Ontwerp van wet tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee met toelichtende memorie
Part 3
De Staatscommissie heeft, hoofdzakelijk met het oog op de belangen der defensie en van de scheepvaart, den vorm en de grootte van de ontworpen inpolderingen eenigszins gewijzigd, waardoor de gezamenlijke oppervlakte van de droog te maken gronden iets kleiner, en derhalve die van het IJsselmeer iets grooter werd, maar heeft toch het ontwerp van de vereeniging in hoofdtrekken aangehouden.
Volgens het voorstel der Staatscommissie zouden in de afgesloten Zuiderzee vier inpolderingen worden gemaakt en wel:
een noordwestelijke polder, groot ongeveer 21700 H.A. waarvan ongeveer 18700 H.A. vruchtbaar land.
een zuidoostelijke polder, groot ongeveer 107760 » waarvan ongeveer 98990 H.A. vruchtbaar land.
een zuidwestelijke polder, groot ongeveer 31520 » waarvan ongeveer 27820 H.A. vruchtbaar land.
een noordoostelijke polder, groot ongeveer 50850 » waarvan ongeveer 48900 H.A. vruchtbaar land. ----------- Te zamen 211830 »
waarvan ongeveer 194410 H.A. vruchtbaar land.
Na voltooiing van deze inpolderingen zou dan een IJsselmeer overblijven ter grootte van 145000 H.A.
Voor de uitvoering van het geheele werk, de afsluiting inbegrepen, werd door de Staatscommissie een tijdvak van 33 jaren noodig geacht. De afsluitdijk zou worden gemaakt in de eerste negen jaren. In het 8ste jaar zou worden begonnen met de bedijking van den noordwestelijken polder, in het 11de met die van den zuidoostelijken, in het 21ste met die van den zuidwestelijken en in het 25ste met die van den noordoostelijken polder.
De noordwestelijke polder zou geheel droog en in cultuur gebracht zijn in het 14de, de zuidoostelijke in het 24ste, de zuidwestelijke in het 28ste en de noordoostelijke in het 33ste jaar.
De kosten van de inpolderingen werden door de Staatscommissie geraamd als volgt:
de noordwestelijke polder f 12700000 » zuidoostelijke » » 61850000 » zuidwestelijke » » 22850000 » noordoostelijke » » 32500000 ------------ Te zamen f 129900000
Met de kosten van den afsluitdijk en de bijbehoorende werken ad f57100000 en het bedrag van f2000000 voor voorziening in de belangen der defensie, dat zooals hierboven is opgemerkt ten laste van de droogmaking zal moeten komen, wordt de begrooting van het volledige ontwerp der Staatscommissie dus rond _189 millioen gulden_.
Voor deze uitgaaf, in _33 jaren_ te besteden, zou eene oppervlakte van ruim 194000 H.A. vruchtbaar land worden verkregen, waarvan de opbrengst, naar de Staatscommissie in haar verslag aantoonde, zeer waarschijnlijk voldoende zou zijn om de uitgaven, die voor de afsluiting inbegrepen, te dekken, zelfs al werden de voordeelen van deze laatste niet onder cijfers gebracht en medegesteld.
Opgevat op de wijze als door de Staatscommissie werd voorgesteld kan dus de uitvoering van het plan in zijn geheel eene voordeelige onderneming worden geacht, en het zou zeker te verdedigen zijn zoo de uitvoering van Staatswege van het volledige ontwerp thans werd voorgesteld.
Het is echter niet te ontkennen dat in de groote kosten en den langen duur van het werk een bezwaar is gelegen, en te verwonderen is het daarom niet, dat velen aarzelen om 's lands crediet voor zulk een bedrag en gedurende zulk een lang tijdsverloop te verbinden.
_Beperking van het plan._
Ook de ondergeteekenden oordeelen het minder gewenscht, de uitvoering van een werk van dergelijken omvang als het door de Staatscommissie aanbevolen gewijzigde ontwerp van de Zuiderzeevereeniging in ééne wet vast te leggen, en achten het beter, en althans voorzichtiger, om nu alleen te besluiten tot wat het eerst voor de hand ligt, onder voorwaarde evenwel dat dit past in het groote geheel, en dat er voldoende zekerheid besta, dat met het nu te ondernemen werk, ook op zich zelf beschouwd, een behoorlijke rekening zal worden gemaakt.
De beperking van het werk tot de afsluiting alléén voldoet, gelijk hierboven is aangetoond, niet geheel aan de laatstgenoemde voorwaarde.
Het ligt nu voor de hand, aan de afsluiting te verbinden de droogmaking van zóóveel grond, dat door de waarde daarvan, gevoegd bij die van de directe en indirecte voordeelen van de afsluiting, de uitgaven ruimschoots gedekt kunnen worden geacht.
Op deze wijze zal, zelfs al blijven de andere door de Staatscommissie voorgestelde inpolderingen door latere ongunstige tijdsomstandigheden achterwege, nooit een onvruchtbaar werk begonnen zijn, en zullen de aan het werk ten koste gelegde gelden op zijn minst door even groote voordeelen worden opgewogen.
Van dit standpunt zijn de ondergeteekenden uitgegaan bij hun voorstel, om, in de wet die de afsluiting beveelt op te nemen de droogmaking van twee der door de Staatscommissie aanbevolen inpolderingen, en wel de noordwestelijke, kortheidshalve in het vervolg _Wieringerpolder_ te noemen, en de zuidwestelijke of _Hoornsche polder_.
Deze beide droogmakerijen, de eerste uit zeer goeden, de tweede uit den allerbesten kleigrond bestaande, zijn voor eene spoedige ontwikkeling van het landbouwbedrijf het gunstigst gelegen. Zij grenzen toch aan het oude land van Noordholland, waar landbouw en zuivelbedrijf tot een hoogen trap van ontwikkeling zijn gekomen, waar goede markten aanwezig zijn en van waaruit de hoofdstad langs goede spoor- en waterwegen in korten tijd kan worden bereikt.
De indijking en droogmaking van de bedoelde gronden, althans van een deel daarvan, is reeds meermalen ter sprake gekomen, echter zonder dat daaraan het denkbeeld eener voorafgaande afsluiting van de Zuiderzee werd verbonden. Zoowel voor het Wieringermeer als voor het Hoornsche Hop werden plannen tot indijking en droogmaking opgemaakt, waarvoor concessie werd aangevraagd. Wel een bewijs, dat in de drooglegging van deze gronden reeds lang eene vruchtdragende onderneming werd gezien.
De ontworpen Wieringer polder is groot 21700 H.A., waarvan 18700 H.A. vruchtbaar land. De ontworpen Hoornsche polder is groot 31520 » waarvan 27820 H.A. vruchtbaar land. ------------ De beide polders te zamen dus groot 53220 H.A., waarvan 46520 H.A. vruchtbaar land.
De oppervlakte van het IJsselmeer, zonder inpoldering 360000 H.A. bedragende, wordt door de bedijking van de beide polders teruggebracht tot 307000 H.A.
_Kosten._
De raming van het werk wordt, bij beperking der droogmaking tot de beide westelijke polders, als volgt:
===================================================================== Uit te voeren werken. | Benoodigd | Gezamenlijk | bedrag. | bedrag. --------------------------------------------------------------------- _De afsluiting._ | | | | I. De afsluitdijk met de daarbij | | behoorende werken: | | | | _a._ Afsluitdijk | f 28130000| _b._ Werken op Wieringen | » 8000000| _c._ Kanaal Harlingen-Piaam, met inbegrip | | der verhooging van den zeedijk | | tusschen Piaam en Zurig | » 2585000| _d._ Verhooging van den Balgdijk in | | Noordholland, en verbetering van de | | havens | » 600000| _e._ Onvoorziene werken in verband | | met de afsluiting, en ter afronding | » 1485000| |-----------| f 40800000 | | II. De verbetering van het Zwolsche Diep | » | » 3564000 III. De voorziening in de belangen der | | defensie | » | » 10000000 IV. De voorziening in de visscherijbelangen| » | » 4500000 V. De voorziening in de belangen der | | waterverversching van Amsterdam, en | | ter afronding | » | » 236000 | | _De droogmaking._ | | | | VI. De inpolderingen achter den afsluitdijk| » | | | _a._ De Wieringerpolder | f 12700000| _b._ De Hoornsche polder | » 22850000| |-----------| » 35550000 | |----------- Totaal | | f 94650000 | |=========== | |
De totale kosten van het beperkte plan kunnen alzoo gesteld worden op rond 95 millioen gulden.
Hiervan komen, als men van de uitgaven voor de defensiewerken stelt 8 millioen op rekening van de afsluiting en 2 millioen op rekening van de droogmaking, voor rekening van de afsluiting #57 millioen#, en voor rekening van de droogmaking #38 millioen#.
De uitvoering van het beperkte plan zal kunnen geschieden in 18 jaren, gedurende welk tijdverloop dus gemiddeld een bedrag van ruim 5 millioen 's jaars zal zijn te besteden, en wel als volgt:
================================================================== | | Te besteden | | bedrag in Jaar.| Uit te voeren werken. | millioenen | | guldens. ------------------------------------------------------------------ 1 |Afsluitdijk en defensiewerken | 6.5 2 | idem | 6 3 | idem | 7 4 | idem | 7 5 |Afsluitdijk, defensiewerken en verbetering | | Zwolsche Diep | 7.5 6 |Afsluitdijk, defensiewerken, verbetering | | Zwolsche Diep en voorziening in de | | visscherijbelangen | 11.5 7 |Afsluitdijk, defensiewerken en verbetering | | Zwolsche Diep | 5.5 8 |Afsluitdijk, defensiewerken en Wieringerpolder | 5 9 |Afsluitdijk, en Wieringer polder | 4 10 |Wieringer polder | 3 11 |Wieringer polder en Hoornsche polder | 5 12 | idem | 5 13 | idem idem. en defensiewerken | 5 14 | idem idem | 5 15 |Hoornsche polder | 4 16 | idem | 3 17 | idem | 3 18 | idem | 2 | |------------ | Totaal | 95 | |============ | |
De afsluitdijk zal in het 9de jaar voltooid worden. In het 8ste jaar zal worden begonnen met de werken tot bedijking van den Wieringerpolder, welke polder in het 14de jaar droog en verkaveld kan zijn. In het 11de jaar zal worden begonnen met de werken tot bedijking van den Hoornschen polder, die in het 18de jaar droog en verkaveld kan zijn.
Aan het eind van het 18de jaar zal dan eene oppervlakte van ruim 46500 H.A. vruchtbaar land zijn verkregen.
_Financieele beschouwingen._
Door de droogmaking te beperken tot de beide westelijke polders wordt bij uitvoering van de wet de uitgaaf tot 95 millioen en de tijd van uitvoering tot 18 jaren beperkt. Zoowel kosten als tijd worden dus teruggebracht tot ongeveer de helft van hetgeen bij uitvoering van de voorstellen der Staatscommissie zou worden vereischt.
Het is duidelijk dat hierdoor het geheele werk beter overzienbaar wordt.
Gevraagd zal echter worden of aan de uitvoering ook van dit beperkte plan geen overwegende financiëele bezwaren zijn verbonden.
Lang en ernstig heeft deze vraag de ondergeteekenden bezig gehouden; veel eerder dan nu geschiedt zou het ontwerp zijn ingediend, ware het niet, dat aan de financiëele quaestie bijzondere aandacht moest worden gegeven. Nu zullen de ondergeteekenden geenszins beweren dat het hun gelukt is een plan te ontwerpen, waardoor alle bezwaren zijn opgeheven; zij meenen echter te kunnen aantoonen, dat de gevraagde offers op verre na zóó groot niet zijn, als zij zich bij eene eerste beschouwing voordoen.
Men moet een scherpe grenslijn trekken tusschen de kosten der _afsluiting_ en die der _droogmaking_.
De afsluiting zelve zal--daargelaten, dat zij de droogmaking veel minder kostbaar zal maken--voor den Staat geen direct voordeel opleveren.
Wel zullen de omliggende streken belangrijke voordeelen genieten, maar de schatkist van het Rijk zal daarbij niet gebaat zijn.
De ondergeteekenden zouden daarom de kosten der afsluiting ten bedrage van f57000000 beschouwd willen zien als eene uitgaaf zonder meer.
Is die som echter eenmaal besteed en alles tot stand gekomen waarvoor zij moet dienen, dan treedt men in een geheel anderen toestand. De droogmakingen zelve kunnen dan onder zoo gunstige voorwaarden worden ondernomen dat aan hare rentabiliteit, ook al rekent men interest op interest, niet meer kan getwijfeld worden. Wel zullen dan groote kapitalen voor de uitvoering bijeengebracht moeten worden, doch daaruit zullen geene verhoogingen van het budget der gewone uitgaven voortvloeien.
Met andere woorden: is de afsluiting volbracht, dan wordt de droogmaking eene onderneming, die hare kosten, alles daaronder begrepen, zal goed maken. De mogelijkheid bestaat zelfs dat zij meer dan dit zal doen, doch het ware niet voorzichtig thans reeds daarop te rekenen.
Door deze beschouwing komt de financiëele zijde van het vraagstuk in een ander, en--naar de ondergeteekenden meenen--eerst in het ware licht, want de geheele zaak, voor zoover zij de beurzen der belastingschuldigen raakt, blijkt nu hierop neder te komen, hoe men de f57000000 uit de _gewone_ middelen kan dekken. Uit deze toch moeten zij ten slotte gevonden kunnen worden, zal men de droogmaking zelve kunnen behandelen als een onderneming, die al hare kosten, rente daaronder begrepen, ten volle goed maakt.
Het eenvoudigst middel daartoe zou natuurlijk zijn, de voor dat doel te besteden gelden ieder jaar als een gewone uitgaaf aan te merken. Maar dit zou verhooging der belastingen gedurende ongeveer negen jaren met een aanzienlijk bedrag ten gevolge hebben, en daartegen bestaan ernstige bezwaren. Het zal onvermijdelijk zijn, de uitgaven voor de afsluiting over een langer tijdsverloop te verdeelen. Hoe lang dat tijdsverloop zal moeten zijn, hangt af van omstandigheden. Eene becijfering, waaraan eene rente van 3½ pct. ten grondslag werd gelegd, deed zien, dat indien voor de vereischte uitgaaf eenerzijds telken jare werd geleend, maar anderzijds _van het eerste jaar af_ f2000000 voor rente en aflossing werd aangewezen, in 60 jaren tijds de leeningen gedelgd zouden zijn.
Het is echter niet zeker, zelfs niet waarschijnlijk, dat ieder jaar voor de geheele vereischte uitgaaf geleend zal moeten worden, want de uitkomsten van een dienstjaar zijn dikwijls gunstiger dan zij zich bij het opmaken der begrootingen lieten aanzien, zoodat posten, die men onder de buitengewone had gerangschikt, uit de gewone middelen bestreden werden. Afgescheiden hiervan kan de toestand der kas zoodanig zijn, dat het sluiten eener leening, zelfs tijdelijke kasversterking, uitstel gedoogt. De hierboven genoemde termijn van 60 jaren is derhalve een _maximum_; hij kan aanmerkelijk worden bekort. Dit alleen staat vast: wil het werk op financieel gezonde grondslagen worden ondernomen, dan zullen gewone middelen tot een bedrag van f2000000 daarvoor beschikbaar moeten zijn, en wel gedurende een groot getal jaren, dat intusschen het cijfer van 60 niet overschrijden zal.
Het financiëele vraagstuk lost zich derhalve op in eene verhooging van het budget der gewone uitgaven gedurende een vrij langen tijd met f2000000 's jaars. Niet terstond zal die verhooging ontstaan. Heeft de wet het _Staatsblad_ bereikt, dan kunnen de werken niet onverwijld worden ondernomen, daar nog veel voorbereidende arbeid, ook onteigeningswetten, noodig zullen zijn. Vóór het derde jaar na de totstandkoming der wet zal geen belangrijke post op hoofdstuk IX der Staatsbegrooting gebracht worden. Maar dàn moeten de f2000000 beschikbaar zijn, desvereischt door versterking der inkomsten.
Desvereischt, en na de mededeelingen van den Minister van Financiën in zijne rede van 20 September ll. bij de aanbieding der Staatsbegrooting voor 1901 gedaan, kan bezwaarlijk worden voorgespiegeld, dat de hierbedoelde noodzakelijkheid achterwege zal blijven. Doch al mocht dit niet door een gunstigen samenloop van omstandigheden gebeuren, zoodat over enkele jaren de inkomsten opnieuw versterkt moesten worden, dan zouden de ondergeteekenden dezen prijs niet te hoog achten voor hetgeen daardoor verkregen werd. Zwaarder en pijnlijker offers zijn door volken gebracht om hun grondgebied uit te breiden. Voor die f2000000 op te brengen gedurende een tijdperk van _ten hoogste_ 60 jaren, zou men de mogelijkheid verkrijgen om, zonder verdere lasten op te leggen aan de burgerij, van lieverlede eene geheele provincie toe te voegen aan ons land.
Dit laatste moet nog in bijzonderheden worden toegelicht. Door de droogmaking van het tweetal thans daarvoor te bestemmen gedeelten, zal, na aftrek van den voor wegen, dijken en watergangen in te nemen grond, 46500 H.A. vruchtbaar land worden aangewonnen.
Trekt men hiervan nog, zooals door de Staatscommissie is gedaan, af 1% van de oppervlakte, te reserveeren voor de uitbreiding van de nieuw te stichten gemeenten, en aan deze kosteloos af te staan, dan blijft er over aan vruchtbaar _verkoopbaar_ land:
in den Wieringerpolder rond 18500 H.A. » » Hoornschen » » 27500 » ---------- te zamen 46000 H.A.
Deze grond kan, naar gelang van de vordering der droogmaking, in gedeelten worden uitgegeven.
Het is wenschelijk, dat die uitgifte eerst plaats heeft na verloop van drie jaren na de droogvalling van den grond, gedurende welke jaren de bebouwing dan voor rekening van den Staat kan geschieden.
In verband hiermede en met de grootte van de afdeelingen, waarin de polders naar hunne hoogteligging verdeeld worden, zouden dan, te beginnen met het 14de jaar, jaarlijks ongeveer 5800 H.A. kunnen worden uitgegeven, zoodat de laatste uitgifte in het 21ste jaar plaats heeft.
Zonder dat hier behoeft te worden uitgemaakt op welke wijze de grond zal worden uitgegeven, mag toch wel worden aangenomen, dat in de _verkoopwaarde_ daarvan de voor droogmaking uitgegeven gelden zullen worden teruggevonden.
Dat bij uitvoering van dit beperkte plan jaarlijks nog geen 6000 H.A., en in het geheel slechts 46000 H.A., aan de markt zullen worden gebracht, en dat nog wel van den meest gunstig gelegen grond, zal er zeker toe bijdragen om de vrees voor neerdrukking van de koop- of pachtprijzen weg te nemen.
De Staatscommissie noemde in haar rapport voor de vermoedelijke verkoopwaarde van den grond geen cijfer, al werd door haar eene berekening gegeven van den _kostenden prijs_ van den grond in verschillende onderstellingen, een prijs waaraan de verkoopwaarde van den grond dus gelijk zou moeten zijn, opdat de kosten der onderneming gedekt kunnen worden geacht. De kostende prijs zou, bij voorafgaande afsluiting, waarvan de kosten over de vier inpolderingen worden omgeslagen, volgens de Staatscommissie zijn: gemiddeld f982 der H.A. indien geen rente in rekening wordt gebracht, en f1350 per H.A. met bijrekening van eenvoudige rente.
Een beter uitgangspunt geeft de waarschijnlijke _opbrengst_ van de nieuwe gronden.
De Staatscommissie meende die opbrengst (pachtwaarde) op f60 per H.A. te mogen ramen, na aftrek van de dijks- en polderlasten, en wel op grond van de cijfers, welke door de commissie van schatters voor de herziening der belastbare opbrengst van de ongebouwde eigendommen zijn gegeven.
Dat die raming niet bijzonder hoog is, bewijzen de pachten van f90 à f120 per H.A., die heden ten dage worden besteed in de IJpolders, waarmede een groot deel der gronden in de nieuwe polders het best zullen zijn te vergelijken.
Een pachtwaarde nu van f60 per H.A. vertegenwoordigt voor de 46000 H.A. van de Wieringer- en Hoornsche polders een jaarlijksche opbrengst van f2760000.
De totale kosten van het beperkte droogmakingsplan, zonder de afsluiting en de bijkomende werken, zullen volgens de hierboven gegeven raming, bedragen ongeveer _38 millioen gulden_, welke kosten tot 48,5 millioen, overeenkomende met eenen jaarlijkschen rentelast van f1700000 bij een rentevoet van 3½ pct. zullen stijgen, indien rente op rente in rekening worden gebracht en ondersteld wordt dat voor elk der beide polders alle gronden drie jaar na de droogmaking in gebruik zijn gegeven.
De jaarlijksche opbrengst zal dus den jaarlijkschen rentelast volgens deze rekening met ruim 1 millioen gulden kunnen overtreffen, waaruit genoegzaam blijkt, dat die droogmakingen na de afsluiting als winstgevende ondernemingen beschouwd kunnen worden.
De ondergeteekenden aarzelen dan ook niet, als hunne overtuiging uit te spreken, dat de uitvoering van het in dit wetsontwerp neergelegde plan zonder gevaar voor 's lands geldmiddelen kan worden ondernomen.
Wellicht zal hier de opmerking worden gemaakt, dat, terwijl de Staat alle uitgaven draagt, de voordeelen van de afsluiting voor het grootste deel zullen worden genoten door de om de Zuiderzee gelegen landstreken.
Dit is volkomen waar. Alleen de besparing op het onderhoud van de Rijks zee- en havenwerken en op de kosten der bemaling van het Noordzeekanaal komt rechtstreeks aan de Staatskas ten goede.
Overigens komen de voordeelen voor de scheepvaart en voor het landverkeer grootendeels, en komt de besparing op het onderhoud der zeeweringen en op de kosten der waterloozing geheel ten voordeele van de inwoners der omliggende provinciën en waterschappen, terwijl de betere waterverversching van Friesland en Noordholland in de eerste plaats ten goede komt aan de bezitters en bewoners der in die gewesten gelegen landerijen.
Deze overweging mag echter, naar de overtuiging van de ondergeteekenden, niet gelden waar het betreft de economische waarde te bepalen van een werk van openbaar nut als dit.
Ook bij andere groote openbare werken is dit niet geschied.
Of vloeiden de voordeelen van de verbetering van den Rotterdamschen waterweg, van den aanleg van het Merwedekanaal en van zoo menig ander kostbaar op Rijkskosten uitgevoerd werk rechtstreeks in de Staatskas of kwamen deze gelijkelijk aan alle ingezetenen van Nederland ten goede?