Chapter 3
Hoe zal ik weêrgeven wat ik gevoelde in die ure! Ik vreesde niet--neen, mijn hart was te vol--daar was geen plaats voor angst of vreeze in mijn boezem;--ik bewonderde, ik aanbad--ik gaf mijn lot over in de handen van mijn Schepper, met 't innig vertrouwen, met de blijde, ontembare, zelfverloochenende vervoering, die de aangrijpende poësie van 't verhevene in ons doet spreken, en die ons--helaas, voor een oogenblik slechts--waarlijk doet zijn wat Hij ons maakte: »een weinig minder dan de Engelen."--Ik vreesde niet;--maar dan ook--dacht ik weêr aan mijn huis, aan mijn moeder en hen die ik lief had, en die ik misschien niet zou weêrzien--: want er was gevaar: dáár, op geringen afstand, was de kust; de vuren van Wight flikkerden bleek doch helder in 't morgenlicht; wit als sneeuw omschuimde een kokende branding de rotsen, die, zonder Gods hulp, straks onze lijken zouden opvangen en terugwerpen.
»Josua," sprak ik, half lagchend, half bevend, terwijl ik hem naar beneden volgde, om een weinig mijn kleêren te droogen--"Josua, onbedachtzame sterveling, uw boude wensen is vervuld: _nu_ wonen we een storm bij." Doch Josua antwoordde niet op mijn gedwongen aardigheid;--Josua zette zich neêr, plat op den grond, en kroop weg achter den grooten mast, om geen gevaar te loopen, een losrakend voorwerp op de teenen te krijgen.
Plotseling doet een donderend gekraak ons ineenkrimpen; de splinters hout vliegen door 't vertrek, en 't weinige dat nog was blijven staan, rolt ons tegen 't lijf. Daar wordt ons luik opengerukt: de tweede stuurman valt meer dan hij loopt naar omlaag--»we zijn naar de haaijen!" roept hij, en de verwilderde blikken van een paar kerels die hem volgen, schijnen niet veel beters te zeggen.--Groote God, we hebben gestooten!--Ik spring op;----o, ik was bedaard--maar, pijnlijk als een hartewond, doorvlijmde mij inwendig de schok van een nog ongekenden doodsangst;--ik zie rond: Josua is verdwenen; onwillekeurig vlieg ik mijn hut binnen: ik woû mijn geld en papieren bij me steken--dan zou ik een reddingsboei pakken--ik kon zwemmen--of neen, liever zou ik mij in de boot trachten te bergen--als er maar plaats was--en niet de hooge deining---- ----»Gabriël, hier, help meê!" klinkt op eens de stem van Josua---------- ----dát bragt me tot bezinning;--»lafaard", sprak mijn hart, »zijt ge alléén hier--wilt ge uzelf 't eerst helpen--voelt ge niet in u de kracht van een man, om met de mannen meê te werken, en te redden wat ge kunt--?" En de gedachte aan nonna Flora, en aan Kareltje en Josephientje gaf me den moed van een Frans Naerebout;--haar, hen allen te redden--met haar in de armen de branding te doorklieven, en den lieven bezwijmden last aan land en leven weêr te geven----dan naar Gretna-green--een hutje in de bergen--met haar, met haar te wonen tusschen de _dens_ en _glens_ van Rob Roy's »_Land o' Cakes_"----!
Gelukkig werd mijn heroïsme niet op zóó zware proef gesteld.
't Bleek alras, dat--ofschoon er wezenlijk gevaar bestond--de roep erger was geweest dan de daad.--Een der groote ijzeren waterketels was over de klampen heengegleden, had een planken beschot dóórgerammeld, en was tegen den wand van 't schip geraakt, met een schok, die 't ergste deed vermoeden; hij stond nu los, en een tweede hevige beweging kon hem doen terugvallen, om met dubbele vaart, en zeker met noodlottig gevolg, tegen de andere zijde te botsen.--Hier was spoedige hulp noodig. Al 't volk dat aan de zeilen kon gemist worden, bragt blokken hout bijeen, die voor den losgeschoven ketel werden opgestapeld; elk die kon, droeg aan; en, zóó duurde 't geen tien minuten, of 't gevaar voor een tweede buiteling was voorkomen.
* * * * *
Ná dit voorval scheen de storm eenigzins te bedaren--een voorkomendheid zijnerzijds, waarvan men menigvuldiger in Fransche melodramas dan in de werkelijkheid staaltjes aantreft. De golfslag evenwel verminderde niet, en maakte onzen toestand nog immer hoogst bedenkelijk. En, wat slimmer was: 't schip had door 't hevig stampen en door dien stoot in de ribben een lek bekomen, zóó erg, dat 't volk onophoudelijk aan de pompen moest staan.--Dit laatste was dan ook de beslissende slag. Van 't voortzetten der reis kon geen sprake zijn. Janmaat werd naar achter geroepen; en, met algemeene stemmen--voor zoover die gehoord werden--besloot onze scheepsraad, de naaste Engelsche haven, Portsmouth, binnen te loopen, om dáár, indien 't oordeel van heeren reeders en assurantiers conform zou luiden, onze zwaar geteisterde arke in 't drooge dok te doen halen, te doen lossen, kalefateren, koperen en verder repareren.
Ik zal niet naar woorden zoeken om te beschrijven, wat al klaagliederen, ja, verwenschingen er, na 't vernemen van dit besluit, uit de heiligdommen der familiehutten werden opgezonden tegen de hemelsche en aardsche magten, die ons zoo jammerlijk van streek hadden geleid;--neen, 't barsche stormgeloei versmoort al die uitroepen van pygmeïsche verbittering. Wij hooren 't dan ook niet, hoe Grogmeijer buldert: »dat hij voor Batavia passage heeft betaald, en niet voor een Engelsche kolenhaven"; hoe de Majoor zijn ega troost, die zoo bang is voor de winterkoû, en voor dronken Engelsche matrozen; hoe Lepidus zweert bij zijn penaten, dat hij zijn promotie zal missen, en zijn neef Asinus hem zal voorgaan; hoe Hupman en Judocus, nonna Coba en nonna Keetje----doch neen, nogmaals neen--we hooren 't niet: de zang van den storm alleen--niet 't gejank dier teleurgestelde myrmidonen--is onzer aandacht waardig.
* * * * *
En, was nu met dit alles de maat van onzen rampspoed vol?
Neen, lezer--ik zal 't u verhalen, hoe dezelfde storm, niet tevreden, 't kaartenhuis onzer plannen en berekeningen te hebben omgeblazen, zich bovendien nog aan onze personen en roerende goederen vergreep: hoe hij, weinig oogenblikken ná 't houden van den scheepsraad, terwijl men begon koers te zetten naar Portsmouth, en wij, arme passagiers van 't tusschendek, om een weinig lucht in ons vunzig hol te doen stroomen, even 't luik hadden opengemaakt--een stortzee bij ons binnenjoeg, die 't water een voet hoog in onze kerk en hutten neêrplaste, bij de hevige beweging van 't schip in ons lokaal op- en afspoelde, en alles wat ligt genoeg was, kleêren, schoenen, enz. op den vloed deed wegdrijven.
Men lacht om zulke voorvallen, als men droog en warm bij 't vuur zit; en, ik beken 't--'t zijn geen rampen, waarvoor men een extra-gebed behoeft te doen aflezen, of een dames-commissie en liefdadigheids-loterij behoeft in 't leven te roepen;--maar zie, toch is 't niet om te lagchen, ten minste voor hem, die op dat oogenblik--terwijl 't water hem over de knieën spat, en hij te vergeefs tracht zijn evenwigt te bewaren op de steigerende, glibberige planken--die, zeg ik, rillend van koû en blazend van ergernis, zijn éénigen jas en broek uitwringt; zijn sigaarkistjes dobberend ziet op de baren van een in zijn hut woedend Zirknitzer-meer; en, erger dan ooit, wanhopen moet aan 't behoud van zijn boeken en kleêren, slechts van 't nat gescheiden door den dunnen wand van een houten koffer--!
Nog werd, terzelfder gelegenheid en door de eigen stortzee, een drietal jeugdige biggen over boord geslagen; en 't droevig lot dezer in den bloei huns levens weggerukte viervoetigen, ontlokte aan aller mond de hartelijkste betuigingen van sympathie en deelneming.--»Bl.......... stommerik!" schold de kapitein den timmerman, daar hij 't hok niet vast genoeg gesjord had.--»Verduiveld jammer!" meende 't echtelijk paar der Grogmeijers.--»_Schade, schade!_" zuchtte Fräulein Einheit, die veel hield van worst zonder trichinen.--»_Kasihan!_"[4] lispelde nonna Flora, toen de angstkreet der drenkelingen in de verte wegstierf--»_Kasihan_, stomme diertjes!"--En _ik_ zweer, Hoogvliet's goddelijke lankmoedigheid had met eigen mond dat _kasihan_ niet zachter, niet gevoelvoller, niet lankmoediger kunnen uitspreken, dan 't klonk van de rozelippen mijner zoete nonna Flora!--Gelukkige biggen, nog te jong om uw geluk te beseffen----om harentwille, om nonna Flora's wille, wijd ook de nooit spek etende Gabriël u een traan, en snuit, weemoedig snikkend, zijn verkouden neus--u, biggetjes, en uwer arme zielen ten requiem--!
* * * * *
Intusschen beletteden zóó talrijke en veelzijdige aandoeningen ons niet, dien nacht, geruster dan den vorigen, ons bedwaarts te begeven.--Morpheus ontfermde zich over onze vermoeide ledematen. Aeolus over ons afgebeuld clipperschip; en 't gulden ochtendrood vond ons veilig voor Spithead ten anker.
November, 1865.
PORTSMOUTH BINNEN.
(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK).
_The road of Spithead._--Van hier, dacht ik, zeilden Marryat's _midshipmen_ uit, om er--na 't verrigten van tallooze exploiten tegen Franschen en Hollanders, en 't stoven van onnoemelijke koolen aan hun wettig gestelde superieuren--met lauweren gekroond terug te keeren. O, schim van Percival Keene, en gij, veelgetrouwe Jacob Eerlijk--hoe benijdenswaard was uwlieder lot op aarde: gij, die als contrabande of als vondelingen werdt in 't leven geschopt, en voor wien uw schepper toch steeds rijkdom, rang en een lieve vrouw in 't vat hield--!--En ik, Gabriël, van onberispelijke ouders, onder een welwillende constellatie geboren, met de bevalligste talenten toegerust--ik, Gabriël, die nooit schulden maakte, nooit bloed vergoot, en nooit jongejufvrouwen den zielenvrede stal--zie mij gedwongen, in den gehaten Oost een sober bestaan te zoeken--ja, moest onlangs juist dáárom, _mirabile dictu!_--ofschoon ik niet aan den drank, doch gereformeerd ben, en geen knevels, doch nette blonde bakbaardjes draag--bij een dom burgerkind, dat ik met mijn naam, rang en traktement--van mijn persoon sprak ik niet--'reis regt gelukkig woû maken, een ijskoud blaauwtje oploopen.--»Wee mij," riep ik, in de bitterheid mijner ziele--»wee mij!--Gerrit Witse mogt wenschen, een stommeling te zijn--en hij had regt. Doch ik, Gabriël, die een stommeling _ben_--ik zou kunnen bidden: och, dat ik een Carlo Moor, een Gustaaf de Losbol--dat ik een Percival Keene, een Jacob Eerlijk--och, dat ik een romanheld ware!"
* * * * *
Onder deze en dergelijke hartverscheurende overdenkingen, wandelde ik, half wakend, half droomend, de campagne op en af; en niemand kan berekenen, tot welke gruwelijk antisociale gevolgtrekkingen mijn alleenspraak me zou geleid hebben, noch, in hoe korten tijd mijn geest, zoo speculerend, van Spithead tot aan Tawaï-Poenamoe was verdwaald--indien niet tijdig mijn aandacht ware afgetrokken door de machine, die, steunend en blazend, onze »Meermin" van de buitenreê naar de haven ging slepen.--Ik schudde den nevel mijner overpeinzingen van me, en overtuigde mij alras, dat mijn vleeschelijk oog, meer nog dan mijn geestelijk, hier stof tot opmerking kon vinden.
* * * * *
't Was een regt levendig panorama, dat zich vóór en rondom ons uitstrekte. Vrolijk scheen de winterzon over de tot rust gebragte wateren, lustig dreunde 't geschut van batterij en oorlogsbrik--de kogels huppelden over de golven, gelijk steentjes waarmeê we als jongens den vijver scheerden; en honderd bonte vlaggen wapperden van steng en gaffel, als zooveel huldetolken van de verschillende natiën, die aan Albion's kust een veilige schuilplaats hadden gevonden.
Toch stonden de aangezigten onzer scheepsgenooten droeviger dan ooit: hun oproerige woede van gister had, even als de storm, uitgeraasd, om plaats te maken voor een stille, mokkende onderwerping, die zich 't duidelijkst--in een somber, dreigend, onheilbroeijend, angstverwekkend zwijgen, had geopenbaard, toen de kapitein, gedurende 't ontbijt, op officiëlen toon had meêgedeeld, 't geen elk reeds wist doch niemand hooren wilde, namelijk, dat, volgens artikel _zooveel_ van de scheepvaartwet: »de passagiers van een schip gehouden zijn, op eigen kosten een onderkomen aan den wal te zoeken, ingeval en gedurende den tijd, dat meergemelde bodem in eenige haven wegens averij binnenloopt en vertoeft."
Voorloopig had wel de Heer Hupman--geconfijt, als hij was, in staatsbladen--velen onzer gerustgesteld met de aanhaling van zeker Koninklijk Besluit, waarbij, in dergelijke eventualiteiten, aan gouvernementspassagiers een tegemoetkoming van f 10.--'s daags wordt toegestaan--edoch, niet allen waren zoo gelukkig den rang van landsambtenaar te bekleeden--ergo: niet allen zouden de behulpzame hand mogen vatten, die een moederlijk bezorgde Regering hier, bij uitzondering, slechts haren goede en getrouwe dienstknechten meende te moeten toereiken. Daar was Fräulein Einheit, particuliere, wier geheel Hessisch vaderland bij verkoop niet zóóveel zou opbrengen, als zij in 't dure Engeland zou moeten verteren; en Mevrouw Tripvoet, particuliere, die »met den handschoen was getrouwd", en al haar geldje in haar uitrusting had gestoken; daar was ook de rampzalige Lepidus, particulier, met vrouw en kroost en bijhebbende baboe--maar hij was »van Britsche extractie", beweerde hij, en zou in London bij een neef van hem gaan logeren.
Na verloop van een half uur lag ons vaartuig in 't dok, en kwamen de _custom-officers_ aan boord. »_Sic an host of idle English gaugers and excisemen as hae come down to vex and torment us, that an honest man canna fetch sae muckle as a bit anker o' brandy frae Leith to the Lawnmarket, but he's like to be rubbit o' the very gudes he's bought and paid for._"--Niet, dat de menschen onbeleefd waren--doch ze kenden hun pligt: al onze sigaren, tabak en dranken moesten afgegeven worden, en zagen we in een leêge hut onder zegel weggestopt. Schrijver dezes ondervond ook hier weêr, hoe een goed woord en een gulle hand wonderen verrigten: een honderdtal sigaren en een pond fijnen Portorico deed hij zóó, zonder al te schandelijke machinatiën, van uit de klaauwen der wet in de plooijen zijner reistasch overgaan. Zijn medebroeders in de verdrukking, waarvan de meeste de tale Babylon's niet magtig waren, kwamen er echter minder goed af; en, niet weinig waren de rond orthodoxe verwenschingen, die naar 't hoofd werden gesmeten van een natie, zóó barbaarsch en ongastvrij, dat ze den vreemdeling, den hulploozen schipbreukeling, zelfs de pijp tabak en 't slokje klare, die eenige troosters in tegenspoed, willekeurig dorst ontzeggen:--»ze waren toch geen marskramers, geen vagebonden, die schagcheren zouden in gesmokkelden jenever en tabak; neen--'t was niets dan nijd en afgunst van John Bull, die zelf geen redelijke sigaar te rooken, of goeden borrel over de lippen kreeg, doch zich met stinkenden _shag_ en slappen _whisky_ moest behelpen: en 't daarom een ander niet gunde, dat die zich aan beter kost te goed deed."--Zonder nu, in deze hoogst teedere kwestie, vóór of tegen John Bull te durven beslissen, en in deze ons geheel onderwerpend aan de nadere uitspraak van een bevoegd staathuishoudkundig lezer, willen wij ons bepalen tot de vermelding van 't feit, dat, na aldus successievelijk ten speelbal te hebben gestrekt aan winden, wateren en willekeurige wetten, onze reizigers vrij knorrig gestemd aan wal stapten.
Onze eerste gang was naar den Consul, den Heer Q., een Hollander, die tevens Consul was voor Frankrijk, Italië, Rusland, Zweden, en, de hemel weet 't, waarschijnlijk ook voor Mesopotamië en Monomotapa. Deze Heer was ontwijfelbaar eenige duizend jaren te laat in 't leven getreden: hij toch had, gedurende den wereldberoemden torenbouw, onbetaalbare diensten kunnen presteren, daar hij, volgens algemeen beweren, niet minder dan zeventien talen sprak--hoewel geen enkele slechter dan zijn eigen moedertaal--behalve misschien 't Patagonisch. In zijn hoedanigheid van Consulair Agent beloofde hij ons herhaaldelijk en op 't nadrukkelijkst, de belangen zijner landgenooten te zullen behartigen; van welke patriotische gezindheid hij ons al dadelijk een doorslaand bewijs gaf, door onze goede Hollandsche bankbiljetten wel, tegen een matige provisie van 10%, te willen inwisselen.
Een tweede, nog gewigtiger pligt, bestond in 't zoeken van kamers voor de verschillende familiën. Dit ging niet zoo gemakkelijk, daar 't oordeel van respectieve vaders en moeders, hoofden der huisgezinnen, ten opzigte van stand en huurprijs telkens lijnregt vijandig tegenover elkander stond. Vooral de Heer Grogmeijer had een zwaren strijd met zijn wederhelft te strijden, toen hij, na verscheiden woningen als onuitstaanbaar smerig te hebben afgekeurd, ten laatste zijn zinnen scheen gezet te hebben op de kamers van zekere _Missis_ North, die een paar ooglijke dochters tot assistenten had. De kamp tusschen vrouwelijken argwaan en mannelijk gezag was juist op 't vinnigst, toen men eindelijk des geduchten Grogmeijer's haan hoorde koning kraaijen--dank zij de plotselinge tusschenkomst van den Majoor, die zelf, met groote waardigheid, doch in slecht Engelsch, er toe overging, voor zich en de zijnen bij genoemde _Missis_ North kamers te bespreken: tot loon van welke bemoeijenis hij zich, zoolang de zeereis duurde, heeft moeten buigen onder de venijnige schampscheuten, waarmeê de overwonnen _she_-Grogmeijer goedvond, zijn reputatie als getrouw en onkreukbaar echtgenoot te havenen.--Hem volgden, behalve de Grogmeijers, ook Mevrouw Tripvoet, mitsgaders de hoogst gezellige, hoogst sociale en galante Heer Hupman.--De door 't geluk verlaten Lepidus, die zijn stamboom even scheen nagezien te hebben, en bevonden, dat hij den Londonschen neef toch wat al te ver bestond om op gastvrijheid te kunnen rekenen--hij, zeg ik, met vrouw, kroost, bijhebbende baboe, en de Hessische Einheit aan 't lijntje, sloeg zijn tenten op bij den koekbakker Horris. Ik geleidde hem daarheen, om voor hem, tegenover den huisbaas, 't woord te doen; en moest bij die gelegenheid 's mans bittere klagt aanhooren: hoe hij, die nu, pas drie weken geleden, Duitsch had moeten aanleeren, om zich bij zijn beschermelinge, Fräulein Einheit, verstaanbaar te maken--nu weêr genoodzaakt was, zich van-meet-af-aan in 't Engelsch te gaan oefenen;--dat was dan ook waarlijk te veel voor iemand, die zich zelfs in 't Hollandsch niet dan hoogst onvolmaakt uitdrukte.--Wij eindelijk, Josua, Judocus en Gabriël, huurden ons een nederigen optrek onder de vleugelen van zekere eerzame weduwe Weeks, een stijve, puriteinachtig uitziende oude vrouw, die dan ook toonde, meer zorg te dragen voor 't heil harer onsterfelijke ziele, dan voor 't welzijn en comfort van haar dikwijls hongerige en verkleumde commensalen.
* * * * *
Dús zagen we ons allen op Britsch grondgebied onder dak gebragt.--De eerste dagen werd er veel gepreuteld, en klaagde men over verveling. Judocus had spijt, dat we niet in een Fransche haven waren binnengeloopen: hij haatte de Engelschen, omdat ze Engelsch spraken--'t geen hij niet verstond, ofschoon hij 't op de school toch perfect geleerd had; en omdat ze groenten zonder zout kookten--'t geen hij niet lustte; en vóóral, bóvenal haatte hij ze--omdat ze Engelschen waren. Zelfs Josua, de geboren, luchthartige wereldburger, hield nog immer vast aan een oud-Europeesch vooroordeel, en bleef zijn sympathie weigeren aan 't geen hij noemde »stijve goddam's."--Doch, eilieve, Josua mijn vriend--wie u een week na dato had ontmoet, toen ge rondfladderdet als de derde Kalender, Koningszoon, in 't tooverpaleis der veertig jonkvrouwen----zou u voorwaar eêr hebben doen gelooven aan Nederlandsche energie, Pruissische redelijkheid, of Chineesch liberalisme--dan aan _Engelsche stijfheid_--?
November, 1865.
LONDON-BRIDGE.
(GABRIËL AAN ZIJN BROÊR WILLIBALD).
And I think how many thousands Of care-encumbered men, Each bearing his burden of sorrow, Have crossed the bridge since then.
LONGFELLOW.
_Andante con moto._
_Toen_--en _nu_!
_Toen_ was ik een arm studentje;--_nu_ was ik »Ambtenaar van den Staat," _Toen_ had ik minder pennies in den zak--dan _nu_ shillings. _Toen_ trok ik te voet door straat en steeg, en besproeide in een armelijk bierhuis mijn boterlooze boterham met _twopenny_ ale;--_nu_ stond op mijn wenken een _cab_ gereed, en kon ik mijn plaats in _Her Majesty's_ betalen, en smulde ik, als 't mij lustte, volop den geurigsten _negus_ in _the Royal Alhambra_. _Toen_---- ----en toch, broêr Willibald--had ik gaarne al mijn pas verworven rijkdommen gegeven--om nogeens te kruijen door dik en dun, gelijk ik _'t toen_ deed; ik had mijn schitterendste vooruitzigten, ja, 't lichtend visioen van den goudgeranden residentspet, blijmoedig in burgerlijke onbeduidendheid zien ondergaan--om nogeens bitter bier te drinken, zooals ik 't dronk in de nederige kroegjes die ik _toen_ bezocht.
Want _toen_, broêr Willibald, slenterde en dronk ik met U--en _nu_ dwaalde ik alléén er rond.
* * * * *
En weêr toefde ik op de brug: weêr leunde ik mij aan de breede balustrade, en zette mij neder op een der steenen banken aan den kant.
* * * * *
Ja, _London-bridge_ was nog dezelfde gebleven. _Nu_, als toen, broêr Willibald, gleed onder mij de snelle rivier, »_the silent highway_"; _nu_, als _toen_, schemerde in de verte, een berg van zilver, de maanverlichte globe van _St. Paul_'s magtigen koepeldom; _nu_, als _toen_, raasde vóór mij, langs mij heen, de onafgebroken stroom van menschen en menschelijke werken, woelend en in regelmatige verwarring zich verdringend, slovend en zwoegend, elk voor zich--dezelfde sprekende, schreeuwende, joelende, gonzende, ratelende schilderij van 't geen men in onze groote steden _leven_ noemt.
Maar, gelijk de wateren van den Thames gewisseld hadden sedert _toen_--gewisseld en nogmaals gewisseld; gelijk de atoompjes die _toen_ zijn bed vulden, door andere waren vervangen--: zóó ook was de levende stroom die mij voorbijholde, niet onveranderd gebleven: nieuwe beekjes waren toegeschoten, en de oceaan der eeuwigheid had zijn tol geeischt.--Ichabod! hoevele waren er _toen_ onder die drokke voorbijgangers, die, als pelgrims op de verraderlijke brug des levens,[5] dansend en juichend hun weg vervolgden; andere, die peinzend voorttraden; nog andere, ijverig de veelkleurige luchtbellen najagend, die hoop en eerzucht hun vóórtooverden; hoevele ook, die _nu_, een korte wijle later, reeds gestruikeld waren, en, als ze 't minst er aan dachten, voor immer verdwenen in den zwarten vloed des tijds.--»_Surely,_" zuchtte ik met Mirza, »_man is but a shadow, and life a dream. Alas, how are we given away to misery and mortality!--tortured in life, and swallowed up in death!_" ------ ------ ------_halfpenny Sir, halfpenny!_" --En 't schelle stemmetje van een haveloozen straatjongen, gevoegd bij de onzachte aanraking waarin hij zijn houten schoentje met mijn likdoorn brengt--roept mijn geest terug in de valleijen van 't dagelijksch leven, wáár ik, onder grazende ossen, schapen en kameelen, er één vond: een blatend bokje--_dat muskus-lucifers verkocht_.
London. November, 1865.
[Footnote 3: Zie: Staring, »Thor, als Visscher"; en, Walter Scott, »_The lay of the last Minstrel_", Note 47.]
[Footnote 4: Maleisch: een uitroep van medelijden.]
[Footnote 5: »_The Vision of Mirza._"]
IN »POETS CORNER."
(GEDEELTELIJK NAAR AANLEIDING VAN WASH. IRVING'S »WESTMINSTER ABBEY").
_Religioso_.
Zacht--zacht! Ontdekt uwe hoofden, schudt 't stof van uw voetzolen: de grond dien we betreden is heilig. Heilig!--ja: want hier rust 't stof van onsterfelijke dooden!--Zie rond, menschenkind, en lees de namen die gegrift staan in 't marmer: zie, lees--en buig 't hoofd in eerbied en zwijgend nadenken!
* * * * *
We hebben de Abbey doorgewandeld.
* * * * *
Niet lang toefden we bij de trotsche kapel van Henry VII; we stonden niet in bewondering bij Buckingham's gedenkteeken, noch bij de eerzuilen van honderd Helden en Grooten der aarde.