Part 2
Ja, bij STEINMETZ fungeren zelfs de „Grausamkeitsgenüsse” van de oorlog als voordelen in de Lustbilanz! Men behoeft nog geen askeet te zijn om dit hedonisties amoralisme te wraken en onzedelik genot te beschouwen als een kwaad. Want geen ander leedvermaak is zedelik gerechtvaardigd dan de verheuging over falende slechtheid, over teleurgestelde, onbevredigde gemeenheid. En toch is haat, algemene, distinktieloze haat, die aan onschuldige „vijanden” dood en verderf toewenst en toedient nodig in en voor de oorlog; hoe feller die haat wordt gestookt, desnoods met leugen en laster, des te vuriger het élan. Wat hadden de Duitsers tegen de Belgen toen zij hen overvielen? Op z'n best schaamte. Maar daar kwamen de verzonnen „Abschlachtungen der Deutschen in Antwerpen”, kindermoord, vrouwenmishandeling, kerkhofschending, bestialiteit... het spel kon beginnen. En we denken aan de gretig geloofde en gekolporteerde putvergiftiging met cholerabacillen in Metz, besmetting van de Müggelsee, dum-dums of ontplofbare kogels over en weer, marteling van gevangenen en gewonden, kortom aan al wat nodig is om de stemming op peil, op oorlogspeil, te houden.... hoewel dan „die heutigen Kriege keinen erheblichen Verrohungseinfluss mehr ausüben.”
Omtrent het sub 3 en 4 genoemde, de ekonomiese nadelen, het kapitaalverlies, de verwoestingen enz. erkennen we dat het oordeel of de oorlog zijn kosten dekt en zelfs bovenmatig „goedkoop” moet heten geheel afhankelik is van de waarde die men aan z'n voordelen hecht; het enige waarop we moeten wijzen is dat altans deze oorlog nu reeds een ontwrichting en ontreddering van het ekonomies leven, een werkeloosheid en een volksverarming heeft gebracht als wel geen oorlog te voren. En we zijn waarschijnlik nog maar aan het begin. Geen opleving, geen herstel na de oorlog kan het nu geleden leed te niet doen. Maar laat ons bij betrekkelike kleinigheden niet te lang stilstaan! Daar zijn b.v. de verwoestingen. „Zum Glücke ist es wahrscheinlich, dass die Zerstörungen im Kriegs-interesse jetzt erheblich geringer sind als sie in früheren Jahrhunderten waren”... Oost-Pruisen, Noord-Frankrijk, Russies Polen en België,—Leuven, Mechelen, Aerschot, Dinant, Namen, Reims... We gaan verder.
We krijgen nu de dodenlijsten van de oorlog en al wat aan ellende daarmee samenhangt. We betreden het terrein van de „_contraselektie_”, die de gezonde gave normale jonge mannen, de keur en bloem der volken wegmaait en de zieken, zwakken en gebrekkigen, het misgewas en het uitgebloeide laat leven en telen. De lichting is kieskeurig... de kogel niet, „Die Kugel wählt nicht”. Kogel, bom of granaat heeft voor begaafdheid of genie, voor geest of gemoed, voor kennis of karakter niet meer respekt dan voor elk willekeurig stuk levend vlees. „Ja, die Besten, die Tapfersten sind hier gewiss besonders im Nachteil”. We begrijpen, dat voor een selektionist deze „helaas niet te schatten of te berekenen” contraselektie inderdaad „_ein sehr bedeutender Uebelstand_” moet zijn, al pleit hij enige kwantitatieve „mildernde Umstände”: het geringe percentage edelen en begaafden („Grob und ordinair sind meist die Toten, grob und ordinair auch die Zurückbleibenden”, een schrale troost, vooral voor de betrokkenen), de geringe afwijkingen, die voor afkeuring voldoende zijn, het feit, dat volgens VON BLOCH (_Der Krieg_) in de laatste oorlogen door ziekten en ontberingen—dus door seligerende faktoren—wel driemaal zo velen omkwamen als door wapengeweld (maar blijkt niet reeds tans en wordt niet voortdurend deze verhouding ongunstiger door de verbetering enerzijds van de wapentechniek, anderzijds van verzorging en verpleging?), het aantal vaders, dat sneuvelt, na dus zijn selektie-dienst reeds te hebben verricht—een troost intussen, die bij de met stijgende kultuur stijgende huweliksleeftijdsgrens steeds geringer dreigt te worden.. Edoch: „_Der Haupttrostgrund ist aber, dass am Ende doch nur relativ Wenige dem Kriege zu Opfer fallen, wenigstens in den Kriegen civilisirter Grossstaaten_”. Veel of weinig is altijd „relatief”. Wijsbegeerte noch wetenschap zal daarover twisten. Maar welke maatstaf legt STEINMETZ aan—op wat voor verliescijfers is zijn oordeel gebouwd? Op die van de oorlogen in Europa in de 2e helft van de 19e eeuw, als de Pruisies-Oostenrijkse oorlog van 1866, waarin het aantal doden wordt geschat op bijna 11000 Pruisen en ongeveer 3 maal zoveel Oostenrijkers, de „bloedige” Krimoorlog, die 175000 doden en gewonden opleverde (LEVASSEUR), doch inzonderheid de Frans-Duitse oorlog, waarin de Duitse verliezen op ± 40.000 worden gesteld, de Franse op ± 140.000, voor Duitsland dus 1 op de duizend inwoners! En voor de toekomstoorlog heeft BERNDT („_Die Zahl im Kriege_” 1897) STEINMETZ overtuigd, „dass Millionenschlachten sehr unwahrscheinlich sind... dass die Verlustprozente keine grösseren sein werden als im letzten grossen Kriege”. VON BLOCH's verwachtingen over de ungeheure Verluste bij het moderne wapentuig in een toekomstige krijg acht STEINMETZ „gründlich widerlegt” („vollständig verfehlt”) door zijn beschouwing: „Die Bewaffnung ist gar kein Faktor in der Verlustgrösse des Krieges”... „Je schrecklicher die Waffen, je blutiger die Schlacht, um so kürzer und weniger blutig der Krieg”. Beschaafde volken willen immers elkander niet meer verdelgen, ausmorden, maar slechts onschadelik maken, demoedigen, een „vorteilhaften Frieden” afdwingen. Geen volk zal méér lijden dan het dragen kan, men make zich niet nodeloos ongerust, „Wenn die Verlustgrenze (elders: „die Widerstandschwelle”) erreicht ist wird nachgegeben”. „_Verlustmaxima_” zijn bereikt in de Russies-Japanse oorlog—maar daar stond „der Muschik gegenüber dem Samurai, die wenig übertünchte Barbarei gegenüber dem kaum verlassenen Mittelalter”—en die „maximale” verliezen bedroegen: ruim 80.000 Japanners en ruim 30.000 Russen!
Wat leert ons nu de werkelikheid van de tans losgebroken oorlog? Hoe onbarmhartig drijft hij de spot met STEINMETZ en BERNDT, hoe grondig weerlegt hij hun illusies![8] Niet bij tienduizenden, bij honderdduizenden, ja naar de laatste berichten reeds bij kwart en halve millioenen dienen de verliezen geteld... in deze weinige maanden tijds. De officiële Duitse verlieslijsten die ik zag, hadden reeds vóór half Oktober, vóór de bloedbaden aan de Yser, bij Yperen en Dixmuiden en vóór de terugtocht van Warschau een bedrag van meer dan 470.000 bereikt! Reeds tans zijn de verliescijfers _meer dan 10 maal zo hoog_ als in '70/'71! Waar blijft nu STEINMETZ' Haupttrostgrund? En we zijn, naar het schijnt, nog pas aan 't begin. Wat zal het einde zijn? „Mürbe” gemaakt is nog geen der tegenstanders—wat zal er deze winter overblijven van al die kostelike millioenen, van die keur der keurvolken in de moordende, slopende loopgraven, in west en oost? Ziet iemand redding of uitkomst? Zou STEINMETZ tans nog „die ganze Sache wohl ein bischen zu sehr aufgebauscht” noemen? Parfois le vraisemblable est l'ennemi du vrai: de werkelikheid heeft STEINMETZ' „waarschijnlikheid” verslagen met JOTEYKO's „Phantasie”: „entre la guerre d'hier et la guerre de demain un abîme est creusé”!
[8] Vgk. hoe STEINMETZ onder de „soziale Sukzessionsgesetze... induktiv und einwandsfrei demonstriert”... zijn „Gesetz der abnehmenden Kriegsverluste” opneemt, _Ph. d. Kr._ bl. 66 vv.
2. Oorlogs onmisbare kultuurfunktie.
Of in deze afgrond met STEINMETZ' Haupttrostgrund ook zijn oorlogsgeestdrift verzonken is? Ik moet het betwijfelen. Want al wekt zijn behandeling van het probleem, zijn wikken en wegen der oorlogsnadelen de schijn—en al waant wellicht de schrijver zelf in gemoede—, dat de betrekkelike zwaarte dier nadelen voor hem gewicht in de schaal legt, zijn houding mede bepaalt[9]—dat alles is niet meer dan schijn, zelfbedrog, oppervlakte-psychologie. Immers, wanneer men met STEINMETZ de van oorlog onafscheidelike, essentiële _voordelen_ ziet als eenvoudig _onmisbaar_, wanneer de oorlog een even _onvervangbare_ als _onontbeerlike_ kulturele funktie vervult—dan zinkt daartegenover elke eindige, d.w.z. elke voor volk of mensdom _nog draagbare_ nadeelskwantiteit, ja voor STEINMETZ immers „geradezu unendlich viel Entsetzliches”.... eenvoudig in 't niet. Geen sentimentele illusies. Grote dingen moeten we groot zien.[10] Oorlog, dat wil voor STEINMETZ zeggen leven en vooruitgang, de zedelike verheffing van het mensdom—zonder oorlog stilstand, bederf, marasme, dood. Ziedaar de voordelen, het heil, de zegen van de krijg.
[9] „Auch kommt es gerade und allein auf unsere Schätzung der dem Kriege inhärenten Nachteile bei der schliesslichen Abwägung seiner guten und schlechten Folgen an” (_Ph. d. Kr._ 13).
[10] De felle schets van 1899 (_Der Krieg als soziologisches Problem_) is zuiverder van toon en opzet dan het breed uitgewerkt boek van 1907, dat met minutieus feiten- en cijfermateriaal toch slechts voor de leus rekening houdt.
Wat VOLTAIRE van God zeide, zegt STEINMETZ van de oorlog: „Wenn es keinen Krieg gäbe, müssten wir ihn erfinden!”
Betreden wij tans de weg die naar deze apologie, neen apotheose van de oorlog leidt.
De kwintessens van het betoog luidt: _Oorlog is het enig middel tot kollektieve selektie, de enige, die _(in tegenstelling tot de selektie van individuen)_ zedelik werkt_.
De gedachtengang is deze:
De oermens is een aggressief wezen, d.w.z. hij heeft de drang tot zelfbehoud (Selbstbehauptung, verweer) en tot machtsuitbreiding (Selbsterweiterung, aanval) en de kracht en de wil (moed, wreedheid, hebzucht) om die desnoods met geweld te veroveren op dierenwereld en medemens. Zo heeft hij de strijd om het bestaan met roofdier en mens-vijand kunnen en moeten voeren en winnen—en dank zij die strijd met z'n survival of the fittest heeft hij al zijn vermogens, heel zijn superioriteit tot ontwikkeling gebracht, niet alleen z'n lichaams- en intellektuele krachten, maar ook z'n zedelike (sociale) gevoelens, dank zij de groepvorming en groepselektie. Want in de strijd geldt nu eenmaal het recht van de sterkste—Recht hat wer gewinnt—en de zwakke individuen verenigen zich van oudsher tot sterke groepen, horden, die dezelfde aggressiviteit, krijgszucht behoeven en vertonen, en tot zelfbehoud (defensief) en machtsversterking of bezitsverrijking (offensief) onderling oorlog voeren. Binnen de groep ontstaat tussen de individuen zelf solidariteit en gevoel van samenhorigheid, arbeidsverdeling, orde, gezag, vreedzame wedijver; recht begint te treden in de plaats van macht en geweld—en heel de hogere kultuur is aan die vorming en groei van groepen te danken, wier hechtste cement de krijg tegen vijandelike groepen was. Want liefde, meegevoel, gemeenschapszin was alleen mogelik jegens een betrekkelik kleine kring van „naasten”, „eigen volk”, in tegenstelling tot de vreemdelingen-vijanden (hostes) rondom—algemene mensenmin was (en is) een ijdele frase.—Ziedaar de „kulturele funktie” van de oorlog als „Triebkraft” der ontwikkeling voor het verleden, voor de geschiedenis der mensheid. En meteen het inzicht voorbereid in zijn onmisbare „wesentliche” funktie, die... „für alle Zeiten gültig ist”, zijn zedelike noodwendigheid.
Immers: Wat is het principieel _zedelik_ verschil tussen de individuele en de groepselektie? Het individu heeft om te winnen zuiver individualistiese, egoïstiese eigenschappen nodig: zelfzucht, hebzucht, haat jegens anderen, afgunst, geweldenarij, list en bedrog, meedogenloosheid—de groep heeft om te zegevieren tal van belangrijke _zedelike_ faktoren nodig—want winnen zal de hechtste, rijkste, machtigste groep; de leden moeten derhalve trouw zijn aan elkaar,—er moet verdraagzaamheid heersen, gemeenschapsgevoel, solidariteit, toewijding, opofferingsgezindheid, eerlikheid, betrouwbaarheid en vertrouwen, orde, gezonde organisatie, arbeidsverdeling,—en wat dies meer zij. Derhalve moeten er zelfstandige, gescheiden, geïsoleerde groepen zijn—zonder isolement geen groep, maar amalgamering en atomisering en louter individuele selektie. En het enig middel tot dergelijke voldoende isolering is onderlinge strijd, is _oorlog_. Die alleen stoot enerzijds voldoende af en houdt anderzijds voldoende bijéén, wekt de opperste solidariteit, doordien hij alle krachten van het geheel en van de leden vergt, zelfs het leven. Dit laatste vermag alleen de _staat_ met zijn dwang, niet een vrije vereniging van gelijkgezinden voor beperkte doeleinden. Derhalve moeten er staten en oorlogen zijn, die elkander vooronderstellen: zonder oorlog geen staat, zonder staat geen oorlog. En zó wordt dan bij de statenstrijd, in tegenstelling tot de kamp en wedstrijd der individuen, de „Messung der Kräfte” tot een zedelik heil, macht tot recht.[11] Want als àlle gemeenschapskrachten in het spel zijn, en dat is bij de krijg het geval, is de beslissing ook alzijdig, wordt zegepraal of nederlaag het eindresultaat van heel het staats- en volks-verleden, de straf voor alle staatszonden, het loon voor alle staatsvoortreffelikheden, een waar „Godsoordeel”, om te spreken met de Hegeliaan LASSON. Zo wordt de oorlog de grote rechter, „der Krieg das Weltgericht”, hoog verheven boven de rechtspraak der eenzijdige wijsneuzige mensjes: „Jeder Richter urteilt einseitig, der Krieg allseitig”.
[11] Even oppervlakkig als onbillik tegenover STEINMETZ, is dus alle verweer in deze trant: „Tegenover het ethisch nihilisme, dat macht en recht doet saamvloeien, klemmen wij ons vast aan den Christus Gods, die het verlorene zoekt en zich over het zwakkere ontfermt.” Juist op gerechtigheid en barmhartigheid beroept zich STEINMETZ' oorlogsfilosofie.
De oorlog vervult de wereldhistoriese roeping, te zorgen „dass ein tüchtiges Volk an die Stelle eines schlaffen tritt”. Welbeschouwd vergt oorlog, mits niet te frequent, en van enige militaire, sociale en politieke fouten gezuiverd (volksleger in plaats van kaste-militarisme), niets dan „eine sogar sehr billige Bezahlung für seine ungeheueren Wohlthaten”.
Ten slotte: Nooit kan en mag—zo zou STEINMETZ antwoorden op het betoog, dat oorlog de negatie van het recht is—nooit kan en mag rechtspraak, mensenrecht, het immanent recht van oorlog vervangen. Want het _recht_ slaat op het _verleden_, doet _behouden_, wat reeds verworven was, de oorlog regelt en bepaalt de _toekomst_, zorgt voor _nieuwe_ verwerving, het recht konstateert, de oorlog konstitueert, het recht is een beginsel van stilstand en behoud, de oorlog een stuwkracht in dienst der Selbsterweiterung, een beginsel van groei en machtsontplooiing. Of, om met MAX SCHELER te spreken[12], het recht is „_statisch_”, de oorlog „_dynamisch_”. En stilstand, rust wil zeggen ontbinding, Verfaulung. Leven is groei, ontwikkeling. Zo wordt de gedachte: scheidsgerecht in plaats van strijd, „zu blödsinnig, zu hässlich um ernste Bestreitung zu verdienen”. Het is in het belang der mensheid, dat geschillen tussen volken „Machtfragen bleiben und keine Rechtsfragen werden”. Kracht en inspanning moeten beslissen, niet „etwa Anciennetät”. Wat volgens STEINMETZ het socialisme zou betekenen voor het individu, dat spiegelt de wereldvrede voor aan de staten: „der ewige Schlaf des Menschheitspensionats”, een leventje „ohne Kampf, ohne Anstrengung, ohne Verantwortung, ohne Ausmerzung! Ein hehres Greisenideal: Verfaulung im Lehnstuhl!”—Zonder strijd, zonder zelfhandhaving en aggressiviteit „Zurückdrängung des Besseren, Erniedrigung des Typus, Tod.”—
[12] _Die Idee des Krieges_ (Neue Deutsche Rundschau, Okt. '14)
Zo luidt het pleit van de oorlog en zolang dit overeind staat kunnen geen oorlogsslachtoffers, hoe talrijk ook, meetellen, mag geen oorlogsmisère, hoe intensief en extensief ook, meewegen. Hic Rhodus, hic salta.
III. DE KEPER.
1. „Staties” Recht en „dynamiese” Oorlog.
Wat hebben wij nu tot deze dingen te zeggen?
Allereerst richt ik mij tegen het imponerend betoog, dat recht niet kan en mag in de plaats treden van oorlog. Het berust op een onzuivere, valse tegenstelling: Tegenover de oorlog als stuwkracht, verovering en geweld als middel en wijze van krachtsontplooiing en bezitsverwerving staat niet het recht, dat nooit zulk een dynamiese funktie voor zich heeft opgeeist, maar staan de _vele vreedzame stuwkrachten_ en wijzen van bezitsvermeerdering en machtsverwerving, van leven en wasdom, die de dynamiek der geschiedenis kent, bij individuen, groepen, steden en staten: _tegenover roof en krijg_ staat, neen niet het recht, maar: rechtens en zedelik geregelde en geoorloofde _arbeid_, _eerlike wedstrijd_, staat bij de volken het gebruik van al hun kulturele, dus alle ekonomiese, wetenschappelike, artistieke, morele krachten. Die vreedzame _wedijver met àlle krachten_ maakt eenlingen en gemeenschappen groot en sterk—en de geschiedenis der laatste eeuwen is het levend bewijs, hoe enkelingen, geslachten, steden, verenigingen, industrieën, kerken en partijen kunnen opkomen en ondergaan, veldwinnen, groeien en bloeien zonder roof of verovering, zonder wapengeweld. Sinds hoe lang heeft Amsterdam of Berlijn of b.v. Chicago geen oorlog gevoerd? Dus stilstand, bederf, ontbinding, dood? Het lijkt er vooralsnog niet naar. Zeker, strijd is nodig, wedstrijd en selektie—daarover zijn wij het eens, dat is de waarheid in STEINMETZ' betoog. Maar allerminst is het recht, is arbitrage in de plaats getreden van de stedenoorlog als stuwkracht der ontwikkeling! En misplaatst is dus de spot van STÖRK met de voorstanders van internationale arbitrage: „das Weltgericht setzt fortan Weltgeschichte”, misplaatst STEINMETZ' apostrofe: „Ist dieser Gedanke nicht der verrückteste, der je ausgeheckt wurde: die Zukunft der Rassen und Völker, der ganzen Menschheit durch Richterspruch nach Schätzung und Gesetzesparagraphen gelenkt! Wie wenig zeugt diese entsetzliche Illusion von Ehrfurcht vor den höchsten Interessen der Menschheit, vor der Zukunft der Völker!”
Welk een wonderlik eenzijdige, povere geschiedbeschouwing! Neen, wat de wereldgeschiedenis maakt, wat de rassen en volken leidt zonder statenoorlog, zonder wapengeweld, zal evenmin recht of arbitrage zijn, als rechtspraak tans de drijfkracht is die de machts- en bezitsverhoudingen der enkelingen en groepen wijzigt, hun opkomst, aanzien, eer en ondergang bepaalt, waar alle fysiek geweld, alle doodslag en roof hun rechtens en feitelik is ontzegd. Gebleven is immers de strijd om 't bestaan. Gebleven is, en blijven moet, de zegen van „Gefahr, Not und Kampf”, van inspanning, wedijver en wedstrijd, kortom van selektie. Andere dan fysieke krachten konden zich doen gelden en beslissend worden, op edeler vermogens seligeerde de strijd, waar organisatie en samenwerking anarchie en verdeeldheid verving. Veranderd is alleen de wijze en het terrein van strijdvoeren, zijn alleen de middelen van Selbstbehauptung en Selbsterweiterung. Het recht vervangt niet, maar vervormt de strijd. Selektie wordt door recht niet opgeheven, maar verschoven. En wat is zelfs het socialisme anders dan het streven, de anarchiese strijd om individuele, materiële winst met zijn verderfelike selektie-gevolgen door middel van organisatie te vervangen door een des te heviger, immers algemener strijd van hoger selektief allooi op alle terreinen der kultuur?
De vraag is dus alleen of 't in strijd is met de dynamiek der historie, dat ook de staten hun „Selbsterweiterung” ééns zullen moeten zoeken zonder wapengeweld en verovering. Daarop luidt dus ons antwoord: neen—_arbeid_ met alle kulturele vermogens en vreedzame, recht en rechten eerbiedigende _wedijver_ is in de plaats getreden van roof en geweld bij individuen, stammen, gemeenten, steden, provincies, staatjes en verenigde staten; in het histories karakter van „dynamiese” oorlog en „staties” recht ligt niets hoegenaamd wat ons noopt te geloven aan een verbreking van deze historiese lijn. Integendeel. Dezelfde historiese machten en invloeden voorspellen gevolgen in dezelfde richting. Dezelfde ekonomiese en kulturele faktoren, die de rechtsgemeenschappen, waarbinnen militaire grenzen zijn uitgewist, en met de militaire zelfstandigheid oorlogsmogelikheid, oorlogsaanleiding en oorlogsbelang zijn verdwenen, steeds omvattender hebben gemaakt, zullen ook voortaan de volken- en staten-kringen uitbreiden, waarbinnen arbeid, recht en vrede zullen treden in plaats van roof, geweld en krijg. De gelegenheid maakt de dief—de gelegenheid maakt de oorlog, gelijk alleen de duelzede (b.v. in Duitse studentenkorpsen) dageliks duelaanleiding, duelbelang, duelnoodzakelikheid schept.
En ook dit dienen wij hier te bedenken, dat de „dynamiese” oorlog—de _veroveringsoorlog_ is, de belangenoorlog, die door regeringen en volken reeds tans om 't hardst wordt verloochend met leuzen van zelfverdediging en geschonden heilig recht, die nog slechts door verdwijnende minderheden van belanghebbenden met hun buitensporig, verouderd en ten dode gedoemd machtsoverwicht wordt gewild, en doorgedreven tegen het belang, de wil, de rechtszin van de kultuurvolken zelf, in hun overgrote meerderheid, die hem verfoeit, die hem zedelik te boven, er te redelik en te goed voor is. Van deze „dynamiese”, „expansieve”, dus op roof en buit beluste volksgeweldpleging geldt inderdaad en letterlik, wat SCHOPENHAUER schreef in algemener zin: „Diese Raubthiere des menschlichen Geschlechts sind die erobernden Völker, welche wir, von den ältesten Zeiten an bis auf die neuesten, überall auftreten sehn, mit wechselndem Glück, indem ihr jeweiliges Gelingen und Misslingen durchweg den Stoff der Weltgeschichte liefert, daher eben Voltaire Recht hat zu sagen: Dans toutes les guerres il ne s'agit que de voler. Dass sie sich der Sache schämen geht daraus hervor, dass jede Regierung laut betheuert, nie anders als zur Selbstvertheidigung die Waffen ergreifen zu wollen. Statt aber die Sache mit öffentlichen, officiellen Lügen zu beschönigen, die fast noch mehr, als jene selbst, empören, sollten sie sich, frech und frei, auf die Lehre des Machiavelli berufen.”—Zoveel over de veroveringsoorlog—waarbij ik nog buiten bespreking laat het Norman-Angellisme, voor zoverre dat betoogt, hoe „verovering” ook ekonomies een onding is geworden, waarbij meer verloren dan gewonnen wordt, dank zij het moderne krediet-systeem en de steeds inniger en veelzijdiger internationale ekonomiese afhankelikheid, zodat „The great Illusion” dient overwonnen, als zoude militaire en politieke macht een volk commerciële en sociale voordelen schenken of als ware het ekonomies nog mogelik, kolonies te „bezitten”, de rijkdom van een ander volk met wapengeweld inplaats van ekonomiese mededinging duurzaam te bemachtigen of te vernietigen. „Die Menschenseele hat kein theureres Gut als die Illusion” zegt ergens MAX NORDAU. Volgens NORMAN ANGELL is wel de duurste van al die illusies the great illusion. „War does not pay”. Bevestigt dieper ekonomiese studie deze beschouwing, dan is daarmee het ekonomies doodvonnis over de oorlog geveld.
Maar genoeg van de veroveringsoorlog en zijn gewaande histories-dynamiese noodzakelikheid.
2. De kollektieve selektie.
En nu het allesbeheersend, beslissend punt: _de kollektief-selektoriese funktie_, de oorlog als onmisbaar opvoeder en volkenrichter.