Oorlogsfilosofie

Part 8

Chapter 83,221 wordsPublic domain

Verwijlen we tans nog een ogenblik bij de psychologie van oorlog,—inzonderheid bij wat ons deze „echtste” aller oorlogen daaromtrent leert—bij oorlogstemming en oorlogsdeugd: oorlogspatriottisme en oorlogsheroïsme, die ons als de beste, hoogste voortbrengselen van oorlog worden geprezen. Van stemming moeten we spreken—tot karakterwijziging is oorlog weer niet in staat: men _verliest_ zijn egoïsme niet, maar _vergeet_ het door oorlog... een wijle.[57] Vooral kleine bekrompen zielen, voor wie in vrede geen gemenebest bestond—ze beleven in oorlogstijd een ongekende wijding en verheffing—ze worden letterlik boven zich zelf uitgeheven—zijn beter, ruimer, groter dan ze zijn. Heel die massa, die van ouds door haat en woede—de officiële krijgsterm is „heilige toorn”—eer ontvlamt dan door verering en liefde, allen die bovendien ongevoelig genoeg zijn voor het eindeloos triest en onherstelbaar leed, dat elke oorlogsdag over de duizenden gezinnen neerzwaddert—zij kunnen in oorlogsdagen een levensvolheid, een „Lebenserweiterung”, een zaligheid genieten als nooit te voren, vooral na zegepralen, wanneer de vreugde nog gekruid wordt door kontrast, kollektieve trots en leedvermaak. De besten zullen het nooit verder kunnen brengen dan tot een elegiese stemming, een weemoedige blijdschap. Maar de meesten zullen inderdaad hun eng-persoonlike belangetjes, beslommeringen en verheugingen kleiner zien dan anders, zich gedragen voelen, opgestuwd door een machtige stroom van gemeenschapsleven. De betrekkelike waarde daarvan ontkennen we niet—al is de oorlogsolidariteit slechts troebel surrogaat van zuivere kultuurgemeenschap, en al werkt deze kollektieve gemoedsberoering en aandachtbepaling als bewustzijnsvernauwing zeker niet minder ten kwade dan ten goede. Allerlei frivoliteit schijnt weggevaagd door de ernst van de tijd. Parijs en Berlijn heten „solide” geworden. Maar laat ons van de nood geen deugd maken. Het Luna-park werd lazaret. De neigingen zijn dezelfde gebleven, ook waar ze tijdelik zijn verdrongen. En dan nog... Het krantenlezend publiek zou vreemd opkijken, wanneer het las, hoe een der grote geneeskundige tijdschriften (Frans, Duits of Engels, dat doet er hier niet toe) klaagt over het schrikwekkend toenemen van geslachtsziekten onder de troepen op het oorlogspad... over het door afschuwelike cijfers geïllustreerd deernengevaar voor de strijdende legers zelf en voor de gezinnen thuis. Ook tegen alkoholuitspattingen zijn in oorlog de strengste verboden nodig—en ontoereikend. Maar met het nodig voorbehoud erkennen we, dat oorlog, als alle nood, gevaar en smart, de lust tot allerlei ijdel en wuft vermaak beneemt, allerlei klein gehaspel, gekijf en gedoe aan kant zet. Het levensgevaar stemt ernstig, het landsgevaar bovendien solidair, maatschappelik, offervaardig.—Zo levert oorlog, nog boven pest en aardbeving, vermoedelik zelfs in Nederland, de tekst voor menige waarlik niet onstichtelike preek over „het nut der tegenspoeden”. En hij heeft daarenboven z'n verheffende, soms zelfs verheven momenten. Want men offert dan toch z'n leven, z'n man, z'n kinderen menigmaal zelfs min of meer vrijwillig. Ik weet van een moeder, die vier zoons verloor en zich slechts beklaagt over de vijfde, die zich niet heeft opgegeven als vrijwilliger. Dat zijn ongetwijfeld „hoge gevoelens” ik zou niet eens durven zeggen, gelijk ik ergens geschreven zag, „van lager orde”. Laat men offeren aan een waan, blinde liefde kan groter zijn dan verstandige berekening. Toch blijft oorlogstemming zóver beneden ware grootsheid, ware wijding, dat wij geen volk er om zouden benijden, ook al was ze zonder oorlogsellende te krijg. Te zeer is ze razernij, zelfs van haar deugden, te zeer is vijandschap, haat de grondtoon, zelfs van haar solidariteit. De verhitting der gemoederen en geesten is een bewustzijnsvernauwing, die kritiekloos, uitzinnig, ontoerekenbaar maakt, als in roes, droom of hypnose. Vals en krijsend zijn de geluiden uit oorlogsland, die het volk zelf houdt voor zuivere bezielde muziek. Welk een walmen van leugen en laster, geschimp en geschamper slaan ons tegen uit de pers! Vergiftigd blijkt heel de atmosfeer. Iets poenigs is in de geesten gevaren, iets van de „miles gloriosus” onzaliger gedachtenis, met z'n chauvinisme, z'n eigengerechtigheid, z'n zelfoverschatting, „die fruchtbarste Mutter der Laster” (STEINMETZ). Zo wordt het patriottisme de doodsvijand van rechtszin en objektiviteit, en culmineert in het bewust en schaamteloos _right or wrong, my country_![58] „Objektivität wird da fast unmöglich, ja, sie gilt manchem als Verbrechen” schrijft de vrij bezonnen gebleven KAUTSKY in de _Neue Zeit_[59] van 2 Oktober. De wijsgerige taal-kriticus FRITZ MAUTHNER getuigt in een artikel over _Die Philosophie und der Krieg_: „Der gute Krieg ist es, der jede Sache heiligt”.... „Auch unser moralisches Urteil ist, ob wir wollen oder nicht, unwiderstehlich national und patriotisch geworden. Das angeblich[!] wissenschaftliche und unparteiische Gerede über völkerrechtliche Fragen widersteht uns”... „Die eigentliche Philosophie, die nüchterne Erkenntniskritik, hat vorläufig zu schweigen”. Maar fijner en erger is, wat STEFAN ZWEIG schrijft in zijn bovengenoemd opstel. Voorbij nu de heerlike vriendschap, m'n lieve vrienden, ik moet met m'n volk meehaten, „was in mir deutsch ist überflutet mein ganzes Empfinden. _Noch vermöchte ich, euch gerecht zu sein, aber ich finde den Willen nicht mehr, gerecht zu sein._ Heute ist das Mass verwandelt” enz. (zie boven; ik cursiveerde). Blinde haat is nu nodig, ik mag m'n soldaten niet door de stem van recht en rede, die ik in mij hoor, die ge hier van mij hoort, vermurwen! „Erwartet darum nicht, dass ich heute für euch spreche, dass ich sage, Belgiens Menschen sind nicht Meuchelmörder und Schänder von Verwundeten, die solche Taten tun, gehören in jene Unterschicht, die in jeder Masse den trüben Bodensatz bilden und von den Ereignissen emporgeschüttelt das Bild einer ganzen Nation trüben. Dass ich sage, Frankreich ist friedlich und nur verleitet, und nicht jeder Engländer sei perfid und pharisäisch, [laakt niet] dass ich nichts tue, mich mit Worten jener Welle von Zorn entgegenzuwerfen, die Deutschland heute gegen ihre Bedränger schleudert. Ich weiss, es wäre gerecht, dies laut zu sagen, und weiss, wie schön es ist, auch in der Leidenschaft gerecht zu sein. Aber für die Schönheit ist heute kein Raum in der Zeit”... „Wer noch nicht mitkämpft, darf den anderen zumindest nicht in die Waffen fallen”... „Aber glaubt nicht darum, ihr Lieben, es sei mir leicht, dieses Schweigen!” Maar het moet terwille van de natie en haar eenheid. „Unsere Freundschaft ist vergeblich, solange unsere Völker in Waffen sind, aber sie wird zwiefach wertvoll nach jenem grossen Ringen. Denn dann wird statt jenes heiligen Zornes viel kleine Bitterkeit, viel niederer Groll, viel erbarmliche Gehässigkeit in der Welt sein, dann wollen wir unser Samariterwerk beginnen, die Wunden zu heilen, die unsere Brüder geschlagen haben. Wir wollen versuchen, soweit unsere Kräfte reichen, unsere menschliche Freundschaft vorbildlich zu machen für eine der Völker”... Dat is smartelike, bijna edele verzaking van recht en waarheid, waartoe het patriottisme deze voorname, nobele geest verleidt.

[57] Vgk. STEINMETZ, 206: „Nie wird der natürliche Egoismus durch Hunderttausende so vollständig vergessen als eben im Kriege.”

[58] Toch twijfelt bij de keuze tussen gerechtigheid en patriottisme het zedelik besef geen ogenblik: het heeft van ouds de gerechtigheid gemaakt tot attribuut van de Godheid en het patriottisme zelfs voor een stam- of krijgsgod niet goed genoeg geacht. Ook de God van Duitsland of van Rusland of van Turkije zal wel een God zijn van „waarheid en gerechtigheid”.

[59] Dit tijdschrift heeft merkwaardig weinig van de oorlogstemming geleden. Zie b.v. hoe ECKSTEIN er het befaamde manifest der 93 in beoordeelt onder het motto: _Der Fachmann als Laie_ (16 Okt. '14).

Soortgelijke bewuste rechtvaardigheidsverzaking horen wij uit Frankrijk, wanneer b.v. de oud-communard ALBERT GOULLÉ schrijft in zijn _Le Salut Social_: „Als de jonge mannen van mijn land aan het vechten zijn tegen de jonge mannen van een ander land, dan kan en wil ik niet onpartijdig zijn. De onzen zijn helden. Zij die de onzen willen doden zijn bandieten.—Ik schaam me er in het geheel niet over, dat ik te hunnen aanzien vol haat en onrechtvaardigheid ben.”

En welk een vergroving en verruwing in het algemeen, ook en juist van hen, die we gewend waren, als de grootsten en de besten van hun volk te beschouwen, welk een ziekelike zelfverheerliking, en welk een lomp smaden en schelden zonder billikheid en zonder matiging—eenzijdig, klein en bekrompen. Belangwekkend en kenschetsend in deze zijn ook de lagere regionen—zo bereiken de spotbladen bijvoorbeeld tans een mate van ordinairheid, die zelfs in het eigen land weerzin en verontwaardiging wekt—maar corruptio optimi pessima, het bederf van de besten is het ergst. Onder de geestelike keurbenden woedt een patriottiese verdwazing, die in haar al te kompromitterende uitingen (ten onzent denke men aan het geval LASSON) door eigen landgenoten als „intellektuele oorlogs-neurose” en als on-nationaal wordt gedesavoueerd, maar in niet minder beklagenswaardige vertolkingen de volksstemming maar al te zeer in 't gevlei komt. Wie had ooit van een zo universeel wetenschappelik denker als WUNDT een pamflet verwacht als zijn rede „_Über den wahrhaften Krieg_”? Alleen de eigen groep (nu dus stellig ook Turkije) voert een waarachtige, een „_heilige_ oorlog”—de vijanden „den unwahren, den trügerischen und lügenhaften Krieg”, hun oorlog is „ein ehrloser räuberischer Überfall, dessen Mittel Mord, Piraterie und Flibustiertum sind, nicht der offene, ehrliche Kampf mit den Waffen”. Vraagt men bij het vernemen, dat de „wahrhafte Krieg” „nur die Abwehr fremder Vergewaltigung zum Zweck hat” schuchter: dus België? dan luidt het antwoord: „Was kümmern uns demgegenüber [sc. Engeland] die Belgier, die in ihrer waghalsigen Verblendung diesen Krieg geführt haben, um vor aller Welt endgültig ihre Existenzunfähigkeit als Staat zu beweisen?” Een WUNDT, de psycholoog, die geen onderzoek behoeft om de berichten „über angebliche Gewalttaten, die unseren wackeren Kriegern aufgebürdet werden” voor leugens te verklaren en van de vijanden elke laagheid te geloven: „Schweigen wir von den Greueln der Belgier, die zum Teil weinigstens auf die bestialische Wut Einzelner zurückgeführt werden mögen, wenn auch Anzeichen genug dafür vorhanden sind, dass die Mörder im bürgerlichen Rock mit ihrer Regierung und Heerführung konspirieren”.[60] Een WUNDT, de ethicus, die het Engels volkskarakter smaadt met een beroep op het utilisme van BENTHAM, hier geduid als de leer, wier grondstellingen luiden: „Jeder tue, was ihm selbst nützlich ist” en „Das Gut, das mehr Geld kostet, ist das höhere Gut”! Van deze laatste moraalregel verklaart WUNDT: „Diesen Grundsatz teilen zwar keineswegs alle[!] utilitarischen Philosophen Englands, aber der Dutzendengländer lebt nach diesem Rezept, und offenbar teilt ihn auch die englische Regierung” etc. Zo staan tegenover het Engels geldzuchtig utilisme „wij Duitsers” met ons heilig „idealisme”... Een WUNDT, die als doel van de door Duitsland te dikteren vrede na „die Millionen und Milliarden, die wir uns für die Not und das Elend dieser Wochen als Kriegsentschädigung zahlen lassen” allereerst stelt: het kleine Engeland te ontlasten van zijn „te veel” aan kolonies![61] Verder komen de Balten en de Russiese Polen onder Duitsland en Oostenrijk, Finland mag als zelfstandige staat Duitsland voor zijn bevrijding dank weten, een „mitteleuropäische Föderation” zal met de Verenigde Staten de vrede handhaven en zorgen, dat het Duitse volk „die führende Stellung gewinne und bewahre, die ihm gebührt”, „der Revanchegedanke muss den Franzosen für immer unmöglich gemacht werden”, terwijl België wordt overgeslagen en blijkbaar is ingelijfd.

[60] Omtrent de dum-dum-kogels: „England und Frankreich benutzen diese Geschosse”... enz. enz.

[61] Ik spot niet. „Von England freilich wird es wohl heissen: wem viel gegeben ist, von dem kann man viel fordern. England trägt ausserdem für einen kleinen Inselstaat allzu schwer an seinem kolonialen Besitz. Es wird uns reichlich zahlen müssen von dem, was es zu viel hat, wenn aus diesem Krieg eine gerechte Verteilung der kolonialen Kulturarbeit der Nationen hervorgehen soll”.

Ziedaar wat de oorlog van een WUNDT heeft gemaakt, het was mij niet mogelik, het u zonder zijn eigen woorden te doen beseffen. Er mag een weinig overwinningsroes der eerste weken bij in 't spel zijn[62]—het zijn nu eenmaal sterke benen, die de weelde van een zegepraal kunnen dragen en hoeveel kwaad bloed heeft niet reeds overwinnaarshoogmoed gezet sinds '70/'71—in 't algemeen hebben we hier een zuiver voorbeeld, dat met tientallen zou zijn aan te vullen, van de wijze waarop oorlog de geesten knauwt. Vertaal WUNDT's oordeel over de oorlog der vijanden in het Engels—spreek dus van „a war of assassination, pillage and destruction”—en ge hebt het algemeen Engels oordeel over... Duitslands oorlog—letterlik aldus geformuleerd door WILFRID WARD[63]. De Duitsers voeren „a campaign of systematic cruelty”. „Chivalry, honour, and humanity seem to have almost disappeared from the German army”... „the white flag has been constantly violated” enz. en zo is zijn slotsom: „The spirit fostered by the war has brought out in the one race an outburst of Christian virtue; in the other cruelty, excess, and treachery”, waarnaast we weer eens stellen een woord van de fijne Graecus en oud-grenadier WILAMOWITZ-MOELLENDORFF[64]: „Ja, der Krieg ist darum etwas Grosses, weil er die Herzen wägt; er bringt ans Licht, was in jedem Herzen ist”... zo heeft hij in het Duitse volk onthuld dapperheid, eendracht en trouw tot in de dood... „Und sehen Sie, was der Krieg enthüllt hat bei den anderen! [Zie, dat wordt goed, denkt men; die heeft dus oog gehouden voor hetzelfde verschijnsel buiten de grens]. Was ist herausgekommen aus der belgischen Seele? [Bravo, men kan het kleine volk, dat men uit nood moest overrompelen, altans z'n heroïsme nageven] Wie hat sie sich offenbart als eine Seele der Feigheit und des Meuchelmordes!” enz. Ieder weet „dass unsere Krieger unfähig sind zu den Gemeinheiten, zu dem Meuchelmord, zu der Hinterlist, mit der sich die Feinde [hier zijn het weer Fransen] nicht nur an unseren Soldaten, sondern auch an unseren Ärzten und Pflegeschwestern vergreifen, und unsere Verwundeten verstümmeln und abschlachten. Wir wissen, das kann ein deutscher Soldat einfach nicht übers Herz bringen. Es ist schon schrecklich, dass er es ahnden muss. Unsere Leute erfüllt es mit Ekel, wenn sie die Bestien aufhängen müssen. Aber sie müssen es wohl oder übel tun. Gebe Gott, dass unsere guten Leute draussen duren dieses scheussliche Handwerk nicht selbst verroht werden und gezwungen niedersteigen auf den tieferen Standpunkt der Zivilisation, dessen unsere Feinde sich wohl gar berühmen.” enz. Men leze nu daarnaast weer het in December gepubliceerde officiële Franse rapport van de 23 September benoemde commission d'enquête omtrent het gedrag van de vijand in Frankrijk, een rapport, dat voor een nuchter neutraal lezer niet meer en niet minder vertrouwen verdient, dan de soortgelijke Duitse rapporten—en men weet... nauweliks wat feller tegen de oorlogsgeest getuigt, de mentaliteit die zich in zulke daden of die zich in zulke woorden uit. Hoezeer het oorlogspatriottisme de geesten bezoedelt en de stemming vergiftigt—laat ons de persoonlike voorbeelden verder sparen, alleen nog opmerken, dat de Duitsers niet minder grof beledigd worden, b.v. door een MAETERLINCK of een BERGSON, dan zij bij monde van een EUCKEN of een SOMBART hun vijanden bejegenen. De grote namen vallen het meest op. Maar in alle kringen woedt de „ziekte”.

[62] Maar over „waarheid” en „leugen” treft ons uit alle oorlogslanden dezelfde verblinding. En nu pas nog, in Januarie, zegt Prof. REIN uit Jena, dat dit een „Krieg höherer Art” is, waarin Ormoezd, de heilige geest van licht en waarheid, staat tegenover Ahriman, de geest der duisternis en des leugens, een oorlog, die dus „die Entscheidung bringen soll über Wert und Unwert, Sinn und Unsinn, Kraft und Ohnmacht dieser Welt”.

Precies zo, maar natuurlik in omgekeerde zin, noemen b.v. Engelse theosofen als ANNIE BESANT dit een oorlog van de „witte” tegen de „zwarte” krachten, van „Right against Might, Law against Force, Freedom against Slavery, Brotherhood against Tyranny”.

[63] _The war spirit and Christianity_, Fortnightly Review, XII '14.

[64] _Zwei Reden_: Krieges Anfang, Die geschichtlichen Ursachen des Krieges.

Normale waardering van 's vijands karakter wordt onmogelik, of zwijgt, vermoedelik uit patriottisme, misschien ook door censuur. Wat weet trouwens de gemiddelde Duitser van de gemiddelde Engelsman en omgekeerd? Weinig meer dan niets. De taal isoleert deze volken nog op een wijze, die wij polyglotten ons nauweliks kunnen voorstellen. De onderlinge gezindheid is dus bijna uitsluitend oppervlakkig persmaaksel. Maar zie, daar verschijnt in het Septembernummer van Westermann's Monatshefte plots een artikel van Prof. Dr. ERNST SIEPER (die te München Engelse filologie doceert, en jaren in Engeland heeft gewoond) over „_Der Kulturwert Englands_”—men verwacht weer van 't uniform-laken een pak—en het blijkt van 't begin tot het eind loutere, boven alle krijgsrumoer en vijandschappelike verdwazing verheven hoogschatting van Engelse vrijheid en self-government (boven dril en Massregelung), religieusheid en soberheid, karakterkracht, „Kultur”... met getuigenissen als: „de Duitse docent heeft meer kennis, de Engelse meer beschaving”... en waarin slechts één zinnetje aan oorlog herinnert: ik schrijf allerminst om de Engelsen komplimentjes te maken, maar ten dienste van mijn Duitsers, want ik houd het er voor, dat men zelfs van z'n vijanden kan leren... Reeds voor gewone tijden was het een weldadig-ruim, anti-chauvinisties artikel—tans leek het mij groot—en groot het volk waarvan verwacht wordt, dat het zulk een erkenning van 's vijands deugd verdraagt, als iets dat van zelf spreekt. In het Oktobernummer verklaart de Redaktie: „Prof. Ernst Siepers Aufsatz.... war, so gern wir das getan hätten, nicht mehr zurüchzuhalten, als sich Englands wahres Gesicht durch die Kriegserklärung vom 4 August vor uns enthüllte”... „nun die Tücke des Feindes sich offenbart hat, wird das Schwert die Antwort geben und mit dem Verbrechen des Gegners auch die eignen Irrtümer sühnen.” Zo spreekt oorlog. En de schrijver zelf, aangevallen als een soort landverrader, had reeds openlik zijn daad verloochend, zijn gebrek aan takt betreurd.... het was een oud artikel geweest, dat tans niet had mogen verschijnen... Sic transit...

En blijft de vergoding van eigen volk, zaak, stemming niet even klein en onsmakelik als de kleinering van wat des vijands is? In één adem wordt gewaagd van „die erhabene Weihe dieser heiligen Zeit”... „wir kämpfen für das Göttliche”... en van „Verrat, Gemeinheit, Verständnislosigkeit dreier Völker”. Alom is het patriottisme geworden, „zur Kunst, mitzuheulen... zum Anreiz, grob absichtliche Geschichtsfälschungen als Religion hinwegzunehmen und in diesem Götzendienst seine Seele zu verraten” (SÄNGER). Hoor ook dat valse pathos, dat in de talloze bundels „krijgspoëzie” de volksstemming vertolkt, of in de krijgsretoriek tot uitbarsting komt. Neen, van een gewijde, heilige tijd stellen wij ons ander geluid voor.

Maar halt, laat dan het oorlogspathos, laat ook de oorlogsleuzen vals en voos wezen—oorlog is geen tijd van het woord, maar van de daad, en erken, dat de daden subliem zijn, dat oorlog helden kweekt, heilige offervaardigheid en stervensmoed. „Opferfreudige, sterbensbereite Menschenliebe ist nun einmal keine Existenzbedingung unseres gesellschaftlichen Lebens, Heroismus ist dagegen, wie alle Kriege bis auf den letzten in erhöhtem Masse beweisen, die Bedingung des Sieges im Völkerkampfe” (_Ph. d. Kr._ 205). „Ein Heer, in welchem der Heroismus so selten wäre wie die todesfreudige Menschenliebe im Volke, ware der Niederlage gewiss, es könnte kaum zum Kriege kommen.” (ib.)

Ik voel het, nuchtere kritiek doet hier, als zo dikwerf, aan als heiligschennis. Maar laat ons hier als elders niettemin de moed der waarheid hebben. En ik weet, gij mannen, die uw jonge levens en gij ouders en vrouwen, die uw jongens hebt moeten offeren aan de oorlogsmoloch, gij zult het mij niet euvel duiden, wanneer ik mij er tegen verzet, dat hij uw offers zelf gebruikt als propaganda voor zijn zaak.

Laat dan heroïsme één van de voorwaarden zijn van overwinning—ik begin met de opmerking, dat alle oorlogen tot en met de allerlaatste in verhoogde mate bewijzen, dat heroïsme zonder de nodige middelen het aflegt tegen de nodige middelen zonder heroïsme, dat een kanon eer een held of zelfs tal van helden uit de weg kan ruimen, dan dezen een kanon. Al waren al die 800 mannen van het fort Loncin stervensvaardige helden, de paar man, die het mortier bedienden, dat hen met één schot verpletterd heeft, hadden geen heroïsme daarbij nodig.