Oorlogsfilosofie

Part 9

Chapter 92,728 wordsPublic domain

En vanwaar dan, moet STEINMETZ zich toch afvragen, bij zo weinig offervaardige mensenliefde in het volk, al die helden, al die opoffering in de legers? Doet gevaar, doet nood wonderen? Neen. Nood leert bidden—wie niet vroom is, nood leert geven wie niet gul is, nood leert durven aan wie laf is. „Selber den Feigen erzeugt er den Mut” zegt SCHILLER terecht van de krijg. En STEINMETZ zelf heeft indertijd eens opgemerkt: „Vele... militairen zouden geen helden zijn, als zij maar laf dorsten wezen”—waarbij men denkt aan een gezegde van TH. GAUTIER: „Peu de gens ont le courage d'être lâches devant témoins”. Zo is oorlogsmoed dan voor een deel de moed der lafheid, die het niet gebracht heeft tot de lafheid van de moed. En voor de rest geeft oorlog ook hier geen ander karakter, geen andere neiging, maar ander motief en ander gedrag. Wie geen held is vóór de oorlog wordt geen held door de oorlog—en wie een held was van te voren hoeft het door oorlog niet te worden. Helden worden niet gekweekt, maar geboren... en gedood. De enige helden, die oorlog kweekt, zijn de dode helden van de luguber-panegyriese verlieslijsten, familieberichten en grafschriften. En de levende helden, die we zo nodig hebben, zijn nog zeldzamer dan te voren. Het is moeiliker, heroiek te leven, dan heroiek te sterven. Het vereist soms meer moed, zich te laten uitlachen, dan zich te laten sneuvelen. Doodsverachting is levensverachting. En levensverachting kan een zeer hoge—maar ook een zeer lage trap van zedelikheid bewijzen. Levensverachting kan het natuurlik gevolg zijn van een verachtelik leven, van een leven, dat het leven niet waard is. De desperado's met hun „moed der wanhoop”, de verloren levens, zij die niets meer te verliezen hebben, die niets of niet veel zaaks op het spel zetten, wanneer zij hun leven op het spel zetten, dat reeds verspeeld en verspild is, die bij wijze van uitgestelde zelfmoord uitgaan op supreem avontuur en dienst nemen ergens in den vreemde—dat zijn de heldhaftigste soldaten, de dappersten der dapperen. Van het vreemdelingenlegioen zegt de deskundige PIERRE MILLE: „Tout le monde y est brave, et la lâcheté le seul crime impardonnable”. Hoe dieper de levensernst en dus de levensvreugde wordt en hoe rijker en inniger de levensbanden, des te minder wordt er met het leven—ook van anderen!—gespeeld. Hoe lager het peil van een volk, des te groter, naar het schijnt, zijn doodsverachting, d.w.z. de verachting en onverschilligheid voor eigen en anderer leven. Hoe jong is in de geschiedenis de eerbied voor het leven van het kind, van de vrouw, van de arbeider. Wanneer wij ons trachten voor te stellen, welk een erbarmelik waardeloos ding het leven voor de grote massa bij tal van volken nog is in onze dagen, en daarbij denken aan de rol van het geloof, dat verlossing belooft en eeuwige hemelse zaligheid, dan begrijpen we de wellust, de vervoering van die inlandse poepoetans waarvan ons VAN KOL vertelt, die opperste doodsverachting van de barbaarse Derwisjen, waarvan STEEVENS („_With Kitchener to Khartoum_”) verhaalt bij NORMAN ANGELL, die voor hun Mahdi even prachtig sterven als zij hem schandelik verraden en beroven. En ik herinner aan het Russiese „nitsjewo”, „het doet er niet toe”, die berustende, fatalistiese levensonverschilligheid, die zich gedwee de krijg en de dood in laat drijven, waaromtrent STEINMETZ zelf citeert (126): „Es ist unnütz, sich dem Willen Gottes zu widersetzen, und auch eine Sünde... Sind wir nicht auf der Erde zu einer kurzen und schmerzlichen Prüfung? Selig der, den der Himmel zu sich ruft. Warum lebt man, arbeitet man, geht in den Krieg, tötet, gehorcht? Wer befiehlt alles? Wer kann das wissen? Die Vorgesetzten wissen es... So ist der Russe; so haben sie ihn gemacht”. „Für ihn ist alles verboten. Etwas unternehmen, verboten! Wünschen, verboten! Denken, verboten! Was hat er dafür zum Ersatz? Den Himmel”... „Er weiss zu sterben, sonst nichts”.

Zo kan dus levensopoffering alles wezen—van het verhevenste martelaarschap tot de genotzuchtigste spekulatie en de lafste levensontvluchting—moedeloosheid en zwakheid evenzeer als moed en kracht. Doodsverachting is derhalve geen bewijs van zedelike grootheid en karakter. Allerminst in oorlog, met zijn fataal moeten, zijn kollektieve zelfvergeten bezinningloosheid en zijn atmosfeer van levensgevaar, waarvan de druk ten slotte niet meer wordt gevoeld. Al verdienen ongetwijfeld tal van vrijwilligers onze volle bewondering—wij moeten ons hoeden voor de romantiese overschatting van het krijgsheldendom. Een volk van helden sans peur et sans reproche is evenzeer krijgslegende als een volk van huichelaars of van onmensen.[65] Gelukkig worden ons van alle strijdende legers tans ongeveer dezelfde deugden en ondeugden gemeld—hoe minder reden voor verhovaardiging en verwijt, des te meer kans op verzoening sans rancune. Oorlog en romantiek zijn van ouds verwante leugenmachten geweest. Wee de dubbele leugen der oorlogsromantiek! Want oorlog is waarlik een te ernstige zaak om ons te laten verblinden en verzoenen door de schone, de demonies schone schijn.

[65] Hoe er met het „heldendom” gesold wordt in oorlogstijd blijkt het best, wanneer b.v. een officier schrijft over de „heldendood” van de... paarden, of de hofdichter JOSEPH VON LAUFF zelfs een krijgspoëem aldus besluit:

„Wird gewiss die fleissge Berta Unsre grösste Heldin sein!”

En laten wij het rustig dragen, wanneer men ons matig ontzag voor het oorlogs-heroïsme en zelfs ons tegenstanderschap van oorlog in het algemeen duidt, gelijk men pleegt te doen, als gebrek aan eigen moed. Zo schrijft STEINMETZ van de reeks denkers, die oorlog hebben veroordeeld, dat zij dat mogelik deden „aus eigenem Mangel an den von uns angeführten Kriegsqualitäten” (sc. een zekere graad van egoïsme en van meedogenloosheid benevens „Mut und Wagelust”), „was öfter als man meint der Fall sein wird”. Een ander vurig oorlogsvriend noemt de tegenstanders „alte Weiber in Männerhosen, die den Krieg fürchten und _darum_ jammern, er sei grausig oder hässlich”[66] of „Stubenhocker, die uns den Krieg verleiden wollen”, of „Friedensseuchler”, „weibische Pazifizisten”... We willen hierop alleen antwoorden, dat de vrouw de kunst, heldhaftig te leven, waarschijnlik beter verstaat dan de man, dat harer is dat minder opzichtig, minder roemrucht, maar zuiverder en verhevener heroïsme van het dageliks leven, het heldendom van de stille glimlach, die andere moed, die ook in oorlog van haar wordt gevergd en verwacht, „l'autre courage, dont le génie n'est qu'une longue patience”, naar SARCEY's fijne variant. En voorts, dat „Stubenhocker” soms meer moed behoeven en betonen dan ooit het „veld van eer” vereist—dat mogelikerwijze bijvoorbeeld LUTHER zijn stellingen of GIORDANO BRUNO, „de martelaar der nieuwe wereldbeschouwing”, zijn denkbeelden achter de warme kachel heeft uitgebroed.

[66] Deze schrijver zegt: „Nein, der Krieg ist schön”—en behoort tot die ophitsers, die naar deze oorlog gesnakt hebben. In de „Jung-deutschland Post”, Wochenschrift für Deutschlands Jugend, schreef hij in het artikel van 25 Jan. 1913, waaraan het tekstcitaat is ontleend: Heidendom en Christendom leren, dat de zielen der doden geen rust hebben „bis ein Kampf mit Sieg und Triumph unserer Waffen geendet hat.” ....„Darum ist der Krieg die hehrste und heiligste Aeusserung menschlichen Handelns”... „Auch uns wird einmal die frohe, grosse Stunde eines Kampfes schlagen. In Tagen zweifelnder, vorläufig nur heimlich frohlockender Erwartung” klinkt dan de Ruf zur Schlacht en het volk zingt ‚Es braust ein Ruf wie Donnerhall’... „Ein echter Schlachtenchoral ist das Lied und doch klingt jauchzend des Deutschen Freude an Krieg und Heldensterben hinein”... „Ja, das wird eine frohe, eine grosse Stunde, die wir uns heimlich wünschen dürfen. Der laute Wunsch nach Krieg wird oft zu eitlem Prahlen und lächerlichem Säbelrasseln. Aber still und tief im deutschen Herzen muss die Freude am Krieg und ein Sehnen nach ihm leben”.... het is heerliker „auf der Heldentafel in der Kirche ewig fortzuleben, als namenlos den Strohtod im Bett zu sterben.” Volgt geestdriftig relaas van een soldatenlied, hoe de oude Fritz „im Wolkensaai droben” de gevallen helden met „Präsentiermarsch” ontvangt.... „Das sei Jungdeutschlands Himmelreich. So sehne es sich, an unseres Herrgotts Tür zu klopfen.” (Aangehaald uit: _Der deutsche Chauvinismus_ van Prof. Dr. O. NIPPOLD, Veröffentlichungen des Verbandes für Internationale Verständigung, Heft 9).

* * * * *

We moeten het er zelfs op wagen, te ontkennen, dat een grote oorlog vanzelf betekent een „grote” tijd. Zeker, titanies zijn de krachten, tans ontketend, tot verdelging, maar ook tot redding en behoud. Wat titanies is, groot van afmetingen, wekt bewondering, imponeert. Groot en groots, hoog en verheven hangen ook psychologies ten nauwste samen. Maar hoeden wij ons wederom voor de schijnverhevenheid van wat alleen door zijn afmetingen groot is en geweldig. Waarlik groot en groots is een tijd van geestelik nieuw leven, nieuwe bezinning, nieuwe verrijzenis, nieuwe schepping, nieuwe bevrijding—groot was de Renaissance, de Hervorming, de Revolutie—maar niet een geesteloze tijd van nieuwe verbittering, nieuwe verdwazing, nieuwe gebondenheid, die geen hoger en ruimer idealen meer kent dan die van een verwoed geprangd patriottisme. Zulk een tijd „heilig” te noemen is van een soortgelijke frivoliteit als de hedendaagse fabricering van „heilige oorlog”. Neen, groot is deze oorlogstijd nog lang niet, trots zijn grote momenten, die we dankbaar erkennen[67]. Zeker, het is een tijd van katastrofe, van ommekeer. Er kàn uit deze woeling en dit wee, uit deze baaierd groots en blijvends te voorschijn komen... maar helaas, zowel ten kwade als ten goede! Dat vergeet ons onverbeterlik illusionair, misschien beminnelik maar stellig gevaarlik optimisme maar al te gaarne—en het verkondigt al vast het hymnies geloof, „dat deze ontzettendste van alle oorlogen een nieuwe aarde ons zal brengen, vernieuwing en verjonging op elk gebied... uit georganiseerde krankzinnigheid, georganiseerde gezondheid...”. Het kan zijn. Maar het kan ook zijn, dat tientallen van jaren de volken op zichzelf en in hun onderling verkeer niet weer kunnen brengen op het peil van vóór deze oorlog. Het kan ook zijn, dat haat en wrok en wraakzucht blijven, wanneer de noodsolidariteit al lang weer spoorloos is verdwenen. Het kan ook zijn, dat deze oorlog voldoende verwikkelingen brengt (met het verre Oosten bijvoorbeeld) voor tal van nieuwe oorlogen... Het kan ook zijn, al klinkt het nog zo hard, dat al het bloed vergeefs is vergoten, dat voor al wat onherroepelik verloren ging geen andere vergoeding ons wacht, dan het trieste voordeel, dat deze oorlog ons altans verlost heeft—van deze oorlog. Het kan zijn, zeer zeker, dat deze oorlog nu eens een waarlik grote volksbeweging ontketent tegen die minderheidsmachten, die de vreedzaam verkerende, stoffelik en geestelik wedijverende volken in oorlog en vijandschap hebben gedreven: een aan vrede ziekend militarisme, een feodale geheime onverantwoordelike diplomatie, een „blint, van staetzucht aengevoert” chauvinisme, een veile stookpers en last not least een deels dynastiek-militair, deels groot-kapitalisties imperialisme. Maar het kan ook zijn, dat de volken de sukkels blijven, van wie STEINMETZ profeteren kan: „nur ein bischen politische Aufregung, die so leicht gemacht wird, und die Kriegsstimmung ist da!” (337). De sukkels, die hun wereld door oorlog niet alleen met hun bloed, maar telkens ook weer rijkelik met nieuwe oorlogskiemen laten bezaaien voor kind en nageslacht. Nog altijd was oorlog het koren op de molen van het militarisme; vulgair betekent nederlaag vóór alles: beter bewapening, revanche—zegepraal: legerverheerliking. Zal het ditmaal anders gaan? Zal men tans uit oorlogsroes en vijandschapswaanzin ontwaken met een stille beschaming zonder overwinnaarsverwatenheid en overwonnelingenwrok, tot een vrede, die geen wapenstilstand, maar vergiffenis en verbroedering betekent? Zal er tans een machtig verzet rijzen tegen oorlog als instelling, die met recht en geweten vloekt, die hand en ziel bezoedelt met onschuldig broederbloed—tegen de parasiet, die de volkskracht erger uitmergelt, jaar in jaar uit, dan dat andere slechts voor de belanghebbenden „versterkende middel”, de alkohol, en die van de resterende krachten dan nog het beste deel verslindt in „krachtmetingen”, door onuitroeibaar redeloos „toeval” bedorven? Zullen de volken, zal het volk eindelik waarborgen eisen en nemen tegen overrompeling met „door niemand gewilde” krijg? Zullen zij eindelik inzien, dat niet hun vijandschap of belangenstrijd oorlog verwekt, maar juist omgekeerd oorlog alleen, oorlogsvoorbereiding en oorlogskliek, hun belangen en hun gemoederen scheidt en hun geesten verblindt voor hun wezenlike, bij stijgende kultuur steeds klaarder besefte stoffelike en geestelike solidariteit? Ja, dàn zou dit waarlik een grote tijd kunnen worden! _Maar zulk een grote tijd eist een groot geslacht_—eist edelmoedigheid en wijsheid. En is niet oorlog de vijand van deze deugden? Laat ons dus onze verwachtingen niet te hoog spannen. Deze oorlog zal stellig niet de laatste zijn. Maar even stellig zal oorlog wijken voor rechtsgemeenschap. Dat waarborgt ons heel de ontwikkelingsgeschiedenis van enkeling en mensheid, die leidt „van versnippering en strijd tot organisatie en eenheid”. Internationale eenheid en organisatie is op komst in het ekonomies leven der mensheid—internationale eenheid en gemeenschap straalt over de wereld uit het rijk van de wetenschap (al verleidt oorlog zelfs hier tot enkele persoonlike kleingeestigheden), van de kunst (al stempelt oorlog waardering van een VAN GOGH, CÉZANNE, HOKUSAI tot „vaterlandsvergessene Schwächlichkeiten”), van de wijsbegeerte, van zedelikheid en recht: internationaal en één is de Objektieve Geest. Die zal de oorlog doden. En het zal geen vloek zijn, maar een zegen.

„Dan zal hij scheidsrechter zijn tussen talrijke volken, en sterke natiën hoe ver zij ook wonen terechtwijzen en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden en hun speren tot sikkelen, niet meer zal volk tegen volk het zwaard opheffen en zij zullen de krijg niet meer leren— maar ieder zal zitten onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom en niemand meer zal hen verschrikken”.

MICHA IV: 3, 4.

[67] Groot is bijvoorbeeld het antwoord van de Belgiese regering en het Belgiese volk op het ultimatum van de Duitse regering. Want „_De_ [Duitse] _Waarheid over den Oorlog_” heeft gelijk (bl. 67): „De Belgen zouden wijs gehandeld hebben, als zij vrijwillig den doortocht van de Duitsche troepen hadden toegestaan. Zij hadden daarmede de ongereptheid[?] van hun gebied verzekerd, en met de goed en contant betalende Duitsche troepen geen slechte zaken gedaan.” Heil de Belgen, die de dwaasheid van de plicht, al kost die het land en het leven, hebben verkoren boven de wijsheid van de goede zaken.

INHOUD.

Blz.

I. INLEIDING. TEGEN STEINMETZ' METHODE 5

II. DE OORLOGSRECHTVAARDIGING.

1. De Oorlogsnadelen. Gestoorde illusies 13

2. Oorlogs onmisbare kultuurfunktie 18

III. DE KEPER.

1. „Staties” Recht en „dynamiese” Oorlog 22

2. De kollektieve selektie 25

A. Gunstige individuele selektie. Groepenstrijd en selektieverbetering zonder oorlog 26

B. Wat oorlogs kollektieve selektie verhindert en bederft 32

a. Geen groepsuitroeiing meer 32

b. Contraselektieve faktoren? 33

c. De non-selektieve faktoren: het oorlogstoeval 36

d. Besluit: Oorlog als wereldgericht. Des Pudels Kern 44

3. Oorlog als hervormer en opvoeder 47

4. Oorlogs alzijdigheid. Strijd met álle middelen? 49

5. Oorlog als Genotmiddel 58

6. Staat en volk, isolement en liefde zonder oorlog 59

IV. OORLOGSPATRIOTTISME EN OORLOGSHEROÏSME. EEN GROTE TIJD? 70

Bij den Uitgever dezes is vroeger verschenen:

KENNISLEER

CONTRA

MATERIE-REALISME

BIJDRAGE TOT „KRITIEK” EN KANT-BEGRIP

DOOR

LEO POLAK, JUR. DOCTS.

XVI+434 blzn., prijs [f]#3.90# ing., [f]#4.50# geb.

„De eerste pennevrucht van den heer Leo Polak is niet een boek, dat gelezen, goed- of afgekeurd en daarna weder vergeten zal worden. Want het is een boek van een denker”............ „In dien dubbelen zin zijn er maar weinige denkers”........ „door zijn enorme belezenheid, zijn goed begrip en zijn buitengewoon critisch talent was hij instaat een boek te leveren van groote zelfstandige waarde”.

(Uit het art. van Prof. Dr. Jhr. VAN DER WYCK in _Onze Eeuw_, October 1913, over „Het Boek van Leo Polak”.)

BOEK- EN KUNSTDRUKKERIJ

V/H ROELOFFZEN-HÜBNER & VAN SANTEN,

AMSTERDAM.

+--------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: wordt niet voordurend deze verhouding | | C: wordt niet voortdurend deze verhouding | | B: geen oorlogslachtoffers, hoe talrijk ook, | | C: geen oorlogsslachtoffers, hoe talrijk ook, | | B: verfoeit,die hem zedelik | | C: verfoeit, die hem zedelik | | B: zelfopvoeding der mensheid_”[15] En wij | | C: zelfopvoeding der mensheid_”.[15] En wij | | B: aanhang invloed, macht en eer | | C: aanhang, invloed, macht en eer | | B: oordeel over Rusland, _Ph. d Kr_ | | C: oordeel over Rusland, _Ph. d. Kr._ | | B: levenshouding en levenstijl—al die fijner | | C: levenshouding en levensstijl—al die fijner | | B: geestestrijd strijden—dat alles komt | | C: geestesstrijd strijden—dat alles komt | | B: of „veelzijdig” „intellektueeel” bedrog, | | C: of „veelzijdig” „intellektueel” bedrog, | | B: Wederom—wie te bewijst niets, | | C: Wederom—wie te veel bewijst, bewijst niets, of | | B: en geestestromingen, hygiene, wetenschap | | C: en geestesstromingen, hygiene, wetenschap | | B: die geen „krachtig” geen „lebenswertes, | | C: die geen „krachtig”, geen „lebenswertes, | | B: „Van deze laatste moraalregel verklaart | | C: Van deze laatste moraalregel verklaart | | B: zijn, daat haat en wrok en wraakzucht | | C: zijn, dat haat en wrok en wraakzucht | | | +--------------------------------------------------------+