Ontboezemingen

Chapter 2

Chapter 23,772 wordsPublic domain

De lucht hing zwoel en dampig, de zee lag kalm en vriendelijk: 't was de ziekelijke kalmte van een dier slaperige, half heldere, half mistige herfstdagen, die over alles een waas spreiden van kwijnende lusteloosheid. Mat en glansloos stond de ondergaande najaarszon aan den melkkleurigen hemel: ze straalde niet, ze verborg zich ook niet--doch met den glimlach eener stervende scheen ze weemoedig op ons neêr te zien, alsof ook zij afscheid nam, en zich terugtrok uit een vreugdeloos leven.--Had een orkaan mij door de haren geblazen, had een tropische gloed mij de wangen gebrand--'t ware mij liever geweest: onder storm en bliksem, als een Vliegende Hollander gedreven, had ik mijn vaderland willen verlaten! Maar nu--die slappe koelte, die slechts aarzelend de zeilen vulde; die dof glinsterende golfjes, die mij, den nieuweling, zoo vreedzaam lonkend welkom heetten--o, 't was of hun kruipende tred mij grafwaarts voerde!

Wat zou ze met mij doen, de magtige Zee? Zou ze mij brengen naar een land van leven en arbeid, waar ten minste een stoffelijk fortuin en een rijke natuur mij de ballingschap zouden verzoeten;--of, naar een land van heimwee, en nieuwe, ongedeelde beproeving? Zou ze mij later _nog eens_ liefderijk opnemen, en me, zielsverlangend, terugdragen naar 't ouderlijk huis;--of, zou ze mij achterlaten in 't verre oord, om mij slechts troost en rust te gunnen in 't graf van den vreemdeling--?--Ja, had ik Ulieden bij me--gij, die me altoos liever waart dan ziel en zaligheid!--met wat vreugd zou ik haar begroeten, die wijde zee; met wat vervoering zou ik uitroepen: »_Thalatta, Thalatta, sei mir gegrüsst!_" Dan zou geen vreemdelingschap mij hard vallen; ik zou den geboortegrond weinig betreuren: want, gelijk de dagen vele zijn, dat droeve mist en regen dien bodem omhullen--zóó waren ook talrijk de zorgen, die mijn jonkheid er doorworstelen moest. Vol moed en levenslust zouden we zamen 't nieuwe leven zijn ingetreden: ligt toch, dat we elders wat meer zon en vreugd vonden, dan onder den karigen hemel dien we vaarwel zeiden. Ook op den breeden Oceaan, ook in de wildernissen van 't verre Oosten, zouden we, in elkaârs stem en blik, in elkaârs warmen handdruk, alles blijven vinden wat 't leven ons kostelijks schonk; ook dáár zouden liefde en huislijke vrede ons een _t'huis_ hebben geschapen.------Maar gij zijt achtergebleven--en ik ben alléén gegaan; alléén ben ik: vrijwillig banneling, voor een weinig geld, dat ik altoos verachtte!--Moeder, en broêr, en zuster--waar zijt gij! Neen--staat niet vóór me als schimmen uit 't verleden, als spookgestalten van beminde dooden! We dachten immers ten beste te handelen; 't was immers goed en noodig, dat ik heenging, om in den vreemde 't brood te zoeken dat 't vaderland mij scheen te weigeren; 't was goed en noodig, dat ik den zoeten band verbrak, die ons als één deed leven en ademen; dat ik opwaakte uit de droomen en spelen mijner jeugd, om te gaan arbeiden voor ons aller toekomst. Verwijt 't mij dan niet, dat ik uw woning gemaakt heb als een sterfhuis, waarin er één gemist wordt, die wég is, voor jaren, jaren--misschien voor altijd! En is er een plaats ledig aan den disch, is de kleine kring gebroken rond den haard--o, moeder, schrei niet, tob niet; lach, wees vrolijk--doe, wat ikzelf te vergeefs zal trachten: vergeet en hoop!

* * * * *

Zóó zat ik, en tuurde.--En toen ik uit mijn mijmering ontwaakte, waren de oude vuurtorens niet meer daar; doch, door den nevel mijner tranen, zag ik--een kleurloos uitspansel en een loodgraauwe zee--lucht en water--niets meer!

* * * * *

Daar klinkt een schorre kreet--»hip hip hip, hoera!"--De laatste baak is gepasseerd--»welkom, welkom in zee!"--De kapitein houdt een speech, waarin hij spreekt van »eendragt, sympathie, wederzijdsche hoogachting en onderling vertrouwen"; de stuurluî volgen, tot bootsman en hofmeester toe--alles geeft handjes en wenscht een voorspoedige reis. En roode- en rhijnwijn gaan rond, likeuren, bitter en madeira: men klinkt en drinkt, men lacht en joolt, en neemt de zaak luchtig op: een overbevolkt moeras heeft men immers verlaten--een eeuwig bloeijenden lusthof gaat men te gemoet----o zoete waan!--Doch _ik_ wist beter.--Wel nam ik den wijn, en klonk en dronk;--maar ik was niet vrolijk, moederlief--vrolijk was Gabriël niet.

October 1865.

AAN DE NOORDZEE.

Heil dir! du junge Königin!

HEINE.

Pomposo e con brio.

Ook U is de kroon der poësie ontroofd, Zee van mijn Vaderland! Ook gij zijt niet meer die ge vroeger waart: vroeger, toen 't Godendom troonde over de wonderen uwer diepte; als uw strand weêrgalmde van vreugdekreten uit Gladheim en Asgard's Reuzenstoet uit peuren toog aan uw oevers, of konijnen strikte in uw duin.

Wie heeft de Helden der Edda verstrooid? Wie heeft Krakèn opgeschrikt van uit uw afgrond, en Jormungandr[3] uw kolken doen verlaten?--Was 't Thor met zijn moker, of Hymer met zijn vischhoek?

De mensch, die worm der schepping, heeft zich meester gemaakt van uw gebied; met de Runenspreuken zijns vernufts heeft hij uw golven getemd; met den bezem zijner beschaving heeft hij Goden en Monsters weggevaagd, tot aan 't uiterste einde van 't bevrozen Thule.--Waar eertijds de Weefzang der Walkyren uw strand deed daveren--klinkt thans 't ruischend maatgeluid van Botgorschek's kapel; waar, in angst en strijd, de woeste Kaninefaat zijn terpen bouwde--ziet men badkoetsjes rijden in zee, en schoone dames, lagchend en gerust, zich flodderend vermeijen in uw versterkend nat. Waar toen, de fiere Zeekoning zijn met roof beladen hulkje zag te gronde gaan, waar de stoute wereldveroveraar zijn beste gaven offerde om uw woede te bezweren--vliegen nu, trots wind en stroomen, trots Monsters en Goden, duizend scherpgekielde vaartuigen, uw golven doorklievend, en spottend met uw verloren grootheid--als waart ge niet sterker dan 't plasje, waarop kinderen spelevaren.

* * * * *

Ja, de kroon der poësie is U ontroofd!

* * * * *

Maar treur niet, Zee van 't Noorden, treur niet: want een andere kroon is U opgezet.

Aanzie wat ge waart in de dagen van Hymer en Thor; aanzie ook wat ge _nu_ zijt!--: Zijt ge niet, meer dan toen, de eerste, de Koninginne onder de zeeën!--Van dáár, waar ge de Landhoofden vaneenscheidt, om een doortogt te banen voor de boden, van weelde en beschaving--tot aan den breeden zoom, waar ge, spokend langs Noorweêgs klipgevaarten, tezaâmvloeit met de graauwe wateren der ijzige Poolzee--zijt ge niet overal 't middenpunt, dat de volkeren van wijd-en-zijd tot zich trekt!

Wél is der Goden veste in puin gevallen;--maar zijn niet de hoofdzetels der menschen, zijn niet London en Harwich, Brouwershaven en Katwijk verrezen aan uw oevers!--Wél wascht niet meer uw branding eens Odin's doorluchtig voetenpaar;--doch hebben niet andere godjes, hebben niet Victoria en Napoleon III, Bismarck en Heemstra hun gansche goddelijk ligchaam in uw zilt gedompeld!--Wél is der Noren brandfakkel uitgebluscht;--maar hebben niet Tromp en de Ruijter, Merrimac en Monitor 't lot der natiën beslist op uw vlakte!--Wél verstomde voor goed der Skalden harpgetokkel;--maar heeft niet Heinrich Heine u bezongen, Noordzee--en ben _ik_ niet bezig uw lof te verkonden, ik, Gabriël--ik!

* * * * *

En nog wreekt ge U soms, ondankbare, op den mensch, die U den eerelauwer rond de slapen vlocht! Nog, wanneer een bode van 't Noordwesten U uit den doodslaap wekt, en U heimelijk tijding influistert van de verbannen Goden daarginds----trilt en hijgt uw boezem bij de herinnering; dan jaagt de toorn nijdige rimpels over uw fronsend voorhoofd; dan staat gij op, in blinde woede, en beukt 't schamel bolwerk dat ge opwierpt tegen U zelf; of vergrijpt U aan goed en leven van den armen visscher, die van Goden noch Godinnen weet.

Zelfs op _mij_ schijnt ge heden vergramd te zijn, omdat ik U spreken dorst van langvervlogen heerlijkheid: zelfs _mijn_ barkje schudt en schommelt ge, als kon 't zwakke ding 't gebeteren, dat Thor, Thor niet meer is.--Zeg, Noordzee--is dát 't loon voor mijn lofzang; betaalt gij zóó uw barden, dat ge hen zeeziek maakt!

Toch heb ik U lief, Zee van mijn Vaderland; sombere schoone, met uw sluijer van nevel en mist! Moeder van Hollands rijkdom, Schutgodin van Engelands magt--ik heb U lief! En ter uwer eere heb ik dit lied aangeheven, zamen met de luide stem van den wind die me U te gemoet voert!

Want schoon zijt ge nog--als in de ure, toen Caligula schelpjes zamelde aan uw strand. En is ook de Krakèn tot panharing geworden, en de Zeeslang tot kabeljaauw--toch blijft Gij immer nog de Magtige, de Gevreesde, de Hooggeprezene--eeuwig, eeuwig--zoolang er water zal zijn in uw bed, en zand aan uw oevers!

Zee van mijn duinen--ik heb U lief!

October, 1865.

EEN EERSTE STORM.

(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK).

I.

Captain, quoth he, for Heaven's sake, let us get ashore.

STERNE.

We zaten nog vrij laat bij elkaâr, in dien gedenkwaardigen nacht van 24 op 25 October. Reeds driemaal was Judocus sluikelings in zijn kooi gekropen, en had geronkt als de Hond der Zeven Slapers; maar ook driemaal reeds had men hem er bij de ooren weêr uitgetrokken; een pijp was hem in den mond en een glas onder den neus gestopt; zóó, dampend en gapend alle drie, als Etna, Hekla en Vesuvius, hadden we ons nog een uurtje verplaatst in 't oude Delftsche leven, en voor korten tijd 't vreemde en onhuislijke van onzen toestand vergeten.

»Jongen," riep Josua, bij 't goênachtwenschen, »'k mag lijden dat we toch ook 'reis een storm bijwonen!"--»O wee," kermde Judocus, van achter 't kooigordijntje--.

»_Glücklich der Mann, der den Haven erreicht hat,_ _Und hinter sich liesz das Meer und die Stürme,_ _Und jetzo warm und ruhig sitzt_ _Im guten Rathskeller zu Bremen._"

Vijf minuten daarna sliepen we als regtvaardigen, snorkten als bandieten, en droomden als poëten bij maneschijn.

* * * * *

Naauw hadden we zoo, in volle gerustheid des gewetens, een zekeren tijd geslapen, gesnorkt en gedroomd,--lang kon 't niet wezen, want onze kajuitslamp brandde nog,--toen ik, Gabriël, gewekt werd door----ja, door iets dat me wakker maakte; ik luister: een onbeschrijflijke mengeling van trommelvliesscheurende klanken vult mijn oor;--daar volgt een slag--een gerinkel als van brekend glas;--ik spring mijn kooi uit, loop naar de tafel, en--zie daar vooreerst Josua, juist 't zelfde doende wat ik deed, d. w. z.: zich angstig vastklemmend aan 't deurtje van zijn hut, en in 't wilde rondstarend als een uitgebroken Meerenberger.

De gewenschte storm was gekomen. De woeste Favonius had zich losgerukt van Labrador's ijsvelden, en had, de zee beroerend, en over onze »Meermin" blazend, in ons tusschendek al dadelijk een verwarring te weeg gebragt, waarvan ik niet gemakkelijk een denkbeeld geven kan.

Een vreeselijk kraken overstemde elk ander geluid: knarsend en donderend ging 't bij iedere schommeling door de planken beschotten van ons lokaal. We konden ons dus niet dan door schreeuwen verstaanbaar maken; doch, waren onze ooren ons van weinig dienst--we zagen beiden nog zeer goed uit de oogen, en--wat we zagen was verschrikkelijk. Alles lag 't onderst boven: koffers en kisten bonsten tegen elkaâr--want nog niemand had er aan gedacht, de noodige klampjes te slaan--, een flesch jenever was met eenige glazen van 't schommelbord geslagen, en had 't geklimper veroorzaakt, dat ons deed ontwaken; stoelen en pijpen, boeken en inktkokers hotsten in bonte mengeling dooreen; daar was een rollen en rommelen, een glijden en glibberen, een wippen en wiggelen, een stooten en stommelen--als waren de gebroeders Davenport met al hun klopgeesten los. Bij alle krachten en resultanten--hier had Galileï zijn hellend vlak kunnen bestuderen! Zelfs Judocus was uit zijn kooi gejoept, en wedijverde in rolvermogen met zijn wijnkist en vuillinnen-mand!--We trachten een-en-ander wat op te rapen, de koffers vast te zetten, en 't breekbaar tuig in veiligheid te stellen. Josua bemerkte tot zijn vreugd, dat de schiedammerflesch aan alle schokken had weêrstand geboden; in de gaauwigheid vergewiste hij zich tevens van den inhoud, en bevond ook dien onveranderd. Ikzelf redde nog, juist bij tijds, mijn vioolkist en huisapotheek van een wissen en noodlottigen val. Dat alles hield ons wel een half uur bezig; we waren koud en slaperig, en oordeelden 't dus best, 't voorbeeld van Judocus te volgen, die, met ware Oost-Friesche kalmte, besloten had, 't hem beschoren fatum liever liggend dan staand te blijven afwachten;----maar, toen ik mijn bed wil instappen, trap ik in een killen waterplas: ik vloek, zie rond,--hemel, hebben we een lek gemaakt, gaan we te gronde!--neen, Goden en Tritons: 't receptaculum van mijn waschwater is omgevallen, de daarin besloten vloeistof heeft zich naar alle kanten een weg gebaand, besprenkelt mijn legerstede, doorweekt mijn sloffen, en deelt zich overvloediglijk mede aan mijn kleêren, die, mét 't krukje waarop ik ze neêrlegde, zijn omgesmeten--!

»Geduld is zulk een schoone zaak"!--Juist, mijn brave Sancte Hieronyme, uw kindervaersjens zijn allerliefst, wat ook de Genestet en onze geëmancipeerde schooljeugd er van zeggen--maar, als ge mij de daarin vervatte waarheden toen waart komen voorrijmelen, geloof ik, dat ik U, ondanks mijn ouderwetschen wansmaak, met uw vermakelijken »bondel gedichtjens," regt smakelijk om de ooren had geslagen--!

* * * * *

's Morgens vonden we den wind naar 't Zuidwesten geloopen, doch in hevigheid nog toegenomen. We kleedden ons zoo goed mogelijk, en klommen naar boven.--Dáár wachtte ons een prachtig schouwspel.

De zee stond hol, en vloog met stoute golven te loever aan.--Hoe ze steigeren en ploffen door elkaâr, jagend voortgestuwd door den magtigen Zuidwester; als rollende zandheuvels, stuivend en door een onderaardsche kracht geschud, vormen ze dalen en puntig opschietende toppen; dreunend beuken ze den zwakken scheepswand; werpen keer-op-keer den in schuim gehulden boegspriet ten hemel, of doen den scherpen voorsteven wegzinken in den kuil, dien ze zooeven berghoog vulden!--Hoe klein vond ik alles aan boord, hoe nietig 't gansche trotsche zeekasteel! Maar hoe groot en sterk scheen me, in anderen en mijzelf, de mensch die 't naar zijn wil bestuurde: hoe dacht me de man aan 't roer een held; hoe straalde er moed uit die kloeke, harde trekken; hoe lustig en bezig waren ze allen, als voelden ze zich nu eerst op hun plaats! En ook _mijn_ aanzijn als »Koning der Schepselen »gevoelde ik sterker en magtiger dan ooit: want ook _ik_ had moed, ook ik was rustig en vertrouwend te midden der woeste wateren--gelijk een kind, in moeders armen gewiegd! O, 't was wel zooals ik verwacht had: die omgeving deed mij goed. Dat huilen van den wind, die geheel bewogen natuur rondom mij, 't opwekkend denkbeeld aan mogelijk gevaar--alles prikkelde mijn verbeelding, en deed mijn bloed weêr eens warm en jeugdig vloeijen--ja, voor de eerste maal sints 't smartlijk scheiden, zweeg de stem van knagend heimwee in mijn borst, en voelde ik een fantastische, half onzinnige vreugd, dat ik mijn moederlijk huis verlaten had: een vreugd, zooals ze Robinson Crusoe moet bezield hebben, toen hij voor 't eerst zich op de groene golven naar de verre kust zijner droomen zag heengedragen.--Lang stond ik zóó, me vastklemmend aan een touw. En ik telde 't niet, dat de storm me bijna omblies, en dat plassen zeewater mij in 't gezigt spatten--: opgetogen, boven al 't aardsche verheven, was 't me of ik dien mast had kunnen omrukken; of _ik_ 't was, die den wind gebood, en de golven wenkte, en als meester bevel voerde over den strijd der elementen--!

* * * * *

Eilaas--»stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeeren."

Ik smaakte pas in al zijn volheid 't aetherisch genot van een ongestoord bewonderen der worstelende natuurkrachten--toen een hoogst stoffelijk voorval mij tot mezelf en de stoffelijke wereld terugriep.

Mijn waardige Judocus, die reeds den vorigen dag zich heel onwel had gevoeld, kwam doodsbleek en stervensbenaauwd op de campagne gekropen, met 't loffelijk voornemen, om, in vertrouwelijke overgave des harten, zijn maag en gemoed eens uit te storten aan den boezem zelf van de hem teisterende baren. Juist wilde hij zich over de leuning bukken----boem--daar vliegt hem een opspattende zee in 't gezigt, en slaat hem, van 't hoofd tot de voeten doornat, terug.--»Hel en dood!" vloekte de patiënt.--»Bravissimo!" lachten de omstanders.--»Voelt u zich niet wat frisscher nu?" spotte Hupman, die zelf te beroerd was dat hij op de beenen stond;--Judocus bromde iets afgrijselijk woedends tusschen de tanden, en--bibberend van koû en katterigheid zette hij zich op 't kippenhok, om wat bij te komen.--»Wil ik je wat eten boven brengen?" vroeg _ik_ toen, welmeenend, doch misschien op wat al te meêwarigen toon.--»Stik-jij!" siste hij nijdig.--Kort daarop, na 't trekken van eenige allerakeligste gezigten, zag men onzen held langs touwen en hekjes naar omlaag scharrelen--om, in zijn kooi, 't voorbeeld van zooveel andere braven na te volgen.

* * * * *

Mij dunkt--ik hoor een afkeurend gemompel onder mijn lezers opgaan, als ik met zoo weinig mededoogen spreek van een kwaal, waarvan ik zelf, boven verwachting, ben verschoond gebleven. Doch 't is nu eenmaal bekend, dat zeeziekte nimmer doodelijk kan zijn--welke overtuiging oorzaak is, dat men, onder zeeluî, op een zeezieke ongeveer evenveel acht slaat als op een krandjang suiker in 't ruim;--en, van dit beginsel uitgaande, ziet men er minder bezwaar in--mits men zelf frisch en gezond blijft--een weinig aan _schadenfreude_ toe te geven, en aan een neiging tot lagchen ten koste van hen, die, gister nog zoo vol beweging, zoo onbevreesd en levenslustig--nu, bleek, doodsbenaauwd, als zooveel zieltogenden erbij neêrliggen.

Wáár bleef--vraagt men--toch de reddende kracht van de heerlijke probaten, die men, bij stil weêr, als onfeilbaar roemde--? Wáár was die heer met zijn gordel rond de maagstreek; wáár die andere met zijn gift _A qua Laur. cer._; wáár die bereisde dame met haar zakje zout en saffraan--?--Wij, Josua en ik, kenden geen enkel van die magtige radicalen; ons zou geen _aqua mirabilis_ sterken; geen _specificium_ uit Grootmoeders recepteboek zou ons wapenen tegen de aanvallen van de jammerlijkste aller misselijkheden;--en juist dáárom bleven we zoo gezond, meende Josua, in zijn overmoed;--hoe dat ook zij, 't was ons geen kleine triomf, dat we pal stonden in 't barnen der gevaren--wij, buiten de bemanning, naar 't scheen, de eenige levende zielen aan boord: want alle passagiers, zelfs de reeds bevaren en dóórvaren Grogmeijer inclus, waren naar kooi--zóó hevig was 't stampen.--Hoe kwam 't, dat we zelf niets voelden; waren onze hoofden en magen zóó ijzersterk?--»Ik zal 't je zeggen," riep Josua; en, na eenige algemeene waarheden, aangaande maagschudding, spijsvertering en keelverwarming te hebben vooropgezet, begon hij, met een zaakkennis, den apothekerszoon waardig, de draden zijner hypothese uit te spinnen, en besprak breedvoerig, met den Doktor en mij, zijn zoo versch gevormde stellingen ter beantwoording van de groote vraag: hoe de gevreesde zeeziekte te bekampen? Hij hield zich in hoofdzaak vast aan 't herhaald toedienen van een dosis pommeranzen-spiritus, met moutwijn verdund, _quantum sufficit_, en, om de twee à drie uren, in evenwigt gehouden door een stevige gift brood, ham, snert of ossetong.

Ik voor mij geloof--indien mij, na 't door Josua betoogde, nog iets anders te gelooven mag overblijven--dat niets de zeeziekte kan voorkomen of tegengaan, indien 't gestel er vatbaar voor is; en ik ben 't in dit opzigt volmaakt ééns met Lepidus--spitsvondiger gedachtenis--die, tusschen de buitjes van eigen ongesteldheid door, tot heil der menschheid en der wetenschap, allergeestigst en juist meende te moeten in 't midden brengen: »hoe _zijn_ ondervinding hem had geleerd, dat men, in den regel, de minste gevallen van zeeziekte zag voorkomen onder zulke personen, dewelke 't zich tot wet hadden gesteld, hun togten niet buiten 't gebied van een met voeten begaanbaren vasten bodem uit te strekken."--Zóóveel is zeker, dat 't vóórnoemd behoedmiddel, als 't éénig afdoend, mij der vermelding waardig schijnt. Wél mag men 't verstandig gebruik van geestrijke dranken en mager voedsel, en 't voortdurend verblijf in de open lucht als heilzaam aanraden--edoch, hier vooral zal de leer gemakkelijker dan de toepassing bevonden worden: want, is de ziekte u eenmaal in maag en hoofd geslagen--ge moogt eten wat ge wilt--ham of brood, tong of snert--'t zal u alles opbreken als den goeden Sancho de wonderbalsem van Ridder Fierabras--; zoodat, uit de tien lijders, negen de gansche schoone theorie van Josua zullen in den wind slaan: _niet_ zullen eten, _niet_ drinken--maar te kooi gaan liggen, akelig doen, en zichzelf met zee en schip naar den duivel wenschen.

II.

Mercy on us!--We split, we split------ -------------------------------- Now would I give a thousand furlongs of sea for an acre of barren ground: long heath, brown furze, any thing; the wills above be done! but I would fain die a dry death.

SHAKSPEARE.

Wederom vier-en-twintig uren vervlogen!--wat zeg ik--met den gang van een door jicht en podagra verlamde huisjesslak, waren ze ons tergend voorbijgekropen, en, spottend met ons snelzeilend clipperschip en onze voortvarende wenschen, had hun trage vlugt ons niets gebragt, dan regen, koû en snerpend guren tegenwind.

* * * * *

En 't was Zondag heden, de derde dien we aan boord zouden doorbrengen--: Zondag, de lieve Sabbathdag, dien men eerst regt leert op prijs stellen, als men zes lange dagen gespit en gezwoegd heeft in den onvruchtbaren wijngaard des levens.

Maar voor ons was de Zondag geen dag van welverdiende en welbestede rust. Wél had de tweede stuurman, die een dandy was, zijn haren gekamd, en, van onder zijn gevulcaniseerden regenjas, een paar duim schoon linnen doen uitgluren;--doch de onvermoeibare Zuidwester blies er niet minder om: de wind en golven weten niet van Christelijke feestdagen: de Natuur, in haar koude onverbiddelijkheid, volbrengt haar taak, in spijt van menschelijke belangen en menschelijke aandoeningen: zij rust en arbeidt, zij bouwt op en vernietigt--alsof ze den dwerg niet kende, die zich »Heer der Schepping" durft noemen.

Zoo moesten we ook heden kruisen, gelijk gister en eergister; en, zou geen psalmtoon ons tegenruischen, geen klokgebrom ons tempelwaarts roepen--de magtige stem van den orkaan zou ons stichten, en ons des Heeren lof voorzingen, met toonen, die weêrklank vinden in 't diepst der ziele!

* * * * *

Mijn slaap was onrustig geweest--of liever, ik had niet geslapen: de hevige schommeling, 't vreeselijk razen van wind en golven, 't kraken van 't houtwerk, en 't onophoudelijk schreeuwen, smijten en bonsen, dat de snel opeenvolgende manoeuvres vergezelde, dreven ver van ons de kans tot 't genieten van die zoetste aller verkwikkingen.--Ik stond daarom bij tijds op, en ging aan 't dek.

De zon rees juist boven de kim, en kleurde 't stormachtig zwerk met den vurigen blos harer eerste stralen. Er hing een zware, zwarte nimbus in 't Westen, die, bloedrood verlicht, voor den wind optrok, de zon te gemoet--als een van toorn gloeijende reus, ten strijde snellend tegen de Koninginne des Daags. Loodgraauw spiegelde zich 't dreigend gevaarte in den ziedenden golfkuil; als met vuur en diamanten overgoot Phoebus de toppen der stuivende brekers--: 't was of de magten van licht en duisternis optogen, om elkaâr te vernietigen, hoog boven 't bruisend slagveld van wind en wateren. En zie--waar de zwarte wolkenmassa in schuinvallende regenstrepen zich scheen vast te hechten aan den horizon--teekenden zich, scherp en dreigend als ijsbergen, de witte krijtklippen van Engelands zuidkust.