Ontboezemingen

Chapter 13

Chapter 133,400 wordsPublic domain

_Alex._ 't Onderwerp dat ik heb aan te roeren is echter van dien aard, dat--enfin, zonder onbeleefd te zijn----_(Judoc. aanziend.)_

_Goedsm._ Zóó waarachtig?--maar voor meneer v. d. Vlugt heb _ik_ volstrekt geen geheimen. Ik hoop dus----

_Alex._ Dat wil zeggen--pardon, ik ken uw relatie tot meneer niet, maar de zaak die ik behandelen wil, is van een zóó kiesch karakter----_(Judoc. staat op)_.

_Goedsm._ _(tot Judoc.)_ Blijf zitten, doktor, blijf zitten!

_Judoc._ Ik zou niet gaarne onbescheiden zijn----

_Goedsm._ Volstrekt niet--blijf zitten!

_(tot Alex.)_ Wel meneer, om u de waarheid te zeggen--ik kan me geen onderwerp van een zóó kiesch karakter voorstellen, dan dat mijn aanstaande schoonzoon 't niet meê zou mogen aanhooren.

_Alex._ Uw aanstaande schoonzoon?

_Goedsm._ Als zoodanig moet ik u meneer v. d. Vlugt bekendmaken.

_Alex._ Ei ei?--Dát verandert de zaak.

_(tot Judoc.)_ A propos, ik wensch je geluk, collega!

_(tot Goedsm.)_ Dát verandert de zaak geheel, meneer Goedsmoeds; en dit heugelijk feit bespaart mij een inleiding: ik kan mijn welsprekendheid laten rusten.

_Goedsm._ Hoezoo, meneer, hoezoo?

_Judoc._ Ik doorgrond niet, ehem--hoe mijn verloving met meneer Goedsmoeds' dochter, ehem----

_Alex._ Juist, juist!

_(Tot Goedsm.)_ Wat zou u er van zeggen, meneer Goedsmoeds, als _ik_ me tot mededinger opwierp naar eenzelfde eer?

_Goedsm._ Tot mededinger?

_Judoc._ _(verontwaardigd)_ Tot mededinger, meneer!

_Goedsm._ Ik begrijp niet----

_Judoc._ Ook mij komt 't onverklaarbaar voor----

_Goedsm._----hoe ik uw voorstel, ehem--moet opvatten.

_Judoc._----hoe ge 't met uw begrippen van Europesche zedelijkheid kunt rijmen, ehem----

_Goedsm._ Zeker--ik had toch de eer, u te doen weten, dat meneer v. d. Vlugt reeds----

_Alex._ Met uw verlof--hier heeft een misverstand plaats, een schromelijk misverstand. Stelt u gerust, meneeren--ik ben geen Turk, geen antropophaag, geen onbesneden heiden!--Doch, _pauca verba_, _pauca verba_!

Om ter zake te komen, meneer Goedsmoeds--leen mij, bid ik u, een oogenblik gehoor; en laat een krachtig en welgemeend aanzoek bij u niet minder gelden, dan de met kernachtige phrasen doorbloemde toespraak, waarmeê ik u had verrast--indien niet de tegenwoordigheid van een derden _(ziet op Judoc.)_ mijn plan eenigzins had gederangeerd.--Hier volgt mijn aanzoek (staat op).

_Goedsm._ _(staat op)_ En dat is, meneer?

_Alex._ Dat _ik_, Alexander Magnus Junior, wettige zoon van Alexander Magnus Senior, leeraar in de Staathuishoudkunde, de statistische- en handelswetenschappen aan de hoogere burgerschool te Bellingwolde--bij deze de eer heb te verzoeken om de hand uwer nicht, Mejuffrouw Clara, ten einde, na 't jawoord voor magistraat en priester ontvangen te hebben, haar als mijn echte vrouw te huwen, en ten mijnent te onderhouden.--Ik heb gezegd.

_(buigt en gaat zitten)_

_Goedsm._ _(verwonderd en bedremmeld)_ Meneer Magnus--ik moet u zeggen, ehem----

_Alex._ Spreek vrij uit, meneer Goedsmoeds!

_Goedsm._----ik moet u zeggen, dat uw voorstel, ehem--mij verbaast--en dat, ehem--

_Alex._ Welnu, dat?

_Goedsm._----en dat, ehem--ik kan--ik moet--ik ben genoodzaakt----

_Alex._ Komaan, meneer Goedsmoeds, wees niet verlegen! Ik begrijp, mijn aanzoek moet u vereeren.

_Goedsm._ Zeker, meneer--maar ik ben genoodzaakt--'t spijt me--ik zie me als voogd verpligt----

_Alex._ Nu, wat?

_Goedsm._ _(ter zijde)_ Duivel, ben ik een kind geworden!

_(drinkt zijn glas leêg)._

't Spijt me, meneer Magnus, dat ik uw voorstel niet kan aannemen, en u de hand van mijn nicht moet weigeren.

_Alex._ Weigeren?

_Goedsm._ 't Spijt me, maar----

_Alex._ Weigeren--en waarom?

_Goedsm._ Om de eenvoudige reden, dat Clara reeds met een ander verloofd is.

_Alex._ Met een ander verloofd?

_Goedsm._ Met een ander verloofd.

_Alex._ _(in één adem)_ En wie is die ander, als ik vragen mag? Wie is hij, wat is hij, waar is hij?--Bemint hij haar, bemint zij hem, beminnen zij elkaâr?--Of is hun vereeniging slechts een van die koude, conventionele koppelingen, die in onze verbasterde maatschappij zoo dikwijls den heiligen, gloeijend gesmeeden huwelijksband surrogeren?--Spreek, meneer,--ik brand--antwoord me!

_Goedsm._ _(bedaard)_ Meneer Magnus, u vraagt me meer, dan ik u kan of wil antwoorden. Daar echter de verloving van mijn nicht niet geheim behoeft te blijven, wil ik u gaarne zeggen wie haar aanstaande is. Hij is een jongmensch, die haar van harte liefheeft. Hij is nu op een verre reis. Zijn naam is Adolf Smit.

_Alex._ Adolf Smit?

_Goedsm._ Adolf Smit.

_Alex._ Adolf Smit van Hoogdorp?

_Goedsm._ Adolf Smit van Hoogdorp.--Voor 't overige verzeker ik u----

_Alex._ _(staat op, woedend)_ Voor 't overige verzeker _ik_ u, meneer, dat uw gedrag jegens mij onbehoorlijk is.

_Goedsm._ _(staat op)_ Meneer Magnus!

_Alex._ Ge weigert botweg de eer, mij in uw familie te zien opgenomen, _mij_, Alexander Magnus--en, om op uw lompheid de kroon te zetten, doet ge mij die weigering in 't bijzijn van dien soesenden schoolmeester, dien gemoedelijken kalfskop, die daar in domme deftigheid zijn pijpen rookt!

_Goedsm._ Meneer Alexander Magnus--ik was nooit in mijn eigen huis beleedigd!

_Judoc._ _(staat op)_ Mijnheer de statisticus----

_Alex._ Laat me uitspreken!--Dat is alles nog niets. Maar dat ge boven mij een ellendeling voortrekt, een bedrieger, een losbol, als Adolf Smit is--dát, meneer, dát is verschrikkelijk--dát schreit om wraak!

_Goedsm._ Hemelsche goedheid--een losbol--wat zegt ge daar!

_Judoc._ _(steeds heviger)_ Meneer de leeraar, durft ge die beschuldiging herhalen?

_Alex._ Meneer de slaapkop, dat durf ik.

_Goedsm._ Stilte meneeren! Als ge voortgaat, op deze wijs den vrede in mijn huis te verstoren, moet ik u verzoeken 't oogenblikkelijk te verlaten!

_(tot Alex.)_ Zeg, meneer, hoe verdedigt ge uw laster tegen Adolf Smit?

_Alex._ Ik heb niets te verdedigen. Gij weigert me uw nicht--en daarmeê, basta!--Maar vóór ik ga, wil ik nog een woordje spreken met dien botterik, _(tot Judoc.)_ die zich voor onderwijzer uitgeeft, voor wetenschappelijk man, en die niet eens mijn werk kent. Die bovendien----

_Judoc._ Laat uw werk rusten!

_Alex._----die bovendien, om zijn verregaande stomheid te verbergen, mij in 't publiek tot leugenaar wil maken.

_Judoc._ Laat uw werk rusten, en herroep uw laster tegen Adolf Smit!

_Alex._ _(hevig)_ Ik _wil_ van mijn werk spreken, en ik wil, dat jij je laster intrekt tegen mij. Hoor-je, meneer de roededrager!

_Judoc._ _(besloten)_ Nu dan--wat aangaat uw werk, meneer van Bellingwolde----

_Alex._ Mijn heerlijk werk, ja!

_Judoc._----dat nooit geschreven is----

_Alex._ Door een kuiken als jij!

_Judoc._----en waarvan de onderwerpen----

_Alex._ Zoo rijk en verheven!

_Judoc._----zoo plat en onzinnig, niet anders konden opkomen----

_Alex._ Dan in mijn hoofd!

_Judoc._----dan in 't brein van een maniacus----

_Alex._ Van een genie!

_Judoc._----van een monomaan----

_Alex._ Van een wereldkenner!

_Judoc._----of een gewonen gek, _naturaliter idiota_----Wat aangaat, zeg ik, dit uw werk, meneer de staathuishoudkundige----

_Alex._ _(hem nabaauwend)_ Dit mijn werk, meneer de jeugdbederver----

_Judoc._----dit uw werk----

_Alex._ _(hem nabaauwend)_----dit mijn werk----

_Judoc._----ik moet lagchen, inderdaad----

_Alex._ Lagchen, lagchen! Dat lagchen zal ik je verleeren! _(vat zijn hoed, en slaat er Judoc. meê op 't hoofd)_.

Neem dit, en dat, en dit, en nog eens dat--tot mijn arm stijf, en jou kop week is!

_(Intusschen heeft ook Judoc. zijn hoed gegrepen, en slaat Alex. terug; Goedsm. tracht hen te scheiden, en roept niets dan: »in 's hemelsnaam, meneeren!" »houdt op, meneeren!" »bedenkt wat ge doet!" »brengt geen schande over mijn huis!" enz. enz.)_

_Judoc._ _(slaat)_ Gelijk Arminius----

_Alex._ (») Boekworm!

_Judoc._ (»)----de Romeinen versloeg----

_Alex._ (») Kinderkanibaal!

_Judoc._ (»)----en Karel Martel--

_Alex._ (») Hutspotverknoeijer!

_Judoc._ (»)----de woeste Sarracenen----

_Alex._ (») Mottige foliant!

_Judoc._ (»)----zoo wil ik ook----

_Alex._ (») Vogelverschrikker!

_Judoc._ (»)----waar 't op zelfverdediging aankomt----

ELFDE TOONEEL.

_Math._, _Clara_ _en vorigen_.

_Math. en Clara komen haastig binnen, zij vatten Judoc. bij de armen, terwijl Goedsm. Alex. vasthoudt._

_Clara._ } Mijn hemel, oom--wat gebeurt er, wat is er } te doen? _Math._ } Meneer Judocus--ik bid u, houd-je bedaard--doe } 't ten minste om mijnentwil!

_Alex._ } _(wil zich losrukken)_ Wat er gebeurt, Mejuffrouw--! _Judoc._ } _(houdt zijn hoed gereed)_ Ik ben bedaard--maar } die ellendeling--!

_Goedsm._ Stilte heeren!

_(tot Math. en Clara)_. 't Is niets, kinderen, 't is niets.

_(tot Alex.)_ Meneer Magnus, voor de laatste maal verzoek ik u, mijn huis te verlaten, en ergens anders je geleerdheid te gaan verkoopen. Na 't voorgevallene wil ik u geen oogenblik langer zien.

_Alex._ Ja, ik ga----

_Judoc._ Neen, hij zal niet gaan--de lasteraar!

_Clara._ Lasteraar?

_Math._ Lieve hemel--wat wil die man toch!

_Goedsm._ (houdt Judoc. terug) Doktor--op je plaats--ik zal hier beslissen.

_(tot Alex.)_ Meneer Magnus, nogeens, verlaat mijn huis of de policie----

_Alex._ De policie! ik lach met de policie!--Ja, ik ga, meneer Goedsmoeds--maar je zult nader van me hooren--dat beloof ik je. _(hij blijft aan de deur staan)_.

_Clara._ Maar oom, wat is toch de reden--?

_Alex._ De reden, Mejuffrouw----

_Goedsm._ _(tot Clara)_ Niets, kind--ga naar achter.

_(tot Alex.)_ Verwijder u, meneer!

_Alex._ _(komt driftig terug)_ De reden, Mejuffrouw, is----

_Goedsm._ Stil meneer! Ik verbied u tot mijn nicht te spreken!

_(houdt Judoc. terug)_. Bedaar, doktor--laat mij begaan!

_Alex._ En ik _wil_ tot uw nicht spreken. Ik tart u allen, als zij me maar regt doet wedervaren.

_(tot Clara)_ De reden, Mejuffrouw, is, dat ik u bemin, dat ik om uw hand vroeg, en dat meneer uw oom----

_Clara._ Geregte hemel--is 't waar, oom?

_(tot Alex.)_ Foei, meneer--'t is schandelijk!

_Alex._ _(kruist de armen en zet zich in postuur)_ Schandelijk--ook u vindt 't schandelijk! Eilieve, en waarom? Dat u me weigert, laat ik daar--maar welke reden kan u hebben, mijn aanzoek schandelijk te vinden?

_Clara._ Ik zeg u, meneer--_'t is_ schandelijk _(keert hem den rug toe)_.

_(tot Math.)_ Kom, Mathilde, wij zullen ons in de keuken retireren, tot meneer hier ons 't genoegen zal gedaan hebben, zijn vereerende aanzoeken tot meer waardige partijen te gaan rigten. _(zij willen gaan)_.

_Goedsm_. _(houdt hen terug)_ Wacht 'reis--jelui blijft hier. Wou-je mij alleen laten met die twee dolle honden!

_(tot Alex.)_ U vergeet te zeggen, meneer Magnus, dat ge, misschien om hem den voet te ligten--uw gelukkigen medeminnaar hebt belasterd. U heeft ons nog geen rekenschap gegeven van de scheldnamen waarmeê u Adolf Smit genoemd heeft.

_Clara._ Wat--scheldnamen? Adolf Smit belasterd? Kent hij Adolf Smit?

_Judoc._ _(terwijl Math. hem voortdurend vasthoudt)_ Ja--de ellendeling, de hond, de valsche boekenschrijver, de pseudo-zoon van Minerva!

_Goedsm._ _(tot Judoc.)_ Bedaar, dokter--houd toch al die liefelijke bijnamen t' huis!

_Judoc._ Ik ben bedaard!

_(tot Alex.)_ De indringer, de schelmsche vagabundus!

_Clara._ Meneer v. d. Vlugt--denk toch om je gezondheid!

_Judoc._ Ik _ben_ gezond!

_(tot Alex.)_ De uil in arendsveêren, de ezel in een paardehuid!

_Math._ Meneer Judocus--in 's hemelsnaam, heb een oogenblik geduld! Laat vader vertellen wat er gebeurd is.

_Judoc._ Ik _ben_ bedaard, ik _ben_ geduldig. Maar hier zou Abou-Zaber zelfs zijn geduld verloren hebben!--Mijn besten, éénigen vriend zóó te belasteren?

_Alex._ _(spottend, met de armen over elkaâr)_ Bravo, meneer de zachtmoedige!

_Judoc._ Hem achter den rug met vuile aantijgingen te besmeren!

_Alex._ Allerliefst, mijn wandelend toonbeeld van geduld!

_Judoc._ Bij zijn dierste vrienden en betrekkingen op clandestine wijs zijn goeden naam te komen bekladden----

_Alex._ Voortreffelijk, o non plus ultra van bedaardheid!

_Judoc._----en dan zelf niets meer te zijn dan een onbekende gelukzoeker, die zich titels en bekwaamheden aanmatigt, waarop hij evenveel regt heeft als mijn schoenpoetser!

_(terwijl Judoc. zich dermate opwindt, kijken Goedsm. c. s. hem verbaasd aan)_.

_Alex._ Juist, mijn schoone held--dáár woû ik je hebben! Je vraagt _mij_ rekenschap van de namen die ik Adolf Smit gaf--ikzelf vraag _u_ rekenschap van de titels, waarmeê ge mij vereert.

_Judoc._ Die zal ik geven--maar trek eerst uw woorden in!

_Alex._ Nooit!

_Judoc._ Zuiver mijn vriend van alle blaam!

_Alex._ Integendeel!

_Goedsm._ _(tusschen beide komend)_ Een oogenblik!--Mij, als huisvader, zal 't wel passen hier een woordje meê te spreken.

_(tot Alex.)_ Heeft u Adolf Smit gekend?

_Alex._ Zoo goed als iemand. Wel een jaar lang heb ik te Brussel met 'em saâmgewoond.

_Goedsm._ Te Brussel? Maar op welken grond--enfin, waarvan beschuldigt ge hem?

_Alex._ Adolf Smit is een speler.

_Judoc._ _(steeds heviger)_ Hij liegt, de gewetenlooze eerroover!

_Alex._ Adolf Smit is een losbol--

_Judoc._ Hij liegt, de Mephistopheles!

_Alex._--Een doorbrenger.

_Clara._ Groote God--zou 't waar zijn!

_Judoc._ Hij liegt, de naneef van Astaroth, de kleinzoon van Beëlzebub!

_Alex._ Adolf Smit geeft voor, uw nicht hier _(op Clara wijzend)_ te beminnen, om van haar vertrouwen misbruik te maken----

_Clara._ Meneer Magnus--uw woorden gaan me als pijlen door 't hart. Maar als ge denkt, op deze wijs uw doel te bereiken, en _mij_ te winnen door _hem_ te belasteren----

_Judoc._ O, slangetong--

_Goedsm._ _(tot Judoc.)_ Stil, doktor!

_(tot Alex.)_ Weet wat ge zegt, meneer! We hebben hier getuigen en een regtbank.

_Alex._----maar op reis, in den vreemde, weten andere meisjes genoeg, dat hij zich een scheiding van zijn beminde niet hard aantrekt. Daarenboven weet _ik_, dat hij te Brussel in 't geheim met een andere schoone verloofd is.

_Judoc._ O, addergebroedsel!

_Clara._ _(tot Math.)_ Mijn god, Mathilde, wat moet ik er van denken!

_(tot Alex.)_ Bij al wat u heilig is, meneer--bedrieg me niet, spot niet met me!

_Judoc._ Clara, juffrouw Clara--geloof 'em niet!

_Goedsm._ Stil, doktor!

_Clara._ _(tot Alex.)_ Ik ben u vreemd, ik ken u niet. Maar zoo ge nog een greintje eergevoel bezit, zeg me dan--is 't waar, dat ge Adolf kent? Is 't waar, dat hij--dat hij slecht is--dat hij ontrouw is?--Want als ge liegt, als ge liegt----

_Alex._ 't Is zóó waar als Alexanders liefde voor u--zóó waar, als dat Alexander u trouw zou wezen.

_Judoc._ O, waarom bezit mijn arm niet de kracht van Hercules, Rappo en Crosso!

_(tot Clara)_. Geloof 'em niet, juffrouw Clara! Hij liegt--en ik zal 't u bewijzen.

_Goedsm._ Doktor, laat mij spreken!

_Math._ Meneer Judocus, houd u in!

_Judoc._ Ik houd me in--maar de vent liegt--hij liegt als een Cretenser, de domme Beotiër!

_Alex._ _(plotseling zich tot Judoc. wendend)_ Cretenser, domme Beotiër!--Meneer, de maat van uw beleedigingen is vol. Ik vraag u rekenschap!

_Judoc._ Die zult ge hebben. Zeg hoe en wanneer!

_Alex._ Rekenschap vorder ik. Maar geen scheldwoorden zullen onze wapens zijn!

_Judoc._ Rekenschap zal ik u geven van mijn woorden; rekenschap u vragen van Adolfs geschonden eer.

_Math._ _(tot Goedsm)_. Vader, kom toch tusschenbeide!

_Alex._ En we zullen zien, of ge de wapens van een man even goed hanteert, als die van een vischwijf.

_Goedsm._ _(smeekend)_ Meneer Magnus--meneer v. d. Vlugt!

_Judoc._ Geen bemiddeling, heer Goedsmoeds. De goede naam van mijn vriend, 't geluk van uw nicht staan op 't spel.

_(tot Alex.)_ Wat spreekt ge van mannewapens?

_Alex._ Dat zul-je morgen zien.

_Judoc._ Morgen?

_Alex._ Morgenochtend ten zeven uur.

_Judoc._ Ten zeven uur?--Ik begrijp u, meneer. Ik ben vreemd aan den wapenhandel----

_Math._ Hemelsche vader--een duel!

_Goedsm._ Zeg eens, heeren--'t is toch gekheid, hoop ik?

_Alex._ Ernst, meneer, bloedige ernst.

_Math._ Lieve God!--Vader--meneer Judocus--'t zal niet gebeuren--hoor me toch!

_(zij houdt Goedsm. vast, beide staren in angstige spanning Judoc. en Alex. aan)_.

_Judoc._ Wees bedaard, Mathilde.

_(tot Alex.)_ Ik ben vreemd aan den wapenhandel. Maar, gelijk Cincinnatus de spade liet rusten voor 't zwaard--zóó zal de gemoedelijke schoolmeester zijn vreedzamen scepter verwisselen tegen----

_Alex._ _(spottend)_ Nu, waartegen?

_Judoc._ Tegen een wapen, dat geducht zal worden in de vuist van hem, wiens goed regt hem sterken zal in den strijd.

_Alex._ _(spottend)_ En kan mijn ridderlijke held een pistool laden?

_Judoc._ Ik zal, ook zonder dat te kunnen, u toonen, hoe 't mogelijk was, dat David Goliath verwon.

_Alex._ _(spottend)_ En zal mijn schuwe David den moed hebben, met andere projektielen in 't veld te treden, dan keisteentjes uit de beek? Is 't u bekend, o edele gladiator, dat _ik_ een poos lang in 't bestuur zat van de vereeniging »Mik wis, schiet niet mis;" en dat ik tweemaal bekroond ben als prijsschutter--?

_Judoc._ Al waart ge de fabelachtige Soranus in eigen persoon--ik zal den moed hebben, voor mijn vriend te _staan_.

_Alex._ _(lagchend)_ Zult ge, meneer Judocus?

_Judoc._ Dat zal ik.

_Alex._ Wezenlijk, op je woord, meneer v. d. Vlugt?

_Judoc._ Op mijn woord.

_Alex._ Dan, beste doktor, geef ik je den vriendschappelijken raad, morgen ten zeven uur----

_Judoc._ Nu, ten zeven uur?

_Alex._ Je nog eens om te keeren in je bed.

_Judoc._ Wat?

_(Goedsm. Math. en Clara zien Alex. verwonderd aan)_.

Hoe moet ik dat opnemen, heer statisticus?

_Alex._ Ma foi, prenez-le comme vous voudrez!--Maar zeg, noem me niet meer statisticus--wil je?

_(Judoc. kijkt verbaasd)_.

_Goedsm._ Hemel--wat nu!

_Alex._ Niet meer: hond, of uil in arendsveêren, of ezel in een paardehuid.

_Goedsm._ Goddank--dat lijkt naar een verzoening!

_Math._ De hemel geve 't!

_Alex._ Spaar me ook voortaan de hoogst dichterlijke doch in 't gewone spraakgebruik min zoetvloeijend klinkende benamingen van: slangetong, addergebroedsel, domme Beotiër, kleinzoon van Astaroth, naneef van Beëlzebub--en wat dies meer zij.

_Judoc._ Die uitdrukkingen zijn me in drift ontvallen. Maar zoolang----

_Alex._--Zoolang ik Adolf Smit niet den hoogsten lof toezwaai, kan ik nooit op uw gunst rekenen.--Welnu, beste doktor, prijs dan, in uw hart, uw vriend zooveel ge wilt. _Ik_ mag 't niet doen, zelfs fluisterend: want hij zou me hooren.

_Judoc._ U hooren?

_Math._ } Meneer Magnus! _Clara._ } Zou 't mogelijk zijn!

_Goedsm._ _(Alex. in de oogen kijkend)_ Ik geloof dat ik hem _zie_! Ei, ei--ik geloof dat ik hem _zie_.

_Alex._ Juist geraden, heer Goedsmoeds--want hier staat hij.

_(Hij neemt pruik en baard af, waarmeê hij zich onkenbaar had gemaakt, en spreekt op geheel veranderden, natuurlijken toon)_.

TWAALFDE TOONEEL.

_Clara._ Adolf! _(ze omhelzen elkaâr)_. Adolf! En ik heb je niet herkend!

_Goedsm._ } Dacht ik 't niet! _Math._ } Wel--dat 's een verrassing! _Judoc._ } _(stamelend en met de hoogste verbazing)_ Wat--wat--wat } zie ik!

_Adolf._ Ik ben 't, Clara--en blijtoe dat ge me niet herkend hebt, want dan had ik mijn doel gemist.

_Goedsm._ _(boos)_ Maar Adolf, jongen--wat malle potsen! Waartoe al die poppenkasterij! Is 't tegenwoordig mode, zijn vrienden te beliegen en te bedriegen vóór men zich bekend maakt?

_Adolf._ _(schudt hem de hand)_ Nu, sprak Alexander Magnus geen waarheid, toen 'ie Adolf Smit voor een bedrieger uitmaakte!--Maar vergeef me, vader Goedsmoeds, al den schrik dien ik u aanjoeg: 't was met een goed doel.

_Goedsm._ De duivel hale jou doel--de jongen praat als een Jesuït!--Neen maar, hoor 'reis--ik vind 't lang niet aardig, zóó mijn huis in opschudding te brengen: ik ben er drie jaar ouder meê geworden!

_Adolf._ _(tot Judoc., hem de hand drukkend)_ En jij, beste vriend, dien ik heb getergd tot dolwordens toe--jij zult wel de eerste zijn me te vergeven, als ik je verzeker: dat al mijn komediespelen slechts dienen moest om u te regtvaardigen, en Clara te beteren.

_Judoc._ Om _mij_ te regtvaardigen?

_Clara._ En _mij_ te beteren?

_Adolf._ Ja Clara, om _u_ te beteren. Want ik wist, hoe mijn vriend Judocus de lieve Mathilde beminde. En ik wist ook, hoe mijn fijn bruidje--alleen op zijn uiterlijk ziende--hem niet lijden mogt, en zelfs hem van lamheid en karakterloosheid plagt te beschuldigen----

_Goedsm._ Ja, ja, daarin had Clara groot ongelijk--maar ik zie nog niet in----

_Math._ Luister toch, vader!

_Adolf._ Nu heb ik den doktor in de gelegenheid willen stellen, u allen te toonen: dat zijn zachtmoedigheid geen lafheid is, en dat 'ie, onder zijn doodgoed uiterlijk, een ferm, edel, mannelijk hart draagt. En ik geloof, dat ik, in den persoon van Alexander Magnus, er vrij wel in geslaagd ben, zijn schat van geduld ten einde te brengen.

_(tot Judoc.)_ Nietwaar, doktor?

_Clara._ Volkomen, volkomen!

_Judoc._ _(stamelend)_ Dus was alles--alles----

_Adolf._ Alles was maar spel, mijn waarde!

_Goedsm._ _(boos)_ Ja, ja, mooi spel, mooi spel--maar ik zie niet in--ik begrijp volstrekt niet----

_Math._ Foei vader--wil-je wel niet boos zijn! Wees liever blîj dat alles zoo heerlijk is afgeloopen.

_Clara._ Zeker, oom--je zult er later om lagchen.

Maar _ik_--ik mogt wel in zak en asch mijn schande verbergen! _(gaat naar Judoc. en reikt hem de hand)_. Meneer v.d. Vlugt, u is een edel mensch--meer kan ik niet zeggen: maar ik ben zeker, dat u mij vergeven zal, waar mijn domme oogen zich miskeken, en mijn vinnig tongetje zich versprak.

_Judoc._ _(buigend)_ Mejuffrouw--ik verwachtte niet anders, ehem--en als vriendin mijner Mathilde, ehem----

_Math._ _(Clara omhelzend)_ Ja Clara, als vriendin uwer gelukkige Mathilde----

_Adolf._ _(tot Judoc.)_--Kan ze niet anders, dan ook u lief wezen!

_Goedsm._ Komaan--we eindigen ten minste met een familietableau!--Weet-je wat--als jelui 't nu allemaal zóó aardig vindt, dan zal _ik_ de gekheid ook maar slikken. Ofschoon ik herhaal, niet te begrijpen, waartoe 't noodig was----_(de meisjes trachten hem den mond te stoppen)_----dat mijn heele huis op stelten werd gezet----en dat hier een gansche rooverroman met duels en dolken en pistolen moest vertoond worden, enkel en alleen----

_Math._ Stil, vadertje--vrolijk zijn!

_Clara._ Lagchen!--Kijk 'reis rond: wat gelukkige gezigten om je heen!

_Adolf._ _(tot Goedsm.)_ En heeft 't uw hart geen goed gedaan, 't getergde lam tot leeuw te zien worden! _(op Judoc. wijzend)_ Zie hem--hoe zijn oog glinstert van edel vuur; hoe de nederige Cincinnatus de spade wegsmijt, en 't zwaard vat; hoe de schuwe David tegen Goliath, de ongeoefende schutter tegen Soranus te velde trekt--alles, om de eer van zijn afwezigen vriend op te houden! Zeg, heer Goedsmoeds--was dat geen prachtig spel!

_Math._ _(vat Judoc. bij de hand)_. Ik wist 't, Judocus--ik had niet anders verwacht.

_Judoc._ _(met vuur)_ En vondt ook gij 't spel prachtig Mathilde? O, dan wil ik verschrikkelijk zijn voortaan! Ik wil een Bayard worden, een Hotspur, een Cid Campeador!

_Adolf_ en _Clara._ Bravissimo!

_Goedsm._ La ta ta--daar heb-je 't al! Je zult me met je dwaasheden den doktor nog tot een bloedvergieter maken: een Blaauwbaard, een Aballino!

Maar, 't doet er niet toe! Ik wil niet langer de spelbreker wezen. Hier, schenkt de glazen in--en zij onze dronk gewijd aan de trouw en liefde tusschen de beide huwelijksparen!

_Adolf._ Zoo zij 't: hart om hart----

_Clara._----Ziel om ziel!

_Judoc._ Als Philemon----

_Math._----en Baucis!

_Goedsm._ Maar neemt één raad van mij, jongelui--en jij vooral, Adolf! Als jelui weêr mijn vreedzaam huis 't onderst boven keert om komedie te spelen--zorgt dan, in den naam van Snoek en Watteer, dat je tot nut en vermaak, ten minste met eenige strekking, met een redelijk doel werkt! Want, wat jelui me van avond hebt vertoond----hoor eens--'t blijft onder ons, maar--ik geef je mijn woord van eer--: »'t Sop was de kool niet waard!"

(_De muziek speelt den marsch uit de derde acte van »Figaro's Hochzeit."_