Chapter 9
Eindelijk, ja--de breede _waringin's_[26] worden schaarscher langs den weg, en mét de schaduw vermindert ook merkbaar 't getal der marktventers; nog weinige minuten, en we hebben een punt bereikt, van waar de weg, boom- en menschenledig, zich als een zonnige streep tusschen 't groen der _sawah's_[27] verloor.--Hier zou ik instappen--'t was hoog tijd ook: ik kon niet meer.--De _tandoe_ werd geopend, d. w. z.; één der vier atappen matjes die de wanden vormden, werd omhoog geslagen; een paar reusachtige spinnen werden verwijderd; de smerige _tikar_[28], die de satijnen kussens moest vervangen, bedekte ik met mijn regenjas----daar zat ik. De _koeli's_ schreeuwen en kibbelen een poos, met de gewone vischwijfachtige gebaren, die den anders zoo kalmen inlander eigen zijn, wanneer hij zichzelf of zijn makkers tot werken aanmoedigt; daar tillen ze mij op----de _tandoe_ kraakt en waggelt, en dreigt onder mijn ligten last te bezwijken----doch neen, 't evenwigt is hersteld, de bamboezen _pikoelan's_[29] buigen gracieuslijk door----voorwaarts gaat de processie:--mijn jongen aan de spits--als adjudant te paard; dan 't achtvoetig gevaarte, waarvan ikzelf de bezielende en betalende doch halfdoode kern uitmaak; ten slotte, bij wijze van _straggler_, een kerel, die mijn geweer en _minoeman_[30] zeult----al 't welk, door wolken stofs omstuwd, over den weg huppelt, onder een piepend kraken, en met den eigenaardigen, elastischen pas, die den tengeren Oosterling 't uren ver torschen van zware lasten mogelijk maakt en vergemakkelijkt.
* * * * *
We waren slechts weinig schreden gevorderd, toen ik reeds bespeurde, dat 't loopen mij minder zou vermoeijen, dan zóó gedragen te worden.
Men verbeelde zich, dat de vier kerels die mijn _tandoe_ geschouderd hadden, onderling in afmetingen ½ à ¾ kop verschilden, zoodat mijn arm ligchaam, bij elken pas, een epicycloïdische beweging in de ruimte beschreef, die mij zeker--ware mijn gestel niet tegen dergelijke misselijkheden proef bevonden--allerjammerlijkst aan zeeziekte te land[31] had doen lijden. Regtop zitten kon ik in mijn draagstoel niet, daar ik, om tot die houding te geraken, mijn hoofd door 't atappen dakje zou hebben moeten boren; terwijl ik bovendien gevaar liep, bij 't hevig schokkend mouvement, mijn evenwigt te verliezen, en als een koffiebaal in 't zand te buitelen. Regtuit liggen was mij eveneens onmogelijk, nademaal 't hoog-edel-gestreng vehiculum slechts berekend scheen op den vervoer van kinderen of personen beneden de militie-maat.--Bij al de miljoenen van 't Batig Slot--ik had dien Inspekteur der Cultures willen zien en uitteekenen, die op zóó'n wijs zijn tournée door de Residentie X... heeft gemaakt!
Trots al deze ergernissen liet ik me wel een uur lang dragen. Maar, toen we een kleine _kampong_ waren genaderd, waar ons van tijd tot tijd voetgangers passeerden, en de vrouwen en meisjes nieuwsgierig in den _tandoe_ keken, met moeite den schalkschen lach bedwingend, als ze mij zagen, kreeftrood van warmte en vermoeidheid, wit bestoven, gehotst en geklotst langs 's heeren weg, als een curieus beest uit 't rijk Wolanda[32]--toen vond ik mezelf zoo ontzettend ridicuul, dat ik op mijn voeten sprong, en----en, na een kwartieruur loopens, mij door de gloeijende zonnehitte genoodzaakt zag, op nieuw den draagstoel te beklimmen: vloekend en razend tegen de stomme _koeli's_, die 't niet helpen konden; en tegen den almagtigen Resident, die niet bij magte was geweest, zijn Ambtenaar een ordelijken wagen te bezorgen; en tegen den ezel van een Gabriël, die naar Indie moest, om armoê te lijden, terwijl hij 't t'huis zoo goed had.
Edoch, ook van murmureren heeft men spoedig den buik vol.
Een ferme teug wijn bragt mijn geschokten geest en nog geschokter ligchaam een weinig tot rust; en een tweede dosis deed me zóó goed, dat ik--o zoete, nooit missende tooverkracht van 't druivennat!--mijn toestand haast intéressant begon te vinden. Ik dacht aan Haeffner, en zijn Reize met den Palankijn. Ik vergeleek ook mijn positie met die van mijn geliefden Don Quichotte, mijn Ridder van de Droevige Figuur, toen hij, in de met ossen bespannen kooi, door zijne bezorgde vrienden werd naar huis gebragt. Er was waarlijk eenige overeenkomst: de vernuftige Jonker was er--hoewel ver van betooverd--; de kooi was er; de ossen waren er--in de gedaante van _koeli's_--; slechts de priester en de Barbier ontbraken--en, mijn bruine jongen Ketjiel, geleek bitter weinig op den vermakelijken schildknaap Sancho Panza.--Zóó mijmerend, maakte ik 't mij in den _tandoe_ zoo gemakkelijk mogelijk: mijn hoofd vlijde ik tegen een der harde houten stijlen, mijn beenen liet ik bevalliglijk over den rand der draagkoets bengelen;--toen eerst gevoelde ik mij gestemd, op 't mij omringend landschap een bedaard contemplerenden blik te slaan.
Langzaam aan werd de weg schaduwrijker. Een opstekende zeewind speelde door de breede bladeren der _Djati_-boomen; regts en links huppelde een vrolijk beekje strandwaarts; en rondom strekten zich onmeetlijk de _sawah's_ uit, slechts begrensd door de hoogere en lagere bergruggen, die, als zooveel vingers van een reusachtige hand, zamenloopen in 't groote middenpunt van den Slamat.----Ik tuurde en soesde;--en zóólang tuurde ik over de groene rijstvelden, wier jong gewas zachtkens golfde onder de spelende middagkoelte--en naar de palmboschjes, die hier en daar een _dessa_ verhullen--en naar de hooge, omwolkte toppen der bergen----tot een zalige dommeling mij de oogen sloot, die me, voor korten tijd, _tandoe_ en _koeli's_, ja zelfs den gouden _pajong_[33], 't vlugge vierspan, en den comfortablen reiswagen van den Resident deed vergeten.
* * * * *
Ik werd uit mijn sluimering opgeschrikt door een schok, die me vrij onzacht door de leden voer.--Ik zie opwaarts--daar is 't atappen dakje van mijn _tandoe_; ik zie omlaag--daar is de grond;--maar, niet de grond op den, ons menschen, als 't hoofd omhoog dragende wezens 't toegemeten afstand van vijf à zes voeten--neen, vlak onder mijn facie, op geen handbreedte van mijn neus, zie en ruik ik de moederaarde. Was de slangenvloek aan mij vervuld; of zou ik, niet ongelijk aan een tweeden Nebucadnezar, stof in plaats van gras orberen?--O neen: mijn zorgzame _koeli's_ en jongen hadden doodeenvoudig goedgevonden, aan de wijdberoemde _warong_ te L... (want tot binnen die _dessa_ waren we gevorderd), hun middagmaal te gebruiken: 't was 't achtste of negende dien dag; en hadden, zonder eenige ruggespraak, en zonder een voorafgaand inwinnen van hoogstdeszelfs consideratiën en advies--den hun toevertrouwden civiel-gezaghebbenden last op den platten grond neêrgezet.--_Qui dort, qui mange_, hadden ze gemeend.
En ik----daar zat ik--met mijn Radikaal, mijn diploma A en mijn diploma B, mijn land- en volkenkunde, mijn natuur- en scheikunde, mijn Mohammedaansch Regt, en mijn Regerings-Reglement! Daar zat ik: mijn geëxamineerd brein slechts van 't lage stof gescheiden door den bodem van een smerig bamboe-getimmerte; aan de willekeur overgelaten van een troep schurftige _koeli's_, met wie ik, ondanks mijn Roordasche taalgeleerdheid, geen _boe_ of _ba_ Javaansch kon wisselen--: ik, de accurate vertolker van Mawerdi, de _amor et deliciae_ van 't Maleisch college; de man, die 't onderscheid wist tusschen den Javaschen en den Sumatraschen rhinoceros; die de huislijke hebbelijkheden van Dajaks en Batta's beter kende, dan van zijn eigen ooms en tantes------daar zat ik! En, o, regtschapen Hollandsche ouders en voogden; o, groote Professor Keijzer; en gij, vlekkelooze, nooit volprezen maagdentrits van Delft's trouwlustige schoonen--waarom hebt gij mij niet _zien_ zitten, toen ik daar zat: opdat met één slag ook uw illusiën mogten in rook zijn opgegaan, die ge met mij, in den geloovigen eenvoud uwer harten, vormdet omtrent de glorie en de heerlijkheid van een _Ambtenaar bij die burgerlijke dienst in Nederlandsch Indië_--!
[Footnote 17: Een paal is ongeveer twintig minuten gaans.]
[Footnote 18: Draagstoel of palankijn, in den meest primitieven vorm.]
[Footnote 19: Dorp, gemeente.]
[Footnote 20: Kleine muurhagedis.]
[Footnote 21: »Grooten dank aan meneer den Resident!"]
[Footnote 22: Zóó bestempelen onze Javasche humoristen de inlandsche dwang-arbeiders of kettinggangers.]
[Footnote 23: Afzonderlijke, door inlanders bewoonde wijk.]
[Footnote 24: Weekmarkt.]
[Footnote 25: Gaarkeukens of snoeptafeltjes aan den weg.]
[Footnote 26: Een schoone, breedgetakte boom.]
[Footnote 27: Natte rijstvelden.]
[Footnote 28: Van biezen gevlochten matje.]
[Footnote 29: Draagboomen.]
[Footnote 30: Dranken.]
[Footnote 31: Op menschen, wier hoofd en maag niet van de sterkste zijn, heeft een wandeling per palankijn, (zoo ook een ridje op den rug van een kameel) dezelfde uitwerking als een pleiziertogtje op de Zeeuwsche stroomen.]
[Footnote 32: Holland; van 't Portugeesch _Olanda_.]
[Footnote 33: Zonnescherm, 't welk, al naar gelang van de kleur, de waardigheid aanduidt van hem, boven wiens hoofd 't gedragen wordt.]
II.
Des avonds ten zes uur hadden we M... bereikt. Dáár was een _pasangrahan_[34]: dáár zou ik rusten en overnachten; ik had bijna den ganschen dag geloopen, of erger nog, en gevoelde ongewone behoefte aan verkwikking en slaap.
Mijn eerste werk was--wijl ik ook hier niet met den verwenschten _tandoe_ wilde gezien worden--de _koeli's_ halt te doen maken, met verzoek, zoo spoedig hun beenen 't toelieten, 't haatlijk reisgevaarte van uit mijn oog te doen verdwijnen; tevens moesten ze 't paard waarop mijn jongen gereden had, naar X... meê terugnemen. Dit bevel werd stiptelijk nageleefd, vooral daar mijn onwetendheid den schooijers gelegenheid gaf, me een driedubbel dagloon af te zetten; ik zag ze haastig wegloopen, en, met mijn domme gulheid lagchend, in de naaste _warong_ binnensluipen.--Zóó, ontdaan van alle decorum, en, naar de wijze der Apostelen--stof op onze hoofden, en stof aan onze voetzolen--traden we de _dessa_ binnen, wier bewoners ons aangaapten, alsof we uit de lucht waren gevallen, wijl niemand begreep, door middel van welke beweegkracht we ons zoo eensklaps in 't hartje der gemeente hadden kunnen verplaatsen: paarden, koets of kar toch waren niet te zien--en, aan te voet of in een _tandoe_ reizen, _dachten_ de naïve kampong-menschen niet eens.
Hoe nu echter den _Wedono_[35] uitgevonden, dien ik noodzakelijk nog denzelfden avond spreken moest, om hem te verzoeken, mij den volgenden morgen zeer vroeg een paard te doen toekomen, waarop ik de reis door de bergen tot aan Boemi-aijoe zou kunnen vervolgen--? Mijn jongen sprak geen woord Javaansch; en ikzelf deed te vergeefs alle vormen, van Propositief tot Vetatief, mitsgaders de helft van Winter's »Zamenspraken" aanrukken, ten einde te weten te komen, in welke rigting ongeveer des magistraten verblijf moest gezocht worden.
Straks, zie ik, op een kleine verhevenheid, een ruim gebouwd huis: een tempel of paleis tegenover de omringende bamboe-hutjes. Ik nader. Een lichtbruin, goed uitziend, bijna inlandsch gekleed man zit deftig onder de _pendopo_[36] zijn strootje te rooken: de bitterflesch staat naast hem op de tafel, en de _tali-api_-jongen[37] is op eenigen afstand neêrgehurkt.--»Dat zal de _Wedono_ wezen", dacht ik. Ik had wel gehoord van de blanker gelaatskleur en de fijner trekken, die veel Javaansche Hoofden van den kleinen man onderscheiden; en, met deze _idée fixe_ gewapend, vergat ik 't, als nieuwbakken Delftsch etnograafje, op te merken, dat mijn _Wedono_ geen hoofddoek droeg, een kleedingstuk, dat toch door den minst ceremonieusen inlander niet zal worden afgelegd.[38].
»_Tabé, Wedono_," sprak ik, even buigend, in een mengsel van hoog- en laag-maleisch--»_banjak akoe poenja kasoeka-an ketemoe sama Wedono; akoe ambtenaar moeda, bahroe dateng deri Batawie, dan akoe mampir di Wedono poenja roemah, handaq meminta Wedono poenja pertoeloengan,----_"[39]
Gedurende deze toespraak waren des pseudo-Wedono's groote bruine oogappels tot den omvang van theeschoteltjes gezwollen.--»Maar meneer", stottert hij eindelijk, half boos, half verlegen--»maar meneer, _toean kira apa_--ik ben niet Wedono--ik ben Europeaan--als uwe zoekt 't huis van den Wedono, dat is ginder."
Nooit maakte een christelijk-nationaal Kamerlid met zijn speech dwazer figuur, dan ik te dezer gelegenheid met mijn mondjevol Maleisch!
»Pardon, meneer", stamelde ik,----
»O", riep mijn goede kleurling--»ik neem niet kwalijk, ik zie wel, u _orang bahroe_."[40]
»Maar--wil u zoo goed zijn", hervatte ik--»mij naar de _pasangrahan_ den weg te wijzen?"
»De _pasangrahan_--hij is hier."
Aha, dacht ik--u is dus kastelein: dan zal u ook mijn misvatting zoo erg boos niet opnemen. En, met evenveel gemakkelijkheid alsof ik ter Societeit aan de biljart stond, verzocht ik hem, mij een bittertje te willen schenken. Hij deed 't.--Kort daarna drong ik er op aan, dat 't eten wat spoedig opgediend zou worden. Hij zeî me, dat hij gewoonlijk eerst ten half-acht plagt te avondmalen, maar dat hij den _mandoor_[41] zou verzoeken, wat haast te maken; ik moest echter niet veel van de tafel verwachten, voegde er bij, want de bediening was slecht; en hijzelf moest zich noode in de _pasangrahan_ behelpen, omdat er te M... geen beter huis te vinden was; hij had zich wel gaarne een eigen woning gebouwd, maar zijn gering ambtenaarstraktement stond hem die weelde niet toe, en hij was dus nog heel tevreden, dat hij in de publieke herberg zijn definitief verblijf had kunnen opslaan.----_Astaga_![42]--de laatste dwaling was erger geweest dan de eerste! Hij was dus evenmin herbergier als _Wedono_--maar een gast gelijk ik, tegenover wien ik fraai op weg was geweest, de komische vergissing uit zeker Engelsch blijspel[43] _in natura_ op te spelen.--Ik maakte nogmaals mijn excuses; doch de goede man woû van niets hooren, en kon zich alles best begrijpen: de malste bokken schenen hem, meen _baar_ als ik, hoegenaamd niet te verwonderen.
We aten regt genoegelijk zamen. Hij stelde mij eenigzins op de hoogte van 't geen mij in mijn afdeeling te wachten stond, en schetste mij de inlandsche Hoofden, met wie ik zou te doen hebben. Hijzelf, verzekerde hij, hoopte nog dikwijls 't vermaak te hebben mij te ontmoeten, daar hij mijn naaste buurman was--N.B., van M... tot Boemi-aijoe is niet minder dan twaalf paal langs een haast onberijdbaar bergpad--; en hij eindigde met de verklaring, dat 't hem speet, hij zoo weinig van Europesche toestanden afwist, daar hij nooit te Batavia, laat staan in Holland was geweest, en al sints jaren geheel alleen op dezen binnenpost had gewoond:--welk een-en-ander _mij_ aanleiding gaf, me over zijne, onder zulke omstandigheden, toch nog vrij goede manieren te verbazen.
Zou de Europeaan, dacht ik, die _nu_ een hoogleeraarsplaats bekleedt, onder zulke gegevens van opvoeding en leefwijs niet een beer zijn geworden; en had deze arme _sinjo_, die zoo slecht Hollandsch sprak, en liefst zijn rijst met de vingers at, niet even goed, in des Professors luren gebakerd, tot gentleman en artist en geleerde kunnen groeijen?[44]
Klokke negen hadden we ons grogje gedronken, en nam ik van mijn nieuwen vriend afscheid, om de voor mij zoo noodige rust te gaan zoeken.
Men bragt me in een donker hok, waar, op de aarden vloer, een smerige _balé-balé_[45] met een gescheurde _klamboe_[46] mij tot bedstede werd aangewezen.
Een vleêrmuis fladdert mij om de ooren; een _tokèk_[47] doet van uit mijn bed zijn schorren zevenkreet hooren. En te midden van 't piepen en tjilpen, en de duizend stemmen van den nacht, klinkt in de verte een _gamelan_--:
[Note Project Gutenberg: Music transcribed in Lilypond format] \layout { \context { \Score \remove "Bar_number_engraver" } indent = #0 % line-width = #150 }
\header { piece = \markup { \italic "Andante." } }
{ \override Stem #'direction = #up
\clef treble \key d \major
d'2 a'2 fis'4 e'8 fis'8 a'4 a'4 b'2 a'2 fis'4 e'8 fis'8 d'4 a4
\override Score.RehearsalMark #'break-visibility = #begin-of-line-invisible \once \override Score.RehearsalMark #'self-alignment-X = #right \mark "etc. sempre da capo." }
\version "2.7.39" % necessary for upgrading to future LilyPond versions.
--door den afstand getemperd, ruischt mij de maatlooze, zinnelooze melodie weemoedig tegen, als een klagende zang uit den lang vervlogen, mythischen Hindoe-tijd.
Mijn nachtlichtje walmt en knettert en blaast den adem uit. Maar vóór mijn openstaand venster dansen de vuurtorretjes, die Kersmis vieren in den fijngevinden _peté_; en bij haar hellen phosphorschijn zie ik, hoe een reusachtige pad zich van mijn schoen een wieg tracht te maken.
Ik sliep er niet minder gerust om.
[Footnote 34: Publieke herberg in de binnenlanden, meestal voor Gouvernementsrekening door een inlandschen waard gehouden, en waar de reiziger voor weinig geld een armoedig onderkomen vindt.]
[Footnote 35: Districtshoofd.]
[Footnote 36: Voorgallerij.]
[Footnote 37: _Tali api_ = lont. ll. vuurtouw.]
[Footnote 38: Opmerking verdient 't, dat zelfs de overigens geheel naar Europesche wijs gekleede Regenten, toch immer den inlandschen hoofddoek blijven dragen. 't Schijnt wel, dat de mensch aan geen kleedingstuk zóó hecht, als juist aan 't hoofdbedeksel. Zoo zal de Europeaan in de binnenlanden schoenen en kousen, broek en jas--doch nimmer hoed of pet verloochenen.]
[Footnote 39: »Goeden dag, Wedono! Ik ben zeer verheugd, U aan te treffen; ik ben een jong ambtenaar, pas van Batavia gekomen, en ik breng U een bezoek, om uw hulp in te roepen,----"]
[Footnote 40: Nieuweling, ll. nieuw mensen; van dáár ons _baar_.]
[Footnote 41: Opzigter, meesterknecht; hier: inlandsche kastelein.]
[Footnote 42: Uitroep van verwondering en schrik.]
[Footnote 43: Zie: Goldsmith's »_She stoops to conquer._"]
[Footnote 44: Dat was regt liberaal gedacht, nietwaar, lezer! haast even liberaal als ik dacht, toen ik voor 't eerst eenige inlanders een suikerveld zag omspitten, en mij 't hart van verontwaardiging in 't lijf omdraaide.--Helaas! een bevinding _in loco_ zou mijn begrippen omtrent _uitgezogen Javanen_, _vertrapte sinjo's_, enz. enz. aanmerkelijk wijzigen. Zij zou mij meer dan ooit een vriend van den Javaan maken; doch mij tevens doen inzien--'t geen trouwens alle redelijke liberalen, die van onze koloniën _locale kennis_ bezitten, zonder welke niemand een oordeel vellen _kan_, met mij zullen instemmen: dat men niet dan trapsgewijze en met de uiterste omzigtigheid mag overgaan tot 't verspreiden van Westersche vrijheidsbegrippen onder Oostersche natuurkinderen; en tot 't opwekken van nieuwe, misschien onbevredigbare behoeften, bij lieden, die op aarde niets hoogers wenschen, dan 't geen elk gematigd bewind hun zal toestaan: volop _rijst_ en _rust_.--Maar dan te meer, roept men, wordt 't tijd, dat volk van uit zijn dierlijke _rust_, door beschaving tot hooger welzijn op te doen waken!--Zeker, dat moet ons aller streven zijn. Doch de ware liberaal ziet verder in de toekomst dan tien of vijftig jaren: 't ver verleden is zijn school. Ja--ééns zal ook de Javaan vrij wezen, en Christen: want, gelijk dogma en slavernij, zoo gaan ook Christendom en vrijheid hand aan hand: de geest van Christus die slechts vrijheidszin en humaniteit ademt, zal alle volkeren doordringen: in dien zin zal 't wezen »één kudde en één herder." Wij echter zullen dat niet beleven. Achttien eeuwen lang heeft vrouw Europa geleden en gebloed--nog immer lijdt en bloedt ze, en voelt, als een zwangere, haar lendenen beroerd door de woelingen van de groote vrijheidskiem, waarmeê Jezus van Nazareth haar schoot bevruchtte; God alléén weet, hoe ver nog de ure der verlossing verwijderd is. Achttien eeuwen!----en wil men den Javaan in weinig jaren wijs en vrij maken!--Men bedenke, dat alle vooruitgang onder 't levend geslacht martelaren vordert, en eerst den kleinkinderen vrucht oplevert. Elke revolutie kost stroomen bloeds. Men vermijde dan, zoo hier als in Indië, alle geweldige overgangen. De Tijdgeest zal, ook zonder de bemoeijingen van een kibbelende Volksvertegenwoordiging (?), op Indië zijn langzamen, doch onweêrstaanbaren invloed uitoefenen.]
[Footnote 45: Rustbank.]
[Footnote 46: Gazen gordijn, om de muskieten te weren.]
[Footnote 47: _Tokèk_ of _tjekko_: een grootere muurhagedis; men beweert, dat slechts de grootste exemplaren hun geroep zevenmaal achtereen doen hooren.]
III.
Toen ik ontwaakte, en uitkeek door de houten tralies van mijn venstertje, blies een frissche luchtstroom mij koelend langs de zware oogleden; en in 't fluisteren van den morgenwind hoor ik 't afscheidszuchten van den nacht en zijn sluipende gasten, die spoeden om zich te verbergen, schuw ineenkrimpend bij den reinen adem van den bode der zonne.--Ik zie, hoe de sterren 't zilveren kleed afleggen, en zich terugtrekken, na een laatste flikkering, achter den voorhang van eeuwig blaauw. Er is een zacht bleeken, een zwakke schijn van rossig licht over de _klappa_-boschjes tegen 't Oosten. Reeds even zigtbaar wordt de oude _waringin_ op den naasten heuveltop; en vriendelijk wuift 't _pisang_-blad mij goeden morgen toe, gedrukt en buigend onder den schat van trillende dauwdroppels, waarmeê de sombere nacht de planten tooit, als met tranen, en die de dag, de jonge lagchende, met tooverstralen zal verkeeren in fonkelende diamanten, heerlijk afgezet op hun kussen van fluweelig groen.
* * * * *
Nu spoedig een bad genomen; de kleêren aan 't lijf; wat _nassi goreng_[48] tot ontbijt; dan mijn mede-anachoreet de hand gedrukt, en--na een onderzoekenden blik op tuig en stijgbeugels, en een angstig vragen of 't beest ook _nakal_[49] is--'t kleine, magere _gladak_-paardje[50] bestegen: een rosje, waarbij de paarden van Harpagon vet hadden geheeten, en dat, ofschoon 't armelijkst knolletje uit des _Wedono's_ stal, toch ook alweêr goed genoeg is voor den Ambtenaar »ter beschikking"----ja, wél ter beschikking van elken Europeaan, wien 't lust, hem, als _baar_, een loer te draaijen; en van elken inlander, die begrijpt, dat onze jeugdige held de taal nog niet magtig is, en ook vooreerst nog geen direkt gezag uitoefent.
Als gids werd mij een oud mannetje meêgegeven, dat den ganschen weg over niets deed, dan op bibberenden toon zingen of neuriën, en, vóórop rijdend, »_gravement, sans songer à rien_", er zich volstrekt niet om scheen te bekommeren, of de _toean_[51] hem volgde, al dan niet. Mijn jongen schreed, nu eens achter mij dan eens naast mij, voort, en aan 't lijntje strompelde nog steeds de _koeli_ met mijn buks en reistasch.
* * * * *
Intusschen werd de togt gedurig aan belangwekkender.
Als we de kleine _dessa_ doorrijden, leeft er en joelt er alles: zwoegend draaft 't bruine goed dooreen, en pikoelt, en spoedt ter _pasar_, en zweet al bij de schuine stralen der pas ontwaakte morgenzon.--Rimpelige, sirih-kaauwende _nènè's_[52] zijn er, die haar tweeden _klappa_ hebben zien vruchtdragen[53]: met haren, zoo wit als rollen van een gepoederde allongepruik, en lippen, rooder nog dan de roode lipjes van nonna Flora[54].--Naakte kindertjes, bol en buikig als Rubbenssche engeltjes, die zich vasthouden aan moeders _sarong_, en ons nastaren, met groote, schuwe, verwonderde oogen.--Ook zijn er jonge meisjes, met glimmend zwarte _kondé's_[55], en wangen als goud, en oogen, die, als men er lang in keek, een dwaasheid zouden doen begaan.--En de mannen, zwijgend en gedwee, zwaaijen de bonte _topis's_[56], en groeten plegtig den met insigniën van gezag bekleeden heer; sommige zelfs, ouder gewoonte, zetten 't juk van bamboe af, dat knellend doorbuigt over den vereelten schouder, en hurken neêr langs den weg, gelijk hun vaders 't deden in de dagen van Pakoe Boewono, den »Spijker der wereld", of van den geduchten Toean Daendels, den »Mannetjes-man."
Zóó voert ons een smal wegje buiten den kring van hoog en laag geboomte, waarin 't dorpje verscholen ligt, als een vogelnestje tusschen de digte halmen van groengepluimde biezen.