Ontboezemingen

Chapter 6

Chapter 63,491 wordsPublic domain

De afgebeden wind, de krachtige Zuid-Oost-Passaat, was eindelijk doorgebroken.--Een paar dagen lang blies hij frisch in de zeilen; en toen we kaap Roque in 't oog kregen, en zachtkens voortgleden langs 't ruige kustgebergte van Brazilië--toen was 't heerlijk, goddelijk aan boord: de dagen glanzend, en liefelijk de nachten, als zouden de hemellichten voor 't eerst hun loflied zingen.--Doch, reeds ter hoogte van Pernambuco begon de Passaat flaauwer en flaauwer te waaien. Te vergeefs werd er gefloten en aan den bezaansmast gekrabt; St. Antonius luisterde naar geen rede. De zeilen hingen slap, als vlaggen op Koningsverjaardag; de zee lag plat, en glimmerde luiweg in de zon, als 't groote kwikbad van Professor Mulder.--Dan was, na den gloeijenden dag, de avond een tijd van feestelijk genot. Men vlijde zich onder den fonkelenden hemelboog, en, hijgend van wellust, zwelgde men 't suizend koeltje in, waarmeê de jonge nacht de zeilen rondt--blank en vol als maagdeboezems. Ons bloed stroomde weêr; nieuwe levenskracht verruimde de afgematte borst; als met frisschen balsemgeur vulden zich gretig de longen.--En de maan dook vrolijk op van uit den plas, lagchend en tintelend, verliefder dan ooit--als wist ze 't, dat we haar _nu_ dubbel welkom heetten--zij, »--die flonkert--en zwijgt!"

Zoo schonk ons de milde natuur een nacht van rust en koelte na den langen benaauwden dag; aan haar lag 't niet: zij heelde waar ze geslagen had. Doch--hoe zou 't anders kunnen--de mensch, de domme, eigenzinnige mensch, lette niet op haar wenken, verwaarloosde haar beste gaven--en volgde zijn eigen verkeerden zin.--In plaats dat men zou genieten van 't goede dat de avond bragt: in plaats dat men zou rusten, en toeven, en adem scheppen--wat deed men?--: men stelde alle pogingen in 't werk, om, door malle potsen en kromme sprongen, 't pas gestelpte zweet op nieuw in stroomen te doen uitbreken--: men offerde op de altaren van Euterpe en Terpsichore--doch, helaas, zoo vunzigen wierook, dat de schepsels 't wel moeten uitgeschreeuwd hebben van razende hoofdpijn.

Reeds meermalen, als onze reizigers over verveling klaagden--'t geen niet zelden plaats had--was door den Kapitein gewaagd van zeker draaiorgel, dat zich aan boord zou bevinden, en bij welks maatgeluid op schoone zomeravonden zou kunnen gedanst worden. Indrukwekkende konde: zoetklinkend in de ooren van velen; een mare van angst en schrik op 't klassiek-ontwikkeld trommelvlies van den fijnmuziekalen Gabriël.

Lang had ik gehoopt, dat 't orgel in 't diepst van ons scheepshol, en 't dansen mét 't orgel zou vergeten blijven----toen, ik op zekeren avond--naauw was de zon, omstuwd door rozeroode wolkjes, den grijzen Meergod in de armen gezonken--uit mijn overpeinzingen gewekt werd, door een piepend, schreeuwend, knarsend geluid: een geluid, waarvan de toonen, zuchtend en stootend, de melodie van een Duitschen polka heetten aan te geven.--Ik luister--ik geloof mijn ooren niet! Ik zie op--ik geloof mijn oogen niet: want, bij St. Vitus, dáár, achter me, vlak achter me, alsof ze 't er om gedaan hadden, daar staat 't draaiorgel--en naast me, om me heen, zie ik paren van mannen en vrouwen, als draaijende poppen hokkend en sjokkend op 't afschuwlijk, maatloos gesnater!--Men maakte muziek en men danste!

Mijn vriend Judocus, die, ondanks de stijfheid zijner ledematen, in de hedendaagsche trippelkunst een matador bleek te zijn, wierp zich op als _maître de ballet_, en maakte zich alras beminnelijk door 't organiseren van eenige quadrilles, mazurka's en andere spring-combinatiën, die alle tot groot genoegen van executanten werden afgestoken. 't Animo nam dagelijks toe: elken avond liet Papageno zijn klokjes hooren; 't onderscheid tusschen rang en stand verdween: men zag passagiers, kapitein en stuurluî in gonzende mengeling en dwarrelende eendragt een galop of pas-de-trois uitvoeren--'t was jammerlijk, 't was menschonteerend!--Ziet ze huppelen, hoort ze jodelen!--Nog liever zag ik 't St. Elmus-vuur huppelen over de ra's, en hoorde den storm jodelen door de touwen!

* * * * *

Ondanks mijn kwalijk verbergen ergernis, had ik reeds verscheiden avonden een dergelijke dans- en zanglustige voorstelling moeten bijwonen.--Ten laatste echter, toen dit amusement tot een ware manie klom, besloot ik, aan mijn verontwaardiging lucht te geven, en, in een gemoedelijken speech, tegen de door mij verafschuwde Baälsdienst der populaire kunst te velde te trekken. Ik beklom, na mij met eenige glazen Rhijnwijn te hebben gesterkt, een watervat, en, als een jeugdige Pickwick, de linkerhand onder de slippen van mijn jasje verbergend en met de regter-bevalliglijk gesticulerend--hield ik--natuurlijk uit naam der beide diep beleedigde zanggodinnen--de volgende redevoering.

* * * * *

Mijne vrienden, riep ik--wanneer ik u zoo zie dansen en springen, zoo hoor jolen en zingen, voel ik mijn smaak voor 't goede en schoone op 't pijnlijkst aangedaan en gekrenkt. Niet, dat ik u een onschuldige uitspanning misgun, of met den adderblik van een Calvinist op uw Arcadische spelen nêerzie----Sinte Laetitia behoede mij: ik aanbid de vreugd: ik heb genoeg geleden, om te weten hoe zalig 't is, _eens blij te zijn_. Edoch, ik herhaal 't, mijn schoonheidsgevoel is zóó kiesch--vooral waar 't op een verdedigen van de onschendbare bekoorlijkheden der negen gezusters aankomt--dat ik niet kan nalaten, uw blij genot voor een oogenblik te verstoren, om u te doen opmerken, hoe verschrikkelijk leelijk gijlieden doet--gij, mitsgaders de overgroote meerderheid uwer diletterende medemenschen--, ik herzegge: hoe verschrikkelijk leelijk gijlieden doet, en hoe ergerlijk ge uw waardigheid als gezeten burgers versmijt, wanneer ge daar zoo, gelijk ge 't noemen durft, _danst_ en _zingt_.

Ikzelf, die tot u spreek, houd veel van dansen--maar, mijne vrienden: van dansen, als kunst, waarbij de mensch, bezield en opgewonden door een geestige muziek, met edele gebaren en bevallige bewegingen tracht uit te drukken wat hij gevoelt. »_Tracer des chiffres d'amour_", noemden 't de _Précieuses_--en de uitdrukking is wél gekozen: men zie slechts door goede dansers een goed ballet opvoeren!--Om beter te bewijzen, hoe ik 't dansen als kunst hoogschat, en om weêr te geven, hoe ik wenschte 't toegepast te zien, haal ik hier de woorden van Beaumarchais aan, die ik, o vrienden, ter uwer aller leering, expresselijk voor deze gelegenheid heb van buiten geleerd:

»_Il est un autre art d'imitation, en général beaucoup moins avancé que la musique, mais qui semble en ce point lui servir de leçon. Pour la variété seulement, la danse élevée est déjà le modèle du chant._

_Voyez le superbe Vestris ou le fier d'Auberval engager un pas de caractère. Il ne danse pas encore, mais d'aussi loin qu'il paraît, son port libre et dégagé fait déjà lever la tête aux spectateurs. Il inspire autant de fierté qu'il promet de plaisir. Il est parti.--Pendant que le musicien redit vingt fois ses phrases et monotone ses mouvements, le danseur varie les siens à l'infini._

_Le voyez-vous s'avancer légèrement à petits bonds, reculer à grands pas, et faire oublier le comble de l'art par la plus ingénieuse négligence? Tantôt sur un pied, gardant le plus savant équilibre, et suspendu sans mouvement pendant plusieurs mesures, il étonne, il surprend par l'immobilité de son aplomb.--Et soudain, comme s'il regrettait le temps du repos, il part comme un trait, vole au fond du théâtre, et revient, en pirouettant, avec une rapidité que l'oeil peut suivre à peine._

_L'air a beau recommencer, rigaudonner, se répéter, se radoter--il ne se répète point, lui! Tout en déployant les mâles beautés d'un corps souple et puissant, il peint les mouvements violents dont son âme est agitée: il vous lance un regard passionné que ses bras mollement ouverts rendent plus expressif: et, comme s'il se lassait bientôt de vous plaire, il se relève avec dédain, se dérobe à l'oeil qui le suit, et la passion la plus fougueuse semble alors naître et sortir de la plus douce ivresse. Impétueux, turbulent, il exprime une colère si bouillante et si vraie, qu'il m'arrache à mon siége et me fait froncer le sourcil. Mais, reprenant soudain le geste et l'accent d'une volupté paisible, il erre nonchalamment avec une grâce, une mollesse et des mouvements si délicats, qu'il enlève autant de suffrages qu'il a de regards attachés sur sa danse enchanteresse._"[9]

Beaumarchais spreekt hier van »_le superbe Vestris ou le fier d'Auberval_." Ik, Gabriël, als ik me een Mozartsch menuet en trio voor den geest haal, zie de Sylphen huppelen, en de Nixen haar zwevende rijen vormen.--Geen van die allen nu treft men in een gewoon gezelschap, evenmin als men ze aan boord van een Oost-Indie-vaarder moet zoeken. Men kan dan ook niet vorderen, dat burgermenschen zich op de maat zullen voortbewegen met de vlugheid en gratie van artisten of mythologische wezens.--Doch wél kan men eischen--aangezien niemand tot beoefening van den dans, of van welke kunst ook, wordt gedwongen--dat een iegelijk, die zich vrijwillig er op toelegt, zooveel zijn aanleg en vermogens 't toelaten, trachten zal, iets schoons, ten minste iets aangenaams voort te brengen.--Dit is ook zoo ontzettend moeijelijk niet: een losse beweging van de armen, een gracieuse wending van 't bovenlijf, een goed op de maat sluitende pas, vormen reeds een aangenaam geheel, zonder dat men als een priktol behoeft rond te draaijen, of, met een snelheid van tien knoopen, een zaal behoeft dóór te stuiven. 't Is waar, bij _zulk_ dansen is een weinig oor onmisbaar: een oor, zooal niet voor muziek, dan toch voor maat; 't is niet voldoende, van een drie-kwarts tempo den neêrslag te kunnen meêtrappen--men moet ook, buiten _'t zware_ tijddeel, 't _ligte_ kunnen voelen, en eenig begrip hebben van de gewone basbegeleiding, die men, in al haar nuanceringen, met den voet als 't ware behoort aan te geven; doch juist daardoor alléén wordt 't mogelijk een dans te scheppen, die niet geheel op gelijke hoogte staat met de uitvoeringen der broederschap van Atta Troll. _Zóó kan_ 't dansen een kunst wezen, die fantasie en hartstogt uitdrukt, »_un art d'imitation_"--een kunst, die een Haydn en Mozart, ja, een deftige Bach en Haendel, niet geschroomd hebben, door hun onsterfelijke scheppingen aan te moedigen en te idealiseren.

En wat, mijne vrienden, wat hebt gijlieden van die kunst gemaakt?--De karikatuur van Hogarth--een uitstalling van de stijfste en stokkerigste ligchaams-verwringingen.--Ziet, ai ziet daar ginds den geleerden Judocus, anders zoo statig; den vluggen Josua, anders zoo galant: ziet, hoe ze, als lompe boerepummels, met de beenen verward zitten tusschen de rokken van hun danseressen Coba en Keetje! Ziet, hoe Hupman, dat toonbeeld van een _preux chevalier_, al dansend den rand van Mevrouw Tripvoet's ochtendjapon heeft afgetrapt! Hoe Lepidus, die slankste aller sinjo's, daar even, bij 't vertoonen zijner solo-passen, een _culbute_ maakte, niet ongelijk aan de _cabrioles_ van Don Quichotte in de Sierra Morena! Hoe zelfs onze logge Grogmeijer de niet minder vormelooze Fräulein Einheit doet rondzwieren: Leviathan, die Behemoth heeft ten dans genoodigd! Ziet en hoort, hoe men nu _en corps_ losbreekt, onder oorverdoovend geschuifel, en, met geringachting van schoenen en pantoffels, de planken onzer campagne glad galopeert!--Ik vraag u, is er in dit alles iets van 't uitdrukkingsvolle en afwisselend schoone, dat de geniale Franschman als hoofdvereischte van den dans aangeeft?--Antwoordt mij, dat ge niet beter dansen _kunt_, en toch dansen _wilt_;--goed, 't zij zoo:--dat is, wijl ge domme, ijdele schepsels zijt, net als een zekere Gabriël, die ook schrijven _wil_ zonder 't te _kunnen_. Maar stemt mij ten minste toe, dat ge zoodoende de kunst vernedert tot een onbevallig apenspel, en dat ge verkeerd doet, _zoo_ te dansen: want dat de mensch--zelfs de burgermensch--die dansen wil, als _mensch_ moet dansen, en niet als een brombeer, of als een jeugdig mastodon, of als een losgelaten kalf in Grasmaand--!

Zóóveel, mijne vrienden, omtrent de zorgwekkende omstandigheden, waarin, door uwlieder toedoen, de snelvoetige Terpsichore verkeert.

Om nu ook over de zachte Euterpe, de inspiratrice en instigatrice van den dans, met een enkel woord te spreken, moet ik beginnen u te verzekeren, dat 't met haar nog veel treuriger gesteld is, en dat, in dezelfde mate als zij verheven is boven haar zuster, in die mate ook de Muse der Toonkunst dieper ontheiligd wordt door een wufte menigte, die haren naam ijdellijk durft misbruiken.

Muziek!--Dat is een tooverwoord in mijn oor: 't maakt me gelukkig, trotsch en rijk; 't sterkt me, en doet me 't hoofd opheffen;--en tegelijkertijd doet 't mijn hart overloopen van weemoedige herinneringen; doet me bitter pijnlijk gevoelen, wat ik mis--als had ik dáárin alléén een wereld achtergelaten!--Muziek, mijne vrienden----

* * * * *

Doch, ik zie wel--mijn stem is als die van Aäron bij de dienst van 't Gouden Kalf! Elk danst zijn dansje, en liedelt zijn liedje;--en de hervormer Gabriël babbelt voor mast en touw.

Daarom--ik daal neêr van mijn gestoelte--vloek mijn bekeeringsijver--vat de pen op--en spreek tot U, broêr Willibald--tot U, die mij begrijpen kunt, omdat gij met me gevoelt.

_Gij_ zult 't weten, hoe mijn gewaarwordingen wezen moeten, als ik, tot eenigen troost, de partituren nalees van onze aangebeden meesterstukken. Als ik de Zauberflöte-liederen doorloop, die we, sints jaar en dag, zamen zongen en speelden; als ik Fidelio volg in den donkeren kerker; of met Heiling mijn aardgeesten ter wrake roep! Als Figaro mij voert door al de rijke episoden van zijn veelbewogen bruiloft: in de slaapkamer der treurende Rosina, en in den geurigen Spaanschen oranjehof,

»_Wo die sanften Abendlüfte_ _----------weh'n_".

Of, als de heerlijke liederen van den vromen Jacob mij stemmen tot ootmoedige bewondering!--En als ik dan verder ga, en ik denk aan al onze oude lieve muziek, waarmeê we zoo dweepten, die ons zoo troostte en ophief in ons broederlijk gedeeld leed; als ik denk aan onze eigen nederige uitvoeringen: onze sonaten en orgelstukken; of, onder de vele magtige orkestwerken die we hoorden, aan 't dichtstuk, dat een Godheid niet heerlijker had kunnen scheppen: de groote Leonore-ouverture;----als me dat alles zoo klingt en zingt door 't hoofd--zie, _gij_ kunt beseffen, hoe ik dan _sehnen_ kan, met mijn gansche ziel, om nog éénmaal in wezenlijkheid te hooren, wat mijn geheugen me als een zwakke echo herhaalt----iets, hoe weinig ook--een goede streek, een ferm akkoord!

En dat ik 't nu den lieden in 't algemeen zoo half kwalijk neem, wanneer ze »muziek willen maken", zal me elk ander als een malle pedanterie toerekenen.--Gij, amice, zult dat niet. Gij, als musicus, weet toch, hoe'n onverdraagzaam pedant wezen een musicus _is_ en _zijn moet_.--Ik kan niet oordeelen over de stemming van andere artisten, van den schilder of beeldhouwer, wanneer ze hun kunst zien profaneren;--maar wél weet ik, hoe de kenner op muziekaal gebied van geen genade hooren mag voor alle pretentieuse oningewijden: hoe hij den ongelukkigen liefhebber veracht, en lager dan een straatmuziekant stelt, die valsch of buiten de maat durft zingen, die speelt zonder opvatting, die doof is voor de schoonheden van harmonie en contrapunct, die niet de breede klove overziet tusschen een Mozart en een Meijerbeer.

Ditzelfde verwijt ons zeker onsterfelijk Hollandsch schrijver--en, hierdoor bewijst de groote man, dat hij minder op 't gebied der noten dan op dat der letteren t'huis behoort, daar hij immers op geheel anderen toon zou moeten gesproken, en betoogd hebben: hoe de ware musicus haast niet te onverdraagzaam _kan_ zijn.

Want, op mijn eer--er is geen kunst, waarvan elk zich spoediger meester waant, dan de muziek.--Ga rond bij de meeste welopgevoede lieden, en vraag hun, of ze kunnen teekenen, of ze een oordeel kunnen vellen over de waarde van een schilderij of marmergroep. Ze zullen u antwoorden: »neen", of, »een weinig".--Spreek hun over muziek--en ge zoudt meenen, met niets dan Leipziger Professoren te doen te hebben!--Elk prefereert zijn komponist, en verwerpt den anderen; kiest zijn stijl en genre; haalt de schouders op voor _deze_ opera, en applaudisseert genadiglijk _gene_; elk heeft aanleg, smaak, gevoel; elk zingt, en bespeelt zijn instrument--of, zoo hij 't _niet_ doet, is 't slechts, omdat hij verzuimd heeft er zich meer speciaal op toe te leggen; velen zelfs zijn harmonisten op hun wijs, en brommen een baspartij in de kerk; en--zij die aan niets van dat alles kunnen meêdoen, weten er toch altijd nog genoeg van, om artisten te recenseren, en Wagnersche compositiën _fiasco_ te doen maken--!--Ja, ik heb, zoolang ik leef, slechts _drie_ menschen ontmoet, die er gulweg voor uitkwamen, _geen_ muziekaal begrip te bezitten;--en toch durf ik beweren, dat ik, artisten uitgezonderd, er _geen_ drie gekend heb, die er met regt op bogen mogten.

Nu vraag ik denzelfden grooten Hollandschen schrijver--hem, wien 't maar half schijnt te bevallen, dat men op een concert een symphonie van Beethoven speelt; op wien fijne vioolfiguren en geestige fluitpassages den indruk maken van kurketrekkers, ziegezagen en krakelingen:--ik vraag denzelfden grooten schrijver, waar 't heen zou moeten, indien niet de artist en degelijke dilettant een weinig de kunst staande hielden, en haar, door een soms overdreven verwaandheid, beschermden tegen 't brullend publiek, dat meêbalkt met hoog opgestoken Midas-ooren, zonder eens den hoed af te nemen bij 't naderen van den troon waarop de Muse gezeten is--!

Dát is 't, wat ons 't Jubals-bloed naar den kop jaagt, met een aandoening tusschen bliksemende verontwaardiging en onuitsprekelijk dédain: een aandoening, gelijk ze Rembrandt moest gevoeld hebben, had hij op een uithangbord de woorden »_Schilder_ en Glazenmaker" gelezen--: als elk zot nufje, dat, na jaren hakkens, eindelijk »_les Cloches_" en een potpourri uit de »_Martha_" heeft leeren oprammelen, verklaart: »dol veel van muziek te houden, en ook ijselijk veel gevoel te hebben." Of, als de elleridder getuigt: »den Franschen stijl te verkiezen boven den Duitschen, omdat de laatste saai is en niet zangrijk genoeg." Of, wanneer de timmermansbaas, die als voorloeijer een _oefening_ presideert, ook meêpraat, en pertinent beweert: »dat er geen schooner _meziek_ bestaat, dan de _wijzen_ van de Psalmen Davids--!"----'t Nufje moest kraagjes borduren naar stalen uit de _Gracieuse_; de toonbankheld moest gaan potspelen in »Zuid-holland"; de godzalige timmerman moest gaan huisjesmelken, of planken zagen, of zijn knechts 't loon beknibbelen.----Dat _moesten_ ze doen.--En wat doen ze?--De ezels! Ze belasteren, belagen, profaneren en prostitueren, de reinste, goddelijkste, meest aetherische en aesthetische van Apollo's negen nichten--!

Maar is dan de muziek 't uitsluitend eigendom van artisten?--hoor ik vragen. Moet 't vinkje zwijgen, omdat de nachtegaal dáár is, die beter slaat? En is niet een vrolijk liedeken, de eenvoudige tolk van een opgeruimd gemoed, Gode welgevalliger, dan de strengst klassieke _bravour-aria_?

Zeker: vrolijkheid is meer waard dan kunstbeoefening. Laat elk vogeltje dus fluiten naar zijn aard; laat elk schepsel den toon aanslaan, dien Natuur hem in de keel lag, en tot 't uiten waarvan, zijn gevoel de behoefte in hem doet spreken. Wie met gevoel Pan's rietje blaast, is een _kunstenaar_; doch wie Apollo's lier wil bespelen als een draaiorgel--is zelfs den naam van _orgeldraaijer_ onwaardig.--Weg dan met valsche pretenties; weg met een geaffekteerd _jargon_ in den mond van hen, die kunst en kunstbegrip tot modestoffen verlagen, waaruit elk »fatsoenlijk mensch"--d. w. z.: de vrijer van de keukenmeid inclus--zich voor zijn geld een pakje kan snijden! Weg met de Orgeldraaijers, de Schilders en Glazenmakers, de van hun leest geloopen Schoenlappers, die niet beseffen, dat, tot 't aanleeren van een Kunst, veel meer nog dan van een wetenschap, aanleg, studie en talent vereischt worden!--Zie, de Muse opent haar tempel voor ieder. Niet enkel voor den virtuoos en den kwartetspeler--neen, juist zulke duizendkunstenaars blijven vaak op den drempel zitten. Zij ziet niet op uitvoering, en vraagt niet naar vingervaardigheid, _embouchure en coup d'archet_;--zij eischt begrip en gevoel: slechts waar die wonen, doet zij de wieken van den kunstenaar uitbotten. Want haar tempel staat hoog in de wolken, en--hij die wil binnentreden, kan niet kruipen of krabbelen naar omhoog;--hij moet _vliegen_!--d. i.: zijn geest moet, op de vleugels van aanleg, smaak en beschaving, zich kunnen opheffen van uit de lagere spheren van tokkelwoede en viedelzucht.--En daar nu, bij verreweg de meeste aspiranten, die vleugels _nooit_ uitbotten--zoo treft men er vele, die, al viedelend en tokkelend, hun prachtig lange ooren voor vlerken aanzien, en er meê klepperen als gekortwiekte ganzen--!

Wie dan vleugels heeft om te vliegen--die vliege!--Wie ze niet heeft--blijve beneden--en houde den mond!

* * * * *

Edoch, genoeg hierover.--Gunnen we ook een oogenblik gehoor aan onze musicerende scheepsgenooten, die--terwijl wij op meesterachtigen toon de kunst monopoliseerden--zich daaraan volstrekt niet gestoord hebben, en, in 't vol bewustzijn hunner vrijheid, reeds verscheiden stukken »op aangename voce" hebben uitgevoerd.

't Orgel is weggeruimd. Nadat 't zijn rol had uitgespeeld, en de gillende meisjes haar draailust hadden botgevierd, heeft een andere liefhebberij de overhand gekregen: die van zingen en declameren.

Van 't laatste mag ik geen kwaad zeggen, omdat 't ons, _à force_ van heroï-komische dwaasheid, waarlijk soms tot schreijens deed lagchen. 't Herinnerde mij op 't levendigst aan de scène uit van Effen:

»Mijn held valt aan" enz.

Maar 't zingen--o, 't zingen!

Eerst begonnen de vele personen die aanspraak op stem maakten, om strijd hun solo's voor te dragen. Daar waren de dochters van den Majoor, nonna Flora, nonna Coba en nonna Keetje, Fräulein Einheit, vervolgens de Kapitein, of een van de heeren.--De dametjes, met haar klaaglijk trillende stemmetjes, haalden in den maneschijn regt roerend verliefde litaniën uit. De kapitein daarentegen--de man had een stem als een megatherium--zocht dan de teweeggebragte, smachtend zwaarmoedige stemming te verdrijven door 't aanheffen van een-of-ander magtig joviaal drink- of matrozenlied. Jammer dat hij, met zijn eenigzins »grokkerig" klinkende _basse-taille_, steeds den angstigen indruk maakte, alsof hij, onder 't zingen, met een strop werd omhooggehaald, daar hij zijn lied meestal eindigde, een terz hooger dan de grondtoon waarin hij begon.