Part 4
Vervalt zo reeds elke waarborg, dat de machtigste groep de zedelik en geestelik sterkste, hoogststaande leden heeft—ook bij de „groepsmachtmeting” zelf, bij het krijgvoeren, komt nog de zedelike contraselektie in het spel: hier als elders kan ruimer geweten ruimer kans van winnen geven: minder schroom voor onverhoedse aanval zonder oorlogsverklaring, voor krijgsplan en strategie via woordbreuk en schending van volkenrecht, voor verraderlike spionnage en omkoperij, voor valse stemmingmakerij (blinde haat, woede, verbittering), voor wreedheid (terrorisering), arglist en bedrog, kortom voor allerlei voordelige Rücksichtslosigkeit in plaats van ridderlikheid, rechtsontzag, humaniteit en dergelijke „sentimentaliteiten”. Zo kàn ongunstiger volkskarakter, lager peil van oorbaarheid tot de zege bijdragen. Misschien is de hoop niet ijdel, dat wassende machten tegen „contraselektie” van deze kant waken: al te schennend optreden kan reeds door de reaktie die het wekt (het élan van heilige verontwaardiging; haat, boykot enz., ook bij de niet onmiddellik betrokkenen) een misslag worden waarvan geldt: „c'est plus qu'un crime, c'est une faute”[22]. Maar het blijft zelfs de vraag in hoeverre krijgsleiding en „landsverdediging” zich de weelde van ridderlikheid en geweten mag veroorloven ten koste van eigen volk en eigen zaak, dus, naar men gaarne gelooft, van de hoogste en heiligste belangen der mensheid—al zou men individueel nòg zo zeer geneigd zijn, ook van deze luxe VOLTAIRE's woord te laten gelden: Le superflu, chose très-nécessaire.
[22] Vgk. reeds HUGO DE GROOT, _De Jure Belli ac Pacis_, Proleg. 27: „Etiam ad amicitias conciliandas, quibus ut singuli ita et populi ad multas res opus habent, multum valet opinio de bello non temere nec injuste suscepto, pieque gesto. Nemo enim se iis facile adjungit quibus jus, fas, fidem vilia putat”: Ook voor de vriendschap, die volken evenzeer als enkelingen voor tal van zaken nodig hebben, is het van groot belang, dat men de oorlog niet roekeloos noch onrechtvaardig ondernomen acht en waardig gevoerd. Want men sluit zich niet licht aan bij wie men beschouwt als verachters van recht, fatsoen en goede trouw.
De machtspreuk, dat in elk geval „_Kräfte_ und keine _Schwächen_” tot overwinning leiden, vergeet, dat er onzedelike „kracht” is, of liever, dat „kracht” en „zwakheid” hun zin verliezen, wanneer men er andere dan fysieke en intellektuele, dus ook zedelike waarden onder verstaat. Want dan rijst de vraag of voordeelverzakende zedelike schroom, rechtszin, ridderlikheid, goede trouw enerzijds—krijgswinst-gevende wreedheid, ruwheid, ruim geweten anderzijds „kracht” dan wel „zwakheid” moeten heten.
Het oordeel over „selektie” of „contraselektie” is alles behalve eenvoudig.[23]
[23] STEINMETZ zelf erkent, „dass es sehr schwierig, wenn nicht unmöglich sein dürfte zu bestimmen, was selektorisch, was kontraselektorisch zu heissen verdient. Es nützt nicht viel ob wir die Ausmerzung der starken Konvarianten, die Auslese und Erhaltung der Schwachen ‚Kontraselektion’ nennen, denn es bleibt die Frage, was wir auf dem wenig bekannten, kaum vorurteilsfrei zu betrachtenden Gebiete der menschlichen psychischen Eigenschaften—und auf diese kommt es uns hier doch hauptsächlich an—schwach und was stark nennen.” (_Ph. d. Kr._ blz. 267).
In elk geval moeten we betwijfelen, of in 't algemeen de zachtmoedigste, fijnzinnigste, ruimstdenkende volken het schrikwekkendst, bruikbaarst materiaal zullen vormen voor het ietwat ouderwets heetbloedig handgemeen of biezondere gemoedsbegaafdheid zullen tonen voor het modern machinaal beulsbedrijf in koelen bloede. M.a.w. of niet ook waardeerbare zedelike karaktertrekken de ware krijgsmansdeugdelikheid zouden kunnen schaden?
c. De non-selektieve faktoren: het oorlogstoeval.
Doch heel deze contra-selektie der gewelddadige groepsmachtmeting kunnen we laten voor wat ze bij gezette studie zal blijken te zijn—om tans over te gaan tot ons afdoend argument:
de niet uit te schakelen _non-selektieve_ faktoren:
De selektieverijdelende faktor bij uitnemendheid, die de beweerde rechtvaardigheid der groepenkrachtmeting eenvoudig illusoir maakt en in één slag te niet doet is: het _toeval_; toeval, voeg ik er in één adem bij, niet in de causale betekenis van het woord, als tegenstelling tot noodzakelikheid of wettelikheid, of in de psychologiese zin van het onvoorspelbare, onberekenbare, onbedoelde, niet verwachtbare, van wil en weten onafhankelike (schijnbaar of niet-adaequaat causaal verband), maar in de _zuiver selektieve zin_ van: faktor, onafhankelik van de persoonlike te seligeren hoedanigheden, onpersoonlik („toevallig”) verworven onpersoonlike strijdkracht. Bijvoorbeeld: in de ekonomiese strijd om het bestaan schakelt het „toeval” der geboorte met zijn „voorgiften” de selektie op ekonomiese begaafdheid uit; bij sollicitaties kan winnen, wie „toevallig” een kruiwagen heeft; het „toeval” van weers- of terreinsgesteldheid kan voor een match beslissend zijn.
Toeval in selektieve zin is dus voor de oorlogselektie:
I. al wat een staat op een gegeven ogenblik militair (over)machtig maakt onafhankelik van de zedelike en geestelike vermogens der inwoners, en
II. al wat bij de krijgvoering zelf onafhankelik van deze morele en intellektuele krachten over nederlaag of zege beslist.
Keurden wij de oorlog uitsluitend op zijn _zedelike_ selektiewaarde, wat misschien ons recht of zelfs onze plicht ware, dan hadden wij het pleit nog veel gemakkeliker gewonnen—want dan zouden zelfs alle _intellektuele_ faktoren, die een volk militair machtig maken en in de krijg zelf doen zegevieren—non-selektief toeval zijn. Maar zó streng behoeven we niet eens met de oorlogselektie in het gericht te treden.
I. De sterkste legermacht heeft op een gegeven ogenblik in 't algemeen, ceteris paribus, de staat met de talrijkste bevolking—met het meeste en geschiktste levend en dood oorlogsmateriaal. Talrijkheid der bevolking, staatsoppervlak en bevolkingsdichtheid—van hoe velerlei „toeval” leren ons geschiedenis en aardrijkskunde niet hun afhankelikheid! Daar is de bodem- en klimaatgesteldheid, die zonder „schuld” of „verdienste” der eenmaal opwonenden, rijkdom (nooit vermoede mijnschatten, natuurlike verkeerswegen enz.) en verarming (uitdroging, overstroming, misoogst, hongersnood) bracht, ziekten heeft gekeerd of verspreid. Daar zijn die soms reeds in dubbele zin „historiese” machten, die met volken en landen als met legblokken hebben gespeeld: dynastieke huweliken, erfopvolging en verdragen, om slechts één groep te noemen; daar is verschil in rasvruchtbaarheid en derg. bij gelijk moreel en intellektueel peil; cultus, die hele stammen door zelfopoffering en zelfverarming decimeerde, en hier verbrokkelend, ginds weer bindend werkte; toevallige nabuurschap van machtiger of kleiner, hoger ontwikkelde of minderwaardige, assimileerbare of assimilerende, sterkend of verderfelik werkende stammen en kulturen; dan vooral de oorlogsuitslagen zelf met al hun aanstonds te noemen toevalligheden—kortom dat alles, wat in elk geval tot resultaat had de werkelikheid, die tans vóór ons ligt: kleine en grote staten, militaire dwergen en militaire reuzen op gelijk of overeenkomstig kultuurpeil: Zwitserland, België, Nederland, Denemarken naast Frankrijk, Duitsland, Italië, de Verenigde Staten—en krasser nog: staatjes, die zedelik en geestelik aan de spits der wereldbeschaving staan en militair in 't niet zinken bij de grootste volkrijkste staten met een kultureel achterlike, ja ten dele nog barbaarse bevolking: China, Rusland naast Nederland, Finland. Hoe overwegend moeten de contra-selektieve en non-selectieve faktoren zijn van grote-staten-vorming, om tot dergelijke resultaten te kunnen leiden! Hoe ongenadig logenstraft en weerlegt de werkelikheid het keurig eenzijdig betoog van het edel selektief gehalte van militaire staatsmacht. Wee, zo Nederland zich militair moest meten met Rusland. Maar een vergelijking op al die bovengenoemde faktoren, op volks- en staats-gezondheid, op welvaart en ontwikkeling enerzijds—en anderzijds op korruptie, luiheid, nepotisme, volksverdomming, machtsmisbruik, rechteloosheid... zou wel niet al te sterk pleiten voor de superioriteit van de grootste, militair machtigste staat.[24] Gelukkig is hier een militaire krachtmeting niet waarschijnlik. Maar dat is een gelukkig... „toeval” van ligging, nabuurschap. Neem Finland. En STEINMETZ zelf geeft u toe, dat hier „ein sittlich reines, begabtes, liebenswürdiges Volk durch ein rohes, aber starkes und grosses unterdrückt wird.”
[24] Men leze STEINMETZ' eigen oordeel over Rusland, _Ph. d. Kr._ bl. 176 vv.: „Weder im Frieden noch im Kriege kommen durch die prinzipielle Korruption der russischen Verwaltung die rechten Leute an die rechte Stelle. Hofgunst und Cliquenwesen entscheiden hier alles, und wie niederdrückend muss eine solche Sachlage auf die Entfaltung alles Charakters und aller Anlage wirken! Verschleuderung des Menschenmaterials ist hier die Regel. Wie verderblich ist eine solche Regierung, wie tief steht ein Volk, das sie duldet!”
Kom, laat mij u zijn menselike verontwaardiging niet onthouden over Finlands rampzalig lot: „Das humane Gefühl empört sich schmerzlich in einem solchen Falle von rücksichtsloser Unterdrückung durch die grobe Uebermacht, tiefes Mitleid mit den ihrer freien Selbstbestimmung Beraubten drängt sich auf, besonders wenn ein freies, gebildetes Volk in dieser Weise in die Herde der rohen, geknechteten Barbaren zurückgedrängt wird.”[25] STEINMETZ zelf erkent „offen” de „moeilikheid”... en bewijst zijns ondanks de onmogelikheid, „einen solchen Fall noch günstig zu deuten”. Immers, de capitulerende vraag: „Warum sollte es keine Ausnahmen geben?” schijnt mij al even weinig troostrijk voor de overweldigde uitzonderingsgevallen en ons beledigd rechtsgevoel, als de blijmoedige variaties op het thema: men kan nooit weten waar het goed voor is.[26] Maar wat men wel weten kan en moet is dit: met de toegegeven mogelikheid en werkelikheid van „uitzonderingen” valt reeds elke waarborg van het selektief recht, de „innere Gerechtigkeit” van elke bepaalde groepsmachtmeting, van elke bepaalde oorlog. Oorlog die deze rechtvaardigingsgrond mist... het is een rechter over leven en dood, over het lot van volken—in een vlaag van waanzin!
[25] _Der Krieg_ p. 23.
[26] Zie p. 24: „Ist es gar nicht möglich, dass schliesslich die Einverleibung Finnlands durch Russland bedeutend mehr Gutes als Schlechtes verursacht haben wird?... War die Zerstörung von Jerusalem, welche die vielen eifrigen, aktiven Juden wie einen Sauerteich in das mittelälterliche Europa verbreitet hat, kein Glück für die Welt? Kann die Amalgamirung der Finnen durch die Russen nicht ebenso nützlich für Russland wirken?... Es ist sehr schwer in die Zukunft zu blicken”. M. a. w.: _utilisties is elk oordeel voorbarig_ en Satan mogelik een respektabel heer.
II. Edoch—al geven we voor een ogenblik eens toe, dat de militaire macht van een staat een maatstaf is voor het zedelik en geestelik peil, voor de kultuurwaarde der bevolking—of stel, dat in het allergunstigste geval de legermachten eens ten naaste bij aan dit ideaal beantwoordden—dan komt nog weer de oorlog zelf, de krijgskans met al z'n non-selektieve faktoren, met z'n „toeval” alle selektiewaarborgen verijdelen: want selektief _toeval_ is
1º. heel het _veldheergenie_. Het is niets dan een gelukkig toeval voor een volk, onafhankelik van zijn gemiddeld kultureel peil, op een gegeven ogenblik een geniaal legeraanvoerder ter beschikking te hebben. Zelfs de groter bekwaamheid of eendracht der krijgsleiding is niet alleen van selektieve faktoren (meer of minder korruptie, kastebevoorrechting en derg.), maar ook van allerlei „toeval” afhankelik (ziekte, dood, al wat tot plotselinge vervanging leidt).
Van selektief standpunt is het dus niet te betreuren maar nog een geluk, wanneer buitengewone beslissende superioriteit of genialiteit bij de krijgvoering vergeefs op zich laat wachten.. Maar uit te schakelen schijnt ook voor de toekomst trots de steeds betere verkenningsdienst en geringer (maar door uitvindingen weer te vergroten) verrassingskans, noch deze faktor noch zijn non-selektief gehalte, zolang nog staten of volken hun toekomst, hun bestaan dusdanig roekeloos op het spel, het krijgspel zetten.
2º. alle _oorlogsbondgenootschap_. Hoe wordt reeds principieel het keurig selektie-schema door deze faktor omvergekegeld! Want laat nu de grote militair-machtige staat betekenen het superieure volk... de vele inferieure volkjes, tot grote-groepvorming onmachtig—ze kunnen samen strijdend door tijdelike eendracht macht en overmacht maken; en precies zó als de lichamelike faktoren, die het individu sterk maken bij de fysieke worsteling tussen individuen worden uitgeschakeld door groepshulp—zó worden al die kulturele deugden, waar de staatsmacht van heet af te hangen—buiten geding geschoven door oorlogsbondgenootschap. Vele kleinen maken—en breken—een grote.
Dat is de negatieve principiële zijde. En nu de positieve kant der praktijk—de faktoren die in de plaats treden van het uitgeschakelde, de voorwaarden, die tot bondgenootschap leiden: kan men zich die „toevallig”, futiel, onkultureel genoeg denken? Waar blijft in heel dat diplomatenspel, die wisseling van wereldpolitieke konstellaties, kombinaties en machinaties het verband met zedelik of geestelik kultuurpeil? Of met dieper geest- of rasverwantschap, volks-antipathie of rassenhaat, karakterverschil of -overeenstemming?
Turk en Pruis en Oostenrijker hier, Rus en Engelsman, Fransman en Japanner ginds—ze gaan nu broederlik samen, Brit en Duitser, Pruis en Rus ze zijn nu geslagen vijanden. Maar is er iets oppervlakkigers dan wapenbroederschap en oorlogsvijandschap? Vijanden waren binnen de laatste eeuw (een moment in het volkerenleven) Fransen en Engelsen, Engelsen en Russen, Russen en Fransen, Pruisen en Oostenrijkers, Noord- en Zuid-Duitsers, Russen en Japanners,—wapenbroeders Fransen en Duitsers, Duitsers en Russen, Oostenrijkers en Russen, Engelsen en Duitsers.... ja, ware niet nog BISMARCK's hoogste triomf geweest een bondgenootschap met Rusland, en wordt niet zelfs tans nog, tijdens de oorlog, aan een nieuwe Drie-keizers-bond, een nieuwe „Heilige Alliantie” gedacht? Wel heilig en diep is wat die partijgroepering heel de geschiedenis door heeft beheerst...
Voor de krijg van staat tot staat heet oorlogsaanleiding of -oorzaak selektief van weinig of geen belang: „Die Veranlassung des Krieges kann empörend ungerecht oder lächerlich oberflächlich sein”.... de sterkste (dus naar de leer de waardigste!) wint; het zij zo, maar voor de hier behandelde bondgenootschappelike groepering wordt de futiliteit, ja frivoliteit die daar heerst en beslist, heel die van oorlog, van statenmachtmeting onafscheidelike karakterloze diplomatieke strategie, die nauweliks een ander gebod toelaat dan samenspanning om overmacht, selektief tot de grote _toevalsfaktor, die de zege der kwaliteit_ (toegegeven dat de groep kwantiteit stempelt tot kwaliteit—want daar komt de verdediging van het groepsgeweld eigenlik op neer) _wederom verijdelt door kwantiteit_: niet meer de sterkste (edelste!) maar het overmachtig aantal zwakkeren (minderwaardigen!) wint! En al is de sterkste—die tegenwerping verwacht ik—weer de meest begeerde bondgenoot (maar allicht ook de meestbelaagde vijand)—altijd zullen de zwaksten weer naar verhouding het meest geneigd en genoopt zijn tot samenspanning, tot „evenwichtvorming”, tot kwantitatieve vergoeding van hun kwalitatief te kort: wie niet sterk is moet slim zijn[27].
[27] Al is een staat zo „vollständig faul” als Turkije, oorlog, immers bondgenootschap, kàn hem op de been helpen en houden, i.p.v. „zermalmen”! En bondgenootschap kàn het „korrupte” Rusland zelfs over Duitsland doen zegevieren!
Maar de oorlogsapologie heeft zover ik weet dit punt vergeten.
3º. Gelijksoortig selektieverijdelend toeval als het bondgenootschappelik _gelijktijdig_ is het niet-eens verenigd maar _opeenvolgend aantal_ vijanden: Heeft de sterkste (zeg superieure) van twee staten het eindelik gewonnen, dan kan hij, nog uitgeput of verzwakt, door een nieuwe, weliswaar inferieure, maar kersverse vijand worden aangevallen en verslagen.... in strijd met alle regelen der oorlogsapologie! Langs een omweg van tijd wordt dus ook hier weer kwaliteit door kwantiteit, recht door macht overweldigd![28]
[28] STEINMETZ zelf laat op deze manier wel even terloops de voordelen van de zege verloren gaan, doch staat er niet verder bij stil: „Der Sieg war ein gar zu kompliziertes Resultat gar vieler Faktoren, ausserdem ist er nur das Ergebnis einer Kräftemessung zwischen zwei Völkern, das siegende Volk kann sofort aller Gewinne seines Sieges verlustig gehen, wenn es im Vergleiche mit neuen Gegnern den kürzeren zieht. So Japan nach der Besiegung Chinas”. (bl. 257, _Ph. d. Kr._)
Zo wordt aan oorlog een hogere historiese gerechtigheid voltrokken, dan van oorlog zelf te wachten valt: zijn vitium originis—geweld boven recht—blijkt zijn noodlot, dat hem altijd weer achterhaalt en waaraan zijn eigen recht te gronde gaat.
4º. Behalve die diplomatieke konstellatie is selektief krijgs_toeval_: de oorlogspolitieke positie tengevolge der _ligging_ (België, dat de zonde begaan heeft, bufferstaat te zijn; vgk. de militaire positie van Nederland, Zwitserland, IJsland, Skandinavië, Finland); de _terreins- en weersgesteldheid_: vernamen we niet onlangs, hoe _mist_ of _nevel_ NAPOLEON bij Waterloo een halve dag te laat en BLÜCHER zodoende trots de _slechte wegen_ nog op tijd heeft doen komen? En heeft niet _water_ en _ijs_ reeds tal van krijgskansen doen keren? Denk eens, aan welke soort machten hier door oorlog het volkerenlot (indien en voorzover daarover oorlog beslist) blindelings wordt overgeleverd!
5º. Voorts het toeval der groter of geringer _ekonomiese onafhankelikheid_ van _bepaalde_ vijanden en het daardoor gegeven _uithoudingsvermogen_. Bodemgesteldheid, klimaat, oogst enz. beslissen, in hoever een staat zich zelf min of meer bedruipen kan, weer trots zijn zedelik of intellektueel peil; daar is b.v. de toevallige voorraad kali of chilisalpeter of koper—_het is geenszins ondenkbaar dat zulk een faktor: gebrek aan ammunitie, aan kunstmest, voor een oorlog beslissend werd!_[29]
[29] Deze faktor schijnt van toenemende betekenis, ook naarmate meer staten aan een oorlog deelnemen; belangrijk toevalselement blijft hier mede de wisseling van bondgenoot en vijand; tegen internationale ekonomiese afhankelikheid kan men zich enigszins wapenen; maar het is van wereldekonomies standpunt jammerlike krachtsverspilling, waardeverlies, lijnrecht indruisend tegen de ontwikkeling van het mensheidsorganisme, die steeds groter onderlinge afhankelikheid der organen, arbeidsverdeling, specificering en circulering (vrij ruilverkeer) vereist en meebrengt. Gelukkig mogen we verwachten, dat deze ontwikkeling meer tegen oorlog zal vermogen dan deze reaktionaire oorlogstendentie tegen de ontwikkeling.
6º. Het veelsoortig toeval, dat de _stemming_, het élan van legers en volk beheerst: aanvankelik succès of échec, de pakkende leus, de welkome grief en wat niet al; de binnenlandse politieke konstellatie: overgangsperioden of gevestigd evenwicht, meer of minder gelukkig bewind; de populariteit van de oorlog, met een wellicht contraselektieve faktor: hoe zelfstandiger, objektiever, rechtvaardiger, ruimer, onchauvinistieser de geesten, des te meer kans op kritiek, gewetensbezwaar, oppositie en op edelmoedigheid en verzoenlikheid.[30]
[30] Men zie, welke machten STEINMETZ zelf, wel niet zonder tegenzin, te hulp moet roepen tegen „te” lange oorlogsduur: „Friedensliebe, Cosmopolitismus, commercielle Bedürfnisse, Geldmangel, internationales Vereinsleben (Socialdemokratie) und ähnliche Umstände werden den Drang zum schnellen Frieden noch bedeutend verstärken.” (_Der Krieg_, p. 48; vgk. _Ph. d. Kr._ p. 287 vv.)
7º. Eindelik het huiveringwekkend toeval, dat bij de _bewapening_ alle selektieve faktoren van rijkdom, industrieel en technies peil kan verslaan: ik bedoel nog niet, welke staat op een gegeven ogenblik „toevallig” (want wat bepaalt niet al het moment der oorlogsverklaring?) het best „klaar” en dus allicht in dubbele zin de „meestgerede” partij was (vgk. ook hier weer de rol van binnenlandse politieke verhoudingen: macht en drijven van oorlogsbelanghebbenden)—maar wat ik bedoel is de rol, voor _uitvindingen_ weggelegd. Laat de schrik der 42-cM.-mortieren uit taktiek overdreven zijn—waarom zou de wedstrijd tussen vestingwal of pantserplaat en projektiel niet door zulk een mortier of hypermortier beslist kunnen wezen—en een nederlaag voorkomen, een oorlog gewonnen? Of stel, dat één der partijen z'n vijand verrast met hyperbommen, die hun tienduizenden verslaan[31], of met een onderzeeër of luchtschip waartegen geen weermacht bestand blijkt... Het ingenieurspeil kan hier en ginds op precies dezelfde hoogte staan—en het selektief toeval van een beslissende of beslissing-wijzigende uitvinding, een luguber geniale inval, mogelik van een vreemdeling, wie weet, uit het later „vijandelik” land, door de meestbiedende of de eerste de beste gekocht... maakt alle technies meesterschap te schande, te schande kultuurpeil en volkskracht en heldenmoed en groepselektie en oorlogsapologie. En terwijl militair en diplomatiek krijgsbeleid hun noodlottige toevalsrol vooral in het verleden hebben gespeeld, opent juist de toekomst, naar het schijnt, voor de gruwel van het technies uitvindingstoeval onbegrensde mogelikheden...
[31] Om zijn stelling te verdedigen: „Je schrecklicher die Waffen, je blutiger die Schlacht, um so kürzer und weniger blutig der Krieg.” oppert STEINMETZ (_Ph. d. Kr._ 291): „Wenn es möglich wäre, gleich im Anfang des Feldzuges durch irgend eine verborgene Mine 50000 Mann in die Luft zu sprengen, so würde der ungeheuere Schrecken _den ganzen Krieg mit einem Male beenden_, und damit all sein Jammer und Elend. _Das entsetzliche Sprengmittel wäre somit eine grosse Wohltat_” (ik cursiveer).
Hoe nu?—een grote weldaad, die ons in één slag van de zegeningen des oorlogs, van zijn onmisbare selektieve funktie, van zijn alzijdig richterschap berooft? Of springt zo'n beslissende mijn alleen voor de machtigste staat of het edelste volk? Hoe ondoorgrondelik zijn uw wegen, o oorlogsapologie!
* * * * *
Nemen wij nu in aanmerking, dat juist het krijgskansspel tot dusver in de geschiedenis een hoofdrol heeft gespeeld bij de bepaling der staatsgrenzen, dan begrijpen wij, hoe staatsmacht en oorlogsverloop in één vicieuse cirkel, één draaikolk, hun beider toevalsfaktoren rondwentelen, de rode maalstroom van het oorlogstoeval, waarin alle oorlogsrecht en oorlogsredelikheid verdwijnt.
En in die maalstroom moeten wij het lot der volken werpen?
„Von Zufälligkeiten hängt das Geschick der Völker nicht ab”, zegt BELOCH en met begrijpelike graagte zegt STEINMETZ het hem na.[32]
[32] _Ph. d. Kr._ bl. 184 en _Der Krieg_, bl. 22.
Dat klinkt overtuigend, voor wie bij „toeval” denkt aan wat in strijd zou zijn met historiese noodwendigheid. Maar het wordt een vrome wens of een met de werkelikheid vloekend optimisme, wanneer men (met BELOCH) „toeval” neemt in onze zuiver selektieve zin van zegefaktor, onafhankelik van 's volks zedelik en geestelik peil—en oorlog het lot van volken beslist.