Ontboezemingen

Chapter 8

Chapter 83,695 wordsPublic domain

Waarom klopt dan ons hart van een vreemde siddering, die we nooit kenden--? Is 't angst die ons vervult, bij 't aanschouwen van de woeste wateren--? Of, doet de Zuidewind ons rillen, als hij zijn somber lied ons voorzingt, in luide, klagende toonen--?

Neen--maar de Bootsman vertelt sprookjes.

We hebben even geluisterd; en 't was, alsof een stem ons in de ooren klonk, anders dan die van den ruwen zeeman, den grijzen, grofgespierden rob.----Zie, de matroos schaart zich óm hem; hij poogt te lagchen met 't geen de Nestor opdreunt--maar hij kan niet: een ongekend gevoel doet hem zwijgen. Hij, die spottend opklautert in den slingerenden mast, als de zeilen wegslaan uit de lijken; als één misstap in 't duister, één misgreep tusschen de natte, zweepende touwen, hem zal begraven, zonder afscheid, zonder groet, in de woelende zee----hij siddert bij de verhalen van den oude.

Ik was de man aan 't roer.--De nacht was guur en buijig; en de opperstuurman, die de hondewacht had, vloekte en bromde in zichzelf--: hij wist wel dat de reis slecht zou wezen. En ik wist 't ook: want 't schip lag aan bakboord over, en de Kaptein had op Vrijdag willen uitzeilen. 't Kon niet anders, of er moest ongeluk zijn op de reis.

De nacht was koud en stormig; de wind nam toe, en er dansten blaauwe lichtjes langs 't ijzer van ra's en stangen.

Opeens--zie ik iemand naast me staan, aan lijkant van 't roer; en ik voel, hoe 't rad me wordt omgedraaid in de vuist, dat we drie streken zuidwaarts loopen buiten den koers.--'k Zeg: »hé, stuurman, wat nou!" Want ik meende dat hij 't was.--Maar toen ik weêr keek, was de maat verdwenen, en de Stuurman zat rustig op 't kippenhok.--Toen schrok ik, en ik vroeg: »Stuurman, heb-je niets gezien?"--Maar hij zeî: »Piet, je droomt--hoû je zeilen vol!"--Zoo stond ik een poos, en dacht er over, hoe een mensch zich dingen kan inbeelden----toen ik weêr een ruk voel aan mijn roer--en weêr zie ik iemand, een zwarten kerel, dáár, naast me,--die Zuidelijk wendt.--De Stuurman ziet hem ook; hij schreeuwt: »wiedaar?"--Geen antwoord. Hij komt op hem af; maar de vent verdwijnt in 't duister.--Toen sloeg ons de schrik in de beenen: »Stuurman, droom ik nog?"--»Neen, Piet, ik ga den Kaptein roepen."--»Stuurman, blijf hier--'t is de booze--ik kan niet alleen zijn aan 't roer--straks komt 'ie weêr!"----En, God--daar was 'ie: voor de derde maal zag ik hem; hij wringt me 't rad uit de knuisten, en stuurt Zuidelijk, Zuidelijk, met bovenmenschlijke kracht.--Een vloek, een bezwering, een woeste greep----maar hij belacht ons, en laat ons alleen.

Toen heeft Stuurman de wacht geroepen, en den Kaptein uit kooi gehaald, en alle man op 't dek: want we waren verschrikt; en 't werd noodweêr, noodweêr! De wind nam toe, en immer dansten de blaauwe lichtjes langs 't ijzer van ra's en stangen.

Naauw stonden we zoo bij elkaâr, de Kaptein en al 't volk--of één schreeuwt er: »een schip, een schip!" En 't _was_ een schip, dat oprees, als een lichtende vlek, aan den zwarten horizon.--Hemel, hoe vreemd; 't is of de golven hem niet deren;--hij breekt ze, en snijdt in den wind op;--hij vliegt, als door geesten gedreven! Ziet, hoe hij flikkert met blaauwen weêrschijn!--Wat zonderling tuig, wat licht aan boord--een schip van vuur--wee, als _hij_ 't was!--Hij nadert----hoort hoe 't loeit en giert;--de storm verdubbelt;--ons vaartuig botst en stoot en stampt----»Ohee, óm je roer!"--Heer Jezus, hij loopt op ons in!--»Schip vóór, ohee----schip vóór--óm je roer--ohee----!"

Daar kraakt en dreunt 't in onze kiel; en een schok smijt ons overzij--een schok, als was de wereld gespleten!--Een stortzee ploft over ons, bruisend en donderend----en in 't huilen van den storm, verliest zich de doodskreet van twintig arme kameraden----

* * * * *

Zóó vertelt de oude Bootsman.

En als hij opstaat, om een pijpje aan te smakken--volgen hem allen naar de warme kombuis, waar een oorlam hen sterken zal tegen de malle sprookjes van den ongeluksvogel.

Ik echter, sta nog lang aan 't want geleund.--En 't is, alsof 't mij toefluistert uit de diepte, van wonderlijke avonturen, van schepen die gebleven zijn--men weet niet hoe of waar; alsof de wind mij legenden meêbrengt, van 't woeste Eiland der Bekommering--[13], en uit de verre streken van 't eeuwig ijs:--legenden, uit een wereld zoo koud en stormig: een spokende waterwereld.

* * * * *

De nacht is gevallen. 't Kleurenspel der ondergaande zon is uitgewischt van den hemel; en de bewogen spiegel der golven weêrkaatst 't bleeke licht van den Melkweggordel.

Plegtig rollen de hooge zeeën. Orion en 't Kruis flonkeren aan den wijden boog. Als geniën van den storm zweven de witte Albatrossen[14], de gieren van den Oceaan, de hongerige lijkbezorgers van den drenkeling.--En zie, vurige strepen schieten door 't water: ze volgen ons, en halen ons in van alle kanten!--'t Zijn Bruinvisschen, goede vrienden, die hun breeden rug ons leenen zullen, en ons dragen in den veiligen Pyraeus, als ons schip wegzinkt in de diepte[15]. Zij duiken op, paarsgewijze, en schijnen, met sierlijk luchtige sprongen, de beweging der golven na te bootsen;--wind voorspellen ze--nog meer wind![16]

Maar wij vreezen niet. Op God vertrouwen we, en op onze sterke kiel, en op ons gunstig gestarnte!

We zeilen om den Zuid--en onze bark zeilt goed!

43° OL. 46° ZB. Februarij, 1866.

[Footnote 11: 't Hier volgend sprookje van den Bootsman heb ik een Scheepskapitein voor _waar_ hooren vertellen, als zijnde een dergelijk voorval een vriends-vriend van een zijner kennissen overkomen, die met een zwaar gehavend schip te Port-Louis had moeten------binnenloopen--:

»_Im Lande der Chinezen Bin ich niemals gewesen, Doch hab' ich einmal Ein' gekannt_", etc.

Zóóveel is zeker, dat 't romantisch en somber karakter der wateren rond en bezuiden de Kaap wel geschikt is, den zeeman aanleiding te geven tot 't hechten aan velerlei bijgeloovige begrippen. Dáár is de matroos, dubbel voorzigtig; daar is 't einde der wereld: zuidelijk de onbekende poolzeeën, oostelijk en westelijk de beide groote oceanen, noordelijk de woeste Kaapkust, de ongastvrije zetel van den stormgod. Dáár is 't gebied van dat spook der spoken, 't schrikkelijkst dat ooit de menschelijke fantasie uitdacht: den Vliegenden Hollander. Alles spreekt dáár van dood en verderf: 't eeuwig rollen der hooge zeeën, de aanhoudende wind, de plotseling opstekende buijen, en 't eigenaardig fantastisch aanzien der wolkengroepen »om den Zuid", houden de verbeelding gaande, en geven aan 't geheel iets wilds en verschrikkelijks. 't Is of de demon dier wateren, door de Camoëns bezongen, nog altijd, als in de dagen van Vasco de Gama, zich verzet tegen 't omzeilen van den hoek, dien hij als uitpaal tusschen Oost en West schijnt gesteld te hebben.]

[Footnote 12: Golven van 30-40 voet hoog en van 300-400 voet lang, zijn, bij de heerschende N. W. en Z. W. winden, in 't zuidelijk gedeelte van den Indischen oceaan geen zeldzaamheid. Men zie de opgaven in de »Onderzoekingen met den zeethermometer enz. uitgegeven door 't Meteorologisch Instituut te Utrecht." Pag 92.]

[Footnote 13: Kerguelens-land, of, 't Eiland der Bekommering.]

[Footnote 14: De albatros is een vogel, die slechts in 't zuidelijk halfrond, en zelden benoorden den Steenboks-keerkring gevonden wordt. Th. Moore, in zijn »_Fire-worshippers_," verplaatst hem in de Persische golf; dit is een dwaling, even als zijn beweren, als zou 't dier al vliegend in de lucht slapen: de Albatros, gelijk alle van zwemvliezen voorziene vogels, slaapt op 't water.--Onder de vele exemplaren die ik zag vangen, was er één, die niet minder dan 18 voet vlugt mat.]

[Footnote 15: Dolfijnen en Bruinvisschen staan van ouds bekend, als den mensch zeer genegen. Zoo heet Arion, de zanger, door een dezer dieren gered te zijn. Zie: _Fables de la Fontaine, »le Singe et le Dauphin."_]

[Footnote 16: Geen vlugger, krachtiger visschen dan deze! Zij zwemmen gewoonlijk bij troepen van 20 à 30, doch immer paarsgewijze. Met ongelooflijke snelheid schieten ze door 't water, en springen, met gelijke tusschenpoozen, twee aan twee, hoog en sierlijk boven de golven uit. Ik zag ze, terwijl ons schip een elf-mijls vaart liep, in een oogwenk ons inhalen en vooruitloopen.--De rigting waaruit zij naderen, is, volgens de zeeluî, tegengesteld aan die van den komenden wind.]

EEN SCHEEPSTAFEL.

(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK.)

Triomf!--Storm, waar is uw prikkel--zee, waar zijn uw verschrikkingen!----We zijn Scylla en Charybdis te boven gekomen.--De woeste Kaapsche wateren hebben we ver achter ons gelaten; St. Paulus en Amsterdam vlogen we als in een nevel voorbij. Reeds is de Steenboks-keerkring gepasseerd; ten tweeden male--en nu voor goed--koestert en zengt ons een tropische zonnegloed; nog weinig honderd mijlen--en we zullen 't land bereikt hebben----'t vette land der belofte, 't onuitputbaar Gosen, waarheen onze wenschen ons vooruitvliegen, als die van Jason naar 't goudbelovend Colchis!

* * * * *

Wederom was 't morgen geweest, en middag geweest--de honderd-negen-en-veertigste dag.--Acht glazen--vier uur--zijn zoo even geslagen. We hebben dus, vóór 't eten, nog een uur den tijd.--De bitterglazen en domino-steenen zijn uit de kerk weggeruimd, om plaats te maken voor een tafellaken, dat niet kwalijk begint te gelijken op een schoolkaart van den Oost-Indischen archipel--: een groote bessesapvlek kan gevoegelijk Borneo voorstellen; terwijl een graskleurige streep daaronder--waarschijnlijk 't praecipitaat van een bordje snert--een niet onjuiste voorstelling geeft van Java's onverwelkbaar groene dreven.

't Is mooi weêr; en de bitteraars, die mét hun glaasjes zijn geamoveerd, klauteren naar boven, om hun liefelijk blozende oliekopjes een weinig aan den frisschen Passaat-wind af te koelen.--Ons schip loopt zes mijlen. Een prachtige namiddag-zon verguldt de vrolijk huppelende golfjes van 't azuren diep; scharen van wiegelende visschen schieten op vóór den boeg; de ligte zeezwaluw volgt fladderend ons pad, en scheert de glanzende luchtbellen in 't borrelend kielwater.

Doch al de wonderen dezer lagchende natuur zijn niet bij magte, onze reizigers doof te maken voor de stemme, die, roepend in hun binnenste als een wachter in den nacht, hen, onverbiddelijk waarschuwend, er aan herinnert: _dat 't etenstijd wordt_.--Hier hangt er een over de verschansing, of rekt zich uit aan een touw; dáár steekt men een sigaar op--maar 't rooken smaakt niet: want men heeft honger; ginds kijkt men op 't horloge van den stuurman----nog twintig minuten!--maar dat 's een eeuwigheid!--Eindelijk valt men, geeuwend en half flaauw, op een bank of vouwstoel neêr, om, in magtelooze gelatenheid, de bestemde ure af te wachten. Gedurende die periode van algemeene smachting kan men gesprekken van 't volgend karakter beluisteren:

Mevr. A. 't Is toch waarachtig geen manier van doen--dat late eten!

Mevr. B. Dat zeg ik, mensch--ik weet niet hoe 'k 't nog uithoû, op den duur!

Mevr. A. En als ze je dan nog maar een boterammetje gaven, zoo 's middags bij de koffie!

Mevr. B. Juist, dat waren wij altoos gewoon t' huis.

Mevr. A. Dat spreekt--in een burgerhuishouden----

* * * * *

Dús verwonderen die dames zich beiden, dat ze nog, bij zóó'n onmenschelijk dieet, 't leven hebben gehouden; en raken 't bovendien vrij wel ééns: dat blikjesvleesch toch niet halen kan bij een versche kalfslende; en dat er toch maar niets gaat boven een deftigen burgerpot.

Wij intusschen, Josua, Judocus en Gabriël, houden ons op een andere wijze bezig. We gaan voorop, om den Bootsman en 't volk wat in den weg te loopen; of--wat we liefst doen--we slepen den Doktor meê naar ons tusschendek, en zetten hem er even nog een paar brommen in: zoodat de rampzalige meestal te laat en met een besoesden kop aan tafel komt, als wanneer hij achterlijk blijft in zijn pligt van voorsnijden, en zich ziet blootgesteld aan de verwoede blikken van den Kapitein;--trouwens, waartoe dient dan ook de vertegenwoordiger der faculteit aan boord, indien 't niet is, om de gezondheid van de hem toevertrouwde leeken door genoegzame en tijdige voeding te helpen in stand houden--!

Daar luidt eindelijk de etensbel. Ieder staat op, en beweegt zich langzaam, uiterst langzaam--om zijn al te sterk verlangen niet te verraden--naar den welvoorzienen disch.

Welvoorzien--ja: want we hebben onzen dag bij uitstek goed gekozen. 't Is feest heden, dubbel feest: 't is Zondag, en de Majoor is jarig. Spek en pekelvleesch vullen slechts enkele schoteltjes;--de damp van wildbraad geurt ons tegen!--Van de soep maakt niemand veel werk, want elk is belust op de dingen die komen zullen. Naauwelijks is dan ook die kost naar binnen gewerkt, onder 't welbehaaglijk slobberen dat steeds aan 't genot er van schijnt te moeten verbonden zijn--of, ja--'t is geen zinsbegoocheling, geen _deceptio visus_--: de feestschotels vertoonen zich aan de kim--ze naderen--ze worden opgedragen!

Ziet die gans, gister nog snaterend in 't vol besef harer deftigheid, en in de zoete herinnering aan Brennus en 't gered Kapitool--ziet haar, hoe ze nu prijkt, ontdaan van dons en schachten, in al den glans van een bruingebraden opperhuid, in al de heerlijkheid van haar besausde ledematen!--Ze wordt ontleed; ze wordt den Kapitein aangeboden.--Eén boutje voor hem; één boutje voor de dame die naast hem zit.--Ze gaat verder; vier personen hebben den schotel laten passeren: vier boutjes zijn er van verdwenen.--Hoe jammer, dat zoo'n beest niet, als een Briareus onder de ganzen, tien pootjes en tien vlerkjes heeft--dan kregen we ieder wat!--Na nog eenige aanvallen te hebben doorstaan, komt ze bij ons--bij ons, jongeluî aan 't lagereind;--dáár is ze--hemel, we erkennen 't schepsel niet! Doktor, gij die ze gedecoupeerd hebt--we vragen u, wáár is de bruingebraden epidermis, wáár zijn de besausde vleeschheuvelkens? Spreek, beschonken zoon van Hippocrates--is dat een gans, een eetbaar gevogelte?--Een rif is 't, een naakt _memento mori_, dat, zonder twijfel, uitnemend geschikt mag wezen, om te dienen tot onderzoekingen betreffende 't beengestel van wijlen de occupante--doch geenszins, om een hongerige maag nieuwe stof tot vermaling te bieden!

Maar we protesteren--we wijzen 't scherminkel van de hand!--Mijn vriend Josua verheft zijn stem, spreekt van gelijke regten, en roept den hofmeester; Judocus slaat ook aan; zelfs Gabriël--de gelijkmoedige Gabriël, in bedeesdheid een tweede Joseph: »_schüchtern wie ein Lamm_"--waagt 't, een woordje op zijn pas meê in te brengen.

Nu--dat de eerste honger gestild is, begint de wijn rijkelijker te vloeijen; ook Doktor en Stuurman zien zich, van wege den jarigen Majoor, een extra bierglas ingeschonken. De supplementaire geregten zijn verslonden; door 't aanvoeren van enorme hoeveelheden »Jan in den zak" is men er in geslaagd, de kinderlijke kreten der jeugdige sinjo-tjes en nonna-tjes voor een oogenblik te versmoren. Straks wordt 't nageregt opgediend, en--onder 't orberen van muffe amandels en steenharde stoofappels, vangt 't gesprek aan eerst regt levendig te worden.

Wat er daar boven wordt afgehandeld--we weten 't niet; en slechts uit enkele, ter loops opgevangen, met keukenmaleisch doorspekte rededeelen, meenen we te mogen opmaken, dat sprekers zich ten doel stellen, de voortreffelijkheden der Indische keuken boven de Nederduitsche in een helder daglicht te plaatsen--welk een-en-ander hen niet belet, aan deze laatste de noodige eer te bewijzen.--Maar, aan 't benedeneind, achter den bezaansmast, wordt druk gebabbeld--en gelagchen. Laat ons hooren, of, 't geen de algemeene hilariteit zóó opwekt, ook in staat is, ons, zwartgalligen stoïcijntjes, een onwilligen glimlach van de lippen te persen. Bezweren we echter allereerst den toorn van hen, die zich aan een hoogst frivole en kinderachtige woordenwisseling zullen ergeren, door hun de verzekering te geven: dat we _citeren_.

* * * * *

Hr. Josua. Wel, Keetje, kind--wat kijk-je nijdig van daag!--scheelt er wat aan?

Nonna Keetje. Och, kijk naar jezelf! Wat zou er aan me schelen!

Hr. Josua. Nu nu--niet boos worden, hoor--anders raakt 't af met ons.

Hr. Judocus. Ja, en Jufvrouw Coba ook. Zeg, Jufvrouw Coba, hoe heb ik 't met U?

Nonna Coba. Och kom, laat me met rust!

Hr. Judocus. Cobaatje, denk er aan--: morgen moet je geslagt worden--je bent nu vet genoeg, en 't laatste biggetje is er geweest.

Nonna Coba. Wat maal-je toch--slagt jij jezelf!

Hr. Josua. (Presenteert haar een rotten appel.) Jufvrouw Coba, mag ik U dat zoo maar 'reis ter hand stellen--dat 's nu je galgenmaal.

(tot Keetje.) Hier, Keetje--vouw mijn servet 'reis op! (gooit haar 't servet naar 't hoofd.)

Nonna Keetje. (Smijt 't servet terug.) Ik dank je--doe jij 't zelf!

* * * * *

Deze laatste weigering geeft den Hr. Josua 't regt, om, bij wijze van _représailles_, der beide jonge dames een hagelbui van notedoppen, appelschillen en dergelijke om de ooren te smijten--alles tot groote verontwaardiging van Emile, den adjunkt-hofmeester, »die over al die _vuiligheid_ dagelijks den nek breekt." De Hr. Judocus--»o diepstgevallen Simia!"--trekt een schalksch gezigt, en volgt 't loffelijk voorbeeld.

Algemeen kruisvuur van beide kanten.

De Hr. Gabriël ergert zich, en--tot 't uiterste gebragt door 't schreeuwen van 't kind Josephientje--staat hij op, en verlaat met Aballinische schreden de zaal, »_l'oeïl morne et la tête baissée._"

Projektielen van allerlei karakter en afmetingen verduisteren de lucht.

Groot gelach en vreugdegejuich. Men hoort 't vloeken der hofmeesters, 't knappen van lucifers, en 't aansmakken van sigaren. De kajuit vult zich met wolken rook.

De verwarring wordt algemeen; de chaos hernieuwd; groote _mutatio rerum_. Te vergeefs roept de Kapitein allen tot de orde van den dag. Elkeen begrijpt dat de positie onhoudbaar wordt. Men begeeft zich joelend en stoeijend naar boven--_sauve qui peut_!

De Hr. Josua speelt voor clown, en vertoont guitestreken, die een Panurge zouden beschaamd laten. De Hr. Judocus windt zich op, tot galantzijn toe. De meisjes houden beiden voor den gek.

Gabriël, daarentegen, en nonna Flora, hun hoog dichterlijken aard getrouw, zetten zich op een rottingstoel, en slaan de oogen hemelwaarts, of laten ze aan den horizon dwalen--westelijk, noord-westelijk--waar Holland ligt. Zij zuchten, keeren zich af van de kinderlijke spelen hunner natuurgenooten, en, aller aardsche genoegens wars, verzinken beiden in een sympathetischen dodder, waaruit ze niet verrijzen, vóór de thee hen op nieuw tot hun sublunarisch bestaan terugroept.

Maart, 1866.

DE SLAMAT.

ONTBOEZEMING VAN EEN »AMBTENAAR TER BESCHIKKING",

OF,

EEN EPISODE UIT GABRIËL'S WAARACHTIGE LOTGEVALLEN IN DE BINNENLANDEN VAN JAVA.

I.

Triste exilé, sur la terre etrangère, Oh, que de fois, que de fois, j'ai soupiré!!!

»_La Reine de Chypre._"

Hoewel mijn bleeke gelaatskleur en ingevallen wangen genoegzaam mijn bewering staafden, dat mijn ongesteldheid me niet toeliet, den afstand van veertig paal[17], die mij van Boemi-aijoe, de plaats mijner bestemming, scheidde, te paard af te leggen--gaf echter de Resident van X... voor, mij geen wagen, ja, zelfs geen bruikbare kar te kunnen bezorgen. Maar, hij wist beter raad;--hij, Resident, zou me zijn eigen _tandoe_[18] leenen, van welken hij verzekerde, dat er onlangs nog een Inspekteur der Cultures meê gereisd had. Ik kon dan op die wijs van de hoofdplaats X... tot de _dessa_[19] M... vorderen, en, den volgenden dag, mijn togt door 't gebergte naar Boemi-aijoe voortzetten.

Mij bleef natuurlijk niet over, dan, met een profusie van dankbaarheidsbetuigingen, dit aanbod, als een ongewoon blijk van residentlijke welwillendheid, mij ten nutte te maken.

Tot afscheid kreeg ik Van Zijn-Hoog-Edel-Gestrenge een klammen vingerdruk en een genadig »goede reis, meneer Gabriël!"--Toen begaf ik mij terug naar 't logement, waar alras de bewuste _tandoe_, door een paar gegalonneerde oppassers gedragen, verscheen.

Groote goden!--ik had me wel geen kostelijken, met satijnen kussens belegden palankijn voorgesteld--maar zóó'n ding als die _tandoe_ was--zóó'n smerige bamboezen kooi, door spinnen en kakkerlakken en _tjitjaq's_[20] bevolkt, met een rot atappen dakje overhemeld, en gepikoeld door middel van een paar lange bamboe-staken----moest ik dáár in!--Gelukkig zat er, op dat oogenblik, niemand in de voorgallerij, en zou dus niemand mijn schande vernemen.

Uiterlijk dood bedaard, doch inwendig ziedend van verontwaardiging, verzocht ik den oppassers, 't ding achter op 't erf te zetten; ik gaf hun zelfs, met honingzoeten glimlach, twee kwartjes tot fooi, en herhaalde mijn »_trima kassih banjak sama Toean Rèsiden!_"[21]--Vervolgens liet ik _koeli's_ halen, en gelastte dezen, op minder vleijenden toon, den reisstoel zo spoedig mogelijk tot een paal ver buiten de stad te dragen, en dáár op mij te wachten: want 't sprak wel van zelf, dat ik den _tandoe_ niet als tot mijn gevolg behoorend wilde erkennen, vóór en aleer ik mij buiten den gezigtskring van de bespiedende blikken der Europesche bewoners van X... zou hebben verwijderd.--Had de Resident mij een »koopje" willen leveren?--Ik geloof 't niet: de man was er te magtig en te statig toe: veel te deftige kater was hij, om met een muisje als ik te willen spelen; maar, in zijn grootheid meende hij, dat zoo'n _mode of conveyance_, die _ik_ alleen passend oordeelde voor een zieken ambtenaar der vierde-[22], ook zeer gevoegelijk dienen kon ten profijte van een gezonden dito der tweede klasse.

Na verloop van een half uur onderstelde ik, dat mijn _koeli'_s den gewenschten afstand wel zouden achter den rug hebben. Ik betaalde mijn rekening--want ook op Java doet men dat in enkele gevallen--en ontsnapte door de achterdeur aan een nadere verklaring met de nu aan de ontbijttafel vereenigde logeergasten; echter bleef ik niet gespaard van de belangstellende onderzoekingen van een paar heeren, die waarschijnlijk den _tandoe_ gezien hadden, en mij, met heel onnoozele gezigten, vroegen, »waar mijn rijdpaard toch bleef, en of ik misschien naar Boemi-aijoe ging _kuijeren_--?"

* * * * *

Ik liep dan langzaam, met mijn degenstok gewapend, en door mijn Bataviaschen jongen gevolgd--die, N.B., wel zoo beleefd was, terwijl _ik_ wandelde, _zijn paard_ bij den teugel te leiden--den weg bergwaarts op.

De kom der weinige Europesche woningen had ik spoedig achter mij gelaten. Doch de _kampong_[23] van X... is groot, en strekt zich minstens twee paal ver zuidwaarts langs den straatweg uit; daarenboven was er dien dag juist groote _pasar_[24], zoodat, ook buiten de limieten van de _kampong_, nog immer de weg bezet bleef door een aaneengeschakelde reeks van _warong's_[25].

Daar zie ik, tusschen al 't gejoel en gescharrel, mijn _tandoe_ voortbewegen; de _koeli's_ die ik spoedig had ingehaald, geven teekenen van herkenning--doch ik stap doodleuk voort, alsof ik van geen _tandoe_ ter wereld afwist--: ik kon toch vóór de oogen van al die inlanders niet in dat ding kruipen: zóó mogt ik mijn prestige als landsdienaar toch niet weggooijen;--neen, ik was wel doodmoê, maar liever zou ik mij den adem uit 't lijf loopen, dan op zóó ongehoorde wijs den zilvergeranden pet te onteeren, dien ik, in mijn jeugdigen waan, voor de eerste maal op 't restje van mijn blonde lokken had gedrukt.--Maar nog altijd hield die gevloekte _pasar_ aan, en digt op elkaâr sluitende gaarkeukentjes getuigden van den eet- of snoeplust onzer Javaansche bevolking.