Oorlogsfilosofie

Part 3

Chapter 33,345 wordsPublic domain

Vooraf nog tweeërlei opmerking tot voorkoming van misverstand: wij miskennen niet het belang van strijd, van wedijver en selektie voor maatschappij zowel als natuur, voor heel de geschiedenis èn de toekomst der kultuur, al zal geen bezonnen evolutionist zover gaan, de fittest, de best-aangepasten, reeds daarom als de besten, de edelsten te beschouwen, de martelaar te verachten voor zijn geweldenaar; de hoogste aanpassing aan het milieu is aanpassing van het milieu; en edele persoonlikheid gaat liever onder, dan zich aan te passen; „Es ist das Unkraut, das überall gedeiht” (SCHELER).—En voorts: men kan de zegeningen der fysieke krachtmeting tussen mens en roofdier, mens en mens (het oude homo homini lupus), stam en stam, volk en volk, de zegeningen van het vuistrecht, familieveten, bloedwraak en oorlog dankbaar erkennen, de geschiedenis dier krachtmetingen zien als iets anders dan een „lelike domheid, waarvan slechts de proporties groot zijn”—en toch als historicus het historisme voldoende te boven zijn, om te beseffen, dat deze dankbaarheid evenmin voor het behoud, voor de toekomst van de oorlog pleit, als tegen de historiese vervanging van clanveten, bloedwraak en stamverantwoordelikheid door strafrechtspleging en persoonlike schuld. Ook vrouwenroof en mensenoffers, slavernij, adel, inquisitie hebben hun plicht gedaan... en hun tijd gehad. En mocht dus ook de oorlog eens de weg der bloedwraak gaan—dan zal de geschiedenis zelf hem uitluiden met haar lijfspreuk: „Der Mohr hat seine Schuldigkeit getan—der Mohr kann gehn.”

Tans ter zake. Om de kollektieve oorlogselektie op de keper te beschouwen—en te wijzen A: op de door STEINMETZ vergeten _zedelik_ werkende faktor der _individuele_ selektie en daarnaast op de gunstig werkende faktoren van de vreedzame maatschappelike strijd, en B: op de door STEINMETZ vergeten faktoren, die de _oorlogselektie deels zedelik bederven deels te niet doen_.

Beide punten samen zijn nodig en voldoende om aan oorlog selektief en zijn onontbeerlikheid en zijn recht van bestaan te ontnemen.

A. Gunstige individuele selektie. Groepenstrijd en selektieverbetering zonder oorlog.

Aanvaardt men de met goede gronden gestaafde leer van SCHOPENHAUER en HEYMANS, dat het individueel karakter, de zedelike persoonlikheid, gegeven in de onderlinge machtsverhouding van zedelike en onzedelike neigingen, vrijwel onveranderlik is, dan krijgt de selektie voor de zedelike vooruitgang een allesbeheersende betekenis: fundamentele zedelike verbetering is niet mogelik van het verdwijnend individu, maar slechts van de blijvende mensheid, doordien en in zoverre de minderwaardigen geringer kansen hebben op voortplanting en propagering van hun eigenschappen in de nakomelingschap dan de hogerstaanden, indien derhalve het percentage dezer laatsten wast, hoe weinig ook, met elk nieuw geslacht. Voldoende zorgt voor deze percentsgewijze uitroeiing van de slechtere elementen zeer zeker noch de huidige overheersende ekonomiese wedstrijd, waarin factoren van intellekt (kennis, scherpzinnigheid, tegenover onwetendheid en domheid) en temperament (aktiviteit en bezonnenheid tegenover luiheid en wispelturigheid) nog wèl, maar van karakter niet, of altans niet minder ten kwade (ruim geweten, zelfzucht, meedogenloosheid) dan ten goede de doorslag geven, noch de weinig betekenende opzettelike eliminering door het strafrecht, zelf weer voor een belangrijk deel afhankelik van non-selektieve ekonomiese faktoren.

Maar wij hebben gelukkig één grote blijvende kracht, die er op gericht blijkt, de zedelike minderwaardigheid verhoudingsgewijs uit te roeien: dat is de groter aantrekkelikheid van het goede boven het slechte, gelijk die tot uiting komt in de _sexuele teeltkeus_. Hier werkt de zielkundige waarheid, dat werkelike goedheid, karakterschoonheid, edele persoonlikheid aantrekt en echte slechtheid, gemeenheid, laagheid afstoot... zowel de slechten als de goeden. Want slechtheid is niemands einddoel, is enkel middel. „Auch des Egoist wertet die Liebe höher als die Selbstsucht, auch der Unzuverlässige zicht die Wahrheit der Lüge vor: aber sie nehmen Selbstsucht und Lüge gleichsam mit in den Kauf, um irgend welche Genüsse oder Vorteile zu erzielen.” (HEYMANS) Deze waarheid en de daarop gegronde verwachting, dat ook bij de huwelikskeuze, hoe zeer ook dikwerf resultaat van hartstocht of berekening, van uiterlikheden, van allerlei raison en tort, toch het zedelik goede van weerszijden „ceteris paribus” voorrang en voorkeur zal vinden boven het minderwaardige, toch het liebens-würdigste ook het liebenswürdigste, het beminnenswaardigste het beminnelikste zal blijken, die verwachting vindt haar bevestiging in het enig daaromtrent ingesteld wetenschappelik onderzoek, van HEYMANS en WIERSMA[13]. Voor tal van zedelike eigenschappen werd een hoger percentage bij gehuwden dan bij ongehuwden gekonstateerd, zodat, in verband met een onderzoek omtrent de biezondere erfelikheid dezer eigenschappen uit de gevonden cijfers „auf eine Zunahme sittlich wertvoller und eine Abnahme sittlich verwerflicher Eigenschaften von 1 bis 1.5% pro Generation geschlossen werden kann”.[14] Zo ziet dan HEYMANS in deze kracht der sexuele selektie, die stijgt met elk bereikt resultaat, met de steeds hoger waardering der persoonlikheid boven stand en bezit, met de steeds vrijer, natuurliker en veelzijdiger omgang van meisjes en jonge mannen, met verdiept en verhelderd zielkundig onderscheidingsvermogen, de grote waarborg van een steeds sneller en ongestoorder zedelike vooruitgang—van „_de zelfopvoeding der mensheid_”.[15] En wij voor ons konkluderen uit dit betoog: het huwelik is een bolwerk tegen de oorlog.—Hier wordt het wonder werkelikheid, das Unzulängliche hier wird es Ereigniss: deugden die het individu schaden in de strijd om het bestaan: onbaatzuchtigheid, opofferingsgezindheid, eerlikheid, waarheidsliefde... die dus hun eigen graf graven—ze bouwen ook hun eigen huis, houden de soort en zich zelf in stand.

[13] _Beiträge zur speziellen Psychologie_, 9: Die selektorische Wirkung der Ehe, Z. f. Psych. 62.

[14] Wat ook op deze cijfers moge zijn af te dingen, de richting van betoog, en onderzoek schijnt mij onaanvechtbaar.

[15] Zie _Einführung in die Ethik_, 1914, §32.

Voor het karakter zelf, dus voor het diepste zedelik wezen van de mens, zijn innerlike, eigenlike, zedelike wil en waarde blijft dus _erfelikheid_ en _dodelike_ selektie: uitsluiting van de voortplanting, van overwegend belang, indien we wijziging uitgesloten, zedelikheid niet aan- of afleerbaar, opvoeding _hier_ dus machteloos achten. Het tegendeel echter is het geval met het zedelik levensgedrag, het doen en laten van de mens, zijn karakteropenbaringen, de levensresultaten van zijn zedelike aanleg, die immers evenzeer als de aangeboren geestelike, intellektuele begaafdheid zowel in z'n ontwikkeling belemmerd, verstikt worden, eeuwig latent en kiem blijven kan als tot z'n volle recht en ontplooiing komen. We betreden hier het terrein van levenservaring en levensmilieu, van opvoeding en onderwijs, van verleiding en bekering, die de voorstellingswereld, de denkbeelden, de beweegredenen, wijzigen en beheersen, heel het motievenspel, dat de sluimerende neigingen wakker roept, het karakter doet reageren met wil en besluit. Hier heerst de zgn. _naboots_-selektie, die zonder erfelikheid (ideeën, denkbeelden worden niet aangeboren) en zonder lichamelike krachtmeting en uitroeiing door geestelik propageren en elimineren, door evenzeer opzettelik als automaties aankweken, door heel het maatschappelike systeem van denkbeeldverspreiding en ideeënstrijd, van bewuste en onbewuste invloedoefening des te sneller en zekerder voor de kulturele vooruitgang zorgt. Tot dit gebied behoort alle verworven kennis en deugd, intellektuele en zedelike bekwaamheid, alle begrip en inzicht, dus ook alle aanleerbare „socialiteit” (VAN EMBDEN), gemeenschapszin als „inzicht in het nut van en toewijding aan krachtig gemeenschapsleven”, de kunst, te gehoorzamen en te leiden, verdraagzaamheid, ontvankelikheid voor lof en blaam, eer en schande, solidariteitsgevoel en stiptheid, ijver en volharding, „altruïsme” als belangstelling in andermans lief en leed, trouwe plichtsvervulling en al wat ooit scholing en beproeving zal vermogen, al wat ooit de levenstrijd aan morele kracht en het gemeenschapsleven aan maatschappelikheid kan schenken.

Heel die verworvenheid nu, hoewel niet erfelik, is voor het kultuurpeil, voor de zedelike en geestelike vooruitgang van het mensdom van niet te overschatten belang—want al moet hier elk jonggeborene en elke nieuwe generatie van voren af aan beginnen, evenwel—dank zij enerzijds de „nabootszin” en „suggestibiliteit”, anderzijds het veelzijdig georganiseerd maatschappelik stelsel van onderwijs en opvoeding in gezin en school, bond en kerk, stad en staat, omgang en verkeer, mondeling en in geschriften—kan één mensenleeftijd het gemiddeld peil bereiken en verwerven waarvoor de mensheid alle voorafgaande geslachten nodig heeft gehad. Het door de eeuwen opgestapeld kapitaal aan kennis en maatschappelike deugd, aan zeden en gewoonten, idealen en overtuigingen, instellingen en organisaties, aan recht en kunst, wetenschap en wijsheid, al die schatten der kultuur, ze liggen voor elk geslacht gereed:

„Was du ererbt von deinen Vätern hast Erwirb es um es zu besitzen.”

Die _verwerving_, waarop dus na de _overerving_ en tezamen met de _scheppende voortbrenging_ alle voortbestaan en vooruitgang berust, vereist _arbeid_, _inspanning_, _strijd_, van enkelingen en groepen, zowel tegen onpersoonlike machten: de eeuwige strijd tegen de natuur (honger, ziekten, mikroben), tegen domheid en gemeenheid, tegen verslapping en ontmoediging, verleiding en bederf, als tegen andere enkelingen en groepen, in één woord: tegen onze vriend de vijand, die ons de nodige noden en gevaren, de zegen der ontbering, vooralsnog niet doet ontberen. Deze strijd noopt tot steeds intensiever en extensiever groepvorming. Zie de ekonomiese worsteling, met wereldomspannende ondernemingen en maatschappijen, trusts, kartels, werkgeversbonden en arbeidersorganisaties, zie de politieke strijd der partijen, de godsdienstige kamp der kerkgenootschappen onderling en met hun zich organiserende tegenstanders, zie die duizendvoudig georganiseerde speciale strijd tegen afzonderlike maatschappelike euvelen en kwalen en voor al die biezondere belangen en behoeften, die tot vereniging en groepsgewijze botsing leiden.

Welke krachten nu deze groepenstrijd gaande houden—welke belangeneenheid en tegenstelling voor de groepvorming zelf, voor binding en isolering zorgt, behoeft hier niet nader onderzocht—immers dit ene staat vast: oorlog, militaire krachtmeting, is het niet. En dezelfde sociale deugden die de staat behoeft om sterk te zijn en zijn oorlog te winnen, die vergt het vrije verenigingsleven en de vrije vreedzame groepenstrijd met zijn eisen van verdraagzaamheid, toewijding, vertrouwen en betrouwbaarheid, solidariteit, ijver, onbaatzuchtige krachtsinspanning, payer de sa personne, in één woord maatschappelikheid. Niemand blijft buiten alle groepsverband, niemand kan slagen in volkomen isolement, ieder ondergaat de eisen en de reakties van het gemeenschapsleven, van kennissenkring en openbare mening, met hun seligerende machtsmiddelen van onverschilligheid, verachting, af-keer, schande, boykot, en daartegenover vriendschap, sympathie, hulp, eer, aanzien, invloed, macht. De sluwsten, zelfzuchtigsten en schijnheiligsten hebben ook tans reeds niet overal en niet voortdurend succès—in het dageliks omgangs- en maatschappelik leven werkt en seligeert ook tans reeds mee—hoe honderdvoudig overvleugeld ook—diezelfde reine voorkeur, die de geslachtelike teeltkeus adelt. Maar machtiger werkt stellig ook nu reeds—trots alle straks aan te duiden gebreken—de wedijver der vrije groepen. Deze vrije verenigingen heten „kleiner”, „eenzijdiger” dan de staat. Het voordeel schijnt mij groter dan het nadeel, dat door hun verscheidenheid nog wordt gereduceerd. Ze bieden des te beter waarborg voor eensgezindheid en geestverwantschap, voor echte vrijwillige volle toewijding. Maar de staat kan alles, zelfs het leven van zijn burgers opeisen? Och ja—voor de staat _offert_ men, desnoods, zijn vermogen, zijn gaven, zijn leven.... aan gezin, partij, kerk, wetenschap, kunst, _wijdt_ men zijn vermogen, zijn gaven, zijn leven. Voor de staat kan men sterven, maar wie kan leven voor de staat? Maar dwang en tucht zijn onmisbaar: „Der freie Verein verhält sich paedagogisch zum Staate wie das Concubinat der freien Liebe zur Ehe.” Een matig gelukkig beeld: Wee het huwelik bij de gratie zijner onontbindbaarheid. Tucht en dwang willen wij evenmin missen als huwelik en staat. Maar het huwelik, dat zich zonder dwang en de staat die zich zonder oorlog niet kan handhaven, is ons noch dwang noch oorlog waard. En de vraag van STEINMETZ: Waartoe zonder oorlog nog de staat, „der ja nichts tun darf”? zou waarlik het „mangelnde Verständnis für das Wesen des Staates” verraden, dat hij de vredesvrienden verwijt, indien we niet wisten, dat hier als elders slechts de pleiter voor de oorlog vergeet, wat de socioloog beter weet dan de meesten. De staat is het gezagsorganisme van een volksgeheel,—dat in dienst kàn worden gesteld van velerlei volksbelang—maar altijd en uiteraard één eigen funktie heeft: rechtsbedéling: verwezenliking en handhaving der rechtsorde. Zonder gezag geen recht, maar anarchie, d.w.z. het „recht” van de sterkste, van brute macht en geweld,—zo in de volkerenverhouding en in het ekonomies leven. Daarom zijn we vóór de staat op dezelfde grond als we tegen de oorlog zijn—wanneer ons blijken zal, dat groepsmacht en staatsgeweld allerminst pseudoniem zijn van gerechtigheid.

Hebben we dus, na de zedelike faktor der individuele selektie, gewezen op de gunstig-gerichte faktoren van de vrije groepenstrijd,—we willen in de 3e plaats nog opmerken, dat heel deze vreedzame maatschappelike evolutie selektief vooralsnog erbarmelik slecht is—doch voor radikale principiële verbetering vatbaar. Zegenrijk toch zal deze selektie eerst dan ten volle zijn, wanneer de besten de meeste kans van slagen hebben, wanneer de edelsten en begaafdsten, de hoogste, kloekste, vrijste, fijnste geesten en karakters, de vinders en scheppers, de denkers en zieners, maar ook de mannen en vrouwen van de daad, de organisatoren, de durvers en de kundigen... de leiders en overwinnaars worden, dus aanhang, invloed, macht en eer verwerven.

Tans echter beheerst vooralsnog de ekonomiese worsteling, de inkomensverwerving, het maatschappelik ontwikkelingsproces; deze werkt slechts gedeeltelik selektief (armoede, ondergang zonder persoonlike „schuld”, rijkdom, succès zonder persoonlike „verdienste”: gouden wieg) en kweekt voor zover selektief naast goede zeer slechte hoedanigheden en bederft door haar gebreken al de andere selekties; derhalve dient deze ekonomiese strijd verdrongen (van staatswege verstrekking van kosteloos onderwijs, ook middelbaar en hoger; kosteloze openbare boekerijen en leeszalen, kosteloze gezondheidsverzorging, rechtsbescherming, kiesrecht zonder welstandseisen, presentiegeld enz.) en vervangen door ekonomiese samenwerking, koöperatie, socialisering—en zover dat niet of nog niet mogelik is, altans gezuiverd van non-selektieve „voorgiften” (erfrecht enz.) en tot ietwat minder laakbaar selektief gehalte („ekonomisering” van de gemeenschapszin) gelouterd[16].—Zo leiden ook hier vele wegen naar het selektief maatschappelik ideaal van „loon naar verdienste”, van het Saint-Simonisties: A chacun selon ses capacités, à chaque capacité selon ses oeuvres.[17]

[16] Zie deze punten bij D. VAN EMBDEN, _Darwinisme en Democratie_ en daarnaast de sociaal-demokratiese maatschappijkritiek en program-eisen.

[17] STEINMETZ zelf geeft op een weinig enthousiast ogenblik—_of bij wijze van palinodie_?—toe, dat de „eeuwige vrede”, het vervallen van oorlog en kollektieve selektie, niet ontaarding en dood, maar slechts vertraging van vooruitgang zou brengen: „Es gäbe dann weiter nur Personalauslese. Ich behaupte gar nicht, dass diese bloss egoistische oder höchstens egotistische Eigenschaften züchtet, ich verkenne auch die Möglichkeit keineswegs, sogar ohne alle Selektion zu einer gewissen, wenn auch wahrscheinlich nicht erblichen Erhöhung unserer Kollektiveigenschaften, nur auf dem Wege der Erfahrung und Erziehung zu gelangen”... „Sonst sehnt man sich mit Recht nach grösserer Schnelligkeit des Fortschritts, warum sollte man jetzt auf ein Beschleunigungsmittel Verzicht leisten?” (blz. 215, _Ph. d. Kr._)

B. Wat oorlogs kollektieve selektie verhindert en bederft.

En tans de faktoren, die de kollektieve oorlogselektie deels zedelik en geestelik bederven, deels te niet doen.

a. Geen groepsuitroeiing meer.

Ware het noodzakelik gevolg van de oorlog „dass ein tüchtiges Volk an die Stelle eines schlaffen tritt”—dan zou deze respektabele prestatie mogelik met alle oorlogsoffers niet te duur betaald zijn. Maar hoorden we niet juist, dat onze geciviliseerde oorlogen gelukkig (want het was minder wreed) geen uitroeiingsoorlogen meer zijn—dat het overwonnen volk wel gedemoedigd, niet meer verdelgd wordt? Wat blijft er dan over van die fraaie fraze? Eigenlik niets. Geen van de huidige volken of staten van Europa heeft niet z'n oorlog of oorlogen gehad de laatste paar eeuwen: vernietigd, vervangen is er geen. Toegegeven, een ogenblik, dat het verliezend volk „slap”, het winnende „flink” was—Boeren en Engelsen, Engelsen en Nederlanders, Grieken en Turken, Turken en Russen, Russen en Japanners, NAPOLEON's volken en Russen, Zweden en Russen, Noren en Zweden, Zweden en Denen, Denen en Duitsers, Duitsers en Fransen (NAPOLEON), Fransen en Duitsers, Italianen en Oostenrijkers, Oostenrijkers en Italianen, de Balkanstaten onderling (de daar wisselende flinkheid en slapheid valt moeilik bij te houden), de Krimoorlogsvolken (wie was daar slap?)—wie van al deze flinke bekwame zegevierders is in de plaats getreden van een van al deze slappe minderwaardige verslagenen? Hoeden wij ons dus voor de _misleidende schijn_, als zoude de oorlogselektie _de zwakkere_ (dus naar wij nog een ogenblik toegeven: minderwaardige) _groep vernietigen, dodelik seligeren, „ausmerzen”_.[18] Maar dan wordt dadelik heel de richting der selektie twijfelachtig: zal en moet die zwakke, minderwaardige groep van de nederlaag nòg zwakker, nog ellendiger, nog minder waard worden, dan wel juist sterker, zedelik en geestelik beter? Is het gevolg van de nederlaag groepverzwakking, dan is dat tevens een verergering, verslechtering—is het gevolg opleving, versterking der onbekwame groep, dan wordt doelbereiking en voortplanting van betrekkelik minderwaardigen door oorlog weer niet belemmerd, maar zelfs bevorderd.[19] Selektief gunstig kan oorlog dus in elk geval nog slechts daardoor werken, dat het percentage zedelike en geestelike kracht na de oorlog bij winnaar en verliezer samen genomen groter is dan te voren—wat moeilik met goede gronden zou zijn te staven, gegeven ook de individuele contra-selektie—en waarbij het dan nog twijfelachtig zou blijven, welke betrekkelike vermeerdering van het deugdelik element opweegt tegen de volstrekte dodelike vermindering, die bovendien met het aantal mededingers de waarde van het selektief produkt doet dalen.—Het dradenweefsel der werkelikheid is inderdaad te subtiel voor globale machtspreuken.

[18] Vgk. _Ph. d. Kr._ 255, oorlogen tussen kultuurvolkeren kunnen „keine ausmerzende Wirkung üben”.

[19] STEINMETZ zelf laat nu eens herhaalde nederlagen „Verfall und Verderben” brengen (p. 255), elders weer de nederlaag voor beide behoeden—gelijk de zege zowel een zegen kan zijn als zelfs „dem Sieger zum Verderben werden” (257). Het kan gebeuren „dass die Sieger den Besiegten weichen müssen”!

„Bei steigender Kultur und zunehmender Volksmasse verlaufen alle diese Prozesse der Auslese immer subtiler” (258). Wat blijft er dus over van het eenzijdig schema, van de globale frase?

b. Contraselektieve faktoren?

We resumeren nog even: de (gewelddadige) groepenkrachtmeting is slechts dan „recht”, oorlog slechts dan te rechtvaardigen, wanneer (militaire) groepsovermacht uitsluitend berust op, leidt tot superioriteit van de leden.

Wij erkennen het element van waarheid in het betoog, dat de talrijkheid en grootte, de rijkdom, de wapenmacht van een volk niet zo „materieel”, niet zo onafhankelik van zijn zedelik en geestelik peil zijn, als het oppervlakkig schijnt: zedelike krachten, sociale deugden zijn nodig om een groot volk bijeen te brengen en te doen blijven, om de bevolking gezond en op peil te houden, om volkswelvaart (bloei van landbouw, handel, industrie) te verwerven en te handhaven; zelfs het bemachtigen en exploiteren van de gunstigste, vruchtbaarste bodem gaat niet om buiten alle persoonlike hoedanigheden, zij het dan ook veelal van verre voorvaders; en voldoende bewapening vergt niet te onderschatten offers, intelligentie, organisatie; ondeugden als korruptie, luiheid, nepotisme, volksverdomming en volksuitmergeling, machtsmisbruik, rechteloosheid, kortom, al wat rot is in het groot organisme, verzwakt een staat ook militair...

Dat is één zijde van de zaak.

Nu de keerzijde.

Genoemd dient allereerst, al acht ik voor mij het punt nog niet beslissend, dat in de groepskrachtmeting niet alleen (het zal ons hoofdargument worden) non-selektore faktoren heersen, maar dat de hooggeroemde kollektieve selektie zelfs faktoren van _contra-selektie_ schijnt te bevatten: er zijn belangrijke zedelike eigenschappen, die de zeer grote groepsmacht tegenwerken, fnuiken, en kleine groepen voor opgaan in grotere massa's behoeden en stand doen houden: dat zijn de individualisties gerichte deugden van „autonomie”: zelfstandigheid, eigen oordeel en objektiviteit, onafhankelikheid, fierheid, zelfrespekt, oppositiemoed... al wat indruist tegen de kuddegeest en de massamacht. En ik herinner mij, eens gelezen te hebben, „_dat de groep wel steunen kan, maar niet sterker maakt, integendeel, en dat te meer, naar mate zij grooter en machtiger is. De sterkste meest helpende groep maakt haar leden het zwakst._” Zo zou de zege der sterkste groep—dus de kollektieve krachtmeting (die oorlog heet)—de zwakste, afhankelikste individuen kweken! Welk een contraselektie, voor ieder, wiens ideaal de „sterken, edelen, kloeken, vrijen” zijn! En toch was die dat schreef ook een groot socioloog, wiens autoriteit door Prof. STEINMETZ wel niet zal worden gewraakt. Het was Prof. STEINMETZ. Maar toen was niet de verdediger van de oorlog, van de groepsmacht aan het woord, die zich keert tegen gebrek aan „Staatsgefühl”, tegen „den übertriebenen Individualismus unserer Kulturvölker”, maar... de individualistiese bestrijder van socialistiese groeps- en staatsmacht![20] Wie van beiden heeft nu gelijk? Ik zou zeggen, geen van beiden in zijn eenzijdigheid. Beide tendenties dienen erkend. De werkelikheid en de sociologie en Prof. STEINMETZ blijken ruimer en wijzer dan zijn oorlogsfilosofie.[21] De vraag is nu maar, of de contraselektore dan wel de gunstige faktoren der kollektieve selektie de overhand hebben. Wie durft dat eens en voor al, of zelfs maar globaal beslissen? Wie zonder zekerheid ten deze nog oorlogsverdediger zijn?

[20] „_Kritiek op de proletarische Moraal van Mevr._ ROLAND HOLST.”

[21] En zelfs deze erkent nog even (bl. 216): „Die grössere kollektive Kraft fällt durchaus nicht immer mit der grösseren Kraft der Individuen zusammen”. Zie onder, bl. 54. noot.