Ontwerp van wet tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee met toelichtende memorie

Part 5

Chapter 51,529 wordsPublic domain

Daar door de verlaging van den waterstand op het zuidelijk deel der Zuiderzee na de afsluiting, de thans reeds ongunstige toestand van den toegang tot de haven van Monnikendam nog zal verergeren, is in het belang der scheepvaart de vaart van Monnikendam naar Ilpendam langs de ringvaart van de Purmer, te verbeteren, en op laatstgenoemd punt door eene schutsluis in verbinding te brengen met het Noordhollandsch Kanaal.

#4º. De voorziening in de belangen der defensie.#

Het ligt in de bedoeling, de in de begrooting opgenomen post van 10 millioen gulden voor voorzieningen in de belangen der defensie te besteden voor de navolgende werken:

1º. verdedigingswerken bij de sluizen te Piaam en op Wieringen, derwijze aangelegd, dat het gebruik dezer sluizen aan den vijand wordt ontzegd en aan ons wordt gewaarborgd;

2º. voorzieningen aan de stelling van den Helder of wel tot afsluiting der Vliegaten;

3º. voorzieningen ten behoeve van de inundatiën der stelling van Amsterdam, als: _a._ het maken van de noodige sluiswijdte te Monnikendam tot aanvoer van inundatiewater; _b._ verbetering en desgevorderd vermeerdering van waterwegen voor de wegvoering van dat water; _c._ het maken van een zestal damsluizen in de boezemwateren van Noordholland, ter voorkoming van aftapping van het inundatiewater in de te vormen diepe zuidwestelijke inpoldering; _d._ de middelen tot het inundeeren van de zuidwestpunt der zuidwestelijke inpoldering;

4º. de noodige forten van Edam tot nabij Monnikendam.

ART. 2.

Op de Zuiderzee bestaat eene levendige visscherij, voornamelijk op haring, bot, ansjovis, spiering, aal en garnaal.

Er zijn gemeenten, vanwaar uitsluitend op de Zuiderzee gevischt wordt, andere waarvoor de Zuiderzeevisscherij hoofdzaak is, doch vanwaar ook gedeeltelijk op de Noordzee gevischt wordt en eindelijk zulke, waarvoor de Noordzeevisscherij hoofdzaak is, doch vanwaar gedurende een gedeelte van het jaar ook op de Zuiderzee gevischt wordt. Afziende van de laatste, blijven voor de beide eerste categorieën 18 gemeenten over, met eene vloot van meer dan 1500 vaartuigen, bemand met 3000 koppen, waarmede uitsluitend of voornamelijk op de Zuiderzee gevischt wordt.

Die opbrengst van de Zuiderzeevisscherij is aan zeer groote wisselvalligheid onderhevig. Voor een ongunstig jaar als 1888 wordt de waarde die de gevangen visch aan de visschers opbrengt, op ruim 1 millioen gulden geschat; gewoonlijk echter is de opbrengst aanzienlijk meer. Eene overvloedige ansjovisvangst kan alleen reeds in een jaar meer dan 1 millioen gulden afwerpen. Dooreen genomen bedraagt de bruto-opbrengst van de Zuiderzeevisscherij waarschijnlijk ongeveer 2 millioen gulden per jaar.

Na de afsluiting zal het gedeelte der Zuiderzee benoorden die afsluiting voor de visscherij, uitgenomen die van schelpdieren, van geen beteekenis zijn, hetgeen mag worden afgeleid uit het feit, dat daar ook thans nagenoeg geen andere visscherij plaats grijpt, en de natuurlijke omstandigheden aldaar door de afsluiting geen beteekenende wijzigingen zullen ondergaan.

Hoewel het zoetwatermeer achter den afsluitdijk en zoetwatervisschen zal kunnen voeden, zoo zal daarin van eene visscherij op dergelijke groote schaal als thans in de Zuiderzee moeilijk sprake kunnen zijn. Afsluiting van de Zuiderzee maakt dus, reeds tijdens den aanleg van den afsluitdijk, aan de visscherij op die zee als groote industrie een einde.

Niet alleen wordt door de afsluiting aan hen, die thans uitsluitend van de Zuiderzeevisscherij leven, het middel van bestaan ontnomen, maar ook hun materieel, dat ongeschikt is voor de Noordzeevisscherij, wordt nagenoeg waardeloos gemaakt. Aan het nadeel dat de afsluiting voor de Zuiderzeevisscherij te weeg zal brengen, behoort dan ook zooveel mogelijk te worden te gemoet gekomen.

Dit zou in de eerste plaats kunnen geschieden door die visschers, welke thans hun bedrijf uitsluitend of voornamelijk op de Zuiderzee uitoefenen, op Rijkskosten in het bezit te stellen van vaartuigen, geschikt en uitgerust voor de visscherij op de Noordzee. De Staatscommissie geeft nog andere vormen van schadeloosstelling aan de hand en raamt de kosten, die de voorziening in de visscherijbelangen voor het Rijk zal veroorzaken, op f4500000. Het schijnt der Regeering niet noodig, thans reeds in bijzonderheden vast te stellen, hoe aan het verlies, dat de afsluiting aan de Zuiderzeevisschersbevolking zal berokkenen, zal worden te gemoet gekomen; zulks kan later worden geregeld, nadat daarover het advies van eene deskundige commissie zal zijn ingewonnen. Intusschen is in de begrooting van uitgaven op de door de Staatscommissie noodig geoordeelde tegemoetkoming gerekend.

ART. 3.

Het ligt in de bedoeling de uitvoering van de werken, met uitzondering natuurlijk van die ter voorziening in de defensiebelangen, te doen geschieden onder toezicht van de ambtenaren van den Waterstaat.

Dit corps zal daartoe tijdelijk eene uitbreiding moeten ondergaan, daar de gewone dienst zijne eischen blijft doen gelden.

Het is evenwel, met het oog op de velerlei belangen van uiteenloopenden aard, die bij de uitvoering van het geheele werk betrokken zijn, wenschelijk dat er een centraal lichaam besta, dat de achtereenvolgens op te maken ontwerpen aan die verschillende belangen kan toetsen, ten einde die, met het geldelijk belang van den Staat, zooveel mogelijk tot hun recht te doen komen.

De samenstelling van dat centrale lichaam, dat als eene commissie wordt bedoeld, waarin deskundigen op verschillend gebied zitting zullen hebben, zal nader bij Koninklijk besluit zijn te regelen. Ook zal op die wijze voor de commissie een algemeene instructie moeten worden vastgesteld, waarbij nader valt te overwegen of de taak der commissie zal worden beperkt tot het geven van advies aan de Hoofden der betrokken Departementen, dan wel of aan haar ook deel zal worden gegeven aan de onmiddellijke leiding van de voorbereiding en uitvoering der werken, bijv. door haar op te dragen de voorbereiding van overeenkomsten en regelingen, die aan de uitvoering der werken moeten voorafgaan of daaruit moeten voortvloeien, de voorbereiding van de uitgifte der drooggemaakte gronden, en meer andere bemoeiingen.

Eene dergelijke commissie werd ingesteld bij Koninklijk besluit van 22 Mei 1839 om het speciaal beheer en toezicht uit te oefenen over de bedijking en droogmaking van het Haarlemmermeer. Zij bleef tot de voltooiing van het werk in 1852 in functie, al werd hare samenstelling meermalen gewijzigd.

De leden dezer commissie genoten geen bezoldiging. Zij was verplicht alle voordrachten, door haar omtrent de werken te doen, aan het Departement van Binnenlandsche Zaken te doen toekomen, en kon geen werken doen uitvoeren zonder daartoe te zijn gemachtigd.

In het wetsontwerp voor de bedijking en droogmaking van het zuidelijk gedeelte der Zuiderzee, dat in 1877 werd ingediend, was bepaald dat de uitvoering der werken zou worden opgedragen aan eene door den Koning te benoemen bezoldigde Staatscommissie, wier instructie bij Koninklijk besluit zou worden vastgesteld.

Het volgen van den laatsten weg komt der Regeering minder aanbevelenswaardig voor, daar hierdoor als het ware een college van Staatsambtenaren zou worden in het leven geroepen, onafhankelijk van de betrokken Ministers. Veel meer aanbeveling verdient het, de eenheid tusschen de verschillende werkzaamheden te bevorderen, door de instelling eener centrale commissie, wier taak in de eerste plaats zal zijn der Regeering van advies te dienen, aan welke commissie dan ook een deel der werkzaamheden, de uitvoering betreffende, zal kunnen worden opgedragen, onder de betrokken Ministers evenwel, die voor den gang van zaken verantwoordelijk blijven.

Het komt der Regeering niet wenschelijk voor, in de wet te bepalen of de leden der commissie als zoodanig al dan niet bezoldigd zullen worden; eene beslissing hieromtrent kan bij de instelling der commissie worden genomen.

ART. 4 en 5.

In deze artikelen zijn bepalingen voorgesteld, geheel overeenstemmende met die, welke bij de wetten van 22 December 1861 (_Staatsblad_ no. 149) en 3 December 1874 (_Staatsblad_ no. 193) werden vastgesteld ten aanzien van het beheer der gelden, bestemd voor den aanleg der Staatsspoorwegen en voor de voltooiing van het vestingstelsel.

Zij brengen mede, dat de voor het werk benoodigde gelden jaarlijks zullen worden aangevraagd, en verzekeren dus, dat de Staten-Generaal ieder jaar gelegenheid zullen hebben om den voortgang van het werk te beoordeelen en alle daarmede verbandhoudende aangelegenheden in gemeen overleg met de Regeering te overwegen. Die bepalingen zullen tevens ten gevolge hebben, dat wat er in eenig jaar van de toegestane sommen ongebruikt mocht blijven, niet in het saldo der algemeene Staatsrekening zal opgaan, maar tot het doel blijft voorbehouden, daar volgens art. 5_b_ het saldo der rekening van iederen dienst steeds in de rekening der volgende zal overgaan.

_De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid_, C. LELY.

_De Minister van Financiën_, PIERSON.

_De Minister van Oorlog_, A. KOOL.

_De Minister van Binnenlandsche Zaken_, H. GOEMAN BORGESIUS.

[Illustratie: ONTWERP VOOR DE AFSLUITING EN GEDEELTELIJKE DROOGMAKING DER ZUIDER-ZEE.

Schaal 1 à 400.000.

_Lith. Gebrs. J & H v. Langenhuysen, Den Haag._]

+---------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst | | aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: in de _meedere veiligheid_ | | C: in de _meerdere veiligheid_ | | B: van ruim 3.5 milioen gulden, | | C: van ruim 3.5 millioen gulden, | | B: eener aardenbaan bespaard | | C: eener aarden baan bespaard | | B: dat de meedere opbrengst van | | C: dat de meerdere opbrengst van | | B: afsluiting ten uitvoer te leggen. | | C: afsluiting ten uitvoer te leggen." | | B: door de Staatcommissie een tijdvak | | C: door de Staatscommissie een tijdvak | | B: zijn de ongeteekenden uitgegaan bij | | C: zijn de ondergeteekenden uitgegaan bij | | B: landbouwbedrijf het gunstigt gelegen. | | C: landbouwbedrijf het gunstigst gelegen. | | B: waarvan 46520 H.A vruchtbaar land. | | C: waarvan 46520 H.A. vruchtbaar land. | | B: jaar voltooid worden, In het | | C: jaar voltooid worden. In het | | B: van brak of zoutwater verovert. | | C: van brak- of zoutwater verovert. | | B: inpoldering; | | | | _d._ de middelen tot | | C: inpoldering; _d._ de middelen tot | | | +---------------------------------------------+