Part 7
Wanneer dit alles zich kon handhaven zonder oorlogsmogelikheid, of zelfs zonder staatsafscheiding, zou dan de Nederlandse, Franse, Duitse, Noorse taal, kunst, geest, kultuur zonder oorlogsgevaar vervloeien, bij behoud van dezelfde isolerende en bindende faktoren, bovendien nog gesteund door de wetgevende, politieke, rechtsbedélende, staathuishoudkundige, bestuurlike staatsafbakening? Hier als ginds is wedstrijd en tegenstelling, botsing of zelfs verongelijking nodig om de gevoelens fel te doen oplaaien—hier noch ginds zijn voor die strijd de schennende „wapenen der barbaren” vereist. Ja, zou men zonder oorlog niet eer voor te veel dan voor te weinig nationaliteitendom en taalparticularisme moeten vrezen? Zeker, indien daar niet de grote, horizonverruimende, steeds wassende transnationale verbindings- en scheidingsmachten waren: belangen en tegenstellingen, die over alle volks- en staatsgrenzen heen vliegen: ondernemerdom en arbeidersorganisatie (kapitalisme en socialisme), verkeer, krediet, al die internationale verenigingen en geestesstromingen, hygiene, wetenschap, om slechts een paar grepen te doen.—Maar de staat, die niet een taal- of volks-eenheid is, zal hij liefde kunnen wekken zonder oorlog, de Russiese staat, Oostenrijk-Hongarije, Zwitserland? Het is mogelik, dat een „individu” als de Russiese staat zich niet zonder wapengeweld, zonder oorlog zou kunnen handhaven. Maar dat pleit dunkt mij minder vóór oorlog dan tegen de Russiese staat. Een staat, die alleen door oorlog en vijandschap, door „nood en gevaar” de toewijding en liefde van zijn burgers zou kunnen winnen, zou liefde noch toewijding, laat staan levensopoffering, waard zijn. Moet de Russiese intellektueel, die zijn volk liefheeft, de Russiese staat beminnen, omdat de Russiese bureaukratie, de regering, de tsjinownik een oorlog onderneemt tegen Japan of elders? Voor wie is de tijdelike eenheid, die niet dieper wortelt dan in een negatieve haat- en gevaarsolidariteit, de oorlogsoffers waard? Geen beter toets-steen dan de vrede. Schijn- en dwang-eenheid, tegen vrede niet bestand, verdwijne. Zonder vrijheid geen liefde, ook geen vaderlandsliefde, die naam waardig. Zelfs het oorlogspatriottisme, zover het meer is dan maakwerk en roes, dan massa-psychose, dan blinde kollektieve opwinding van overprikkelde vijandig verhitte gemoederen, zover het elementen van geestdrift, van gemeenschapszin, van liefde inhoudt, geldt niet het abstractum „staat”, maar de konkrete „Heimat”, „huis en hof”, recht, macht, eer van eigen doorleefde kultuur en daardoor op z'n hoogst handhaving of herstel van geschonden recht als zodanig. De oorlogsfilosofie, die slechts oog heeft voor staten als militaire eenheden, kent als vaderlandsliefde slechts liefde jegens de „staat”, met miskenning van heel het onderscheid ten deze tussen staat en volk. Zo wordt dan de staat verpersoonlikt tot een „individu”, met eigen wil en karakter, die geen „krachtig”, geen „lebenswertes, intensives” leven kan leiden, zonder „gevaar en nood”, zonder „aggressiviteit”, zonder te willen „worstelen” met andere „individuen”, dat wil hier dus zeggen, zonder oorlogs- en roofzucht, het enige, wat hem de „hete liefde” der zijnen kan doen winnen, nodig om dezen uit hun suf, eng egoïsme op te stuwen tot ruim en vurig kollektief leven (196–200). Wie voor de staat zulk soort „leven”, zulk soort „liefde” vindiceert, moet zich wel beklagen, dat er „zu allen Zeiten nur wenige” waren, „von der echten Liebe zum Staate ergriffen” en in staat „wahrhaft staatlich zu denken”.
Levens- en liefdesvoorwaarden zijn nu eenmaal voor een staat niet alleen anders dan voor een enkeling[52], maar ook anders dan voor een volk. Wat volksliefde, hoofdelement van vaderlandsliefde, werkelik en mogelik maakt zonder oorlog, hebben we reeds gezien. Hoe de staat zich verknochtheid kan en moet verwerven zonder oorlog, door wijsheid en rechtvaardigheid in staatsbestel en staatsbestuur, door opheffing aller bevoorrechting, STEINMETZ zelf wijdt daaraan welsprekende ontboezemingen.[53] Onderscheiden we dus liefde voor volk en staat—ongetwijfeld kan niet slechts het een ten koste van het ander, maar kunnen ook beide door oorlog intenser worden. Intenser, maar niet zuiverder. En als ideaal beschouwen wij niet „die höchste Steigerung des menschlichen Lebens” (199) door de felste, de sterkste, de heftigste, maar door de zuiverste, de edelste en hoogste gevoelens.
[52] „Elemente und Gesammtheiten sind aber nicht dasselbe: es ist ein grosser Irrthum, die selben Lebensbedingungen bei den Staaten als bei den Individuen vorauszusetzen und ihnen vorzuschreiben” (_Krieg_ p. 25).
Met analogie bewijst men alles en niets. Vervang boven „staat” door „kerk” en ge geeft aan een „aggressieve” ecclesia militans, die zich wil en moet handhaven en uitbreiden, recht en plicht tot wapengeweld, brandstapel en godsdienstoorlog. Zonder deze geen „intensief” kerkelik leven, geen echte kerkliefde.
Hier zij nog opgemerkt, dat reeds de R. K. kerk STEINMETZ' definitie van „staat” te schande maakt: „Der Staat ist die weiteste reelle und lebendige Organisation der Menschen, die existiert.”
[53] „O wenn er einmal wirklich wollte, wenn er einmal mit dem alten Schlendrian bräche! wenn er z. B. bei seinen eigenen zahllosen Anstellungen einmal nur auf die Befähigung acht gäbe, und diese nicht konventionell beurteilte!.... Denken wir uns einmal eine Regierung wie einen klugen, edlen Weisen! Das ganze sittliche Milieu, das von viel grösserer Bedeutung ist als das physische, würde anders werden. Stolze, vornehme Naturen würden dort erzogen werden, selbständig im Urteilen, noch im Fühlen, stark im Wollen; wie solche den fremden Völkern schwere Konkurrenz machen würden!” enz. (201). Let op, hoe het slot plots detoneert! Man merkt die Absicht... Vgk. ook over „die Abneigung gegen den Staat” bl. 208: „Die ungeheueren Rückständigkeiten in manchen Verfassungen, die vielen Reste absolut unberechtigten, veralteten Ständewesens geben diesem Hasse einen sehr festen Grund.” Hoe goed wordt hier staat en volk onderscheiden!
Tegenover het eng persoonlik egoïsme laat STEINMETZ slechts de keus: òf de echte levende werkelikheid van „_vaderlandsliefde_”, dus staat en oorlog, òf de dode schijn van „_mensheidsliefde_”, meest niets meer dan een „onbeschaamde frase”. Doch we behoeven en begeren tegen het egoïsme noch een onwezenlik, bloedeloos humanisme noch een bloedig en bloeddorstig nationalisme. We hebben beters. Het is waar, de „mensheid” laat de meesten van ons nog tamelik koud; voor het wel en wee van wildvreemden (ook al zijn het kultuur-, volks- of zelfs stadgenoten) zijn we gematigd onverschillig, lezen we van verongelijking of mishandeling, dan zijn we nog het eerst vatbaar voor een niet onverdeeld onaangenaam gevoel van verontwaardiging en meewarigheid, al blijft dit meest slapper, dan bij de waargenomen marteling van een dier. Maar anderzijds is „vaderlandsliefde” een vlag, die lading dekt van zeer verschillend allooi. Hoe velerlei patriottismen zijn er niet, beminnelik en onschuldig of groots en diep of hatelik en gevaarlik—schoolpatriottisme, societeits-, ambtenaars, officiers-, politiek (soms feodaal, soms revolutionair), commercieel-industrieel, dynastiek-imperialisties, kunstzinnig kultureel, grens- en ballingschaps-patriottisme. Meest is het een mengsel van allerlei gevoelens, hoog en laag. Van biezondere belangzucht afgezien, bovenal een soort dankbaarheid, inzonderheid voor zoete jeugdherinnering, die het diepst ontroert. Wie zijn jeugd moet vloeken zegent niet licht zijn vaderland. Maar alle patriottisme zal, trots zijn principiële begrensdheid, zo men wil bekrompenheid, te zuiverder en edeler zijn, naarmate het minder negatief, dus minder onverdraagzaam, laatdunkend, ijdel en heerszuchtig is—bijgevolg in de dubbele zin van de woorden minder „offensief”, minder „terugstotend” optreedt—en meer positieve elementen van liefde, gemeenschapszin, geestdrift voor geestelike waarden bevat. STEINMETZ zelf prijst vaderlandsliefde als „die hohe, selbstverständlich echte, tiefernste Begeisterung für ein grosses Ganze”. De „hoogheid” echter van die geestdrift hangt niet af van de kwantitatieve grootte van het geheel, waarvan men toevallig deel uitmaakt, maar van de kwalitatieve grootheid van haar grond, doel en ideaal. Zo is gemeenschap van hoge overtuigingen en idealen, zuivere _geestverwantschap_ het beste, wat ooit vaderlandsliefde inhoudt. Maar zulke geestverwantschap gaat bovendien alle nationale beperktheid te boven, gaat hoog uit boven alle nationalisme zowel als boven alle kleurloos humanisme. Het is de menselikste, menswaardigste verwinning van het egoïsme—de innigste, diepste verknochtheid, die alle vriendschap en alle liefde, zelfs tussen man en vrouw, eerst adelt, die meer is, vrijer, bezonnener, redeliker, dan bloed- en stam- en ras- en taal-verwantschap, en over alle eeuwen en alle landen en alle scheidsmuren heenreikt, die met haar geestesstrijd de heiligste geestdrift en doodsverachting doet ontbranden en met haar geestesvrijheid neerziet op geweld en oorlog als op een ver verleden van dierlike redeloosheid. O, STEINMETZ zelf kent en erkent ze wel, „den hohen Enthusiasmus im Menschen”, „die echte, starke Begeisterung für wirkliche Ideale”, wanneer hij het tegenover KIDD vanzelfsprekend noemt, dat niet alleen de religie hoge, „opferfreudige” geestdrift wekt, en uitroept: „Hat denn nicht jede Überzeugung, jede grosse Liebe ihre Märtyrer gefunden? Besitzen die Besten unserer heutigen Sozialdemokraten und Anarchisten keine tatkräftige Liebe für ihr Ideal? Beruht die russische Reformationsbewegung, soweit sie ihren Ursprung in bewussten absichtlichen Anstrengungen hat, nicht hauptsächlich auf dem herrlichen, rein idealen Streben des besten Teils der russischen Gebildeten?”
Ziedaar dan wat groepen bindt en scheidt, de liefde, de geestdrift die geen bloed begeert, geen geweld behoeft, geen dwang zelfs duldt. Zuivere geestverwantschap, die machtige, statenkruisende internationale gemeenschappen vormt, is een nog betrekkelik jong, een modern verschijnsel, met een grote, grootse toekomst, symptoom van de vooruitgang der mensheid: Dwang, instinkt, erfelikheid, sleur, traditie, ééns overmachtig en onontbeerlik voor de kudden, wijken alom voor vrijheid, inzicht, rede, persoonlike verantwoordelikheid en keuze. Zo bij het huwelik, waar tans ook voor de vrouw reeds met haar ekonomiese en maatschappelike bevrijding het persoonlikheidsrecht begint te gloren.[54] Zo bij geloof en wereldbeschouwing. Bij stand en beroep. Bij omgang en verkeer. Bij alle groepvorming, van gezin tot wereldbond. Erfvijandschap behoort in dubbele zin tot de historie. De machten van het verleden, geschiedenis, voorvaderen, mos worden verdrongen door de krachten van heden en toekomst: eigen begrip en wil, zelfverworven overtuiging en ideaal. De romanticus mag het betreuren en MAETERLINCK ons terecht vermanen, dat oud en blind instinkt soms wijzer is en meer ziet dan de jonge ziende rede, heel het verleden komt ons voor als een duistere drang naar onze nieuwe bewustwording en we beklagen ons niet, dat wij niet eer, wel dat we te vroeg zijn geboren voor de festijnen van de geest, die komende geslachten zullen vieren in de tuin der mensheid.
[54] „Den Verein wählt man nach seinem Geschmack, in den Staat wird man hineingeboren, man muss sich mit ihm abfinden, wie es eben geht. Wie unendlich erhöht das den Wert des Staates als Lebensschule, als Lebensgemeinschaft! Jede andere Gemeinschaft ist Spielerei neben ihm, er ist der Ernst des lebens, den man nicht wählt, sondern würdig und tapfer trägt. Er ist die Ehe, alle freien Vereine sind Konkubinate.” Dit is niet door een Chinees geschreven ter handhaving van de gedwongen echt en tegen de vrije huwelikskeuze. Evenmin door een Russies pope, die van „staat” sprak, maar kerk bedoelde, noch zelfs door een middeleeuws voorstander van landshorigheid of verbieder van Freizügigkeit! Maar door STEINMETZ ter verdediging van een „staatsliefde”, die dwang, traditie en—oorlog behoeft (_Ph. d. Kr._ 197).
Geestverwantschap is tot oordeel des onderscheids gekomen gemeenschap. Wij zijn ontgroeid aan de oude distinktieloze kollektieve haat en liefde, gelijk wij ontgroeid zijn aan de oude distinktieloze kollektieve schuld en aansprakelikheid[55]. Een Chinees bokser kan nog om wat een Engelsman of Rus of ander Europeaan hem of een der zijnen misdeed een willekeurig Westerling—Fransman of Duitser, dat doet er niet toe, als het maar een van de „vreemde duivels” is—haten en doden. Met de kreet „de Joden hebben Jezus gekruisigd” kan een door staat, kerk en wodki voldoende verstompt Moezjik nog altijd worden opgehitst tegen de nakomelingen van het volk van Jezus. Waar ook nog stamwraak en vendetta mogen heersen—onze rechtspraak en ons zedelik bewustzijn zijn niet meer in staat, iemand te straffen of te verachten omdat zijn broer of vader of voorvader zich misdragen of verachting verdiend heeft[56]. Wie onzer is nog grof genoeg om de Fransen, de Duitsers, de Joden, de Russen, de Rooms-Katholieken te kunnen haten of liefhebben? Wij hebben geleerd—en het behoort tot het kostelikste wat we geleerd hebben, tot onze nieuwe humaniteit—de mensen met de nodige onderscheiding te bejegenen. Maar de oude met waarheid en recht strijdige kollektieve grofheid en onzuiverheid—het is de ware oorlogsfeer: zij alleen heeft oorlog oorspronkelik mogelik gemaakt en wat is het oorlogsnationalisme anders dan de vernederende, beschamende terugval in deze geestesgesteldheid? Oorlog mist alle distinctie—daarom vloekt hij met ons kultuurpeil, daarom is hij een leugen voor onze kultuurvolken, met zijn valse solidariteit zonder geestverwantschap, zonder zedelike eenheid en zijn valse haat zonder geestelik tegenstanderschap.—In een roerende brief „An die Freunde in Fremdland”, waarmee de dichter STEFAN ZWEIG, vertaler van VERHAEREN, afscheid neemt für lange Tage van zijn kunstvrienden en geestesbroeders in Frankrijk, België en Engeland, het fijnste, wat ik van Duitse oorlogstemming tot dusver las, schrijft hij, hoe hij zijn persoonlike liefde en haat, zijn vriendschap en zijn vrienden tans verloochenen moet: „Meine eigene Sache ist jetzt nicht mehr, ich kenne keine Freundschaft, ich darf keine kennen, als die des ganzen Volkes, meine Liebe und mein Hass gehören mir nicht mehr zu. Und ich bin nur dann ganz wahr, wenn ich euch einzelne verleugne: der geringste plattdeutsche Bauer, der kaum ein Wort meiner Sprache versteht und sicherlich kein Wort meines Herzens, steht mir näher in diesen Stunden als ihr, ihr Lieben, denen ich so oft mich hingab mit meiner innersten Empfindung, immer von Verständnis umfangen, immer von Vertrauen umfasst... Ich muss vergessen, was ich von euch empfing, um besser fühlen zu können was alle anderen deutschen Leute empfinden. Nicht euch muss ich verleugnen und die Liebe zu euch, sondern mich selbst, jeden einzelnen Gedanken knicken, der nicht aufschiesst in der grossen deutschen Saat”. We zullen straks zien, hoe ZWEIG niet alleen z'n kunstzinnig, maar ook z'n zedelik zelf, z'n gerechtigheid bewust ten offer brengt. Doch wij moeten ZWEIG's dilemma nog een weinig zuiveren en verdiepen. De vaderlandse boerenpummel kan nog zedelik meer waard zijn, dan de uitheemse kunstbroeder. Maar zou ook de verachtelikste Duitse schurk of vlegel ZWEIG nader staan in deze dagen dan de nobelste Franse karakterheld? Ik vrees van ja. Zo weinig kieskeurig, zo onpersoonlik en amoreel—of moet ik zeggen onzedelik?—is nu eenmaal de oorlogs-, de gevaarsolidariteit en de nationale oorlogshaat. Een ZWEIG kan zich eigenlik niet zo ver vergeten. „Ich habe nicht vergessen, was ihr mir ward und zutiefst noch seid, aber ich bin in diesen Tagen nicht der Gleiche, der mit euch sass, mein Wesen ist gleichsam umgewandt, und das, was in mir deutsch ist, überflutet mein ganzes Empfinden”... „Und diesen Hass gegen euch—obzwar ich ihn nicht empfinde—ich will ihn doch nicht mässigen, weil er Siege zeugt und heldische Kraft”.—Oorlog bindt en scheidt met feloplaaiende massa-driften, volkshartstochten, zonder matiging—en zonder diepte. Oorlog is voor de volken wat storm is op zee—een oppervlakteverschijnsel. Huizenhoog steigeren golven van geestdrift en kolken van haat woelen de wateren om tot op de bodem—zo schijnt het. Maar tien of twintig meter onder het zeeoppervlak dringt geen storm ooit door—oermachtig en onwrikbaar volgen de diepzeestromen hun eeuwige baan en voeren het wrakhout en de lijken mee die er resten van reeds lang vervlogen orkanen.
[55] Daarvoor omvangt ons een nieuwe zedelik-maatschappelike verantwoordelikheid: wij allen zijn de dragers van onze tijd—wij allen profiteren van de toestanden en instellingen, die oorlog (gelijk prostitutie of proletariaat) onvermijdelik hebben gemaakt—en straks in vrede van de offers, voor die vrede gebracht... zo heeft ieder onzer zijn deel van de schuld te dragen en te delgen.
[56] Merkwaardigerwijze reageert STEINMETZ tegen „unsere eng-private Schuldauffassung”! (_Krieg_, p. 26).
Wat de geesten waarlik scheidt en bindt zijn geestestromingen, die wel voor een ogenblik vergeten, maar niet verdrongen kunnen worden door oppervlakkig stormend oorlogsgeweld. Geest smeedt beter dan bloed en ijzer. En wat wij met millioenen gemeen hebben zonder geestverwantschap kan nooit veel biezonders zijn, tenzij het tot die algemeen-menselike biezonderheid behoort, die boven alle grenzen van tijd en ruimte de eenheid van het mensdom vormt, de geesteswettelikheid van ons denken met zijn ene, eeuwige waarheid, van ons zedelik oordeel met zijn ene eeuwige heiligheid en van gevoel en aanschouwing met hun ene eeuwige schoonheid.
Oorlog sprak bij monde van Keizer WILHELM in de Rijksdag: „Ik ken geen partijen meer—ik ken slechts Duitsers.” Plots treedt een man de zaal in en roept: „Ik ken geen Duitsers en geen vijanden—alleen naasten, die ik liefheb als mijzelf.”—Gesis, gefluit, tumult—„grober Unfug” wordt geroepen, verstoring van een histories moment! Men wil de zonderling te lijf, die er uitziet als een jood. „Lafaard!” „Vaterlandsloser Gesell!”, schreeuwt men hem toe. Daar klinkt weer zijn stem over alles heen: „Ik ben de grootste, de volmaakte patriot, want mijn vaderlandsliefde kent geen grenzen.” Men wil hem grijpen, maar hij is verdwenen. De leden hernemen hun plaats, de wijding en orde keren terug—en de Keizer vervolgt zijn rede: „Laat dus uw harten slaan voor God, Keizer en Vaderland, en uw vuisten op de vijand.” Het smakeloos, ergerlik incident der verschijning van die dwaas is vergeten—en geschrapt door de censuur.
IV. OORLOGSPATRIOTTISME EN OORLOGSHEROÏSME. EEN GROTE TIJD?