Onze oude dorpskerken: Tachtig schetsen van dorpskerken in Nederland

Part 2

Chapter 23,645 wordsPublic domain

Bij de kerk te Rheden, van wier tufsteenen toren reeds werd gewaagd, heeft men met dit systeem gebroken en het middenschip even boven de zijbeuken verhoogd, doch te weinig om het aanbrengen van lichtramen mogelijk te maken, zoodat het basiliek-type wel werd benaderd, doch niet bereikt. (Afb. 42).

In het algemeen zijn de torens dezer kerken niet bovenmatig groot, zooals sommige in Brabant en Zeeland. In de provincie Utrecht treft men echter nog eenige hooge torens aan, die veel overeenkomst vertoonen met den Domtoren in de stad Utrecht, zooals onder andere de toren te Loenen. (Afb. 36). Deze is van een zeer decoratieve werking door de sierlijke behandeling der muurvlakken en de rijke afwisseling van baksteen met natuursteen. Ook in Havelte vindt men een toren, die zich door zijn groote hoogte, maar zeer eenvoudige bewerking, onderscheidt. (Afb. 59).

Doch zulke groote torens en kerken behooren in deze streken tot de uitzonderingen. Kleine dorpskerkjes daarentegen treft men hier zeer veel aan. Een der mooiste voorbeelden van dien aard is het kerkje te Persingen, nabij Nijmegen, dat met een paar boerenhuizen op een heuvel gebouwd, het eenige bouwwerk van belang is, dat van het door watervloeden zoo zeer geteisterde dorp is overgebleven. (Afb. 51 en 52). Het kerkje, dat niet meer voor den eeredienst wordt gebruikt, maar als barak voor besmettelijke ziekten is ingericht, munt uit door zijn goede verhoudingen en mooie massawerking. Het is zeer eenvoudig in gebakken steen uitgevoerd, maar niettemin een monumentje van groote waarde.

Het kerkje te Olst moet, ook wat ligging betreft, eveneens tot de fraaiste kleine dorpskerken in ons land gerekend worden. (Afb. 58). Weinig kerkjes zijn zoo geheel "af" als dit, en zelden zijn de drie hoofdelementen van het middeleeuwsche kerkgebouw: koor, schip en toren, zoo karakteristiek en zoo klaar tot uitdrukking gebracht als bij dit monumentje. Ieder dezer drie onderdeden vertoonen een zelfstandige ontwikkeling, doch vormen te zamen een onberispelijk geheel van fraai silhouet.

De 16e eeuw, waarin zulke groote wijzigingen op maatschappelijk en geestelijk gebied tot stand kwamen, schijnt voor den kerkbouw niet gunstig te zijn geweest, althans werden er in die eeuw niet veel dorpskerken gebouwd. Desondanks verrees in Oosthuizen, een dorp tusschen Hoorn en Purmerend, in het begin der 16e eeuw een ruime kruiskerk, die door haar levendige afwisseling van baksteen met natuursteen, laat-Gothische traceeringen in de groote ramen en geestig, opengewerkt torentje op het kruis van het dak, een fraaien indruk maakt. (Af b. 33). Helaas is de ligging van het gebouw niet zeer gunstig en wordt het totaalbeeld zeer verstoord door een leelijke brug over de vaart, die met haar opritten een deel der kerk aan het oog onttrekt.

Met de 17e eeuw trad weer een nieuwe bouwperiode in, die zich echter in een andere richting dan de tot nu gevolgde ging bewegen. De nieuwe leer, die zich baan gebroken had, stelde voortaan andere eischen aan het kerkgebouw. Een koor, bij de Katholieke kerk van zooveel beteekenis, werd door den Hervormden eeredienst niet verlangd. Deze eischt een zooveel mogelijk vierkante en ongedeelde ruimte, opdat alle kerkbezoekers vanaf hun zitplaatsen den predikant kunnen zien en zijne rede gemakkelijk kunnen volgen. Eenvoud, zelfs zeer strenge eenvoud, stond bij den kerkbouw weer op den voorgrond. Deze 17e eeuwsche dorpskerken vertoonen dan ook een zeer sobere architectuur, en zijn bijna geheel in baksteen uitgevoerd. Doch dat zij even goed als de Middeleeuwsche kerken hun bekoring hebben, al is het dan ook een bekoring van eenigszins anderen aard, bewijzen de kerken te Woubrugge en Oudshoorn (Afb. 28 en 29). Alle versiering is hierbij achterwege gebleven en berust hun werking uitsluitend op de goede massaverdeeling. De krachtige met hollijnige steunberen versterkte muren, en het hooge leien dak met een veelhoekig torentje bekroond, verleenen het gebouw een zeer waardig, deftig cachet. De kerk te Oudshoorn, van denzelfden bouwmeester als van de verwante kerk te 's Graveland, bezit fraaie gebrandschilderde glazen, waardoor ook het schilderachtige kerkje te Egmond aan den Hoef bekend is. (Afb. 31). Trouwens vele kerken werden in de 17e eeuw met zulke glazen versierd. Dit kerkje, eertijds behoorende bij het kasteel van Egmond, werd in 1630 gedeeltelijk vernieuwd en voorzien van een aardig torentje.

Dergelijke verbouwingen en veranderingen, die soms verband hielden met de gewijzigde bestemming van het gebouw, vonden in de 17e en ook in de 18e eeuw herhaaldelijk plaats. Hier werd een nieuwe spits op den toren gebouwd, dáár een schip met een portaal verrijkt, of elders een kerk met een uitbouw vergroot. Doch hoe dan ook, steeds werden deze toevoegingen uitgevoerd in de vormen van den tijd waarin zij ontstonden en leveren zij het bewijs, dat verschillende stijlvormen zeer wel met elkaar kunnen harmoniëeren, ja dikwijls een geheel vormen van groote schoonheid.

De 19e eeuw was ook voor de kerkelijke bouwkunst ten plattelande, weinig vruchtbaar. Wel is waar werden, zoowel voor den Katholieken als voor den Hervormden eeredienst, vele dorpskerken gebouwd, die aanvankelijk in Klassieken-, later in neo-Gothischen- en Renaissance stijl werden uitgevoerd, maar die zijn meerendeels van geringe kunstwaarde en staan, ondanks haar soms zeer pompeuse afmetingen, verre ten achter bij de eenvoudigste kerkgebouwtjes der vorige eeuwen. Zij missen karakter; zij spreken niet als deze tot het gemoed, maar wekken, trots hun vele versieringen en vaak meerdere torens, een indruk van geestelijke armoede.

Niet alleen werd alzoo in die jaren weinig voortgebracht, dat op "kunst" aanspraak kan maken, erger nog, vele oude kerkgebouwen werden van hun schoonheid beroofd, ja zelfs gesloopt. Allerwege werden de kerkgebouwen "verbeterd en grootendeels vernieuwd", zooals het heet op een gevelsteen, die in 1865 tegen de kerk te Godlinze werd aangebracht, toen dat gebouw, behalve zijn toren, onder een smakelooze pleisterlaag werd bedekt. Die hartstochtelijke vereering voor cementbepleistering heeft ook onder de kerkelijke bouwkunst heel wat verwoestingen aangericht, die slechts met zeer veel moeite en kosten weer te herstellen zijn. Groote sommen zijn reeds besteed om onze kerkgebouwen weer te ontdoen van het smakelooze, in voorgaande tijden aangebracht. Evenwel hebben de vele restauraties, die in de laatste tientallen jaren werden ondernomen, niet altijd een volkomen bevredigend resultaat opgeleverd. Sommige kerkgebouwen hebben door een al te ver gaande restauratie, die meer op een herbouw dan op een herstelling geleek, hun oude bekoring verloren, ook al hebben zij daarmede aan zuiverheid van stijl gewonnen. Doch ook hierin beginnen andere opvattingen baan te breken; meer en meer wint de meening veld, dat het onjuist is een monument te herbouwen in de vormen van den tijd, die het zag ontstaan, omdat het onmogelijk is zich volkomen duidelijk in te denken in de opvattingen, de gevoelens en het streven van zulk een lang vervlogen periode. Hieruit volgt tevens, dat een kerkgebouw in onzen tijd gesticht, ook zijn eigen karakter moet hebben en niet zinloos met oude stijlvormen mag worden opgesmukt. Een terugkeer naar de bouworde van vorige eeuwen, waaraan thans alle levensvatbaarheid ontbreekt, en die in botsing komt met de behoeften van onzen tijd, moet worden afgewezen. Er moet naar worden gestreefd onze kerkelijke kunst in nieuwe banen te voeren, opdat onze kerkgebouwen een taal gaan spreken van onzen tijd en dus voor ons het meest verstaanbaar en sympathiek. De groote waarde van onze oude kunst kan bij deze evolutie niet worden ontkend of weggecijferd. Integendeel, die oude kerkgebouwen kunnen ons veel leeren en er toe bijdragen onze inzichten te verruimen, want de wetten, die aan deze monumenten ten grondslag liggen, gelden voor een groot deel nog heden. En goed verstaan kunnen zij verhoeden, dat kerken worden gesticht, die door hun vormen in schrille tegenstelling zijn met het hooge doel, waartoe zij zijn bestemd, gebouwen, die het land ontsieren en den bouwmeester tot schande zijn. Alzoo steunende op de traditie, en rekening houdende met de opvattingen en eischen door een voortdurende voortschrijding der cultuur gesteld, moet worden voortgebouwd, zoodat de draad weer wordt aangeknoopt, die in de vorige eeuw is afgebroken. Wanneer de lessen, die de oude monumenten ons kunnen leeren, juist worden verstaan, dan zal het kerkgebouw weer een kunstwerk kunnen worden van groote bekoring, dan zal het weer verheffend werken op het gemoed, waarop zoowel het streven van de kerk als van de kunst is gericht, kortom, dan zal het weer karakter bezitten, waardoor onze oude dorpskerken zich zoozeer onderscheiden.

KERK TE LEMIERS. (L.)

Een der oudste dorpskerken in ons land is het kleine kerkje te Lemiers, dat midden in het oude gedeelte van het dorp gelegen, door zijn sobere uitvoering en eenvoudige lijnen, zoo goed harmoniëert met de omringende dorpshuizen. Het bescheiden, doch niettemin belangwekkende gebouwtje, bestaat uit slechts één ruimte, waarbij zich een iets smaller en lager rechthoekig koor aansluit. De zware muren, opgetrokken van mergelsteen in onregelmatig verband, worden door slechts weinige en kleine rondboogramen doorbroken. Op het dak, met leien gedekt, verheft zich een klein torentje, eveneens met leien bekleed, dat het monumentje een aardig silhouet verleent.

KERK TE MARGRATEN. (L.)

De kerk te Margraten, eveneens van natuursteen opgetrokken, ligt op een hellend terrein midden in het dorp, en vormt met de aangebouwde pastorie, den zwaren ringmuur, de boomen en struiken en het wed op den voorgrond, een schilderachtig beeld. Typisch pakt het hooge leien dak om den zwaren toren, die daardoor met de kerk tot één geheel wordt. Het hooge Gothische koor met hooge spitsboogramen en zware steunberen, blijkbaar jonger dan het schip, sluit zich hierbij minder gunstig aan.

KERK TE HOENSBROEK (L.)

Eveneens van ouden datum is de kerk te Hoensbroek, wier zware, massieve toren, met hooge spits, allereerst de aandacht trekt. Het gebouw, in 1903 gerestaureerd, doet thans een basilikaal kerktype zien. Het bestaat uit een middenschip met twee zijbeuken, die niet door één groot dak worden overhuifd, zooals bij de meeste drieschepige dorpskerken, doch waarvan het middenschip zich boven de zijbeuken verheft, zoodat een directe verlichting van deze ruimte mogelijk was. Het schip eindigt in een half achthoekig koor van baksteen met natuursteen afgewisseld; schip en koor zijn onder één dak.

KERK TE WIJNANTSRADE (L.)

Naast het groote kasteel uit 1554, te Wijnantsrade, en daarmede met een houten brug over de slotgracht verbonden, staat een kleine kerk, die zich niet zoozeer onderscheidt door haar bouw, als wel door haar fraaie, schilderachtige ligging op een klein kerkhof, temidden van hoog opgaand hout, aan den oever van het breede, heldere water. Het kerkgebouw, in baksteen afgewisseld met natuursteen uitgevoerd, bestaat uit een hoog schip, waartegen een slanke toren is gebouwd, en een iets lager en smaller koor, dat, evenals het schip, door zware steunberen is omgeven.

KERK TE ASSELT (L.).

Zeer merkwaardig, zoowel wat bouw als ligging betreft, is het kerkje te Asselt, een gehucht aan den rechter oever van de Maas. Het kerkje is gebouwd op een kunstmatig aangelegd terras, midden op een groot weiland en door hooge boomen omgeven. Vanaf een zandigen landweg geeft een breede steenen trap toegang tot het plateau, waarop, te midden van een weelderigen plantengroei, het gebouwtje zich verheft. Het kerkgebouwtje vertoont sporen van herhaalde veranderingen. Het schip, blijkbaar het oudst, is opgetrokken van zeer onregelmatige stukken breuksteen, die ten deele overpleisterd zijn. Het vierkante koor, dat aan zetting onderhevig schijnt, is ten deele van breuksteen, ten deele van baksteen met natuursteen afgewisseld. Zware, lage steunberen uit later tijd schragen dit gedeelte. De toren, waarin zoowel rondboog- als spitsboogopeningen zijn aangebracht, is bijna geheel van baksteen.

TOREN VAN DE KERK TE SCHIJNDEL (N.-B.).

De kerken in Noord-Brabant, die, voor zoover zij niet vernieuwd zijn, meerendeels dagteekenen uit de 15e eeuw, kenmerken zich dikwijls door een grooten, zwaren toren. Een eenvoudig voorbeeld van dien aard levert de groote, in 1840 herbouwde kerk te Schijndel, wier oude, gespaard gebleven toren zoo krachtig het dorpsstraatje afsluit. Ofschoon zeer massief, is deze bouw toch niet van eenige sierlijkheid ontbloot door de slanke spitsboogvormige galmgaten in den bovenbouw, die bovendien door een aardig boogfriesje wordt bekroond, alsmede door het slanke traptorentje aan de zuidzijde.

TOREN VAN DE KERK TE ST. MICHIELSGESTEL (N.-B.).

Een rijke ontwikkeling vertoont de toren van de onbeduidende kerk te St. Michielsgestel, die zich zoo statig boven de daken der lage dorpshuisjes verheft. Op de hoeken van dezen forschen bouw zijn zware steunberen aangebracht, die, evenals de uitgebouwde halfachtkantige traptoren en de muurvelden, met ondiepe nissen, waarin eenvoudige traceeringen, zijn versierd. Bovendien wordt door de afwisseling van baksteen met natuursteen, zooals in de 15e eeuw veel gebruikelijk was, groote levendigheid bijgezet. Eertijds was de toren met een spits bekroond; bij een storm in het jaar 1836 stortte deze om en verwoestte in haar val het dak der kerk, die nadien werd afgebroken en herbouwd.

KERK TE OUD-GASTEL (N.-B.).

Hetzelfde karakter als de toren van St. Michielsgestel, vertoont de toren van de kerk te Oud-Gastel. Ook hier werden overhoeks geplaatste steunberen toegepast, is een traptoren uitgebouwd en zijn de muurvelden met nissen versierd. Doch de onderdeelen zijn aanmerkelijk fijner, wat vooral uitkomt bij de steunberen, die met overhoeks geplaatste fialen zijn bekroond. Hierdoor, alsmede door de vele, naast elkaar gestelde nissen, spreken de loodlijnen zeer sterk, zoodat deze, voor een dorpskerk wel wat àl te hooge toren, een bijzonder slanken en rijzigen indruk maakt.

KERK TE HALSTEREN (N.-B.).

In de nabijheid van Bergen op Zoom ligt het dorp Halsteren, wiens fraaie, ruime kerk met ondergang werd bedreigd, doch thans als Gemeentehuis zal worden ingericht. Ondanks de groote veranderingen, die het gebouw in den loop der jaren heeft ondergaan, vertoont het een fraai geheel, zooals maar zelden in ons land wordt aangetroffen. De toren is hier niet zoo groot als bij vele andere Brabantsche kerken, doch heeft afmetingen, die meer in overeenstemming zijn met het karakter van een dorpskerk. De stichting dezer kerk valt in de 14e eeuw; het koor werd in 1457 voltooid. In de tweede helft der 15e eeuw onderging het gebouw aanzienlijke wijzigingen: het schip werd toen verhoogd en tengevolge daarvan, ook de toren. In 1747 werd het bedehuis gedeeltelijk vernield, doch drie jaren later was het weer hersteld.

KERK TE HALSTEREN (N.-B.).

Door de vele verbouwingen, die de St. Quirinuskerk heeft ondergaan, zoodat zij als 't ware met den tijd is meegegroeid, als mede door den fraaien toon, dien de materie in de vele eeuwen, die over het gebouw heengingen, heeft aangenomen, bezit dit eerwaardige monument een zeer schilderachtig karakter. Vooral komt dit uit aan de oostzijde, waar bij de ontmoeting van dwarsschip en koor een kleine sacristie is uitgebouwd.

KERK TE BERLICUM (N.-B.).

Het meer bescheiden kerkje te Berlicum, aardig gelegen temidden van moestuinen in de kom der gemeente, schijnt ook meermalen te zijn verbouwd. Zoo doet de toren twee bouwperioden kennen; de onderbouw, die met pilasters en rondboogjes is versierd, wijst op de Romaansche kunst; de bovenbouw, uit later tijd, is bewerkt met spitsboognissen, waarin kleine spitsboogvormige galmgaten. Het schip met de beide zijbeuken onder één groot dak, schijnt vernieuwd te zijn en is geheel gepleisterd. Het half achthoekige koor, eveneens wit gepleisterd, heeft zware steunberen en groote spitsboogvensters met houten ramen. Op het dak van het koor verheft zich een modern torentje voor de luiklok, dat, ondanks zijn conventioneele vormen, wel aardig doet.

KAPEL TE HEUSDENHOUT (N.-B.).

Naast zeer groote, vindt men in Brabant ook zeer kleine gebouwen voor den eeredienst bestemd, die niettemin een zeer aantrekkelijk karakter bezitten, zooals de kapel van St. Anna te Heusdenhout, die als een kunstwerk moet worden beschouwd. Zeer merkwaardig aan dit gebouwtje, dat slechts uit één ruimte bestaat, is de eigenaardig ontwikkelde voorgevel, bekroond met een geestig torentje, dat het midden houdt tusschen den gewonen, gedeeltelijk vrij staanden toren en een daktorentje. Zeer logisch is hiertoe gebruik gemaakt van de steunberen, die het midden van den gevel versterken, door hen als klokkestoel dienst te laten doen.

KAPEL TE NUENEN-TONGELRE (N.-B.).

Nog kleiner dan de kapel van St. Anna, is het aardige, doch tamelijk vervallen kapelletje, gelegen aan den straatweg van Nuenen naar Tongelre, dat thans als brandspuithuisje en ijzerbergplaats wordt gebruikt. Het eenvoudige gebouwtje is aan de wegzijde half achthoekig afgesloten. De sluitgevel aan de andere zijde wordt bekroond door een klokketorentje met zeskanten spits, waarop een bijzonder sierlijk gesmeede windvaan is geplaatst. Het dak is met leien gedekt, die evenwel voor een groot deel zijn verdwenen, waardoor de ondergang van het aardige gebouwtje niet weinig dreigt te worden verhaast.

KAPEL TE GAGELDONK (N.-B.).

In het gehucht Gageldonk, nabij Prinsenhage, ligt te midden van boerderijen en weilanden, een kleine kapel, die zeer veel overeenkomst heeft met die te Nuenen-Tongelre. Ook dit gebouwtje wordt aan de ééne zijde half achthoekig en aan de tegenover liggende zijde door een topgevel afgesloten. Echter ontbreekt hier het torentje en is het dak met riet, in plaats van met leien, gedekt. Hoewel het gebouwtje ook niet meer voor den eeredienst wordt gebruikt, maar als bergplaats voor landbouwgereedschappen dient, verkeert het nog in een vrij goeden toestand, ook inwendig, waar de gebogen, eikenhouten spanten van de zichtbare kap nog bewaard zijn gebleven; alleen de binnenbeschieting is verdwenen. In den muur zijn een paar nissen, terwijl het gemetselde altaar met zandsteenen dekplaat nog aanwezig is.

KERK TE KLOETINGE (Z.).

Evenals in Noord-Brabant, zijn de kerken in het welvarende Zeeland dikwijls zeer groot en voorzien van een hoogen toren. De kruiskerk te Kloetinge, die in afmetingen nog verre wordt overtroffen door de steedsche kerk te Kapelle, wier toren gelijkt op dien van de Oude-kerk te Delft, is van tamelijk grooten omvang, doch vertoont niettemin het karakter van dorpskerk door haar groote dakvlakken en betrekkelijk lage omtrekmuren. De hooge toren is daarmede wel eenigszins in strijd. Het gebouw, waarheen drie overgroeide laantjes leiden, is goed van massa-werking, maar in onderdeelen door pleister- en verfwerk zeer verminkt. Alleen de toren is van deze "verfraaiing" gespaard gebleven; hij is uitgevoerd in baksteen, met toepassing van natuursteen voor banden en constructiedeelen.

KERK TE WAARDE (Z.).

Van de eertijds vrij groote kerk te Waarde is niet veel overgebleven; alleen de Zuidelijke zijbeuk en de zware toren resten nog van den ouden bouw, die, in 1589 door brand vernield, slechts tendeele werd hersteld. Doch dit gedeelte en voornamelijk de toren is nog van groote waarde. De toren, waartegen weleer het schip aansloot, doch nu bijna geheel vrij staat, heeft dubbele steunberen op de hoeken. Aan de Noordzijde is een halfronde traptoren uitgebouwd, die voert naar de klokkenruimte boven het vervallen gewelf.

TOREN VAN DE KERK TE 's-HEER-ARENDSKERKE (Z.).

Hetzelfde type als de toren van de kerk te Waarde, vertoont die van 's-Heer-Arendskerke. Deze kerk, die een 15e eeuwsch karakter heeft, is slechts klein, doch haar toren, die waarschijnlijk tot een ouderen bouw heeft behoord, moet de hoogste zijn van Zuid-Beveland. Hij is geheel in baksteen uitgevoerd met zeer zware, dubbele steunberen op de hoeken, zoodat de loodlijnen sterk spreken. Zij zijn van boven paarsgewijze verbonden door kleine trompetgewelfjes, waardoor een voet werd verkregen voor hoektorentjes, die evenals te Kapelle, vermoedelijk de spits moesten omgeven. Deze bekroning is echter niet tot uitvoering gekomen. De toreningang is door een hooge nis krachtig geteekend, terwijl de muurvelden door ondiepe nissen worden verlevendigd, waardoor een goede tegenstelling ontstaat met de stoere steunberen.

KERK TE POORTUGAAL (Z.-H.).

Ver buiten de kom van het dorp ligt eenzaam, te midden van uitgestrekte landerijen, de mooie, oude kerk van Poortugaal, die een fraai ontwikkeld kerktype doet zien, een kerktype, dat ondanks zijn vrij groote afmetingen, toch het karakter van een dorpskerk bezit. Het kerkgebouw bestaat uit een middenschip met zijbeuken, dwarsschip en koor. Vóór het middenschip is een toren gebouwd, die door zware steunberen wordt geschraagd, en met een slanke, krom getrokken spits wordt bekroond. Aan beide zijden wordt de toren geflankeerd door lage uitbouwen, waardoor een goede samenhang met het schip is verkregen. Het middenschip en de zijbeuken worden door één groot dak overhuifd, aan welks voet topgevels met groote vensters zijn aangebracht.

KERK TE POORTUGAAL (Z.-H.).

De kerk te Poortugaal, eertijds een parochiekerk, is thans te groot voor deze kleine gemeente, zoodat slechts een deel van de kerkruimte wordt gebruikt en het ruime rechthoekige koor buiten dienst en afgesloten is. Hierdoor wordt het aanzien van het gebouw niet verhoogd. Ook doen de veranderde en geheel of tendeele dichtgemetselde vensters zien, dat het monument vele onoordeelkundige wijzigingen heeft ondergaan, die evenmin tot verfraaiing van het geheel bijdragen.

KERK TE SPIJKENISSE (Z.-H.).

Niet ver van Poortugaal ligt het dorp Spijkenisse, dat eveneens een groote, voormalige parochiekerk bezit, die echter van minder fraaie werking is als die in het eerst genoemde dorp. Zeer schilderachtig is evenwel de zware, verzakte toren, die met zijn door plompe steunberen gestutten onderbouw, nieuweren opbouw en lage spits, een aardig geheel vormt, waaraan zelfs eenige sierlijkheid niet kan worden ontzegd door de decoratieve behandeling der muren met ondiepe nissen en de slanke galmgaten.

KERK TE ABBENBROEK (Z.-H.).

Wordt bij de kerk te Poortugaal de verlichting van het ruim verkregen door groote vensters in topgevels, aan den voet van het dak geplaatst, ook bij de kerk te Abbenbroek is een dergelijke verlichting toegepast, doch werd dit motief tot een grootere en rijkere ontwikkeling gebracht. De zijbeuk is hier in vijf dwarstraveeën verdeeld, ieder met een topgevel bekroond en onderling door zware steunberen gescheiden; in iedere travée was een groot venster met traceeringen, die nu tendeele zijn dichtgemetseld, tendeele door houten ramen zijn vervangen. Al moge tegen deze opvatting eenige bedenkingen zijn aan te voeren, niet kan worden ontkend, dat zoodoende een gevelontwikkeling is verkregen van groote decoratieve werking, die het eenvoudige gebouw een groote bekoring verleent.

KOORGEVEL VAN DE KERK TE ABBENBROEK (Z.-H.).

Ook zeer merkwaardig aan het kerkje te Abbenbroek is de fraaie topgevel van het koor, die een knap stuk metselwerk doet zien. Doch overigens is het kerkgebouw zeer gehavend, wat vooral blijkt aan de naar den weg gekeerde zuidzijde, waar de muur vierkant is opgetrokken, nadat in 1747 de sierlijke topgeveltjes door storm waren vernield. Bovendien is de toren grootendeels onder een grauwe pleisterlaag bedekt, en werd in den laatsten tijd tegen den koorgevel een minder fraaie aanbouw gemaakt.

KERK TE GEERVLIET (Z.-H.).