Part 5
Want de werkelikheid, de resultante van alle selektieve, contra-selektieve en non-selektieve faktoren, die ik heb genoemd en die ik heb vergeten—toont ons onder de staten nu eenmaal militaire reuzen, korrupt, voos en barbaars en militaire dwergen, kerngezond, fysiek, moreel en intellektueel in 't voorste gelid[33]—zo goed als omgekeerd. En het verwondert ons niet—want reeds om de boven aangewezen faktoren zou het een wonder wezen zo het anders ware.
[33] Mij dunkt, geschiedenis, kunst en wetenschap van Nederland bewijst wel, dat de kleinheid van een volk nog niet wil zeggen „Zwerghaftigkeit der Interessen”.
d. Besluit: Oorlog als wereldgericht. Des Pudels Kern.
Zo heeft dan ons betoog in overeenstemming met de werkelikheid bewezen: _Oorlog mist, _theoreties en prakties, feitelik en in wezen,_ elke waarborg van selektieve rechtvaardigheid, van kultureel gunstig in plaats van verderfelik selektief effekt._ Daarmee is zijn vonnis ook ten deze geveld. De zekerheid van oorlogsrampen en oorlogsoffers zonder zekerheid van kultuurgewin, ja, met kans op kultuurverlies—het is een onverdedigbare gruwel.
Wij hebben gezien, historiese noodzakelikheid kan selektief toeval en doemwaardig onrecht zijn. En wij zullen ons niet overgeven aan een _historisme_, dat spreekt van „_onvermijdelik—derhalve rechtvaardig_”[34]—dat van enkelingen, volken en staten verkondigt: „Was uns und sie als Ausfluss der Vergangenheit trifft, muss als Folge hingenommen werden.”[35] Een historisme, dat zich niet alleen tegen „onhistories radikalisme” maar ook tegen „actualisme” keert, omdat het in de grond berust op een fatalisties _naturalisme_, bewust en metterdaad reeds lang verloochend, maar onbewust nawerkend en doorbrekend in een tragies pessimisme ten aanzien van de „kleine”, „domme” mens, zijn geest en zijn macht, gepaard aan een even tragies optimisme ten aanzien van de „grote” wijze natuur.[36] Vandaar dat smalen op het recht der mensen met hun „ehrfurchtloses Eingreifen”, „ausgeklügelte Mittelchen” van „uns und unseren Machenschaften”, „den optimistischen Wahn, die Menschenwelt duren unsere berechneten Eingriffe gestalten zu können”... en vandaar anderzijds die dithyramben op de oorlog als „Richter und Reformator”: „Und gerade seine Gerechtigkeit, ohne Gericht und Richterspruch, ist die allerhöchste, weil die allersicherste, sie beruht _nur_ [ik cursiveer] auf der inneren Notwendigkeit, der Gerechtigkeit der Natur, die der äusseren, der vom Menschen eingesetzten so unendlich weit vorzuziehen ist”[37]; de oorlog „der Staatenhenker wie kein anderer”, voltrekt het vonnis der „historische Gerechtigkeit”... „Es giebt nichts Grossartigeres, nichts Erhebenderes und nichts Nützlicheres als dieses unerbittliche Urteil!”....
[34] _Ph. d. Kr._ bl. 171: „Die Grösse des Staates ist also die natürliche, unvermeidliche und daher gerechte Folge seiner ganzen Vergangenheit.”
[35] ibidem.
[36] „Dieser Zug der Naseweisheit geht durch unsere ganze Zeit; den dummen Menschen wird Vertrauen, den natürlichen Prozessen wird Misstrauen entgegen-gebracht”. (236)
[37] bl. 222. Vgk. even kras bl. 283: „Die Gerechtigkeit des Krieges ist eine unfehlbare[!], nie aussetzende, eben weil sie eine automatische ist, eine, die in der Natur der Dinge unwandelbar begründet und keines Richterspruchs bedürftig ist.”
Heilige oorlog—vlees geworden onfeilbare gerechtigheid—hoe moet uw belijder u vereren!
Ziedaar kern en wezen van die „Philosophie des Krieges”.
Een natuur-optimisme, dat ons even roekeloos dunkt, „verrucht” zou SCHOPENHAUER zeggen, als ons die „statenbeul” reeds is gebleken. Wij hebben de waarborgen van gerechtigheid, die hij bood, gewogen en te licht bevonden—hij bleek te verschalken door list, veil voor toevallige macht, zonder beginsel en zonder geweten.
Natuurlik en histories noodwendig is ook het veile, gewetenloze, rechtsverkrachting zo goed als het nog-niet-rechtelike. Ook het onredelike „ligt in de rede”; wat werkelik is kan onredelik, wat redelik is onwerkelik zijn.
„Die Weltgeschichte ist das Weltgericht”... dewijl de levende winnaars en overweldigers de geschiedenis schrijven en Tote stille Leute zijn. Maar de Waldenzen en Albigenzen aller tijden en al die nooit geweten en vergeten martelaren, al die ware roemloze helden van de nog ongeboren of verloren zaak, al die gesmoorde vermoorde minderheden—welk een wereldgericht zouden zij houden over de wereldgeschiedenis! Gloria victis!
De „oude Dessauer” moge gelijk hebben: „Der liebe Gott ist immer mit den stärksten Bataillonen”—de „oude Cato” had geen ongelijk: Victrix causa deis placuit sed victa Catoni.[38]
[38] De goden kozen partij voor de winnende—voor de verloren zaak Cato.
De minderheid heeft niet altijd gelijk en het succès niet altijd ongelijk—maar wij wraken meerderheid, overmacht en geschiedenis, god Bonus Eventus, als richter over goed en kwaad, recht en onrecht.
„Alles rächt und lohnt sich”—op het toneel.
En wanneer dit optimisties en fatalisties naturalisme zich blindelings neerlegt bij „Sieg und Niederlage” als „Endpunkte naturnotwendiger Prozesse” en zich rauweliks keert tegen 's mensen Urteilssprüche als „Ergebnisse menschlichen Nachdenkens, menschlicher Vorurteile und Neigungen”, dan verzaakt het niet alleen menselike rede voor onmenselike natuur, maar ook zich zelf. Want zijn deze laatste Ergebnisse niet evenzeer „naturnotwendig”, evenzeer „Endpunkte naturnotwendiger Prozesse”? En zou niet van alle machten der natuur, der werkelikheid de bewuste rechtswil en het rechtsbesef (rechtsgevoel en rechtsbegrip) juist datgene zijn, wat het zekerst gericht is op verwezenliking der gerechtigheid, op terzijdestelling van vooroordeel en partijdige neiging, op kering van machtsmisbruik, willekeur en blind onrechtvaardig toeval?
Wij overschatten niet taak en betekenis van rechtspraak en scheidsgerecht voor enkelingen en volken. Wij hebben boven reeds betoogd, waarom zonder oorlog „de toekomst van rassen en volken en heel de mensheid” evenmin „durch Richterspruch nach Schätzung und Gesetzesparagraphen” zal worden bepaald, als tans de toekomst van burgers en gezinnen, steden en geestesstromingen door wetsartikeltjes wordt beheerst of vastgesteld. Maar zo als het recht hier de „naturnotwendige” en aan „tiefgewurzelte Neigungen” te danken fysieke geweldpleging, mishandeling, roof en doodslag heeft uitgeschakeld naar vermogen, zo kan en moet het helpen om diezelfde „naturnotwendigen Prozesse” te verdrijven uit volkerenverkeer en statenverhouding. Want ook hier heerst niet recht, maar de gewetenloze „Riese Zufall” (NIETZSCHE) zolang de „natuur” met haar oorlog er heerst.
Zo wraken wij dus de „innere Gerechtigkeit der Natur” in het algemeen en de oorlog als rechter in het biezonder.
Daarmee is het pleit feitelik beslecht. Alle andere deugden van de oorlog hangen aan zijn selektieve rechtvaardigheid.
3. Oorlog als hervormer en opvoeder.
Met de oorlog als Rechter valt de oorlog als Reformator. Om dezelfde onbetrouwbaarheid. Zijn dure lessen kunnen verkeerd uitvallen: de nederlaag kan verzwakken en in stand houden, de overwinning verslappen en winst brengen (ook aan de verkeerde kant), het krijgskansspel luidt nu eens qui perd gagne, dan weer qui gagne perd. We zagen dat boven. En erkent niet STEINMETZ zelf, dat mensenverlies en contraselektie door oorlogen „fataal” kan worden, dat immers oorlogen „abnorm häufig, blutig und ohne entsprechenden Gewinn für die Entwicklung und die Expansion des betreffenden Volkes stattfinden” kunnen?[39] Neen, de werkelikheid pleit ook niet ondubbelzinnig voor de opvoederstalenten van oorlog. Zijn de Turken, van ouds de krijgers bij uitnemendheid, pioniers der beschaving? Bij al hun oorlogen zijn Rusland of Turkije of de andere Balkanstaten tamelik voos en achterlik gebleven, bij al hun vrede bleven Nederland en Skandinavië nog tamelik gezond en op peil.[40] Exaktheid van berekening of bewijsvoering is hier natuurlik weer uitgesloten; de geschiedenis kent bloei en verval na nederlagen evenzeer als na overwinningen: propter of ondanks? Om 't even. In geen geval betekent vrede: stilstand, bederf. Staten en volken bloeien en kwijnen in vredestijd, zonder oorlog, als gezinnen en steden, ondernemingen en partijen—nooit is vrede strijdeloosheid, integendeel, arbeid en wedijver, het eigenlik ekonomies, politiek en geestelik _leven_, produktie, wetenschap, kunst ze vereisen vrede—ze staan stil, liggen lamgeslagen tijdens oorlog. De zgn. „Godsvrede” juist is stilstand van produktieve, levenwekkende strijd—wee zo hij lang zou duren. En gelijk de vrede beschikt over een gezondhoudende dynamiek zo heeft hij ook zijn genezende, zuiverende, bederfkerende dynamiese faktoren: al wat ziekelik of verkeerd of onvoldoende funktioneert in volk of staat, al wat voos of rot is—wekt leed, ellende, misnoegen, ontevredenheid, verontwaardiging („Empörung”:), verzet („Erhebung”:) tot opstand toe, reformatie of revolutie. Ziedaar het richtend en hervormend automatisme, bestemd en geschikt voor de taak waarin oorlog jammerlik te kort schiet.[41] Van de Russies-Japanse oorlog lezen wij: „die Russen der höchsten und gebildetsten Kreise begehrten die Niederlage ihrer Heere, da sie wussten, dass die Auferstehung ihres Volkes hierdurch am besten gefördert würde.”[42] De oorlog bracht de nederlaag. Maar de hervorming of omwenteling bracht hij niet. Als een „onfeilbaar” middel tegen alle kwalen bij geval niet helpt, ligt dat niet aan het middel, maar aan de patiënt: „Wie gewissenlos, wie tierisch abgestumpft muss eine Regierung sein, die durch solche Stimmung der besten Bürger nicht bewogen wird, die gründlichste Reformation durchzuführen”.—Wij ontkennen niet, dat ook oorlog een kata-strofe is, in de dubbele zin van het woord, ramp en ommekeer,—en als zodanig z'n goede zijde heeft—wel allereerst deze negatieve, zich te keren tegen zich zelf, z'n eigen einde telkens te verhaasten naarmate hij ergerliker woedt—en op de duur zich zelf ondragelik en onmogelik te maken, maar tegenover de zeer onzekere kans op een versnelling van vooruitgang, die zijn schok, zijn keer kàn brengen, staat hier wederom de zékerheid van stage vertraging door zijn gewapende vrede, met z'n milliardenoffers, jaar in jaar uit onttrokken aan sociale, produktieve, levenreddende, leedopheffende, volkskracht en volksverheffing dienende doeleinden.[43] _Wel zwaar is de verantwoordelikheid van wie voor zó onzeker een goed zó zeker een kwaad aanvaardt!_ Ik laat nu nog buiten geding de naar het schijnt nog lang niet overal uitgespeelde rol van leger en militarisme als bolwerk van behoud en reaktie, van „feodaliteit”, als rem voor stoffelike en geestelike volksbevrijding—en ik herinner er hier slechts terloops aan, dat het beste, wat van de oorlog als opvoeder der soldaten en officieren die er aan deelnemen kan worden gezegd, nog dit is, dat de te verwachten „Zunahme von Roheit, Grausamkeit, Missachtung fremden Eigentums und Lebens, Selbstüberhebung, Missachtung fremder, besonders weiblicher Ehre und Persönlichkeit”... niet zodanige afmetingen aanneemt, dat de kriminele statistiek er ondubbelzinnig van getuigt... „Selbstverständlich bleiben die meisten Folgen solcher Neigungen verborgen oder können sie wenigstens nicht recht objectiv studiert und verglichen werden.”... In elk geval is de richting dezer oorlogspedagogie onmiskenbaar, worden dergelijke ruwheid, wreedheid, brutaliteit „aufs sorgfältigste gezüchtet, es gilt die umgekehrte Moral von sonst, was soll es uns wundernehmen, dass so die Charaktere verdorben, die Handlungen verbrecherisch werden. Das Schlimmste muss hier zur Selbstverständlichkeit herabsinken”.—Aan de zedelike hervorming en opvoeding van het in oorlog gewikkeld volk in z'n geheel, de zegeningen van uiterste krachtsinspanning en offervaardigheid, van oorlogsolidariteit en oorlogsheroïsme, dus wat we kunnen noemen de volkspsychologie van de oorlog, zullen wij straks nog afzonderlik onze aandacht wijden.
[39] _Der Krieg_ bl. 41.
[40] STEINMETZ' oorlogsfilosofie weet (zonder oorzakelik onderzoek) van de Nederlanders: „die zu lange Friedensperiode erschlaffte ihre gute Anlage”! Nederland verzuime dus niet de gelegenheid tot een versterkend oorlogskuurtje—à la België.
[41] Zo noemt STEINMETZ zelf „die künstliche Züchtung der Sozialdemokratie” in Duitsland „een soort straf” voor „das persönliche Regiment” en „die Junkerprivilegierung, die beide in einem Volke von gebildeten Menschen unduldbar sind” (_Ph. d. Kr._ 227).
[42] _Ph. d. Kr._ 176/7.
[43] Vgk. weer _Ph. d. Kr._ bl. 100, wat met „den Unsummen, die der Krieg im Frieden verschlingt” niet al kon worden bereikt: „Alle staatliche Werkstätten könnten zu Musteranstalten werden, das Bildungswesen könnte die jetzt überhaupt mögliche Vollkommenheit erreichen, sogar die Arbeiterversicherung aller Arten brauchte des Geldes wegen nicht eingeschränkt zu werden, jeder Staat könnte seine drückenden Schulden ablösen, die Gemeinden hätten Geld, ihre hygienischen und ästhetischen Veranstaltungen, die so unendlich viel zur Verschönerung des Lebens beitragen, auszudehnen. Alles, alles fast könnte getan werden ohne neuen Druck aufzulegen.”
4. Oorlogs alzijdigheid. Strijd met álle middelen?
Wat blijft nu bij nader beschouwing van 's oorlogs _alzijdigheid_ over? Niets. Het schema was mooi en eenvoudig genoeg: Oorlog meet àlle krachten; alle kulturele waarden, kunst, wetenschap, godsdienst komen in oorlog ten oordeel: ze helpen een volk verslappen of versterken![44]
[44] „Im Kriege werden die vollständigen Resultanten _aller_ Kräfte der betreffenden Staaten mit einander gemessen”.... „Alles wirkt mit zum Siege oder zur Niederlage, aber eben Alles”..., „Man kann getrost behaupten, dass keine einzige Kraft des Ganzen im Kriege unbenutzt bleibt.” enz.
Maar weggeblazen wordt dat schema, wordt heel die alzijdigheid door elk der boven aangewezen faktoren, die militair succès en volkskracht scheiden, die nederlaag of overwinning onafhankelik maken van zedelik en geestelik volkspeil.
Zeker, de godsdienst is lang niet zonder militair belang, al voeren wij geen godsdienstoorlog meer. Maar als de Turken en hun bondgenoten het winnen—heeft dan de Islam gelijk gekregen boven de godsdienst van hun tegenpartij? Zelfs komt het mij twijfelachtig voor of velen onzer de Islam met zijn „heilige oorlog” tegen de ongelovige honden en zijn soldatenhemel zullen vereren b.v. boven het zachtmoedig, onbaatzuchtig, verdraagzaam Boeddhisme. Neen, onze godsdienstkritiek is nog iets anders dan krijgsgeschiedenis.
Ook als kunstkriticus moeten wij de oorlog wraken. Zeker, zelfs voor de kunst kan wie zoekt nog wel enig selektief verband met oorlog vinden: een slap en week aesthetendom kan misschien de militaire kracht schaden! Maar kan zéker geen grote kunst voortbrengen! Dekadentie straft zich zelf onmiddellik in haar produkten, allereerst in de kunst. Dekadentie gaat zonder oorlog aan zich zelf te gronde—waar oorlogspolitiek desnoods zelfs dekadentie beschermt en overeind houdt (Turkije, Portugal). Wat een volk voor de kunst en de kunst voor een volk betekent, dat zou in oorlog blijken, alzijdig,—beter blijken dan in vrede? Voorwaar, wij kennen oorlog ook als kunstrechter: Reims, Yperen, Mechelen, Leuven enz. Van de bouwkunst wordt altans gemeten, in hoeverre sommige van haar produkten verschansingen, sein- of observatieposten leveren en tegen bombardement bestand zijn—maar wat van de schilderkunst, skulptuur, muziek? Een wereldkunst kan bloeien bij een klein, militair onaanzienlik volk (Vlaanderen!). Wee het kunstvonnis van militaire machtmeting!
Neen, al moge dan groepsgeweld minder eenzijdig zijn dan individuele geweldpleging, verre van alzijdig, in eenzijdigheid geboren en tot eenzijdigheid gedoemd is de wedstrijd, welk volk, neen welke volkengroepering ad hoc, op een gegeven tijdstip het meeste en geschiktste levend en dood moord- en vernielingsmateriaal oplevert, welke partij de andere het eerst het ondragelikst vermag te knauwen. Juist al wat aan een volk zijn eigen karakter, zijn biezondere waarde, zijn betekenis voor de mensheid geeft, de volksziel, de volksgeest, zoals die zich uit en onderscheidt in zijn taal, zijn letteren, zijn zang en muziek, zijn beeldende, scheppende kunst, zijn geestelik besef, zijn dichten en denken, levenshouding en levensstijl—al die fijner en hoger kulturele waarden, die in vredestijd wedijveren en hun geestesstrijd strijden—dat alles komt in oorlog op soortgelijke wijze tot zijn recht als op het slagveld de biezondere gaven en ontwikkeling, kunst en wijsheid, karakter en kennis der enkelingen, die als „troepen” worden misbruikt.
Oorlogvoeren, bruikbare, kostelike troepen leveren, met haat en dapperheid uitgerust en geld en wapentuig bijeenbrengen, dat kunnen vooralsnog al onze kultuurvolken—het spel kan zijn gang gaan—maar een lid van de bijeengekonkelde volkengroep, die het dan op een bepaald tijdstip van de andere „wint”, toont daarmee nog geen eerbiedwaardige, laat staan alzijdige superioriteit boven enig lid der verliezende groep. Al „winnen” de Duitsers en Hongaren het met de Turken en Toearegs—vermoedelik zullen er zelfs nog Duitsers zijn, die voor de Franse genius, voor Franse kunst en wetenschap, Frans karakter, kultuurpeil, staatsbestel nog meer eerbied hebben dan voor Turkse kunst, wetenschap, kultuur en staat. En al „wint” de Triple Entente met haar bondgenoten—zelfs een Fransman zal allicht de Duitse dichters en denkers, Duitse werkkracht en organisatie, zeden en ontwikkelingspeil niet stellen onder die van Servië of Montenegro, of de Russiese administratie gezonder achten dan de Duitse, of de „vitaliteit” en „volkskracht” van Duitsland zwakker dan die van Portugal. Ja, zou wel iemand onzer, zou zelfs STEINMETZ de positieve of negatieve graad van zijn eerbied of genegenheid jegens een der betrokken volken of rassen wijzigen naar overwinning of nederlaag? Ik geloof het nauweliks. Tenzij dan juist de nederlaag sympathie zou wekken of verinnigen, haat of antipathie dempen en verzoenen.
Neen, wij hebben gezien, eerbiedwaardig _hoeft_ een overwinning niet te zijn en nederlaag geen schande,—alzijdig _kan_ geen oorlogsuitslag wezen.
* * * * *
Met de kollektief-selektieve rechtvaardiging en de kulturele alzijdigheid van oorlog valt nu ook het principieel verschil tussen het ruw, grof eenzijdig, „_niet-beslissend_” individueel geweld, dat tot „abnormaliteit, misdaad” werd en de naar het heette niet grove, niet ruwe, alzijdige, dus „_beslissende_” staatsgeweldpleging.
Ja, zolang men het schone schema kon aanvaarden: bloedige worsteling—het grofste, slechts op brute kracht seligerend middel van individuele konkurrentie, maar het enig en onmisbaar want op geestesadel, op „altruïsme”[45] seligerend middel van kollektieve, van staten-wedijver!
[45] „Der Krieg ist der einzige altruistische Kampf.”
Maar zelfs toegegeven, dat „staten” _als zodanig_ alleen konkurreren in en door oorlog (dus niet ekonomies en via hun onderwijs, recht, verkeer, gezondheidszorg enz.) en dat er geen andere groepsgewijze strijd bestaat (klassenstrijd, vakverenigingen contra werkgeversorganisaties, talenstrijd, politieke partijenstrijd enz.) dan nog zou die enige „kollektieve” oorlogselektie naar wij betoogden èn misbaar èn wegens haar onbetrouwbaarheid onduldbaar zijn.
Dat schema zal dus wel niet meer imponeren.
Noemen wij nu „_alzijdig_” (derhalve rechtvaardig) en dus „_beslissend in laatste instantie_”, „onaanvechtbaar” een meting van _alle_ kulturele krachten (behalve de lichamelike ook de intellektuele, morele, artistieke vermogens) dan heet _terecht_ de bloedige tweestrijd, „das physische Gefecht zwischen Einzelnen”, _nicht entscheidend_.... maar evenmin mag dàn oorlog entscheidend heten, mag men dàn Kriege „vollgültige Entscheidungen, unanfechtbare Messungen” noemen: te veel kulturele waarden worden daarbij òf toevallig in 't geheel niet òf eenzijdig en verkeerdelik naar een ongepaste, met hun wezen niet strokende maatstaf gemeten.
Doch nu tracht die nieuwe term „beslissend” ons te vangen in een misleidende dubbelzinnigheid. Want „alzijdig” en „beslissend in laatste instantie” kan men ook noemen, en noemt STEINMETZ ook—de strijd _met àlle, ook en inzonderheid de alleruiterste middelen_, de strijd, die geen wapen ongebruikt laat, of de strijd, „om het uiterste”, op leven en dood.—Wie àlle middelen, dus ook geweld, bedrog en dergelijke, heeft uitgeput, moet zich wel bij de beslissing neerleggen—indien hij niet reeds is... neergelegd.
Maar in deze zin is weer individueel geweld tussen enkelingen op z'n minst _even beslissend_ als oorlog tussen staten. Een uit de weg geruimd mededinger heeft het definitief afgelegd op elk gebied.
De tweeërlei „alzijdigheid” of „beslissendheid”: enerzijds _meting van àlle krachten_ en anderzijds _strijd met àlle middelen_ (ook de uiterste van geweld enz.) mag niet verhaspeld; in plaats van één te zijn vormen zij een tegenstelling,—hoe meer en hoe eer het geweld beslist, des te minder meting aller vermogens, zowel bij de statenstrijd als bij de individuele wedijver.
Ook verwarre men niet „uiterste krachtsinspanning” met „meting van àlle krachten”, wanneer men verneemt, dat alleen oorlogen laatste beslissingen zijn, waarbij zowel staten als enkelingen „sich beruhigen können, sich beruhigen müssen, weil es nun einmal keine andere, grössere Anstrengung gibt. Es wurden ja alle Kräfte verwendet.”
We zijn tans dunkt me voldoende gewapend tegen de aanprijzing van beslissend geweld, van strijd met alle middelen, die ik hier letterlik laat volgen:
„Streit ohne Benutzung der besten, letzten Waffen ist aber gar kein Streit, keine Messung _aller_ Kräfte, keine _äusserste_ Anstrengung: die Bedeutung des Streites liegt gerade hierin. Wer würde sich für besiegt halten, der sich bewusst wäre noch eine unverwendete Waffe zu bezitzen?
Wenn es also den Individuen erlaubt bleiben soll, die Kräfte ihrer Gesammtheiten zu benutzen, und das ist doch selbstverständlich, so ist es unmöglich ihnen den Krieg zu verbieten. Das hiesse ja den Kampf mit einem festgebundenen Arm vorschreiben, und ein solcher Kampf ist keine Entscheidung. Wenn die geistigen und moralischen Kräfte erschöpft sind, bleiben hier noch die physischen; wer durch die erstern besiegt ist, muss zu den letzten greifen, sonst wäre er noch gar nicht besiegt. Wer sich wahrhaftig behaupten will, muss alle, thatsächlich _alle_ Mittel verwenden”. (_Der Krieg_, p. 14/5) „Wer diese äussersten Mittel noch nicht erschöpft hat, der ist noch gar nicht besiegt, der kann seinen Gegner noch niederwerfen.” (_Ph. d. Kr._ p. 217).
Wanneer uit deze redenering _niet_ volgt—en het volgt er gelukkig ook voor STEINMETZ _niet_ uit!—dat enkelingen met àlle geestelike en „fysieke” wapens moeten of mogen konkurreren en vechten, dus als alle andere, „tamme”, middelen faalden tot bloedig geweld, bedreiging, mishandeling, doodslag, of „veelzijdig” „intellektueel” bedrog, roof en derg. hun toevlucht moeten of mogen nemen, daar ze anders niet „overwonnen” zijn, nog niet de „zwakste” zijn gebleken—dan volgt _uit deze redenering_ datzelfde _evenmin_ ten aanzien van de staten. Wie te veel bewijst, bewijst niets! Aldus STEINMETZ, die als volgt voortgaat:
„Wenn der Staat seine[n] Bürger[n] in jeder Weise geholfen hat, moralisch und geistig, und die [zahmen, _Ph. d. Kr._] Hilfsmittel der Diplomatie erschöpft sind, da muss er das letzte Mittel angreifen, den Krieg, sonst liefert er seine Bürger unbesiegt, unnötig, dem Gegner aus, der sich dann gar nicht als der wirklich Stärkere erwiesen hat”. (_Krieg_ p. 15.)