Ontwerp van wet tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee met toelichtende memorie

Part 1

Chapter 13,383 wordsPublic domain

Produced by The Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net

+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | | | | In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. | | Vette tekst is weergegeven als #vet#. In het origineel | | uitgespatiëerde tekst is weergeven als ~uitgespatiëerd~. | | | | In het boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | | De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als | | »aanhalingstekens". | | | | Aan het eind van dit e-boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | | De illustratie is beschikbaar bij de html-versie van dit | | e-boek op http://www.gutenberg.org | | | +----------------------------------------------------------------+

ZUIDERZEE-VEREENIGING.

ONTWERP VAN WET TOT AFSLUITING EN DROOGMAKING VAN DE ZUIDERZEE MET TOELICHTENDE MEMORIE.

TWEEDE DRUK.

~LEIDEN~, ~BOEKHANDEL EN DRUKKERIJ~ voorheen E. J. BRILL. 1912.

KONINKLIJKE BOODSCHAP.

_Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal._

Mijne Heeren!

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een ontwerp van wet tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee.

De toelichtende memorie (en bijlage), die het wetsontwerp vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.

En hiermede, Mijne Heeren, bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

Het Loo, den 7den Mei 1901.

~WILHELMINA.~

ONTWERP VAN WET.

Wij ~WILHELMINA~, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat de afsluiting van de Zuiderzee en de droogmaking van gedeelten binnen die afsluiting in 's lands belang door het Rijk behooren te worden ondernomen;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1.

Op nader door Ons of van Onzentwege vast te stellen wijze, worden voor rekening van den Staat de werken uitgevoerd, noodig:

1º. tot afsluiting van de Zuiderzee door een afsluitdijk, loopende van de Noordhollandsche kust door het Amsteldiep naar het eiland Wieringen en van dit eiland naar de Friesche kust bij Piaam;

2º. voor de droogmaking van twee gedeelten van de afgesloten Zuiderzee en wel:

_a._ een noordwestelijk gedeelte, begrensd door de Noordhollandsche kust, den afsluitdijk door het Amsteldiep, het eiland Wieringen en een aan te leggen dijk van dit eiland naar de Noordhollandsche kust nabij Medemblik;

_b_. een zuidwestelijk gedeelte, begrensd door de Noordhollandsche kust en door een aan te leggen dijk, loopende van omtrent Blokkershoek naar het eiland Marken en van daar naar den noordelijken oever van het Monnikendammer Gat;

3º. tot voorziening in de belangen van waterkeering, afwatering en scheepvaart, voor zooveel deze door de afsluiting en de droogmaking geschaad worden;

4º. tot voorziening in de belangen van de landsverdediging, in verband met de sub 1, 2 en 3 bedoelde werken.

Artikel 2.

Op bij algemeenen maatregel van bestuur vast te stellen wijze zal eene tegemoetkoming worden gegeven aan de Zuiderzeevisschersbevolking wegens de schade, welke de afsluiting haar zal berokkenen.

Artikel 3.

Door Ons wordt eene Commissie benoemd om de Regeering van advies te dienen omtrent de voorbereiding en uitvoering der werken.

Aan deze Commissie kan de leiding der werken, onder de bevelen der Ministers, Hoofden van de betrokken Departementen, geheel of ten deele worden opgedragen.

Artikel 4.

Wegens de uitgaven voor de werken bij art. 1 en voor de tegemoetkoming bij art. 2 bedoeld, wordt jaarlijks eene afzonderlijke begrooting bij de wet vastgesteld.

Het beheer dier begrooting is onderworpen aan dezelfde regelen als het beheer dier algemeene begrootingen van Staatsuitgaven.

Artikel 5.

Tot dekking van de uitgaven, begrepen in de bij het eerste lid van art. 4 bedoelde begrooting, worden bestemd en bij de wetten tot vaststelling dier begrootingen aangewezen:

_a._ de sommen, die ten behoeve van de bij deze wet bedoelde werken op de algemeene begrootingen van Staatsuitgaven zullen worden uitgetrokken;

_b._ de vermoedelijke batige sloten der rekeningen van ontvangst en uitgaaf wegens de bij het eerste lid van art. 4 bedoelde begrootingen over vroegere diensten;

_c._ de toevallige baten, welke uit de uitvoering van de bij art. 1 bedoelde werken zullen kunnen voortvloeien.

Lasten en bevelen, dat deze in het _Staatsblad_ zal worden geplaatst en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

_De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid_,

_De Minister van Financiën_,

_De Minister van Oorlog_,

_De Minister van Binnenlandsche Zaken_,

MEMORIE VAN TOELICHTING.

#Inleiding.#

De oplossing van het Zuiderzee-vraagstuk, waartoe het hierbij aangeboden wetsontwerp moet strekken, biedt twee voordeelen aan die sterk op den voorgrond treden: de verbetering van den waterstaatstoestand der om den zeeboezem gelegen landstreek door de _afsluiting_, en de vergrooting van de bebouwbare oppervlakte des lands door de _droogmaking_.

Bij de phasen die het vraagstuk in de laatste halve eeuw heeft doorloopen, is nu eens het eene, dan weder het andere voordeel meer op den voorgrond geplaatst.

Toen de Ingenieur van den Waterstaat B. P. G. van Diggelen in 1849 zijne studie »de Zuiderzee, de Friesche Wadden en de Lauwerzee, hare bedijking en droogmaking", in het licht gaf, waarin een plan werd ontwikkeld tot afsluiting van de geheele Zuiderzee achter de eilanden, met insluiting alzoo van den IJssel, liet de ontwerper in de eerste plaats het licht vallen op de verbetering van den vaderlandschen bodem, die zou worden verkregen door de bedijking, welke, zoo schreef hij, »inderdaad zal voeren tot eene geheele herziening van den binnenlandschen waterstaat der omliggende gewesten".

Eerst in de tweede plaats noemde de ontwerper de geleidelijke droogmaking van de binnengedijkte watervlakte, waardoor eene gedeeltelijke vergoeding zou worden verkregen voor de aan de bedijking verbonden uitgaven.

De insluiting van den IJssel, welke rivier volgens het plan van Diggelen door breede stroombanen langs en door de droogmaking zou worden geleid naar de bij Terschelling en te Petten te bouwen uitwateringssluizen, werd evenwel toen ter tijde een onoverkomelijk bezwaar tegen de onderneming geacht, en dit was oorzaak dat het plan langen tijd bleef rusten.

De Inspecteur van den Waterstaat J. A. Beijerinck, die in 1866 op uitnoodiging van de Maatschappij voor Grondkrediet een nieuw ontwerp opmaakte, dat onder den titel »Proeve van een ontwerp tot afsluiten, indijken, droogmaken en in cultuur brengen van een gedeelte der Zuiderzee" in het licht verscheen, liet dan ook den IJssel buiten de bedijking, en stelde voor een afsluitdijk te leggen van Enkhuizen over Urk naar den Ketelmond, waarachter de geheele afgesloten watervlakte zou worden drooggemaakt.

Het plan Beijerinck, omgewerkt door den ingenieur T. J. Stieltjes, vormde den grondslag voor eene concessie-aanvraag, die in 1870 werd ingediend door de in de plaats van de Maatschappij voor Grondkrediet getreden Maatschappij tot droogmaking van het zuidelijk deel der Zuiderzee.

Uit den aard der zaak stond bij dit plan de wensch naar vermeerdering van grondbezit op den voorgrond, en was _verbetering_ van den waterstaatstoestand der omliggende landstreek niet het doel van de concessie-aanvrage; in het plan waren dan ook slechts werken opgenomen om te voorzien in de _nadeelen_, die voor afwatering en scheepvaart uit de droogmaking zouden voortvloeien. De concessie-aanvraag werd onderzocht door een Staatscommissie, die in 1873 verslag uitbracht, in welk verslag, door de meerderheid der commissie het gevoelen werd uitgesproken, dat het indijken, droogmaken en in cultuur brengen der Zuiderzee op de in het verslag aangegeven wijze technisch mogelijk zou zijn, en dat er in het algemeen belang geen aanleiding bestond om het uitgeven der onderneming in concessie aan eene maatschappij in beginsel te ontraden, mits van Rijkswege krachtige hulp en medewerking werd verleend, welke hulp met het oog op het algemeen belang alleszins gerechtvaardigd werd geacht.

De Regeering kwam echter, na langdurige onderhandelingen met de concessie-aanvragers, tot het besluit dat de indijking en droogmaking van de Zuiderzee meer vatbaar was om van Staatswege dan bij wijze van concessie te worden uitgevoerd, en nam zelf de zaak ter hand, door in 1877 een wetsontwerp in te dienen tot bedijking en droogmaking van het zuidelijk deel der Zuiderzee.

Aan dat wetsontwerp lag ten grondslag het door de Staatscommissie onderzochte plan Beijerinck-Stieltjes, ofschoon zoowel in de richting van den afsluitdijk als in de inrichting van de afwaterings- en scheepvaartkanalen verschillende wijzigingen waren gebracht.

Ook bij het Regeerings-ontwerp van 1877 stond de landaanwinning op den voorgrond, zóó zelfs, dat in de Memorie van Toelichting omtrent de voorziening in de waterstaatsbelangen van de omliggende landstreek nagenoeg niets werd vermeld.

Bij uitvoering van dat ontwerp zou dan ook voorzeker geen algemeene verbetering van den waterstaatstoestand zijn verkregen, en zouden zelfs sommige belangen, o. a. die der scheepvaart van Amsterdam naar den IJssel en het Zwolsche diep, in niet geringe mate zijn geschaad.

Ook zou de provincie Friesland geheel van de verbetering zijn uitgesloten, en werd zelfs meerder gevaar voor de zeedijken van die provincie en van Overijssel niet onmogelijk geacht, een reden waarom de afsluiting van het Eijerlandsche gat tusschen Texel en Vlieland in het plan was opgenomen.

Het wetsontwerp werd intussen den 19den November 1877 door het inmiddels opgetreden Ministerie ingetrokken, zonder in behandeling te zijn geweest.

Het was de heer A. Buma, lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, die de Zuiderzee-vraag, nadat zij eenige jaren was blijven rusten, weder op den voorgrond bracht, en wel in den geest waarin de eerste ontwerper, de heer van Diggelen, haar had opgevat. De _afsluiting_, het sluiten van de Noordzee buiten de landpalen, was bij hem hoofdzaak.

Nadat een door den heer Buma ingediend wetsvoorstel, om van Staatswege een nieuw onderzoek in die richting in te stellen, door hem was ingetrokken, werd naar aanleiding van zijn initiatief de Zuiderzee-vereeniging opgericht, die zich ten doel stelde het instellen van een technisch en financieel onderzoek omtrent de afsluiting, mede ter voorbereiding eener latere geleidelijke drooglegging, van de Zuiderzee, de Wadden en de Lauwerzee.

De Zuiderzee-vereeniging heeft in de jaren 1887-1892 de uitkomsten van haar onderzoek openbaar gemaakt in een achttal technische nota's en in eene nota, bevattende economische en financieele beschouwingen, terwijl in 1898, nadat het verslag der hieronder te vermelden Staatscommissie was openbaar gemaakt, in het licht verscheen eene, in opdracht van het bestuur, door den secretaris, den heer H. C. van der Houven van Oordt, met medewerking van Mr. G. Vissering geschreven studie, getiteld: »De economische beteekenis van de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee"[1].

[1] Van dit werk zal eene nieuwe uitgave verschijnen. Een exemplaar dezer uitgave zal aan de leden der Staten-Generaal worden toegezonden.

Het onderzoek leidde tot het plan voor de afsluiting van de Zuiderzee van de Noordhollandsche kust bij de van Ewijcksluis over Wieringen naar de Friesche kust bij Piaam, dus meer binnenwaarts dan door den heer Buma was bedoeld, en voor het achtereenvolgens droogmaken van vier inpolderingen in de afgesloten watervlakte, waarbij een binnenmeer overblijft, dat de wateren van den IJssel en van de andere op de afgesloten kom afwaterende rivieren, boezems en polders opneemt en, voor zooveel noodig, door op Wieringen te bouwen sluizen naar zee voert.

Naar aanleiding van den arbeid der Zuiderzee-vereeniging werd bij Koninklijk besluit van 8 September 1892, no. 21 eene Staatscommissie ingesteld, met opdracht om te onderzoeken of eene afsluiting en eene droogmaking van de Zuiderzee, op eene wijze als door de Zuiderzee-vereeniging is voorgesteld, in 's lands belang behoort te worden ondernomen, en zoo ja, op welke wijze dit werk tot uitvoering moet worden gebracht.

Nadat het ontwerp van de Zuiderzee-vereeniging door de technische afdeeling dezer commissie, onder voorzitterschap van den Inspecteur van den Waterstaat W. F. Leemans, onderzocht en op verschillende punten nog eenigszins gewijzigd was, en de economische en financieele zijde van het vraagstuk door eene andere afdeeling, onder voorzitterschap van Mr. C. J. Sickesz, nauwkeurig was nagegaan en uiteengezet, kwam in het op 14 April 1894 vastgestelde verslag de groote meerderheid der Staatscommissie (een en twintig van de zeven en twintig leden) tot het besluit dat de vraag, of eene afsluiting en eene droogmaking van de Zuiderzee, op eene wijze als door de Zuiderzee-vereeniging is voorgesteld, in 's lands belang behoort te worden ondernomen, bevestigend moet worden beantwoord, behoudens de wijzigingen, in het verslag aangegeven. Het antwoord op de vraag »op welke wijze dit werk tot uitvoering moet worden gebracht" behoorde, volgens de meening van alle leden, te luiden: door den Staat op den voet, in dit verslag vermeld.

Het plan van de Zuiderzeevereeniging, zooals het door de Staatscommissie is aangevuld en gewijzigd, vormt den grondslag voor het wetsontwerp dat hierbij wordt aangeboden. In overeenstemming met de grondgedachte, waarvan de vereeniging uitging, bedoelt het wetsontwerp eerst _afsluiting_ en daarna _geleidelijke droogmaking_ van de Zuiderzee.

Voor eene juiste beoordeeling van het voorstel moet worden gelet op de beide zijden van het vraagstuk, en wel niet minder op de afsluiting waardoor de waterstaatstoestand van een aanzienlijk deel des lands zal worden verbeterd, dan op de droogmaking, waardoor de oppervlakte des lands met een groot aantal hectaren vruchtbaren grond zal worden vergroot.

In het onderstaande zullen daarom eerst de afsluiting en de daarmede samenhangende belangen nader worden beschouwd.

#De afsluiting.#

Aan de richting van den afsluitdijk, waardoor de IJssel binnen de afsluiting valt, ontleent het voorgestelde ontwerp zijn bijzonder karakter.

Ofschoon reeds van Diggelen het denkbeeld als uitvoerbaar had erkend, en ook in den boezem der Staatscommissie van 1870 op een nieuw onderzoek in die richting was aangedrongen, werd de binnensluiting van den IJssel, welke rivier in gewone omstandigheden ongeveer een negende van het water van den Boven-Rijn afvoert, en bij dijkbreuk langs de bovenrivier in Pruissen zelfs een nog grooter aandeel in dien afvoer ontvangt, toch vrij algemeen voor een onoverkomelijk bezwaar gehouden.

Het denkbeeld van een achter den afsluitdijk gelegen groot binnenmeer, dat de wateren van den IJssel met die van de overige binnengesloten rivieren, boezems en polders opneemt, en gedurende enkele dagen, waarop de loozing door de uitwateringssluizen wegens hoogen zeestand belet wordt, kan bergen, zonder dat, ook bij het grootste waterbezwaar, de waterstand van het meer tot een nadeelige hoogte stijgt, is, hoewel ook vroeger ter sprake gekomen, voor het eerst ernstig onderzocht door de Zuiderzeevereeniging, waarbij de uitvoerbaarheid van het denkbeeld duidelijk aan het licht trad.

Hierdoor was de zaak van de droogmaking der Zuiderzee eene groote schrede verder gebracht. Terwijl het toch eenerzijds mogelijk bleek de afsluiting uit te voeren langs eene veel korter lijn dan met vrijlating van den IJssel het geval kan zijn (volgens het Regeeringsontwerp van 1877 zou de afsluitdijk eene lengte verkrijgen van ruim 48 K.M.), konden anderzijds door middel van het IJsselmeer aan de omringende gewesten zulke belangrijke voordeelen verzekerd worden, dat in de waarde daarvan de kosten van de afsluiting, zooal niet geheel dan toch voor een aanzienlijk deel, teruggevonden worden, waardoor deze niet voor hun volle bedrag op rekening van de droogmaking behoeven te worden gesteld.

_Voordeelen van de afsluiting._

Door de afsluiting met insluiting van den IJssel, op de wijze als in het ontwerp is aangegeven, wordt niet alleen de tegen de zee te verdedigen kustlijn belangrijk verkort, doch wordt midden in het land in plaats van een met de Noordzee gemeen liggende _zoutwaterplas_, waar onder den invloed van de standen der Noordzee sterk afwisselende waterstanden voorkomen, een _zoetwatermeer_ verkregen met een veel meer standvastigen waterspiegel, laag genoeg voor eene behoorlijke afwatering van de omringende landstreek, uit welk binnenmeer de provinciën Friesland en Noordholland, die tot dusver steeds leden onder het gemis eener behoorlijke waterverversching, op overvloedige wijze van zoetwater kunnen worden voorzien.

De voordeelen, welke uit deze verandering voortspruiten voor de waterverversching, de waterloozing en de waterkeering van de omringende gewesten, alsmede voor het verkeer te water en te land, zullen achtereenvolgens nader worden beschouwd.

a. _de waterverversching._

De boezem der provincie Friesland ontvangt geen ander water dan het hemelwater, dat op den boezem zelf en in de polders valt en het weinige, dat van de hooge gronden in het oosten der provincie afstroomt.

In droge zomers houdt de aanvoer nagenoeg geheel op, en lijdt de boezem groot gebrek aan water, waarin niet door inlating van buiten kan worden voorzien, daar het zoute zeewater dat de provincie van drie zijden omringt, hiertoe niet geschikt is. Deze toestand brengt mede een te lagen boezemstand in den zomer, waarvan uitdroging der graslanden, gebrek aan drinkwater voor het vee en bezwaren voor de scheepvaart het gevolg zijn.

Een tweede, indirect, gevolg van de onvoldoende aanvulling van den boezem is dat, uit vrees voor te groote daling van den boezemstand, de uitwateringssluizen, waardoor de boezem op de zee wordt afgestroomd, vaak vroeger moeten worden gesloten dan met het oog op eene goede afwatering wenschelijk is, waardoor bij ongunstige verandering van weersgesteldheid overlast van water kan ontstaan.

In het algemeen heeft men in Friesland de regeling der hoogte van het boezemwater niet in de hand, wat veel meer het geval zou zijn indien eene behoorlijke gelegenheid tot inlating van versch water aanwezig was.

Hetzelfde doet zich, ofschoon in eenigszins mindere mate, voor in het deel der provincie Noordholland benoorden het IJ. De verversching van het boezemwater kan hier slechts geschieden door inlating van water uit het Noordzeekanaal, en deze verversching is zeer gebrekkig, daar het water van het Noordzeekanaal brak is tengevolge van de schuttingen te IJmuiden en te Schellingwoude en de inlating van Zuiderzeewater te Zeeburg ten behoeve van de waterverversching van Amsterdam, terwijl de boezem bovendien nog verontreinigd wordt door de loozing van het vervuilde grachtwater van Amsterdam.

In dezen toestand zal een geheele omkeer worden gebracht door de vorming van een met zoet water gevuld IJsselmeer, waaruit een ruime hoeveelheid zoet water tot verversching van de boezems kan worden afgetapt.

Reeds tijdens de uitvoering van de afsluiting wordt de toevoer van zoutwater naar het zuidelijk deel der Zuiderzee beperkt, terwijl na de voltooiing van den afsluitdijk niet anders dan zoet water in het IJsselmeer zal worden aangevoerd, ter vervanging van het brakke water dat met elk gunstig tij door de sluizen te Wieringen wordt geloosd.

Het meer zal dus op den duur een zoetwatermeer worden. Hoewel het niet mogelijk is, te bepalen hoeveel jaren moeten verloopen eer al het zoute water door zoet water zal zijn vervangen, zoo mag toch met de Staatscommissie, die zich daarbij ook grondde op de uitkomsten van de door haar medelid, den hoogleeraar J. M. Telders, genomen proeven, worden aangenomen, dat het water van het IJsselmeer reeds korten tijd na de voltooiing van den afsluitdijk voldoende ontzilt zal zijn, om te dienen tot boezemverversching van Friesland en Noordholland en, wat het zoutgehalte betreft, tot drinkwater voor mensch en vee, althans voor vee.

Ten einde de gelegenheid tot waterinlating nog gemakkelijker te maken, zal de waterstand van het IJsselmeer, die als regel op 0.40 M. - N.A.P. is aangenomen, in droge tijden tijdelijk kunnen worden opgezet tot 0.20 M. - N.A.P., hetgeen alsdan zonder hinder voor de afwatering zal kunnen geschieden, indien slechts gezorgd wordt, dat bij te verwachten waterbezwaar de boezem tijdig tot de normale hoogte wordt afgestroomd.

b. _de waterloozing._

Voor het afgesloten deel der Zuiderzee, het latere IJsselmeer, is een peil aangenomen van 0.40 M. - N.A.P., welke hoogte nog iets blijft beneden den gewonen laagwaterstand in het zuidelijk deel van den open zeeboezem.

De aangenomen hoogte is natuurlijk niet meer dan eene gemiddelde, daar eenerzijds de waterstand van den afgesloten boezem in verband met de verhouding tusschen afvoer door de sluizen en aanvoer van den IJssel en van de andere rivieren, de boezems en de polders, steeds zal afwisselen, anderzijds de waterspiegel van het meer onder den invloed van den wind een hellenden stand zal kunnen aannemen, door afwaaiing aan de eene en opwaaiing aan de andere zijde.

De door de Zuiderzeevereeniging en de Staatscommissie ingestelde berekeningen hebben doen zien, dat met de aangenomen sluiswijdte van 300 M. de gemiddelde stand van 0.40 M. -N.A.P. in normale omstandigheden zonder moeite zal kunnen worden gehandhaafd.

Indien echter de loozing door de sluizen op Wieringen door stormvloed gedurende eenige achtereenvolgende tijen wordt belet, en in het algemeen indien gedurende eene eenigszins langere periode de afvoer van de sluizen door den aanvoer van den IJssel en de andere bronnen van waterbezwaar wordt overtroffen, zal de gemiddelde waterstand van den afgesloten zeeboezem boven het aangenomen peil kunnen rijzen, en wel hooger naarmate de ongunstige verhouding tusschen aanvoer en afvoer sterker is of langer aanhoudt.

Voorts zal door opwaaiing de waterstand langs een deel van de kust eene grootere hoogte dan de gemiddelde kunnen bereiken, en wel hooger naarmate de wind krachtiger en langduriger op den waterspiegel inwerkt.