Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken

Part 10

Chapter 103,582 wordsPublic domain

Na hetgeen ik reeds over de inbezitnemingen schreef, behoef ik intusschen wel niet te herhalen, dat ik mij de groote bezwaren van het bewandelen van dezen uitweg niet ontveins. De levensmiddelenwet geeft echter--gelijk wij zagen--een, vooral in zijn practische werking, veel eenvoudiger middel aan de hand ter bereiking van het doel dat hier nagestreefd moest worden. De Regeering had zoowel aan de burgemeesters van de plaatsen, waar de benoodigde levensmiddelen worden geproduceerd, als aan die van de gemeenten, waar daaraan behoefte was, kunnen voorschrijven, dat zij gebruik zouden maken van de bepaling der levensmiddelenwet, welke toelaat met belanghebbenden, ter voorkoming van inbezitneming, bepaalde regelingen te treffen. De regelingen zelf had zij den burgemeesters kunnen aangeven. In hoofdzaak zouden deze hierin hebben kunnen en moeten bestaan, dat de burgemeesters der plaatsen, waar de benoodigde levensmiddelen worden geproduceerd, met de producenten daarvan zouden overeenkomen over het--op straffe van inbezitneming--afstaan van de kwantiteiten hunner producten, die door de Regeering telkens als benoodigd zouden zijn aangegeven en dat wel tegen prijzen, welke boven vergoeding van productiekosten ook een behoorlijke winst zouden waarborgen. Daarbij zou aan die producenten de verplichting kunnen zijn opgelegd (natuurlijk tegen vergoeding ook van de kosten daarvan) de af te leveren waren te brengen op een bepaald centraal punt of bij een bepaalden winkelier in de naastbijzijnde stad. Parallel loopend met die regeling voor de productieplaatsen, waarbij de producent het gevaar van inbezitneming van zijn geheelen voorraad krachtens de levensmiddelenwet eerst zou hebben afgewend, als hij de overeengekomen hoeveelheden ter bestemder plaatse had afgeleverd, zou een, wat de hoofdlijnen betreft uniforme regeling kunnen zijn voorgeschreven voor de gemeenten, welker ingezetenen aan de aldus beschikbaar gekomen levensmiddelen behoefte hadden. Zij zou hoofdzakelijk hebben kunnen bestaan uit overeenkomsten met winkeliers (en slagers) om hetzij de beschikbare waar af te halen, hetzij haar te ontvangen en haar te verkoopen tegen prijzen, welke tevens een behoorlijke belooning voor hun distributiemoeite inhielden. Overtreding of ontduiking van de vrijwillig met den burgemeester omtrent de aldus beschikbaar gekomen levensmiddelen getroffen schikkingen, zou de winkeliers (en slagers) aan het gevaar hebben bloot gesteld, hun ganschen voorraad door den burgemeester te zien in bezit nemen. Ik breng hier de regeling tot haar eenvoudigsten vorm terug, maar het spreekt van zelf, dat daarin plaats is voor medewerking (op straffe van inbeslagneming hunner voorraden) zoowel van groothandelaars als van grossiers.

Aangezien een regeling in dezen trant, getroffen op grond der levensmiddelenwet, de proef der practische toepassing niet heeft doorstaan, is er niets positiefs van te zeggen. Maar op grond mijner ervaring omtrent economische oorlogsmaatregelen durf ik toch het vermoeden uitspreken, dat zij beter zou hebben voldaan, dan de distributieregeling op de basis der uitvoerconsenten. Er zou daarbij allereerst een behoorlijk verband zijn geweest tusschen behoefte en beschikbaarstelling, en men had op die wijze voorts kunnen vermijden, dat de ter beschikking komende levensmiddelen het principieel en practisch ongewenschte station der overdracht in Rijkseigendom moesten passeeren. Een onmisbare voorwaarde voor een goede werking ervan zou geweest zijn, dat vooral in den aanvang, zonder pardon, elke overtreding van zulke schikkingen of elke weigering er op in te gaan, onverbiddelijk de inbeslagneming van den geheelen voorraad van den ontduikenden of weigerachtigen producent of distribuant zou hebben ten gevolge gehad.

Het zou mij ook zeer verwonderen, indien de Regeering het meerendeel der betrokken burgemeesters niet tot geheel vrijwillige medewerking had kunnen brengen en de daartoe niet geneigd zijnde minderheid, met de middelen welke de levensmiddelenwet haar geeft, niet tot medewerking had kunnen nopen. Maar.... de beste stuurlui staan aan wal!

§ 3. _De broodvoorziening._

Doch ook met beperking en regeling van den uitvoer en met toepassing der levensmiddelenwet kon de Regeering niet volstaan. De zorg voor de levensmiddelenvoorziening eischte nog andere en nog dieper ingrijpende maatregelen. Bij alles wat tot nog toe besproken werd, trad de Regeering slechts regelend op; zij belemmerde buitensporigheden ten aanzien van den uitvoer en van prijzen van voedingsartikelen, maar liet binnen het aldus afgebakende terrein de zorg voor de voortbrenging en de distributie dier artikelen zelf, voor zoover zij niet krachtens de levensmiddelenwet in bezit waren genomen of ingevolge de regeling der uitvoerconsenten „vrijwillig” ter beschikking van de Regeering waren gesteld, aan hen over, die daarvoor ook in normale omstandigheden zorgen, aan de boeren, de tuinders, de groothandelaren, de grossiers en de winkeliers. Dit ging goed, behoudens de in § 1 besproken moeilijkheden van de distributie der regeeringswaren, voor al die producten, waarvan het land zelf meer voortbrengt dan voor de eigen behoefte der bevolking noodig is, en het kon volstaan voor levensmiddelen, welke van elders moeten worden ingevoerd, maar waarvan het beschikbaar zijn voor de voeding der bevolking wèl gewenscht, maar niet broodnoodig is. Voor één voedingsmiddel, waarvan de grondstof hier niet in voldoende mate voortgebracht wordt en dat wèl broodnoodig is, kon het _niet_ volstaan. Dat was voor het brood zelf. Ten einde zeker te zijn, dat aan broodkoren geen gebrek zou komen, moest de Regeering zelve den invoer daarvan ter hand nemen. Reeds in de eerste weken na het uitbreken van den oorlog bleek het noodzakelijk, hiertoe over te gaan en omtrent de distributie van het graan onder de meelfabrikanten en den afzet van het meel door die fabrikanten maatregelen te nemen, waardoor het karakter der meelfabrieken en indirect ook dat van de bakkerijen grootendeels veranderde. Van bedrijven, die voor eigen rekening hun grondstof kochten en hun product aan hun afnemers afleverden, werden de meelfabrieken loonmaalderijen, die hun grondstof tegen een bepaalden prijs van de Regeering ontvingen en hun product tegen dienzelfden prijs, verhoogd met hetgeen als maalloon was berekend, aan de bakkerijen hadden af te leveren. Bij de bakkerijen had dezelfde karakterwijziging plaats, hoewel het hier niet zoo duidelijk in het oog sprong, daar deze hun grondstof, althans grootendeels, niet rechtstreeks van Rijkswege ontvingen maar van de meelfabrikanten, die formeel hun eigen zelfstandig bedrijf waren blijven uitoefenen en hun product als eigen handelswaar aan de bakkers afleverden. Dit was echter slechts de uiterlijke vorm waaronder de meelfabrieken en bakkerijen in den oorlogstijd werkten, in wezen werden deze bedrijven verlengstukken van het Departement van Landbouw, dat hun de grondstoffen leverde en hunne verkoopsprijzen vaststelde.

Toen ik op 26 Augustus 1914 als Minister van Landbouw eenige vragen van den heer Troelstra en van andere kamerleden betreffende den economischen toestand beantwoordde, was de Rijksgraanhandel, wegens de zorg die de geregelde aanvoer van broodkoren baren moest, indien deze bij de moeilijkheden, welke de oorlog ter zee aan handel en scheepvaart berokkende, aan de particuliere graanimporteurs werd overgelaten, reeds in voorbereiding.

„Er wordt--zoo zeide ik in die vergadering--voor de Regeering dezer dagen door een van degenen die de Regeering nu met hun ervaring op handelsgebied steunen, in Londen onderzocht of het mogelijk is contracten af te sluiten tot aankoop in Amerika van graan voor de Regeering zelf. Ik kan daaromtrent op het oogenblik geen nadere mededeelingen doen, omdat degene, die daarvoor in Londen is en, naar ik hoopte, gisteren zou zijn teruggekomen, heden zich nog niet heeft gemeld, wat met de tegenwoordige moeilijke communicatiemiddelen zeer begrijpelijk is.” Daarmede doelde ik op den heer A. G. Kröller, die niet alleen bij de regeling van de graanaanvoeren voor Rijksrekening aan de Regeering groote diensten heeft bewezen. Op die mededeeling liet ik volgen, dat ook een belangrijke hoeveelheid meel was overgenomen van een handelaar die meel in Amerika in koop had en „dat hoogstwaarschijnlijk in de volgende dagen nog belangrijkere hoeveelheden op dezelfde wijze zullen worden overgenomen door de Regeering, zoodat er dan van regeeringswege zal worden verscheept meel op cognossement geconsigneerd voor de Regeering op een neutraal schip. Zeer vermoedelijk zal hetzelfde binnenkort gebeuren met tarwe en voor zooveel noodig met rogge”.

Die verwachting is vooral uitgekomen wat de tarwe betreft. Van de overneming van Amerikaansch meel van handelaren, die dat in Amerika in koop hadden, is niet veel gekomen. Bij de onderhandelingen daarover bleek namelijk, dat de ter overneming aangeboden partijen, op hooge uitzonderingen na, niet vrij waren, namelijk dat verschillende binnenlandsche afnemers die partijen reeds tegen bepaalde prijzen in voorkoop hadden en dat de Regeering, als zij ze overgenomen had, daarmede tevens de daaromtrent gesloten contracten had moeten gestand doen. Over die zaak werden door mij en door mijn opvolger aan het Departement van Landbouw herhaalde besprekingen met belanghebbenden gevoerd, zonder dat het mogelijk was tot overeenstemming te komen op een basis, die voor beide partijen aannemelijk bleek. Er werd later ook wel tarwemeel uit Amerika voor Rijksrekening aangevoerd, maar indien mijne herinnering mij niet bedriegt, zijn dit in den regel partijen geweest welke voor de Regeering zelfstandig in Amerika werden gekocht, niet partijen die van Nederlandsche meelimporteurs werden overgenomen, althans niet voor zoover de aankoop van die partijen dagteekende van vóór den oorlog. Ook rogge is niet in belangrijke mate van overzee gekomen; er werd wel gepoogd dit broodkoren tegen redelijke prijzen in Amerika te koopen, maar de rogge-export zoowel van Noord-Amerika als van Argentinië is, in verhouding tot den tarwe-uitvoer, zóó gering, dat groote rogge-aankoopen niet mogelijk waren.

Doch ik loop op deze wijze onwillekeurig op het verloop van de Regeeringszorg voor de broodvoorziening vooruit. In de vergadering van de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914 moest ik aan mijne mededeeling toevoegen: „dat de quaestie van tarwemeel en tarwe de werkelijk ernstige zorg van de Regeering eischt.”

„Toen ik eenige dagen geleden,--zoo vervolgde ik--sprak van een voorraad voor slechts 2 of 3 weken, zonder hetgeen in beslag genomen is te Rotterdam, was dit volstrekt niet te pessimistisch gesproken. Er was met dien in beslag genomen voorraad voor slechts hoogstens 4 weken. Daarvan zijn thans weer 10 dagen voorbij, en men kan aannemen, dat ongeveer 10 millioen K.G. tarwe per week voor onze bevolking, afgezien van de rogge en andere voedingsmiddelen, noodig is. Het geldt dus inderdaad een zaak van zeer ernstige overweging.”

De besprekingen door den heer Kröller te Londen gevoerd, hadden gelukkig het gewenschte resultaat. Het bleek mogelijk een geregelden aankoop van tarwe in Amerika voor Rijksrekening te organiseeren. Het bleef bovendien niet bij den aankoop van regeeringswege van tarwe, rogge en meel, ook veevoederartikelen werden in overzeesche landen voor Rijksrekening gekocht. De veevoederaankoop en -distributie laat ik hier intusschen onbesproken; ik kom daarop in hoofdstuk V terug.

De aankoop van het broodkoren in Amerika werd opgedragen aan den heer C. A. P. van Stolk, die daarbij zou handelen in overleg met den heer Kröller. Door de zaak aan deze heeren in handen te geven, was de Regeering zeker dat de aankoopen zouden geschieden door bij uitstek bevoegden en dat niet door onoordeelkundig optreden van personen, die op het gebied van den graanhandel niet geheel vertrouwd waren, voor het regeeringsgraan hoogere prijzen zouden worden besteed, dan noodig was. Het spreekt wel vanzelf dat het aan deze wijze van doen verbonden nadeel voor de Regeering niet verborgen bleef. Daardoor werden de graanimporteurs uitgeschakeld en schiep het Rijk zich een tijdelijk monopolie, dat bovendien, voor zoover er bij de uitoefening daarvan toch van deskundigen gebruik moest worden gemaakt, tot gevolg had dat de provisie welke voor de aankoopen door het Rijk verschuldigd werd, slechts aan een tweetal firma’s ten goede kwam. Van het aanbod van den heer Van Stolk om geheel belangeloos voor de Regeering in deze op te treden, heb ik aanstonds gemeend geen gebruik te mogen maken. Handelszaken moeten ook in oorlogstijd, al worden zij van Rijkswege gedreven, naar handelsgebruik worden behandeld. De provisie werd intusschen veel lager gesteld, dan in normale omstandigheden gebruikelijk is en zij werd later op voorstel der heeren van Stolk en Kröller nog verlaagd; dit neemt intusschen den principieelen kant van het bezwaar niet weg. Maar.... het was onvermijdelijk en het moest op den koop worden meegenomen. Had men den aankoop in Amerika aan verscheiden importeurs opgedragen of de gewone importeurs allen laten mededingen en wat zij in Amerika zouden koopen voor het Rijk van hen overgenomen, dan zou men niet hebben kunnen verhinderen dat zij, door met elkander als koopers op de Amerikaansche markt te concurreeren, den prijs hadden opgedreven en zou het Rijk duurder zijn uitgekomen. Dit zou het geval zijn geweest, zonder dat eenige overvraging van de zijde der importeurs had behoeven plaats te hebben, en zelfs al had men een afdoende contrôle hebben kunnen inrichten om pogingen tot overvraging tegen te gaan. Door den oorlog waren zooveel graanexporteerende landen van de wereldmarkt uitgeschakeld, dat de vraag zoowel in de Vereenigde Staten als in Argentinië toch reeds ver buiten de normale verhouding tot het aanbod was gestegen. Het was daarom dubbel noodig een regeling te treffen, waarbij althans voorkomen werd, dat de Regeering door het intermediair van een aantal tusschenpersonen bovendien nog met zichzelve in concurrentie zou treden. Niet dat bij dien aankoop te veel werd gecentraliseerd, is te betreuren geweest; als er hier een fout werd begaan, ligt zij in het niet volledig doorzetten der centralisatie van den aankoop.

Niettegenstaande het aan het legerbestuur bekend was, dat aan het Departement van Landbouw een tijdelijk Rijksgraanbureau was georganiseerd, ging de legerintendance maandenlang door, met voor de legerbehoeften zelf in Amerika graan in te koopen. In hoever die concurrentie invloed heeft gehad op de prijzen, welke door het Rijksgraanbureau besteed moesten worden, is niet na te gaan. Ik wil aannemen dat, waar de Amerikaansche graanmarkt door zooveel landen werd bestormd, die invloed niet van beteekenis is geweest, maar wèl heeft de uitkomst bewezen, dat het voor het leger bestemde graan aan het Rijk minder zou hebben gekost, indien ook de legerintendance haar eigen aankoopen niet had voortgezet en van de tusschenkomst van het Rijksgraanbureau had gebruik gemaakt.

Intusschen was het aankoopen van het benoodigde broodkoren in Amerika voor Rijksrekening ter voorziening in de behoefte van broodvoeding wel veel, maar niet alles. Ook de binnenlandsche distributie van het aangekochte moest geregeld worden. Hierbij behoefde gelukkig de bestaande tusschenhandel niet te worden uitgeschakeld; wel echter was noodig dat de distributie van een centraal punt uit werd beheerscht en gecontroleerd, opdat terughouding en prijsopdrijving van het regeeringsgraan van meet af onmogelijk zou worden gemaakt. Toen ik zocht naar iemand, die aan het hoofd van zulk een Rijksdistributiebureau kon worden gesteld, werd mijn aandacht gevestigd op den heer A. G. A. van Eelde, een civiel-ingenieur die door den aard van het werk dat hij in den regel verricht, veel en velerlei ervaring heeft opgedaan en wien de leiding van zulk een bureau met vol vertrouwen in zijn onpartijdigheid kon worden opgedragen. Toevallig was de heer van Eelde tijdelijk beschikbaar en was hij bereid de Regeering ter zijde te staan, echter stond hij er op, zijn dienst belangeloos aan het land te verleenen en moest die wensch worden geëerbiedigd.

De inrichting van het Rijksdistributiebureau van graan en meel is, natuurlijk onder oppertoezicht van- en in overleg met den verantwoordelijken Minister, geheel door den heer van Eelde geschied, die gedurende den tijd, dat hij aan het hoofd daarvan heeft gestaan, d. w. z. gedurende de maanden waarin alles moest worden georganiseerd en in gang gezet, aan het land groote diensten heeft bewezen. Hier was, in tegenstelling met hetgeen bij den aankoop hoofdzaak was, handelskennis en ervaring op de graanmarkt bijzaak; hoofdzaak was hier, naast organiseerend talent, volstrekte onpartijdigheid tegenover de verschillende bij de distributie uit elkander loopende belangen en helderheid van inzicht, gepaard aan stevigheid van karakter, opdat partijdige adviezen, ook al werden die te goeder trouw gegeven, als zoodanig werden doorzien en van hun partijdigen kant ontdaan, van wien of van wie het advies ook kwam. De inrichting en het op gang brengen van het Rijksgraanbureau was waarlijk geen gemakkelijke taak, maar ik meen te mogen zeggen, dat bij de vervulling daarvan geen groote fouten werden begaan en dat na eenig zoeken en tasten het bureau getoond heeft op de hoogte te zijn van de opgaaf, waarvoor het zonder eenige voorbereiding werd gesteld.

In de Eerste Economische Nota werd over den Rijksaankoop van granen en voederartikelen en over het Rijksdistributiebureau van die waren gezegd: „Bij de uitoefening van dezen zeer buitengewonen diensttak zit de dubbele bedoeling voor: 1º. zoolang deze dienst zal werken, de distributie der aangekochte artikelen zooveel mogelijk te doen geschieden met gebruikmaking van de diensten van hen, die in het vrije verkeer gewoon zijn die distributie te bezorgen, en 2º. zoodra gebleken zal zijn, dat de toevoer langs den minder van het gewone verkeer afwijkenden weg van aankoop door particuliere importeurs, met adresseering van de goederen aan de Regeering, zonder dat deze goederen daardoor ophouden geheel voor rekening der importeurs te zijn, in voldoende mate verzekerd kan worden, zich allengs terug te trekken en zoodoende den invoerhandel, voor zoover dat onder de tegenwoordige omstandigheden mogelijk is, zoo spoedig mogelijk weer tot de particuliere importeurs terug te leiden”.

Het tweede deel van deze tweeledige bedoeling is voor den oorlogstijd een vrome wensch gebleven. Behalve de bezwaren die ik zooeven reeds noemde, verzette zich tegen de vervulling daarvan eene allengs meer nijpende schaarschte aan scheepsruimte, gepaard met toenemende moeilijkheden, waarmede ook de onzijdige scheepvaart te kampen had. Deze laatste bezwaren wogen voor de Regeering natuurlijk evenzeer als voor particuliere importeurs, maar zij konden toch bij gecentraliseerden aanvoer voor Rijksrekening gemakkelijker worden overwonnen. Daartoe werd o.a. al heel spoedig met de Holland-Amerika lijn gecontracteerd over het beschikbaar houden van de noodige laadruimte voor het vervoer van regeeringsgraan en werd er zooveel mogelijk de hand aan gehouden, dat bij vertraagde naleving van de aangegane verplichtingen, het beroep op overmacht tot ernstige uitzonderingsgevallen zou worden beperkt.

De verzekering van den geregelden toevoer van de noodige tarwe alsook van rogge, voor zoover die kon worden verkregen, was zulk een levensbelang voor de bevolking, dat proefnemingen met vrijlating van den aanvoer door particuliere importeurs niet mochten worden genomen. Bij sommige veevoederartikelen, met name ten aanzien van maïs, geschiedde dat wel, maar het resultaat was zoo weinig bevredigend, dat aan uitbreiding daarvan tot het broodkoren niet viel te denken. Een schip op het strand, een baken in zee.

Bij de graandistributie kwamen, vooral in den aanvang, toen er nog geen regeling was, die eenige vastheid had verkregen, moeilijkheden van zeer verschillenden aard voor, die nog vergroot werden, doordat plotseling in bestaande verhoudingen moest worden ingegrepen en er voor gezorgd moest worden, dat dit ingrijpen niet tot te groote ongelijkheden en onbillijkheden voeren zou.

Een der eerste vragen die beantwoord moest worden, was het bedrag waarop de maximum-prijs voor graan en meel moest worden vastgesteld. Deze vraag deed zich reeds aanstonds voor, eenige weken zelfs voordat het Rijksgraanbureau in werking trad. Zij was hierom nog te moeilijker, omdat op het oogenblik dat zij door de omstandigheden werd gesteld en zonder verwijl beantwoord moest worden, er nog geen zekerheid bestond of, en zoo ja op welke wijze, regelmatige aanvoer van Amerikaansch graan kon worden verkregen. De maximum-prijsbepaling voor het meel zoowel als voor het inlandsche graan moest dus geschieden onafhankelijk van den prijs voor het uitheemsche graan, waarvan hier nog slechts een voorraad voor 2 of 3 weken aanwezig was. Als gevolg van een langdurige bespreking, welke ik in het midden van Augustus in het bijzijn der betrokken afdeelingschefs op het Departement van Landbouw had met enkele meelfabrikanten en enkele bakkers, werd de maximum-prijs van het tarwemeel door mij bepaald op ƒ 14 per 100 K.G. In de vergadering van de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914 zeide ik daaromtrent, in antwoord aan den heer Troelstra:

„De prijs van het tarwemeel was lager en het is dus niet te ontkennen, dat sommigen, die een eenigszins grooten voorraad meel hadden, door deze hoogere prijszetting een zeker voordeel hebben behaald. Aan den anderen kant moet men echter niet vergeten, dat de prijs van het meel, die nu officieel is vastgesteld op ƒ 14 per 100 K.G., buitengewoon laag is in verhouding tot den prijs van de Amerikaansche tarwe, welke prijs ongeveer ƒ 16, ƒ 17, ƒ 18 is, en welke tarwe niet gemist kan worden voor vermenging met inlandsche tarwe ter bereiding van goed brood. Men heeft dus deze abnormaliteit, dat de prijs van het meel per 100 K.G. belangrijk lager is dan de prijs van de Amerikaansche tarwe op dit oogenblik.

„Dit nu is uitstekend te verdedigen, aangezien inderdaad bij die prijszetting gerekend werd met de hoeveelheid, die men reeds had. Doch daartegenover staat, dat in het vrij verkeer, als men de zaken had laten gaan, op het oogenblik de prijs van het meel, die vastgesteld is op ƒ 14, ongetwijfeld zou zijn ƒ 20 en daarboven.... Men heeft natuurlijk bij deze prijszetting allerlei moeilijkheden, en precies juist zal men het wel nooit doen. Maar dat deze prijs te hoog zou zijn gesteld, meen ik, alle omstandigheden in aanmerking genomen, te moeten betwisten.”

Al heel spoedig na die prijszetting kwamen bij het Departement van Landbouw berichten in, dat sommige meelfabrikanten toch boven den vastgestelden maximum-prijs verkochten en zelfs dat een burgemeester, wien de schrik om het hart geslagen was, een partij meel van een meelfabrikant in zijn gemeente in koop had aangenomen voor ƒ 20 per 100 K.G. Door eenige telegrammen, waarbij aan burgemeesters opdracht werd gegeven de voorraden bij enkele onwillige meelfabrikanten in hunne gemeente in beslag te nemen, en waarbij de circulaire van 8 Augustus omtrent de wijze van taxatie werd in herinnering gebracht, kwam men deze moeilijkheden spoedig te boven. De meelfabrikanten maakten bij den vastgestelden maximum-prijs voor hun voorraad toch niet zulke slechte zaken en hoewel zij, als men de zaak op haar beloop had gelaten, daaraan heel wat meer verdiend zouden hebben, moesten zij wel „faire bonne mine à mauvais jeu”, omdat hun spoedig duidelijk werd, dat diegenen onder hen, die zich niet goedschiks aan de regeeringsmaatregelen onderwierpen, gevaar liepen bij de distributie van het regeeringsgraan te worden voorbijgegaan.