Ontboezemingen

Chapter 4

Chapter 43,652 wordsPublic domain

Wat hadden we met U te doen, bloedige mannen van Vuur en Zwaard, priesters van geweld en ligchamelijke overmagt; of met U, Koningen en Vorsten, die geleefd hebt en gestorven zijt in luiheid en ijdelheid; wier graftomben zelfs zijn opgerigt ten koste van 't Volk, dat gij verachttet en uitzoogt--!--U, Helden, zal God toeroepen, »dat wie slaat met 't zwaard door 't zwaard zal omkomen." U, Koningen, zal de Opperste Regter rekenschap vragen van 't talent dat Hij U gaf tot woekeren, en dat gij begraven hebt in den grond--!

Wat hadden we met U te doen!--: de dagen uwer heerlijkheid zijn vervlogen; en de kinderen dezer eeuw kussen niet meer in slaafsche onderwerping de voeten der beulen, die 't bloed en zweet der vaderen niets geteld hebben.

* * * * *

In »Poets' Corner" zijn we teruggekeerd.

* * * * *

We hebben ons neêrgezet, en om ons heen gezien--en 't was ons, of vriendelijke, welbekende geesten ons uitnoodigden, voor een oogenblik mét hen de aarde te verlaten, en óm te zweven in de spheren van een hoogere wereld.

Hier rust de zachte Goldsmith, de bevallige Addison, Shakspeare, de reus; hier rusten Chaucer, Spencer, Milton, Dryden, Gray, Macaulay--en zooveel anderen, wier namen ons terugroepen in den tooverlusthof, waar zoo vaak hun werken onzen geest deden omdwalen.--Hier, zoo ergens, bloeit in overvloed de trage plant die slechts op de graven tiert.

Gelukkige stervelingen, wier roem uw stof overleefde!--: en wat roem?--niet de holle roem, door 't bloed van duizenden gekocht;--neen: U siert 't dankbaar nageslacht met den eeuwig groenen palmtak van Vrede en Wijsheid en Kunst: Uw namen prijken in eeuwentartend gesteent, als de namen van hen, wier werken, in Gods hand, de trappen zijn geweest, waarlangs de menschheid tot hooger volmaking opklom.

Gelukkige stervelingen!---- ----Zwijg, prozaïsche Genius onzer eeuw! Spreek mij niet van de vergankelijkheid, die alle menschelijke grootheid in 't duister doet wegzinken! Brul mij geen »_vanitas vanitatum_" in de ooren! Houd mij geen predikatie over de kortheid van 't geen wij _onsterfelijk_ heeten!--_Deze_ hier _zijn_ onsterfelijk--ten minste voor ons menschenras. Zoolang nog de taal zal gesproken worden waarin _zij_ schreven, zoolang nog een beschaafd volk den naam zal voeren van de natie waartoe _zij_ behoorden--zóólang zullen zij, levend en sprekend in hun werken, een deel van 't menschdom blijven leeren, stichten, vermaken.

--Ik weet wel: 't marmer hunner praalgraven zal vergaan, gelijk hun gebeente vergaan is; maar ook dan nog zullen ze een schooner gedenkteeken vinden in de harten der kinderen en kindskinderen van hen, die ze hebben liefgehad, toen ze rondwandelden op aarde!--ja, hier namaals nog, in de woningen des Vaders, zullen gelouterde zielen hen danken, dat zij, van uit 't stof, hun den weg hebben gewezen tot 't eeuwig goede en schoone!

* * * * *

Peinzend stonden we tegenover Haendel's heerlijk standbeeld, en neurieden zachtkens de onovertroffen phrase uit den »Messias", _I know that my Redeemer liveth_, die 't marmeren muziekblad aan den voet ons te binnen bragt.--'t Was reeds laat in den namiddag, en de schemering begon te vallen. Er werd dienst gehouden: een plegtige stilte heerschte alom--: slechts hier en daar een gesmoorde voetstap, en, in de verte, de galmende stem van den leeraar.

Plotseling jaagt de diepe stem des orgels ons een zalige rilling door de leden. Een statig preludium;--daar ruischt de zilveren koorzang omhoog, en speelt en trilt langs 't beeldhouwwerk der zuilen, en verliest zich, zacht jubelend, aan den boog der hemelhooge daken. Dan weêr valt 't duizendmondig speeltuig in, losbrekend in een daverend Hallelujah, een zwellend, juichend, onweêrstaanbaar Looft den Heer--dat zweept en rolt over de zerken, als 't bazuingeschal des laatsten oordeels--dat 't stof der dooden doet sidderen in de graven--dat de gewelven vult met den stroom der akkoorden, en de zielen der levenden meêsleept op de golven van een alvervoerende harmonie--!

* * * * *

Hoe groot is de magt van een kerkdienst die tot de zinnen spreekt; en hoe ligt beseffen we 't, onder de bogen van _zulk_ een heiligdom, dat de zinnelijke schare slechts bidden _kan_ en bidden _wil_ in tempelen door menschen gebouwd.--'t Ware bidden is in de natuur: onder den blaauwen hemel, als God-zelf ons voorbijgaat in 't fluisteren van een zachte koelte;--maar _ook_ liefelijk is 't, te bidden in 't huis, waar alles zamenwerkt om zelfs in 't hardst gemoed een heilige aandoening op te wekken.

Vergeven we 't daarom den vaderen, dat ze zoolang binnen deze muren een heerschzuchtige priesterschap hebben vergood, die, Roomsch of Onroomsch, den grooten naam van Christus vernederde tot een wachtwoord voor domme dogmaprediking en bloedige dweeperij; vergeven we hun een ijveren voor dwalingen, uit wier botsing de vonk sprong, die ons 't Christendom in een beter licht doet beschouwen! En nemen we hierin een voorbeeld aan hun warme geestdrift: dat ze goed en bloed opofferden voor de instandhouding van een dienst, die hun heilig en éénig toescheen!--De tijden van geloofsdwang zijn voorbij. Wee ons, zoo ze slechts hebben plaats gemaakt voor de koude onverschilligheid van een laf scepticisme--!

* * * * *

't Orgel zweeg; de dienst was afgeloopen.--Reeds waren zijvleugels en nissen in schemerdonker gehuld;--maar door de bontgekleurde vensterglazen schoot de winterzon een laatsten matten stralenbundel, en speelde met spookachtig rooden gloed over de graven van Koningen en Helden.

We traden buiten. 't _Memento mori_ dat de kloosterklok ons nariep, verstierf in 't gewoel der levenden. De dooden waren vergeten.--Dienzelfden avond nog leefden we en zondigden--als ware er voor ons aan geen sterven te denken.

London. November, 1865.

IETS OVER DE ENGELSCHEN.

(EEN DIALOOG TUSSCHEN JUDOCUS EN GABRIËL).

Not so bad as we seem.

_Bulwer._

't Was op zekeren onvergeetlijken December-namiddag, dat ik mij, met mijn vrienden Josua en Judocus, binnen de wallen der Engelsche vesting Portsmouth, en, meer speciaal, in de gezellige _parlour_ van de te dier stede wélvermaarde _Queen's Arms' Tavern_, te zamen zag. Dáár warmden we ons aan den haard, en dronken goudgeelen sherry.--Josua ging, loffelijker gewoonte, zich aan dien goeden drank te buiten. Wij echter, Judocus en Gabriël--altijd zoekend, 't nuttige met 't aangename te veréénen--leverden, al drinkend, elkaâr strijd met de wapenen onzer tongen, en schonken, al schenkend, 't leven aan de volgende zeer leerzame en zeer aanhoorenswaardige redewisseling.

* * * * *

JUDOC. Dat is dan alweêr een deugd, die ge bewondert in een volk, waarvan ge U schijnt voorgesteld te hebben, niets dan 't goede te vermelden.

GABR. Toch niet: ik beweer niet, dat de Engelschman zich minder bezuipt dan de Hollander;--'t zal wel gelijk staan; maar, hij doet 't fatsoenlijker, draaglijker, aangenamer.

JUDOC. Ge zijt partijdig, en spreekt als zoovele onder ons Hollanders, die altijd 't vreemde en den vreemde boven hun eigen verkiezen.

GABR. Minder partijdig dan zij, wier wiegeplek-liefde zóóver gaat, van hen te doen gelooven, dat er geen beter land ter wereld bestaat, dan de stad en ommelanden van Appingadam.

JUDOC. Spaar je haatlijkheden: je weet zeer goed, dat ik om mijn Groningschen geboortegrond evenveel geef als om Doggersbank of Biesbosch. Ik ben volstrekt niet zoo Groningsch- of Hollandschgezind; ik geef geen volk de voorkeur; mijn streven was steeds, de goeden onder elke natie te achten en lieftehebben;--

GABR. Regt cosmopolitisch gesproken!

JUDOC.--Maar ik zie ook geen reden, mijn vaderland te verachten, en 't buitenland vóór te trekken, _alleen als zoodanig_.

»Hebt gij een vaderland, zoo kleef niet aan een ander: Wees Gal noch Brit--wees Nederlander."

De man, die zijn nationalen trots laat varen, verliest een deel van zijn karakter als mensch en burger.

GABR. Ontwijfelbaar, o vrome kampioen van opregte Haarlemmer vaderlandsliefde.--Edoch, mijn brave Judocus, we verliezen 't onderwerp van ons twistgeding uit 't oog. Er is hier geen sprake van Holland en de Hollanders; ik wil geen parallel trekken tusschen mijn landgenooten en éénig ander volk. 't Betreft hier een natie, die gij, in navolging van de meeste vreemdelingen, instinktmatig verafschuwt; die ik, daarentegen, van een zijde heb leeren kennen, welke mij regt geeft, haar tegen uw bevooroordeelde aanvallen te verdedigen.--Voeren we nu elk onze gronden aan, en wegen we die in de schaal eener onpartijdige regtspraak.

Zoo dan, Judocus--in den naam van al wat Groningsch is, vraag ik u af: wáárom haat gij de Engelschen met zóó doodelijk diepen haat?

JUDOC. Om verschillende redenen.--Vooreerst moet ik je zeggen, dat ik ontzettend hecht aan eerste indrukken. De eerste indruk nu dien de Engelsche natie op mij maakte, was, in alle opzigten, magtig onaangenaam.

GABR. De _eerste_ indruk?

JUDOC. _La première impression est toujours la meilleure_, zegt een Fransch spreekwoord.

GABR. Ik twijfel, of de zegger dat in _dien_ zin bedoeld heeft.--Doch ook dit mag waar zijn voor enkele zeer scherpziende en vlugoordeelende typen der zoo diepzinnige Fransche natie;--ik echter, in mijn Noordsche botheid, heb nog altijd ondervonden, dat de eerste indruk een verkeerde, verwrongen indruk is, geheel afhangend, niet van den aard van 't subjekt dat hem te weeg brengt, maar enkel van de omstandigheden waaronder men hem ontvangt.

JUDOC. Een hoogst onpopulaire stelling, die met één slag alle gezag ontneemt aan den schat van »losse reisindrukken", »schetsjes _à-vol-d'oiseau_" etc., waarmeê in onze dagen van spoorwegen en luchtballons, zooveel vliegende touristen getracht hebben, de wetenschap van land- en volkenkunde te verrijken.

GABR. Daarom alléén reeds zou dus mijn stelling niet geheel verwerpelijk te achten zijn: omdat ze mij beletten zou me schuldig te maken aan de malle ijdelheid van dergelijke reizende Argussen, die, als ze op de vleugelen des stooms een vreemd land van Noord tot Zuid hebben doorgerend, zich genoegzaam ingelicht wanen, om een uitspraak te vellen over den aard van 't volk, als waren ze onder datzelfde volk grootgebragt.--Doch, ga zelf na of ik onregt heb. Immers, wie 't karakter van een persoon wil doorgronden, moet lang en oplettend met hem omgaan, achtgevend op al zijn wezen tegenover anderen en zichzelf. Hoeveel te meer dan, zal hij, die een _volk_ wil leeren kennen, zich langdurige studie moeten getroosten, en zich moeten wachten voor de sterk gevoelde doch geheel ongegronde indrukken van 't eerste oogenblik.

JUDOC. Uw gevolgtrekking timmert niet hoog. Maar--als ik je daarmeê genoegen doe, wil ik mijn eerst ontvangen indruk hier wel buiten rekening laten. Ik heb grieven van ernstiger aard.--Wat zult ge mij antwoorden, wanneer ik den Engelschman van _stijfheid_ beschuldig?

GABR. Eenvoudig, dat ge er 't regt niet toe hebt. Ik laat 't zijn, dat de Franschman of Duitscher--die den Brit alleen beoordeelt naar zijn _zeer navolgenswaardige_ wijze van zondagvieren[6]--spreekt van _stijve Engelschen_; doch als de _stijve Hollander_ dat doet, is 't waarlijk de zwarte pot, die den witten een smeertje verwijt.

JUDOC. En wat zal uw repliek wezen, als ik den Albionees van _grofheid_ en _ruwe manieren_ beticht?

GABR. Dan zal ik u er aan herinneren, dat ik U gister nog onzen Jozua hoorde gelijk geven, die, na minutieuse waarnemingen, meende te mogen vaststellen, dat Europa's opinie omtrent de Britsche natie aan twee voeten mank ging: de Engelschen waren zwak in 't beefsteak bakken, en lang niet sterk in 't _goddammen_.--En, zeg me, hebt ge ooit in de matrozenbuurten van Portsmouth, of in de bierknijpen, waar dronken zeeluî en soldaten den hoofdtoon voeren, dat lasterend vloeken, die walgelijke spraakversieringen gehoord, waarvan bij ons, niet alleen 't gepeupel, doch zelfs beschaafde en gegoede jongeluî den mond vol hebben--? Ergert men zich hier over 't dierlijk brullen langs de straten, op zondagavonden en andere feestdagen? Ziet men hier de gruwelijke beestigheden vertoond, waartoe bij ons een Kermis jaarlijks aanleiding geeft? Welk denkbeeld toch moet de vreemdeling, die toevallig op een Kermis als de Rotterdamsche verdwaald raakt, zich van _onze_ natie vormen, wanneer hij ziet, hoe de bevolking in massa van een eerste koopstad, dagen lang, onder invloed van koek, kroosjes, draaimolens en jenever, als dol rundvee dooreen raast--?

JUDOC. Met uw verlof--ik heb minder 't oog op 't gepeupel, dat overal brutaal en dierlijk is (getuigen de boxpartijen der Engelschen bij verkiezingen)--dan wel op den man uit den middenstand: 't gegoede publiek, dat men op de straat, in de herberg, in den spoorwagen--kortom, in 't dagelijksch doen ontmoet. Juist onder die klasse, die men teregt kan achten, den volksaard 't best te vertegenwoordigen, heb ik mij te beklagen over een _terugstootendheid_, een air van _selfsufficiency_, dat aan 't stugge en plompe grenst.

GABR. Uw bevinding, mijn waarde, vloeit voort uit de weinige moeite die ge u gegeven hebt, met enkele individuen kennis te maken, en uit uw onbedrevenheid in de taal.--De Engelschman heeft boven alles zijn persoonlijke vrijheid lief: van dáár zijn zucht tot afzondering. In 't gewone leven acht hij slechts datgene wat hij kent:--den vreemdeling nu, dien hij _niet_ kent, ergo niet acht, valt hij niet met een geveinsde belangstelling lastig.--Ik beschouw daarom die natuurlijke _stugheid_--of liever, _schuchterheid_, die Goldsmith noemt »_the Englishman's malady_"--niet als een fout; veeleer prijs ik zoo'n hoedanigheid, als zeer aanbevelenswaardig tegenover de bemoeizucht en onbeschaamde indringendheid, die de Franschman en Duitscher voor gezelligheid en jovialiteit wil doen doorgaan.

JUDOC. Dat mag gedeeltelijk waar zijn; doch die _schuchterheid_, of _plompheid_--zooals ik ze noemen blijf--ontaardt bij den Engelschman in verregaande _onbeleefdheid_.

GABR. Ho daar--_beleefdheid_ is een kwestie van persoonlijke opvatting: elk meent beleefd te wezen op _zijn_ wijs.

Wanneer b. v. de Londoner een _public-house_ binnentreedt, en de gasten die hij niet kent niet groet, is zulks niet uit _onbeleefdheid_--doch eenvoudig, omdat de volksgewoonte 't niet meêbrengt, d. i.: omdat geen Engelschman 't nodig oordeelt, tegenover anderen een vermoeijende vormelijkheid in acht te nemen, waarop hijzelf geen prijs stelt. Doch spreek dienzelfden man aan, vraag hem inlichtingen--en hij zal 't zich een eer rekenen u teregt te wijzen; wek bij hem een zweempje van belangstelling in u op--en hij zal zich uw vriend toonen op een wijze, waarvan de Franschman, met zijn lastige koffiehuis-beleefdheid, zich geen begrip kan vormen.

Dit laatste hebt gij, Judocus, toch ook meermalen ondervonden.--Was die jonge mensch niet beleefd, die ons, als we den eersten avond hier ter stede doorbragten, overal den weg wees, en ons op ettelijke pinten _Burton_ onthaalde ondanks de stroeve stilzwijgendheid van U en Josua, die steeds in angst verkeerdet, dat de man zou eindigen, met ons in 't een-of-ander moordhol te lokken--? Was 't geen beleefd oud heer, die zijn thee liet koud worden, om voor ons een overbodig introductie-briefje te schrijven aan onze Londonsche hospita--? Waren die kommiezen (N.B.) niet beleefd, toen we aan 't _Custom-house_ sigaren kwamen halen, en zij niet ophielden, of we moesten aan hun middagmaal deelnemen, zonder dat ze ons wilden veroorloven, hun wederkeerig een paar potten ale aan te bieden--? Bleken ook die Londonsche _police-men_ niet zeer beleefd, die u, Judocus, telkens wanneer uw oudheidzoekend hoofd u in den steek liet, en gij op 't punt stond verloren te raken in de meest gecompliceerde labyrinthen van de wereldstad--die u, o ondankbaarste van Radboud's zonen, zoo bereidwillig den draad reikten, om u terug te leiden tot uw stillen schuilhoek onder de herbergzame daken der eerzame Weduwe Eusebia Rackham--?

JUDOC. Val-jij dood met je Weduwe Rackham!

GABR. Nu dan--waren de militairen niet beleefd----

JUDOC.--Militairen! Spreek me in 's hemelsnaam niet van Engelsche militairen! Stijver, pedanter, onhebbelijker lummels zag ik mijn leven niet--met hun lange carcassen, geoliede haren, en ploertige flesschebakjes op één oor--!

GABR. 't Is waar, ze hebben dát met alle militairen gemeen, dat ze--in plaats van over hun jammerlijke roeping te schreijen--zich een air van fierheid eigen maken, 't welk alleen een dom bewustzijn van physieke kracht billijken zou; ook dát is een bitter kwaad onder de zon; en ook dát zal niet veranderen, zoolang de roem van een Bonaparte of von Bismarck niet zal gelijk gesteld zijn met dien van een Herostrates.--Edoch, vergelijk daarbij de vuile aanmatiging van onze militairen, die daarin den Pruissen niets gewonnen geven: hoe elk korporaaltje, naauwelijks vijf voet hoog, knikkend onder den last van zijn geweer, en de kleêren aan 't lijf gegooid als een vogelverschrikker, reeds vloekt en bralt als een veteraan; hoe dit onzinnig _bullyism_ met den rang opklimt tot den----

JUDOC. Zeg eens, denk er aan--ik heb een broêr die Luitenant is--

GABR.--en die mij, weêrloozen pennelikker, met zijn geduchte strijdlat wel eens den kop zou kunnen klieven!--Pardon!--ik wou alleen maar zeggen, dat de Engelsche krijgers zich ten minste nog kunnen laten voorstaan op meer dan burgerlijke afmetingen in lengte van beenen en breedte van schouders--en, behalve dat, ook dikwijls op eenige wereldkennis en een soms goede opvoeding.

JUDOC. Ik meende, Gabriël, dat we afgesproken waren, geen contrasten te teekenen van Hollandsche en Engelsche toestanden.

GABR. Juist zoo--doch waarom noodzaakt ge mij er toe, door me in de rede te vallen!--Ik laat dan die zonen van Mars buiten 't spel, en wil U slechts verzoeken, mij, ten overvloede, de volgende vraag naar waarheid te beantwoorden. Werdt gij, Judocus, ooit beleedigd, of als vreemdeling bespot, de enkele malen dat ge u verwaardigen wildet voor een oogenblik uw nationale antipathie ter zijde te zetten, en 't u behaagde, met deze-of-gene Dulcinea in een der _boxes_ van Portsmouth's _Music-hall_ plaats te nemen, alwaar ge toch dikwijls omringd waart door sergeants en stuurluî benevens derzelver respectieve uitverkoren beauties--? En vertel me verder: zaagt ge zoo iets in Holland een Engelschman wel eens proberen, zonder dat de man als een wild dier werd aangegaapt en uitgelagchen--?

JUDOC. Laat Holland toch rusten!--Beleedigd--neen, beleedigd juist niet--maar toch----

GABR.--Maar toch--?

JUDOC.--Ja, hoor eens,--je moogt zeggen wat je wilt--ik blijf er bij: ik heb 't zuur aan de Engelschen. Niets in hen van 't jolige en innemende dat den Franschen en Duitschers zoo eigen is, en dat vreemdelingen tot broeders maakt;--de Engelschman staat daar, stokstijf, onwrikbaar op zijn eiland, voor anderen ongenaakbaar, voor zichzelf algenoegzaam. Hij verdient in alle opzigten de naamgenoot te zijn van den breedgemuilden kettinghond: hij verschanst zich in zijn hok, slorpt zijn drank, zwelgt zijn roastbeef; en, als een speelsch medehondje in onschuldige koutzucht hem nadert--»_damn it_", bast hij; of »_what do you want, Sir_", bromt hij; of, »_I'll knock your bl.... brains out--boe, woe, woe_", brult de bullebijter John Bull--!

GABR. Bravo, mijn zoon--uw verontwaardiging grenst aan 't edele! Voeg er bij, om uw hondjes-metaphora te volmaken, dat de wakkere, trouwe _bull-dog_ niet altijd ongelijk heeft, wanneer hij 't onbeduidend, schelschreeuwend keffertje op een afstand houdt.

Maar, in ernst gesproken, Judocus, uw vooroordeel is even ingeworteld als dom.--Dat ge vroeger, vóór uw verblijf in Engeland, zoo dacht, is te begrijpen. Gij hebt, in Delft- en Groningerland, de naburige volken leeren beoordeelen uit weinige en zeer slecht gekozen gegevens.--De Britten meendet ge te kennen: 1°., uit de stokers en zeeluî op de straat en in kroegen; 2°., uit de karikaturen, die in sommige geestige boeken en tijdschriften te vinden zijn; 3°., uit de verschillende categoriën van Sternesche reizigers, die men in onze steden en in Duitsche badplaatsen ziet rondtrekken;--die laatste zijn dikwijls dwaas--en, hoe zou 't anders kunnen: ze reizen met een ziels- of ligchaamskwaal onder de leden, en zijn dus vrij onverschillig omtrent hun omgeving.--De Franschen, daarentegen, hebt gij gemeend vertegenwoordigd te zien door een corps pluimstrijkende _commis-voyageurs_, taalmeesters, kappers en dergelijke poenen. Vooral--en dit pleit noch voor uw smaak, noch voor de degelijkheid van uw karakter--hebt gij de Fransche natie lief gekregen om de produkten van haar suikerzoete, doch walgingwekkende en zwaarvergiftige moderne romanliteratuur, die----

JUDOC. Houd op--blijf niet steken in een tirade, die even zwaar op de hand dreigt te worden, als uw veelgeroemde Walter Scottsche novellen!

GABR. Laster niet, Judocus! Drink u in stilte een roes aan de maagbedervende likeuren der Fransche stokerij;--maar ik bid u--bazuin 't niet zoo rond, dat de fontein des levenden waters voor u gesloten blijft: dat ge de meesterstukken van een Fielding, een Scott en Dickens niet kennen wilt, en dat uw hart en geest slechts behagen vinden in den sentimentelen onzin van een de Balzac, of in de zwarte schilderingen van een Xavier de Montépin: verdoolde talenten, die niet schrijven om 't volk te onderrigten, doch om 't te bedwelmen; die zich daarbij ten doel schijnen gesteld te hebben, alle huislijke deugd en familiebanden te vernietigen, door een bandeloozen omgang met vrouwen als 's menschen hoogste roeping op aarde te prediken--vooral ook echtbreuk als een zeer passende aardigheid en hoogst fashionable tijdkorting aan te bevelen.--Ja, ik bidde u, Judocus, ter wille van uw eigen, goeden, Delfzijlschen familienaam,----

JUDOC.--Bid mij niets!--Ik lees tot mijn uitspanning, en de Fransche lektuur amuseert me nu eenmaal.

GABR. Dan, basta! Met iemand die leest, enkel om zich te _amuseren_, is geen ernstige polemiek mogelijk.--Ik bepaal mij tot een "_argumentum fistulatorium_."

JUDOC. Holla, bedwing op uw beurt uw verontwaardiging!--Ik vraag u, zijn de meeste Fransche klassieken niet boven allen lof verheven?

GABR. Ontwijfelbaar--even als de meeste Fransche romantieken, om de strekking hunner werken, er ver beneden staan.

JUDOC. Bah--toch altijd nog Paul Féval boven uw ziekelijke Misses Oliphant!

Maar, ik weet wel, uw dolle anglomanie wordt alleen geëvenaard door uw haat tegen Franschen en Hollanders.

GABR. Volstrekt niet! Ik vind de Franschen goedig en gul, en, onder zekere voorwaarden, vrij hoffelijk; overigens liberaal in doen en denken, geestig, artistiek, en begaafd met veel gezond verstand, alias, "_household understanding_";--maar, aan den anderen kant, noem ik ze oppervlakkig, partijdig, beginselloos, verwaand zonder reden, zinnelijk en toch koud, en, behalve tegenover vrouwen, dikwijls plomper dan de plompste Bergschot.

Wat aangaat de Hollanders----

JUDOC.--De Hollanders?--wel, zouden er ook onder Bato's zonen enkele deugden huisvesten, die hen in uw hoogwijze oogen genade doen vinden--?

GABR. Ge wordt spijtig, Judocus--de gewone toevlugt van hen, die hun argument moeten laten glippen.--Ik heb mijn volk en vaderland lief--meer dan éénig ander: want in dat vaderland heb ik 't leven ontvangen, en al wat 't leven mij schonk; onder dat volk heb ik ouders en vrienden gevonden. Ik ben trotsch op de groote rol door onze vaderen gespeeld; ik ben overtuigd, dat, ook heden nog, den Hollandschen gentleman niets ontbreekt dan een weinig energie, en een op zijde zetten van kleinsteedsche vooroordeelen, om zich, bij zijn uitnemenden aanleg en veelzijdige studiën, de fijnst beschaafde type van Europa's bewoners te toonen. Ik betreur 't alleen, dat bij ons de beschaving van geest en inborst zich zoo uitsluitend tot enkele standen bepaalt, en dat in den regel, 't gemeen in Holland zoo _ijzingwekkend gemeen_, en de kleine burgerman zoo allerjammerlijkst _plat_ en _burgerlijk_ is.