Ontboezemingen

Chapter 7

Chapter 73,671 wordsPublic domain

Nog merkwaardiger was 't, als ons gansche personeel zich in koor aansloot.--Onze oostersche zangers toch bleken een eigenaardig talent te bezitten, om, geheel _ad libitum_, tweede, derde en vierde, ja, vijfde en zesde stemmen te formeren: welke stout-harmonische vlugt dan gewoonlijk haar azimuth bereikte in 't daarstellen van een dissonant, wier oplossing zelfs 't vernuft der nieuwere theoretici had doen vertwijfelen.--Dit alles had plaats met zekeren plegtigen ernst, dien de strengste kapelmeester zich niet beter had kunnen wenschen. Men zit in statige rijen op 't dek; een veelbelovend stilzwijgen heerscht vooraf;--dan laat de uitverkoren soliste zich, den daartoe gebruikelijken tijd, bidden;--men stemt eindelijk toe, en, ofschoon men teregt beweert »niet te _kunnen_ zingen, en ook niets te _weten_", schraapt men zich de keel, en zet zich in postuur, alsof men 't »_Ah, Perfido!_" ging ten beste geven.--Zóó »raakt de pan aan 't glijën": »_Du, du_", en »_le vaillant Troubadour_", »_la Brigantine_", »_Lebe Wohl_", »Waar of mijn Dorus blijft"--alles met verrassende fiorituren, hoogst vrijzinnige modulatiën, en akkuraat invallende kooren, _tempo rubato_ en _senza tempo_.--Men zingt, couplet vóór, couplet ná; zelfs Julia, de oude baboe van Grogmeijer, moet haar »_nonna, nina_"[10] voordragen. De geestdrift stijgt ten top--och, 't klinkt zoo lief--vooral als er ongetrouwde jongeheeren meêstemmen!

»Want is het niet een hemel schier, Te zien, hoe dat een geestig dier, Met spel en zang haar man verkwikt, Als 't noodig huiswerk is beschikt!"

Och--'t klinkt zoo lief!--Men zingt en dreunt en doedelt--immer sentimenteler----tot eindelijk de Hr. Josua, die volstrekt niet muziekaal is, met zijn harmonica, of met den scheepsroeper optreedt, en ons muziekavondje met een algemeen kattenconcert doet eindigen--!

Januarij, 1866.

[Footnote 9: »_Lettre sur la critique du Barbier de Séville._"]

[Footnote 10: Met deze woorden begint een op Java zeer verspreid Maleisch wiegeliedje. De melodie, misschien ook hier te lande reeds overbekend, luidt als volgt:

[Note Project Gutenberg: music transcribed in Lilypond format] \layout { \context { \Score \remove "Bar_number_engraver" } indent = #0 line-width = #150 }

{ \override Stem #'direction = #up \clef treble \key g \major

b'4. a'8 g'4 [a'8 (b'8)] c''4. (b'8) a'4 r4 a'4 a'8.[ (a'16)] a'8[ (c''8)] b'8[ (a'8)] b'4. (a'8) g'4 r4

\break

b'4 b'8[ (c''8)] \override Stem #'direction = #down fis''4 d''8[ (e''8)] \override Stem #'direction = #up c''4. (b'8) a'4 r8 g'8 fis'8[ (d'8)] fis'8[ (g'8)] a'8[ (c''8)] b'8[ (a'8)] g'4 g'4 g'4 \bar "|." }

\version "2.7.39" % necessary for upgrading to future LilyPond versions. ]

KOMEDIE-SPELEN.

(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK.)

Geen ziekte aanstekelijker, dan die der maniën en monomaniën.--Konijnenfokkerij, tafeldans, en postzegel-collecties hebben, als zooveel epidemiën, in de groote maatschappij gewoed en uitgewoed. Aan boord van onze Arke--waar 't geslacht der konijnen niet vertegenwoordigd was, waar alle tafels zonder aanraking dansten, en waar ook geen brieven ontvangen werden--moest men zich, bij gebrek aan beter, met minder belangwekkende liefhebberijen tevreden stellen;--dáár had men eenmaal de dienst der Musen tot stokpaardje gekozen--welnu: in stap en in draf, in galop en in telgang, zou men dat beestje de tong uit den mond rijden.

* * * * *

't Draaiorgel en 't dansen begonnen te vervelen. Gabriël, vond men, had toch zoo geheel ongelijk niet, toen hij dien speech hield, waar niemand naar geluisterd had, doch waarin hij--zóóveel herinnerde men zich flaauwelijk--tegen bovengenoemde vermakelijkheden een motie van afkeuring had uitgebragt.--Doch hoe dan nu best de avonden zoek gemaakt?--Een congres werd bijeengeroepen, onder presidium van den Hr. Judocus, die, voorspoediger dan de Fransche keizer, zonder groote diplomatieke moeijelijkheden er in slaagde, de door hem genoodigde autoriteiten op zijn roepstem te doen toesnellen.--Over en weêr hoorde men toen de meest tegenstrijdige beginsels voorstaan. Hierin echter kwamen allen overeen: dat 't zóó niet blijven kon. 't Draaiorgel was zoo goed als versleten--dank zij de veelvuldige buitengewone obligaten door de heeren Josua en Hupman, die beide den slinger wisten te maniëren, met een vaardigheid, voorbeeldeloos zelfs onder lieden van 't vak, doch, zoo 't scheen, minder bestaanbaar met de soliditeit en duurzaamheid van 's instrumenten werktuigelijke zamenstelling;--daarenboven waren de meisjes voortdurend verkouden, onlekker en kribbig, ten gevolge van de al te subiete afkoeling, waartoe, na 't verhittend dansen, een rustplaats onder de zeilen haar gratis de gelegenheid bood.--Wat dan gedaan? Zou men een scheepscourant gaan redigeren?--neen, dat zou aanleiding geven tot hatelijkheid en oudwijfsche praatjes. Zou men weêr, als vroeger, een-of-ander allegaârtje maken?--onmogelijk: men had eenmaal van den nektar der schoone kunsten gedronken, en kon dus nooit weêr de pap van nietswaardige kinderspelen voor lief nemen.--Maar wacht--hoor ik niet des voorzitters stem, die triomfantelijk »Eureka" roept!--ja, _hij_ heeft 't gevonden:--_men zou komedie-spelen._ Lumineuse idee--met acclamatie aangenomen! Hoe zouden de heeren schitteren in de heldenrol, die hun zou passen als een handschoen; en wat schoone gelegenheid voor de nonna's, om de zijden balgewaden van uit doos en koffer op te duiken; en om, zonder compromittatie, tot Josua of Judocus te mogen zeggen: _Lysander_, of, _Lindor, gij zijt mij niet onverschillig,_ waarop dan Josua of Judocus met jeugdig vuur zouden antwoorden: _Araminta, of, Lodoïska, herhaal dat woord--zeg, o zeg, wilt gij de mijne zijn?_--De vraag bleef nu slechts, _wat_ men spelen zou: een blijspel, »de Neven"; of een tooneelspel, »Don Caesar de Bazan"; of een treurspel, »de dood van Rollo"----ja nu, wat zou men kiezen?--Ongelukkiglijk bleek 't, dat niemand, noch van gemelde stukken, noch van eenig ander tooneelwerk, libretto bezat, zoodat men extempore zou moeten spreken, wilde men niet dat 't gansche schoone plan in duigen zou vallen.--Te midden van deze bedroevende perplexiteit valt nonna Flora's blik op Gabriël, die ter kwader ure daar mede vergaderd was; _zij_ glimlacht--_hij_ bloost; doch beide begrijpen elkaâr's gedachten. Flora fluistert nonna Keetje iets in; men steekt de hoofden bij elkaâr en raadpleegt----ja, zóó zou 't wezen--de komedie was gered: hij, Gabriël, zou een blijspel schrijven--dat _kon_ hij, dat _moest_ hij----

»Nietwaar, meneer Gabriël, u zal dat wel voor ons doen, ja?" vleijt de zwartoogige Sirene.

»Maar, Juffrouw Flora, hoe komt u op 't idée--_ik_ vaudevillen schrijven--_ik_, de wandelende zwaarmoedigheid, blijspelen schrijven--!"

»Molière was ook erg zwaarmoedig meen ik----"

»Maar, Juffrouw Flora--nu hoe langer hoe doller!--Molière----"

»Tut, tut, meneer Gabriël", roept een koor van stemmen--»geen woord meer!"

»Een profeet is opgestaan in Israël!" brullen Josua en Judocus om strijd--»Groot, groot is de Gabriël der Rotterdammenaren!"

Zóó broeder Willibald, hebben ze mij gelijmd, en me aan 't zamenflansen gezet van een komedie, waarvoor ik onderwerp, intrigue, karakters--alles uit de lucht moest grijpen. Ook weêr een gevolg van mijn journaal-schrijverij: men had mij dikwijls groote brokken papier zien volkrabben--en hield me nu voor een litterator; misschien ook had Judocus geklapt van eenige mislukte proeven uit onzen studententijd--hoe 't zij, mijn éénoogig talent gold mij in 't land der blinden de eer, tot koning te worden uitgeroepen.

Ik bespaar u een wijdloopig verhaal van de wijze, waarop mijn produkt in 't leven trad, en, na tal van repetitiën, werd opgevoerd. De grootste moeijelijkheid vond ik in 't scheppen der rollen, zoodanig, dat elk mijner schoone actrices een _hoofdrol_ mogt spelen; zeker is 't, dat de jalousie onzer vrouwelijke sujetten den regisseur Judocus en mij in een net van kleine kabalen wikkelde, waaruit zelfs de geest van een Schikaneder zich bezwaarlijk zonder kleêrscheuren had kunnen bevrijden.--Na een week tobbens gelukte 't mij, met een soort blijspel voor den dag te komen, dat, onder den titel van »de Getergde Lankmoedigheid, of, 't Sop is de Kool niet waard", tot handeling stelde: hoe twee vrienden, waarvan de één vermomd, die aan de dochter en nicht van een ouden _bonhomme_ 't hof maken, dienzelfden vader en voogd, door hun pedante krakeelingen, in de uiterste verlegenheid brengen; terwijl ten slotte blijkt, dat alles met een goed, edel en grootmoedig doel geschied is, en de ééne vrijer den ander slechts tot woede heeft getergd, om diens nobel karakter te doen schitteren; al 't welk eindigt met de bekeering van een coquet meisje, de ontbolstering van een ruwen diamant, zelfopoffering, herkenning, wederzien, vergiffenis, twee huwelijken, oudervreugd en kinderblijdschap--tot groote stichting der aanschouwers, enz. enz.--zie Kotzebue en Birch Pfeiffer.--De doktor speelde voor _pater familias_; Josua en Judocus--welke laatste bewees beter acteur dan danser te zijn--figureerden als vrijers; nonna Flora nam edelmoediglijk de rol van oude dienstmaagd op zich; de dames Coba en Keetje eindelijk stelden de beide vrijsters voor.

Er werd dien avond veel rhijnwijn gedronken, en--wat mij genoegen deed--ook hartelijk gelagchen--misschien meer om de acteurs dan om 't stukje. De gezamenlijke uitvoerders genoten de eer der terugroeping; ook Gabriël moest ten tooneele verschijnen----kortom, daar heerschte groote blijdschap onder allen, die daar verzameld waren.

* * * * *

En de kritiek--wat zeî de kritiek er van?

Eilieve, lezer--zij sprak op hoogen toon, gelijk zulks haar gewoonte is, te land en ter zee.--Mevrouw Tripvoet laakte de moraliteit van mijn handeling; de Hr. Hupman klaagde over gemis aan strekking; Lepidus vond de intrigue te eenvoudig--en--en toen kwam nonna Flora, en bragt hen alle tot zwijgen, daar zij niet alleen betoogde, hoe de verhevenste strekking van een blijspel hierin ligt, dat 't 'reis lustig de lachspieren ontspant--maar zelfs, tot staving dier waarheid, passages uit Shakspeare en Beaumarchais citeerde!

* * * * *

Alweêr nonna Flora--en altijd nonna Flora!--Maar wie hoorde ook ooit zóó'n geletterde nonna! Ik bid u, goden en menschen--_kon_ ik in gemoede anders, dan op zóó'n zoete nonna verlieven--?

Maart, 1866.

EEN DROOM.

Mijne vrienden! men zal ons allen begraven.

HILDEBRAND.

Ik heb in den laatsten tijd te veel gelagchen; en, als humoristisch-sentimenteel verteller--d. w. z.: als kwakzalver onder de schrijvers--voegt 't mij toch, bij beurten ook 'reis een traan weg te pinken--: ligt hield men mij anders voor zoo'n humorist _pur-sang_--en daarvoor----de Hemel behoede mij en de mijnen!

* * * * *

Waren soms de avonden aan boord gekunsteld vrolijk--droef en somber volgden de nachten: als droomen mij kwelden--droomen van huis!

Eens op een nacht droomde ik weêr: en zóó een zonderlingen, zóó een wijsgeerig bespiegelenden droom droomde ik--dat ik dien te boek stelde--in de hoop, daardoor den meest sentimentelen lezer te bevredigen.

* * * * *

--_Adagio patetico._

Ik droomde dan---- ----en zie--ik droomde, dat ik dood was.

Mij dacht, 't sterven was niet pijnlijk geweest: ik was 's avonds vergenoegd naar kooi gegaan, en--toen ik 's nachts meende wakker te worden, om me eens van de linker- op de regterzijde te wenden--bemerkte ik, tot mijne verbazing, doch zonder leedwezen--dat ik dood was. Ik vond 't zonderling, wel ietwat onverwacht ook: de menschen zouden 't een treffend sterfgeval noemen; maar onaangenaam vond ik 't niet. 't Was een gewaarwording--die ik trouwens niet beschrijven zal, omdat ik elkeen in dezen den tijd wil laten voor zichzelf te oordeelen--: een gewaarwording, tusschen waken en dommelen, tusschen zijn en niet zijn--kortom, zooals ik me altijd had voorgesteld dat de dood wezen moest.

Terwijl ik nu peinsde en nadacht over 't geen ze wel met mij doen zouden, en wat er toch van mij worden mogt--want, hoe vreemd 't klinke, ik zag en hoorde en gevoelde alles inwendig nog duidelijker dan toen ik leefde--terwijl ik zoo peinsde en nadacht----verscheen op eens de Engel der Verschrikking aan mijn voeteneind. 't Was werkelijk een Engel: geen rammelend beenderspook met zeis en zandmeter--doch een vriendelijk, hoewel streng uitziend man, met lange witte haren, een zwarte toga, en groote vlerken: iemand, die zichzelf zeker niet herkennen zou uit de afbeeldsels, welke ik, bij mijn leven, wel van hem meende gezien te hebben.

En de Engel des Doods sprak mij aan, zeggend: »Kind, gij zijt in den vreemde gestorven; geen ouders of vrienden kunnen voor uw begrafenis zorg dragen: zoo maak gebruik van 't voorregt dat ik allen zwervelingen schenk: kies u de plaats, waar gij wilt, dat ik u ter aarde bestelle, opdat gij, die bij uw leven geen rust vondt, nu ten minste uw hoofd in vrede neêr moogt leggen."

»Goede geest", antwoordde ik, »gij hebt mij weggerukt in den bloei mijner jaren; smart hebt ge mij niet aangedaan,--en ik ben er u dankbaar voor; ook was mij 't leren niet zóó zoet, dan dat ik u verwijten zou 't mij te hebben ontnomen;--maar toch had ik gaarne, na volbragte loopbaan, mijn vaderland en vrienden weêrgezien. Nu ge mij echter die vreugd niet hebt gegund--eilieve, wat raakt 't mij, wáár ge mijn ligchaam bergt! Neem mij, als 't u goeddunkt, en plof mij in de zee!"

* * * * *

En de Engel tilde mij op, en dekte mij met een Hollandsche driekleur tot doodswâ, en rolde mij in een lap zeildoek, en bond mij een zwaren kogel aan de voeten;--'t was geen werk voor een Engel, zal men zeggen--doch, lezer, herinner u, dat ik u den Man beschreef als een vriendelijk man, en volstrekt geen bullebak. Daarna greep hij mij in de armen, verhief zich hoog in de lucht, en deed mij, als wijlen; Daniël O'Rourke, in zee plompen.

Ik gierde naar omlaag, als een pijl uit den boog: als een bruinvisch schoot ik door de bovenste lichtblaauwe waterlaag; haaijen zwommen mij na, en kantelden zich, en openden hun wijde muilen om mij te verslinden;--doch zóó zwaar was de kogel aan mijn voeten, en zóó snel trok hij me omlaag, dat geen der vratige monsters mij in mijn vaart kon bereiken;--dat deed mij trouwens genoegen; want ik had bij mijn leven wel gezien, hoe ze den armen matroos, wiens kogel niet zóó wigtig was geweest als de mijne, in stukken hadden gescheurd, vóór de man een vaâm diep gezonken was.--Trapsgewijze begon ik minder snel te dalen: reeds veel honderd vademen had ik afgelegd in de diepte. Ook werd de kleur van 't water immer donkerder; vreemde visschen schoten mij voorbij: visschen en monsters, waarvan Buffon noch Bleeker gewagen: visschen en monsters, zooals Schiller's _Taucher_ ze in 's aardrijks kolken ontmoette. En ik zonk zachter en zachter, en 't waterig uitspansel óm mij hulde zich meer en meer in schemerduister; zachter en zachter daalde ik----tot ik eindelijk niet meer daalde: de digtheid van 't water was in evenwigt met die van mijn lijk en mijn kogel----merkwaardig! zelfs ná mijn dood mijn physica nog zóó in 't hoofd te hebben gehouden--!--Intusschen zweefde ik daar--regt op-en-neêr, als een Cartesiaansch duikertje in een zuurflesch: boven mij 't donkerblaauw watergewelf, onder mij de zwarte afgrond, rondom mij een duistere eenzaamheid--want geen visch, geen monster bewoog zich in dit Lethe--hier scheen 't rijk der levenden ten einde--hier heerschte de vergetelheid der Benedenwereld.

Hoelang ik zoo gezweefd heb in mijn droom, weet ik niet--: gezweefd tusschen twee zeeën: duizende vademen van de oppervlakte, duizende vademen van den bodem. Zóóveel weet ik--dat ik niet rusten kon in mijn waterig graf: ik wentelde mij om-en-om, ik sloot de oogen--maar rusten kon ik niet: immer staarde ik vóór mij heen in 't vochtig uitspansel rondom mij----maar rusten--neen, rusten kon ik niet.

En de Engel des Doods, zijn woord gedachtig, ontfermde zich over mij.--Eensklaps--juist toen ik begon te bespeuren, dat mijn stoffelijk overblijfsel fraai aan 't verkalken was onder de werking van millioenen onzigtbare schelpdiertjes: want zelfs in deze regionen des doods bleek de levende natuur te arbeiden--eensklaps voelde ik mij opgeheven uit 't water, en bevond mij wederom in de armen van den gevleugelden Genius.

»Mijn zoon," sprak hij, »ik heb uw billijke klagte vernomen. Rust heb ik u beloofd, en rust zal ik u schenken: zoo wijs mij een ander oord, waar gij meent die te zullen vinden."

En ik riep tot hem: »O Geest, begraaf mij wáár 't u lust--doch niet weer in een killen afgrond als deze: laat mijn stof in de aarde rusten; delf mij een bed in 't warme zand van de Sahara!"

Toen geschiedde mij naar mijn wensch. Nog vóór 't zilte vocht mij uit de kleêren was gedroogd, vond ik mij huiselijk toegedekt onder een sprei, zóó warm en zacht, als iemand, die zooeven van den bodem des Oceaans was opgevischt, slechts verlangen kon.

Hier, dacht ik, zou ik slapen--hier zou ik een doô met eere zijn.

Maar, naauw had ik mij neêrgevlijd in de gemakkelijkst mogelijke houding--of---- ----ai mij--wat wroet er den grond boven mij weg--wat knaagt er aan mijn gebeente--wat wringt mij den schedel van den romp--wat pikt mij de starre oogen uit 't hoofd!--: 't zijn hyenas, en Gouls, en zwarte gieren! Wee--wat gehuil, wat gegrijns, wat gekras! Wat doe ik, arme doode, weerloos lijk--wat doe ik, tegen zóó'n overmagt van ongedierte!------Doch stil--'k hoor een loeijen in de verte--'t verscheurend vee heft de koppen op, en laat af van mijn verminkte beenderen--zij vlugten, onder akelig geschreeuw, onder helsche kreten van teleurstelling en spijt!--: hoor--'t is de Simoun die opzet, die nadert, die hen verjaagt, die de zandzee doet golven, die gloeijende stofkolommen opheft tot de wolken, en die, stormend over mijn graf, mijn opgewroete knoken zachtkens overdekt met 't vale doodskleed van den Bedouin. De pestwind, die honderden pelgrims 't leven benam, had mijn geraamte voor schennis en oneer beveiligd.

En ik dankte den Simoun, omdat hij de lijkenroovers verdreef, en mij zoo liefderijk een laatste eer bewees.--En nogmaals strekte ik de stramme leden uit, en drukte mij 't bekkeneel op de schouders, en sloot de oogen, en--------------------maar of ik de oogen sloot, en mij keerde van zîj op zîj----rusten kon ik niet: immer hoorde ik hyenas brullen, en Gouls tandeknarsen, en gieren den snavel spitsen----en rusten--neen, rusten kon ik niet.

* * * * *

Alsdan verscheen mij ten derden male de Engel des Doods.--»Rust heb ik u beloofd, en rust zal ik u schenken", herhaalde hij: »zoo zoek u ten derde malen een groeve uit."

En ik antwoordde: »O groote Genius, even goed als groot, gij, dien de menschen afschilderen als een gluipenden moordenaar--vergeef mij, zoo ik van uw welwillendheid misbruik make. Edoch, ik bid u--zoo gij werkelijk hen liefhebt die ge tot u naamt--ik bezweer u--brengt mijn gebeente over in 't land mijner kindschheid, waar ik speelde en zong met broeder en zuster--met zuster en broeder, en vader en moeder--die nu ook allen reeds dood moeten zijn, gelijk ik. Delf mij dáár een graf: een stil graf, onder sombere dennen: naast 't kerkje, waar moeder mij ten doop hield, als de orgeltoon vrolijk galmde ter mijner eer. Laat mij dáár rusten, en slapen aan moeders zijde!--De wormen zullen er mij verteren;--doch 't zullen de wormen zijn van mijn geboortegrond; de wormen, of de kinderen der wormen, die zich gemest hebben aan 't vleesch van mijn vrienden en magen.--En éénmaal, wanneer alles vervuld zal wezen, en alles geleden--als de bazuin zal klinken, met magtige stemme, met hemelsche muziek--klinken, tot aan 't diepste diep der Poolzee, tot aan den uitersten uithoek der Sahara----dan zal ik ontwaken, _zamen_ met hen die ik heb liefgehad--en _zamen_, als we geleefd hebben--_zamen_, als we begraven zijn--zullen we opstaan, en ingaan tot 't eeuwig licht----!----O, goede Genius, laat mij dáár rusten--laat mij dáár eindelijk rusten!

* * * * *

Zóó sprak ik.--En de Engel des Doods verhoorde mijn bede; en begroef mij onder de eigen zerk, waar vader en moeder, en broer en zuster sliepen.

En ook ik rustte er en sliep er----ik sliep er en ik rustte er---- -----tot ik---- ----'s morgens wakker werd, en, half verheugd, half spijtig, begrijpen moest--dat 't alles slechts een droom was geweest.

* * * * *

_Mijne vrienden! men zal ons allen begraven._

* * * * *

Doch is 't u onverschillig, hoe en wáár?

Zegt niet _ja_: want met dat _ja_ zoudt ge iets laakbaars zeggen.--Hildebrand heeft 't vóór mij betoogd; en ware 't niet, dat ik zoo'n opmerkelijken droom gedroomd had--ik zou 't niet wagen, _zijn_ taal hem ná te stamelen.

Gij noemt uw ligchaam stof--en ge hebt regt. Maar, is dat stof niet 't geen ge boven alles liefhebt, zoolang ge rondwandelt op aarde?--Een moeder is u dierbaar; is 't slechts haar geest--of, telt gij ook 't stof, dat 't uwe gebaard en gezoogd en gekoesterd en beschermd heeft? Gij bemint een jonge vrouw; prijst ge in haar niet, meer dan al 't overige, 't schoone stof, dat uw oog en zinnen boeit? Gij schat een vriend hoog; is u de stoffelijke hand onverschillig, die zoo vaak de uwe in zaâmgedeelde vreugd en droefheid drukte?--En zult ge dan uw eigen omhulsel, waarin gij genoten en geleden hebt, waarvoor gij zwoegdet en tobdet, ván u werpen, als een afgedragen opperkleed!--: zelfs een ouden jas smijt men ongaarne op een mesthoop!

Waartoe dan dat cynisme! Waarom ook niet den dood, dien eindpaal van ons streven, een weinig geidealiseerd! Waartoe ons der stoffelijkheid geschaamd!--God schiep ons ligchaam; Hij schiep 't goed en krachtig en schoon:--mijne vrienden--laat ons dan ook in 't ligchaam Gods werk _blijven_ eerbiedigen!

Januarij, 1866.

OM DEN ZUID[11].

O Meer! Mutter der Schönheit.--

HEINE.

Om den Zuid zeilen we--en onze bark zeilt goed!

Als een wiek neigt ze zich naar den magtigen adem; vlug, als de vrolijke dolfijn, schiet ze op en af de toppen der golven; met zachten, snellen gang glijdt ze voort; ze lacht met de rollende waterheuvels, en kroont de berghooge[12] baar, die dreigde haar te overstelpen.

De zon neigt onder; en aan de westelijke kim, waar ze haar stralen voortschiet, als lichtbundels van achter den gulden rand der donkere stratus--tintelen de verre golftoppen van schitterend groenen goudglans.--En zonderbare wolkengroepen rijzen op, voortgedragen door den wind die van de Pool blaast: koppen van reuzen die elkaâr vervolgen, monsters en draken die heenspoeden naar 't gebergte Kaf. Zij wisselen van gedaante, en pakken zich zaâm tot magtige gevaarten, of spreiden zich tot fijne vederstrepen, of wollige schaapjes.--Nog even vertoont zich de vurige zonneschijf boven den horizon, en overgiet de schuimende wateren met den laatsten hellen purperglans des daags. Dan, als ze is weggedoken, kleurt ze nog met duizend tinten 't jagende, stormende wolkenheir.--Hoe vormen zich bogen en gouden poorten; heuvelen doemen op en boomgroepen, gestalten van lusthoven en kasteelen----als met geesteneilanden bevolkt zich de horizon! Wat wisseling van kleuren: hoe smelten blaauw en groen en geel te zamen, tot oranje en purper en bloedrooden gloed!--Zachtkens doet de schemering de vurige groepen verbleeken;--nog slechts stervend teekenen zich de rozige tooverbeelden, zich oplossend in 't nachtelijk graauw;--een donker, bloedkleurig waas zweeft als een sluijer over den oceaan, en dekt als een rouwfloers de ongetemde, hoogslaande zeeën, die opschieten, half nog glorend in den schijn van 't bleekend avondrood, half reeds lichtend met den electrischen glans van haar spattend schuim.

We zeilen om den Zuid--en onze bark zeilt goed!