek aan levensmiddelen dan de eersten; niet alleen omdat velen hunner zelf wat aardappelen en groenten telen, maar ook omdat zij het voorrecht hebben van dichter bij de bron te zitten en alleen reeds daardoor gemakkelijker geholpen worden of zich hulp kunnen verschaffen. Vandaar dat de levensmiddelenpolitiek der Regeering wel in de eerste plaats op de ingezetenen der steden moest gericht zijn. Daaruit af te leiden dat dus de Regeering de belangen der stedelingen boven die van het platteland voortrok, mist elken grond. Over het algemeen kon het platteland zich zelf helpen en konden de steden het niet. Voor zoover ook het platteland gevaar liep van gebrek te zullen lijden, greep de Regeering evengoed in, als wanneer zulk een gevaar den steden bedreigde; de roggevoorzieningen zijn hiervan sprekende en afdoende getuigen.
Het is daarom te minder te vergoelijken, dat over het algemeen op de medewerking der plattelandsburgemeesters bij de uitvoering der maatregelen, welke ten doel hadden land- en tuinbouwproducten tegen niet te hoogen prijs voor de bevolking beschikbaar te houden, zoo weinig viel te rekenen. Herhaaldelijk bleek, dat een aantal hunner, zoo zij al niet zelf landbouwbelangen hadden, welke met het algemeen volksbelang in den oorlogstijd in botsing kwamen, weinig geneigdheid toonden het noodige voor de volksvoeding te doen, wanneer daarbij aan winstkansen van de boeren in hun gemeente een breidel werd aangelegd. Bij de beoordeeling van de vaak onbevredigende uitvoering van op zich zelf niet slechts goed bedoelde maar ook goed overwogen en voorbereide maatregelen, waarbij op de medewerking inzonderheid van de plattelandsburgemeesters moest worden vertrouwd, mag dit niet uit het oog worden verloren. De zorgzaamheid voor het bedrijf van de eigen bevolking, voor zoover het gemeentebestuur daartoe kan medewerken, is onder normale omstandigheden in den burgemeester eener plattelandsgemeente een onvermengde ambtsdeugd te achten. In een abnormalen tijd als de oorlog heeft te weeg gebracht, met zijn ingrijpen in den uitvoer en in de prijsvorming binnenslands en zijn noodzakelijkheid van inbeslagneming van hetgeen noodig is en niet vrijwillig wordt ter beschikking gesteld, kan zij een hinderpaal blijken voor spoedige en correcte uitvoering van regeeringsmaatregelen in het belang der verbruikende bevolking. Men moet trachten dien hinderpaal zoo goed mogelijk te ontgaan; ruw ter zijde stellen kan men hem niet, zonder gevaar te loopen later, als weer normale tijden zullen zijn teruggekeerd, te zullen bespeuren, dat men, misleid door den drang der omstandigheden, het kind met het badwater heeft uitgeworpen. Een buitenburgemeester, die sterk voor de belangen van zijn gemeentenaren, dat wil hier in den regel zeggen, voor de boerenbelangen gevoelt en opkomt, kan in den oorlogstijd vaak hinderlijk zijn; onder normale omstandigheden zijn zulke burgemeesters de besten voor de gemeenten aan welker hoofd zij staan, en daarmede indirect voor het land in zijn geheel. Ik zeg dit niet om daarmede alle buitenburgemeesters schoon te wasschen. Er zijn er voor wie dit den moriaan geschuurd zou wezen en die verdienden van hun ambt te worden ontheven; maar het ongunstig oordeel, dat in deze tijden zoo vaak over de buitenburgemeesters werd geveld, is in zijn algemeenheid onbillijk en onverdiend, al moge het verklaarbaar zijn, als uiting van wrevel over schaarschte en duurte van land- en tuinbouwproducten, welke bij hartelijker medewerking van die zijde vaak beter ware te voorkomen en te bestrijden geweest.
Waar ik ook zelf onder gebrek aan medewerking van plattelandsburgemeesters heb gezucht en op dat euvel in de vorige bladzijden de aandacht heb moeten vestigen, scheen het billijk en niet overbodig ook op de andere zijde van het vraagstuk het licht te doen vallen. Die burgemeesters toonden in den oorlogstoestand, voor zoover zij uit overweging van het belang hunner gemeentenaren en niet bloot uit traagheid of onverschilligheid passieven weerstand boden, les défauts de leurs qualités. Het was alleen wat jammer, dat in een tijd, waarin de Regeering zulk een behoefte had aan aller medewerking, die „défauts” een werking ten kwade hadden, die heel wat sterker uitkwam dan de werking ten goede in vredestijd van de „qualités” der door mij bedoelde burgemeesters.
Doch ik ben nog niet ten einde met hetgeen door de Regeering in het belang der broodvoorziening werd gedaan. Toen niettegenstaande de verschillende maatregelen, die in het belang der volksvoeding werden genomen, de prijzen van allerlei levensmiddelen toch voortdurend stegen en ook de tarwe en het tarwemeel, welke van Amerika en Argentinië werden aangevoerd, zoowel wegens de hoogere inkoopsprijzen als wegens de stijgende scheepsvrachten, steeds duurder werden, besloot zij voor een der hoofdposten op het budget der bevolking, het brood, een maatregel te treffen, waardoor dit ver beneden den prijs, dien de tarwe aan het Rijk kostte en eerder beneden dan boven den normalen prijs, beschikbaar werd gesteld. Die maatregel werd uiteengezet in de circulaire van Minister Posthuma aan de gemeentebesturen van 24 April 1915. Voordat het daartoe kwam, zijn er gedachtenwisselingen tusschen den Minister van Landbouw en de burgemeesters der groote steden gevoerd, die aanvankelijk dreigden niet tot eenig resultaat te zullen leiden. De Minister stelde zich op het volkomen verklaarbare standpunt dat hij geen maatregelen op het gebied der volksvoeding mocht nemen, welke het Rijk op groote uitgaven zouden te staan komen, als hij het effect daarvan niet bepaalde tot die lagen der bevolking welke wegens hun beperkt inkomen, in de termen vielen op ’s Rijks kosten te worden geholpen. De burgemeesters voerden van hun standpunt met niet minder recht aan, dat zij, indien brood of ander voedsel op ’s Rijks kosten tegen verminderden prijs werd beschikbaar gesteld, niet in staat waren, regelingen te treffen tot schifting tusschen degenen, die daarvan wel mochten profiteeren en hen, die daarbuiten behoorden te blijven. Men kwam toen tot een middenweg, die hier inderdaad wel den naam van gulden middenweg verdient, niet alleen omdat hij het Rijk op een aanzienlijk aantal guldens is te staan gekomen.