Ontboezemingen

Chapter 5

Chapter 53,558 wordsPublic domain

JUDOC. Komaan, die verklaring maakt alles weêr goed. 't Spijt me, dat ik ze u alleen heb kunnen ontwringen, door u ten derden male van streek te helpen.

GABR. Hoezoo?

JUDOC. Ge zult gelieven op te merken, dat ge uw pleidooi ten voordeele van de Engelschen, met een lofrede op de Hollanders besluit.

GABR. Dan wil ik voor mijn afwijkingen boeten, door een tweeden pintje sherry te bestellen, dat we zullen ledigen met den hartelijken wensch, van nog eenmaal, als een driewerfgezegende leverkwaal ons zal doen terugkeeren van uit de ballingschap tusschen _sawah's_ en _klappa's_--een tijd te mogen doorbrengen, zóó vrolijk en onbezorgd, als dien we sleten in »_old, merry England_"!

JUDOC. Ik heb er niets tegen. Maar toch woû ik, dat onze Oost-Indie-vaarder, in plaats van te Portsmouth, te Brest of te Havre met averij lag--dan had ik mijn Fransch kunnen perfectionneren,--

GABR.--En den goeden, gullen, Hollandschen boer uithangen tegenover de heldinnnen van _Mabille_ en _Rue Bréda_----

* * * * *

Hier begon Josua, wiens geduld ten einde was, met de tinnen wijnkan zoo onmanierlijk op de tafel te hameren, dat _mistur_, _missis_ en _miss_ te gelijk binnenvlogen.

't Edel nat werd genoten; 't gelag betaald. Een wandeling in den kouden Noord-Ooster bragt onze hoofden tot den normalen toestand terug; en 't heerlijk vischmaal, dat onze restaurateur, Mr. Alexander Howes, ons had bereid, verzoende voor 't oogenblik zelfs Judocus, zoo niet met de Engelsche taal- en letterkunde--dan toch met de Engelsche tong, die, zwemmend in boterige peterselie-saus, door haar stomme, blankvleezige welsprekendheid, zelfs een Pool zijn Russenhaat, en een Ier zijn Erin's grieven zou hebben doen vergeten.

Portsmouth. December, 1865.

[Footnote 6: Er wordt veel geroepen tegen 't overdreven streng vieren van den Zondag in Engeland. We gelooven dan ook gaarne, dat 't voor den vreemdeling regt onaangenaam moet wezen, wanneer hij, één dag van de zeven, zich van tooneel en bal verstoken ziet, en slechts vóór en na kerkuren zijn honger en dorst kan stillen; even goed als we toestemmen, dat de rustdag overal en altijd een onuitstaanbaar vervelende dag is voor hen, die geen _werkdag_ kennen. Maar, uit een maatschappelijk oogpunt beschouwd, kan men 't gedwongen zondagvieren niet genoeg aanbevelen. Onze vaderen heiligden den Sabbath als _den dag des Heeren_, en geen policie-reglement was noodig om hen winkel en kantoor te doen sluiten. Naarmate echter de behoefte aan kerkdienst voor de praktische kinderen onzer praktische eeuw overbodig wordt, ziet de rijke er geen bezwaar in, den arme door geld tot werken te _noodzaken_: want de arme _kan_ niet achterblijven, waar hem een kans geboden wordt tot leniging zijner ellende.--Prijzen we daarom een verordening, die ook den arbeider een dag van verpozing schenkt: een verordening, die hem vrijheid geeft, zijn menschzijn en zijn hoogere bestemming te gedenken: die hem tijdelijk onttrekt aan de slavernij des gelds, en zoodoende hem behoedt voor een algeheele verdierlijking.]

RUZIE AAN BOORD.

(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK).

Onze »Meermin" was afgetimmerd, opgetuigd en uit 't dok gehaald.--Wij, passagiers, hadden Engeland en onze Engelsche vrienden vaarwel gezegd, waren als lammeren ingescheept, en--reden ten tweeden male voor Spithead ten anker, om dienzelfden nacht nog onder zeil te gaan.

* * * * *

Nog een laatsten droeven afscheidsblik had ik geworpen op de lichtjes, die, flaauw schemerend in den mistigen Decembernacht, als schreijende sterretjes mij hun schijnsel toezonden--ver van over 't koude, breede water. En toen ik mijn weemoed genoeg had lucht gegeven--toen werd 't mij toch wat guur en eenzaam op 't dek; en ik ging omlaag, om wat afleiding te zoeken in den altijd gezelligen kring van Josua en Judocus, van Grogmeijer, Hupman, Lepidus en consorten.--Wél zou ik afleiding vinden; doch niet van dien aard als ik ze mij had voorgesteld.

Onder 't in de kerk verzameld gezelschap heerschte een ongewone stemming: iets sombers, iets dreigends, was op aller aanschijn te lezen. De Kapitein hield zich absent--'t geen 's avonds zelden gebeurde--en scheen 't ontzettend druk te hebben met in zijn hut eenige papieren dóór elkaâr te gooijen.--Ik zette mij neêr, ten hoogste verwonderd en eenigzins beangstigd door een stilzwijgen, dat mij voorkwam niet ongelijk te zijn aan de loerende onbeweeglijkheid van den tijger, die op 't punt is zijn prooi te bespringen; of--om eens een nieuw beeld te gebruiken--aan de doodsche kalmte die 't losbreken van den Cycloon voorafgaat.--Waarom toch galmde niet 't sonore stemgeluid van den onuitputtelijken Josua, en deed zich niet 't blij gegiggel hooren waarmeê de meisjes des geestigen Hupman's uijen plagten welkom te heeten; waarom zweeg van uit 't paviljoen de suikerzoete zang der schwärmerische nonna Flora; waarom solde de Majoor niet zijn Kareltje in slaap, en schold der Grogmeijers echtpaar niet op de stommiteiten, door Lepidus en ega onder 't quadrilleren begaan--? Waren ze allen zóó bedroefd wegens hun vertrek uit Engeland? O neen, tot zóó'n malle smartbetuiging was slechts de sentimentele Gabriël in staat. Was er iets, broeijend tusschen de passagiers onderling? Ik wist, dat 't voorgevallene te Portsmouth met zeker min smakelijk kippeboutje, dat, in een paroxismus van ontembare verontwaardiging, door één der gehuwde dames op 't bord eener andere was geslingerd, tusschen beide die dames de zaden van onmin had gestrooid; doch 't was tevens van algemeene bekendheid, dat, dank zij de pogingen der verzoeninglievende echtgenooten, die veete sints lang was bijgelegd. Wat mogt dan wel de oorzaak wezen, dat er haat en nijd geschreven stonden op die anders steeds minzaam lagchende aangezigten?

Terwijl ik zoo gis en peins en rondkijk--staat de Hr. Hupman op, verdwijnt in zijn hut, en komt terug met een aangestoken bougie, mitsgaders een papieren zakje en een trekpot in de hand; hij verzoekt op pathetischen toon één der dames, zoo goed te willen zijn, thee te zetten voor 't gezelschap--: van _zijn_ thee, namelijk; vervolgens plaatst hij de kaars vóór zich, en vangt aan met zóó geconcentreerde aandacht te lezen--: bij 't licht van _zijn_ kaars, namelijk--dat 't scheen, alsof zijn eeuwig zieleheil er van afhing, nog dienzelfden avond heel »_les Mystères de Londres_" van buiten te leeren.--Intusschen heeft de Kapitein, die, met loenschen blik en gespitste ooren, alles zag en hoorde, 't noodig geoordeeld, na een dergelijke provocatie uit zijn schelp te kruipen, en op leuken, verbaasden toon te vragen, »of de scheepsthee niet deugde, dat de heeren en dames van hun eigen thee gingen zetten?"--Dáár was de klink van 't schip, de lont in de kruidkamer!--Een algemeene uitbarsting volgde: zooveel tongen er waren, zóóveel tongen klepperden er, als zeilen in een windhoos; en dermate oorverdoovend was 't geraas der stemmen, dat niemand dan ik 't vernam, hoe een paar liefhebberij-vogeltjes van den Hr. Grogmeijer, uit hun eersten sluimer gewekt, piepend omduikelden rond hun stokjes; en hoe de dertien honden op 't dek aansloegen en basten, als zooveel spruiten van den boozen Cerberus--!

Hoort hier wat er van de zaak was.

Reeds sedert ons vertrek uit Holland, had 't gezelschap zich beklaagd over de slechte kajuitverlichting, alleenlijk daargesteld door twee lekkende, middeneeuwsche patent-olielampen. De weinige lezers lazen zich hoofd- en oogpijn; de kaartspelers zagen schoppen voor harten aan; sommige jongeheeren, door de duisternis misleid, misgrepen zich vaak deerlijk in 't waarnemen hunner galante functiën tegenover sommige jongedames--ja, wanneer er niet erger geschied is, hebben ouders en voogden 't geenszins te danken aan den overvloed van licht gedurende de lange avonden aan boord van de »Meermin" doorgebragt. Voeg bij deze grief nog 't toedienen van ongefiltreerde keteltjeskoffie, en van thee die slechts onder 't veelbeteekenend epitheton van geut- of bordewater werd genoten--en ge zult u een denkbeeld kunnen vormen van de lang verkropte woede onzer reizigers, en van de billijke verontwaardiging, waarmeê ze den schuldigen gezagvoerder in koor aanvielen: immers, de thee was ditmaal, meer dan ooit, dunne spoeling gelijk; en de lampen verspreidden, om zoo te zeggen, een stralenbundel van tastbaar duister. »Hij, de achtelooze schipper, had nu toch, na zóó herhaald en dringend betoog, zich in Engeland van betere phosphoren kunnen voorzien; en, wat de thee aanging--de thee was goed voor de varkens, als die ze lustten, maar niet voor menschen, die nog wel zóó'n hoog passagegeld moesten betalen."--Ik vond 't magtig juist geredeneerd.--Mijn edele Josua, die toch reeds in een, niet ongewonen, ietwat bacchantischen toestand verkeerde, stelde zich aan 't hoofd van de oppositie. Hooge woorden en harde waarheden werden van beide kanten met prijzenswaardige openhartigheid gewisseld; ieder besprak zijn regt, elk herinnerde zich een gruwel; en--ik vrees, hadden de Tritons opgedoken van uit de zee, en in schetterende toonen »vrede!" gebazuind--hun geblaas ware om niet geweest, en hun kunst zonder uitwerking op de verhitte gemoederen der twistende scheepbewoners.--»_Panem et Circenses!_" was de kreet van 't Romeinsch gepeupel.--»Kaas en brood!" wilde 't volk van Noord-Holland.--»Licht en thee!" klonk 't in de kajuit van de »Meermin"--»licht, of uw leven, o Kapitein--thee, of uw bloed!"

* * * * *

En hoe liep de strijd af?--Werd er bloed gestort; werden Kapitein en bemanning over boord gesmeten?--of, zag men de raddraaijers onder de passagiers hun muiterij boeten, kromgesloten in 't donkere scheepshol--?

Noch 't een noch 't ander.--Nadat beide partijen zich, gedurende een zeker tijdverloop, de keel hadden schorgeschreeuwd, begon men te bedenken, dat, men elkaar nog drie à vier maanden lang--zegge, drie à vier lange maanden--van aangezigt tot aangezigt zou moeten bekijken; de Kapitein zag in, dat hij beter thee en licht _kon_ geven, en de passagiers overlegden in 't binnenst hunner harten, dat de thee en 't licht nu ook eigenlijk _zoo_ slecht niet waren; kortom--men begreep, dat men zich belagchelijk aanstelde--iets, dat de zachtzinnige nonna Flora en de levenswijze jongeling Gabriël van den beginne af reeds gegist hadden--; daarop verklaarde men, 't zoo niet gemeend te hebben; en eindigde, met elkaar de liefderijkst mogelijke concessiën te doen.--Zoodat onze vrienden, een uur later, toen een buitengemeene _largesse_ van bisschop en koek was rondgediend, vredig zamen zaten tot 't maken van een genottelijk Zwarte-Pietje. Na beëindiging van welk onschuldig spel de Hr. Josua opstond, die, blakend van bier, grog en edelen vriendschapszin, een toepasselijken toast sloeg, welken hij besloot, met op de volgende wijs de woorden van den dichter te verminken:

»De Liefde zegt soms haatlijkheên, Die arme zielen plagen, Maar 't is tot nut van 't algemeen, En niet uit _zucht_ tot plagen."

»Och", filosofeerde ik, toen ik in mijn bed stapte, »hoe kleingeestig is de mensch, dat hij om een handvol thee en een kruikvol olie den lieven vrede verstoort! Zouden de stomme visschen, in den schoot des oceaans, ook om zulke nietigheden malkander in 't haar vatten?"--»De visschen", stamelde Josua, met dubbelslaande tong, »die eten elkaâr op--vin en staart".--»En de menschen zuigen elkaâr uit, om slechts vel en been over te laten".--»De mensch is een redelijk wezen", stotterde Josua, »en neemt de vormen in acht". Dit zeggend, tuimelde hij te kooi, in een postuur dat ik liever niet beschrijven zal.

December, 1865.

EEN KERSDAG.

(GABRIËL AAN ZIJN BROER WILLIBALD).

Home, sweet home--!

_Con espressione_.

We kruisten in de Golf van Biscaije: we kruisten tusschen 't land van den wijn, en 't rijk der Almaviva's; een ijzige wind blies ons om de ooren, een dikke mist stond op de wateren, en somber, als in winterdos gehuld, strekte zich een loodgraauw zwerk boven onze hoofden uit.

* * * * *

En 't was Kersmis: dát, broêr Willibald, herinnerde ik mij maar al te goed!

* * * * *

Ik was 't gewoon, dien dag als een dubbelen feestdag te vieren: als Kersdag, en, broêr Willibald--als _uw_ geboortedag.--Helaas, van dubbel noch enkel feestvieren kon voor ons sprake wezen.

Verkleumd van koû en nat zaten we, geschommeld en geschud op ons wippend krukje: soesend, verlangend, niet wetend hoe ons te wringen van armoê en verveling.--'t Eénig teeken van openbare herdenking bestond voor ons in 't ontvangen van een kopje chokolaad, welke extra bedeeling ons gewoonlijk den Zondag van de overige dagen deed onderscheiden.--Onze Kapitein was immers een modern zeeman--heel praktisch en verlicht: »hij stoorde zich niet aan die gekheid: 't zat 'em daar toch niet in", zeî hij, »en de ééne dag was zoo goed als de ander."----Arme Nederlandsche natie,--mét den devoten zin der vaderen, zijn ook uw kracht en glorie geweken! Zie dien schipper--: waar vroeger zijn ambtgenoot, gestukadoord en gestijfseld, 't psalmboek zwaaide--gaat de verbasterde nazaat vóór, als Silenus bij de dienst van den chokoladeketel!--»_Horrible, horrible_--_most horrible_--!"

* * * * *

En toch had _ik_ gaarne een kerkdienst bijgewoond, dien dag. Gaarne had ik 't mij getroost, een preek aan te hooren, in de togtigste en onhuislijkste aller protestantsche kerken: een preek, opgegalmd door den leuterigsten en witbloedigsten aller protestantsche dominees: een solied-orthodoxe Kerspreek, in al haar afmetingen van lengte, breedte en diepte; met al haar verschrikkingen van punten en deelen en onderdeelen, van hoogopgetrokken bouffanten, walmende stoven, en bevrozen wintervoeten------ja, onder al dien jammer had ik blijmoedig 't hoofd gebogen--ochtend- en middagdienst zonder morren doorworsteld----indien ik slechts den avond t'huis had mogen doorbrengen: den lieven, éénigen Kersavond had mogen slijten in den kring der mijnen!

Zag ik 't niet, broêr Willibald--zag ik 't niet, met gesloten oogen: hoe ze, na kerktijd, allen tot u kwamen, en u de hand drukten, en gelukwenschten--U, die toen de oudste en éénige zoon waart in moeders huis!--En 's avonds--zag ik ze 's avonds niet aan de ronde tafel vergaderd, ooms en tantes, neven en nichtjes--als er gezongen werd, en pianogespeeld--en krachtige punch gedronken, en keurigen tulband gegeten--en--en misschien, waar 't gesprek kwijnde, ook nog 'reis door dezen-of-genen gerept van den verloren zoon, 't _enfant terrible_, die zijn moeders vetpotten versmaadde, om, in vreemdelingschap, van den draf te gaan eten met de zwijnen--!--Broeder, broeder Willibald, wees ook van mij gegroet! Mijn heilwensch roep ik u toe, en den storm maak ik tot bode mijner woorden! Wees gezegend op dezen eersten Kersdag; en, is uw oor doof voor mijn stem, die wegsterft in 't magtig geluid rondom mij--o, broeder, laat in uw hart die stem weêrgalmen met al de kracht van een heilige, onverbreekbare vriendschap!

* * * * *

Maar, ook zonder de viering van eens dierbaren geboortedag--was Kersmis, en Kersmis alléén, mij altoos een kerkgang waardig. Kersmis is mij mijn grootst, mijn éénig Christelijk feest. Ik heb Paschen lief om de eijers, Pinkster om de bloemen;--maar Paschen huldigt een legende, Pinkster verstoffelijkt een allegorie. Kersmis alléén is mij heilig, als de geboortedag van Jezus den Nazarener, den Apostel der Liefde.

O schoone dag, vol zoete poësie! Ideaaldag van huiselijk geluk, van zalige, kinderlijk godsdienstige herinneringen!--: sneeuwvlokjes buiten--'t knappend haardvuur binnen; dood en sombere winterkoû in de natuur--hernieuwd leven en hopen in 't menschelijk hart!

Zie--de halve wereld juicht als één; secten en kerken vergeten haar vijandschap; arm knielt naast rijk, de vrijzinnige naast den drijver: want hierin zijn ze allen eensgezind--dat ze God danken willen voor de geboorte van _hem_, dien ze noemen met verschillende namen, maar die--wie hij ook wezen mag--wat ook kortzigtige of belangzoekende dweepzucht hem gemaakt heeft--toch zeker in zóóver Gods Zoon mag heeten, dat hij 't eerst ons den Vader heeft leeren kennen: den Vader, die is, en eeuwig wezen zal: den God van 't Heelal, die deugd eischt zonder magtspreuk, goede werken zonder wet, en geloof zonder openbaring.--Hoe liefelijk, op dezen dag zaâm te wezen, als broeders! Komt, laat ons zamen opgaan met de schare ter kerke, om den Vorst der Liefde, den Stichter der éénige en eeuwige Godsdienst te aanbidden in eenvoudigheid des geestes--gelijk we 't deden toen we nog jongskens waren, wijs in onze onwetendheid: als moeder ons vertelde van den lieven Kindervriend, en we ons Kersfeest vierden, en de blijde vacantie, spelend rond den warmen haard!--We willen ons nu niet, ergeren aan dogma en formulier;--we hooren alleen 't plegtig orgelruischen, en stemmen in met 't »Vrede op aarde!--Vrede voor allen!--Vrede ook voor ons!"-------------------------- --------doch stil----'t waren nevelbeelden, die ik aanschouwde in den zwarten mist; St. Elmo's vonken waren 't, die ik hield voor Kerslichtjes; 't was 't loeijen van den storm, waarin ik orgeltoonen meende te hooren--!

--Neen--geen vrede voor _mij_--geen vrede voor den balling!--Voor _mij_ geen winterkoû, geen sneeuwvlokjes, geen knappend haardvuur--voor _mij_ geen Kersmis meer!--: maar gloeijende zonnehitte en doodend heimwee in een land, waar slechts Plutus, Venus en Bacchus als drieëenheid voorzitten--!

O God--schreide ik--zijt Gij een God van Liefde, die zóóveel liefde hebt uitééngerukt--!

December. 1865.

ONDER DE LINIE.

(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK.)

»In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten"--

Smorzando e languendo.

--Zegt de Schrift; en onze catechiseermeester maakte er van: »_arbeiden_ en uw brood _verdienen_"--! Dat wist ik trouwens; 'k had er ook nooit iets tegen: en vaak, als ik naauw de pen of den strijkstok tusschen de verkleumde vingers kon houden, heb ik den Hemel gebeden, dat de bron van licht en warmte mijn zweet wat milder mogt doen vloeijen.

Doch hoe nu!--Moet ik _rusten_ in 't zweet mijns aanschijns? moet ik 't zweet mijns aanschijns drinken? moet ik zwemmen in 't zweet mijns aanschijns?--Dat toch kan de bedoeling van Genesis niet wezen.

* * * * *

We dobberen onder de Linie: een gansche week reeds, dobberen, drijven en draaijen we, op, onder en boven den Equator.

't Waren schoone dagen geweest, toen we zeilden met den Noord-Oost-Passaat. Toen de lucht zoo blaauw was, en de zee zoo glanzend; toen de zon zoo helder straalde over onze bruisende vaart!--Schoone dagen waren 't; en gelukkiger dan Keizer Seged, hadden we volle tien zulke dagen van ongestoorden vrede mogen beleven.

* * * * *

Maar nu----we dobberen onder de Linie: de Noord-Oost-Passaat heeft ons verlaten, de Zuid-Ooster komt nog niet: een gansche week reeds, draaijen, drijven en dobberen we, in den stiltegordel, boven, onder en op den Equator.

Geen zuchtje, geen zephyr, geen togtje verkwikt ons--niets dat naar wind gelijkt, dan 't blazen van den loggen botskop,[7] die opduikt, snakkend naar adem.

Toch--ondanks de stilte--rolt over 't spiegelgladde watervlak een deining uit den Noordwesten, die ons schommelt en slingert en zeeziek maakt--als ware er een Typhon los.

* * * * *

En 't is warm, vrienden--warm!

Vraagt niet, of 't warmer is dan in de hondsdagen, warmer dan in een kermistent, warmer dan in 't zweetkamertje van Leidsche of Utrechtsche academie!----Ik zeg u, vrienden--de hel is hier--de hel van Torquemada!

Een dompige hitte drukt loodzwaar van uit den bewolkten hemel: geen drooge felle zonnebrand--maar vochtig, laauw, als stoom uit een ketel omringt ons de logge atmospheer. Ieder oogenblik kletteren tropische stortregens op 't dek neêr; gezondheidshalve kan men zich niet laten natregenen: men gaat dus omlaag; maar, ofschoon de luiken gesloten blijven, toch dringt de regen met stroomen binnen--een klamme, broeijende pestwalm vult den engen kerker--alles druipt, dampt, zweet en riekt!

»Zal de mensch"--zoo spreekt Mohammed, de Veelteprijzene--»zal de mensch, voor wien deze dingen zijn toebereid, even als hij wezen, die voor altijd in het hellevuur moet wonen, en die met kokend water zal gelescht worden, dat hem de ingewanden zal verscheuren?--En wat zal u doen verstaan wat de hel is? Zij laat geen ding onverteerd, noch laat eenige zaak ontsnappen. Zij verbrandt des menschen vleesch."[8]

_Met kokend water gelescht_: ik bid U, groote Profeet, wiens neusgaten de geurigste van Arabiës reukwerken niet konden bevredigen--ons water kookt wel niet--maar 't riekt! _Zij laat geen ding onverteerd_: eilieve, zoon van Abdallah--zelfs onze ligchamen niet, want merg en bloed gaan op in damp! _Zij verbrandt des menschen vleesch_: ik zweer u, kleinzoon van Abdelmottalib, bij al de welgedane maagden die gij tot vrouwen hebt gehad--aan ons zullen eerstdaags niets dan uitgedroogde beenderen te verbranden overblijven!

* * * * *

De hel--ja, zoo men ze ergens zoeken mag--de hel is _hier_: _hier_, en in de zandvlakten van Sahara, en in 't gemoed van den onverdraagzame, en in de Roode zee, en in één huis met een booze wederhelft--maar _hier_ vooral--_hier_, onder de Linie.

Komt dan, onmenschlijke vischwijven, die kreeften en garnalen springlevend durft koken! En gij, nog onmenschlijker godgeleerden, die heidenen en ongeloovigen springlevend durft neêrploffen in den ziedenden zwavelpoel uws eeuwigen vuurs--komt, doet een uitstapje naar Nederlands Overzeesche Bezittingen beoosten de Kaap de Goede Hoop; toeft een weekje in den stiltegordel onder den Evenaar of Evennachts-lijn; zweet er, smacht er, stikt er en braadt er, zooals _ik_ er gezweet, gesmacht, gestikt en gebraden heb----en voelt, en weet wat 't is, springlevend gekookt of geroosterd te worden! Komt, orthodoxen van alle gezindheden--komt alle, regtgeloovige woordaanbidders, die aan een hel gelooft voor anderen, en aan een hemel voor uzelf--komt, en leert _hier_ 't verschrikkelijke begrijpen van de pijnen, waartoe uw _geloof_ den broeder veroordeelt--leert _hier_ 't afschuwelijke inzien van den leelijksten, de tastbaarsten, den onchristelijksten uwer leugens--!

* * * * *

Edoch, zacht wat, Gabriël--wáár holt ge heen! Zal een philippica tegen regtgeloovigen u tot kouden omslag rond de slapen dienen--!

Ai, laat idioten en duivelen malkander een hel stoken!--Maar gij--roep gij de hulp der Goden in!

* * * * *

Aeolus, winderige Vader der Winden--slaapt ge--zijt ge dood?

Zie, de Nautilus zelfs heeft in wanhoop zijn rooskleurig zeiltje gestreken, en laat zich zachtkens neder in den azuren afgrond.

Hoe benijden we u, kleine Argonaut, als we u zien wegzinken in de diepte van uw frisch, doorschijnend bed!

Duik meê in, gestoofde sterveling--duik meê in, en koel u aan den boezem der hemelsche Amphitrite, die u wenkt--dáár, zie: spelend met haar jonkvrouwen: haar bruingevinde, witgebuikte, wijdgebekte jonkvrouwen! Duik--en wees zalig in haar omhelzing, als ze u zullen omvatten, en u meêvoeren in triomf--diep, diep--tot in 't koelste diep der blaauwe wateren----! O, Tantalus, arme Tantalus--!

Januarij, 1866.

[Footnote 7: Een kleinere soort van 't geslacht der walvisschen.]

[Footnote 8: Alkoran, H. xlvii. V. 17, en H. lxxiv. V. 27-29.]

DILETTANTISME.

(EEN ARTISTIEKE ONTBOEZEMING VAN GABRIËL AAN ZIJN BROÊR WILLIBALD).

Hey de diddle The cat and the fiddle: The cow jump'd over the moon-- ------------------------ _Engelsch liedje._

Laat d'Elephant nu vrolijk zingen, En 't huppelend rendier in de wei-- ------------------------ _Schoolmeester._