Chapter 12
_Judoc._ Toch niet, toch niet, meneer Goedsmoeds! Een weinig studie--een doordringen in den geest van 't onderwerp;--en dan--'t is zoo schoon, de geschiedenis van 't menschdom na te gaan in haar verhevenste lichtpunten, ehem----
_Goedsm._ In haar verhevenste lichtpunten--dat moet zeker schoon zijn!
_Judoc._----Zichzelf als mensch te bewonderen in onze groote medemenschen!
_Goedsm._ Zichzelf als mensch te bewonderen!--Zeker, 'k vind 't wel wat ijdel--maar toch--zeker, als u 't zegt, zal 't wel waar zijn.--A propos, doktor, je zoudt me laatst 'reis een paar aardige boeken geleend hebben van Langendijk of van Effen. Vergeef me dat ik er om vraag--maar je kondt 't vergeten zijn.
_Judoc._ Justus van Effen--onze Hollandsche Addison--hij was altijd mijn lieveling in dat genre--: zoo geestig, zoo natuurlijk en bevallig in zijn teekeningen.--Geheel anders is 't met Langendijk, die--zonder bepaaldelijk grof te zijn----
_Goedsm._ O ja, is 't niet--Langendijk is nog al 'reis kwetsend voor preutsche ooren?
_Judoc._----Zonder bepaaldelijk grof te zijn, heeft hij in zijn kluchtspelen dát met veel schrijvers onzer vorige eeuw gemeen, ehem--dat zijn smaak dikwijls mank schijnt te gaan bij 't juiste kiezen zijner uitdrukkingen, ehem--en dat zijn kwinkslagen, hoe vol geest en luim, ehem----
_Goedsm._ Ja ja--ik heb zijn »Krelis Louwen" wel gelezen, en ik moet zeggen, 'k zou 't ding mijn dochters liever niet in handen geven.
_Judoc._ _(schrikt alsof hij zich iets herinnert)_ Uw dochters--ja, uw dochters------Meneer Goedsmoeds, ik kwam eigenlijk hier, ehem--ik kwam hier, zeg ik, ehem----
_Goedsm._ Welnu, doktor?
_Judoc._ Mijn drokke bezigheden maken mijn tijd uiterst beperkt. 't Werk over Erasmus, dat ik onder handen heb, ehem----
_Goedsm._ Je zult toch mijn hulp niet behoeven bij je arbeid?
_Judoc._ Dát niet, meneer Goedsmoeds--niet bij mijn arbeid.
_Goedsm._ Ik zweer je, dat ik even weinig afweet van Erasmus' dood als van zijn geboorte.
_Judoc._ Ik kwam eigenlijk hier, meneer Goedsmoeds, om u te vragen, ehem----
_Goedsm._ Vraag, doktor,--wees niet bedremmeld! Waarmeê kan ik je helpen? Geld, goeden raad? Ik heb van beide niet veel, maar toch altijd nog genoeg om een beetje meê te deelen.
_Judoc._ Ik meende, meneer Goedsmoeds--ik kwam--ik woû u vragen----
_Goedsm._ Duivel, spreek dan uit!
_Judoc._ _(moed vattend)_ De staat van ongehuwd man, ehem--is reeds door velen--door Cats--en vóór hem door Hippócrates----
_Goedsm._ Cats--ja, een autoriteit. Hippocràtes ken ik minder.
_Judoc._----door Hippo-o-o-crates ten sterkste afgeraden. Ik kwam dus, meneer Goedsmoeds--'s grooten dichters »houwelicken staat" gelezen en herlezen hebbend--ik kwam, ehem----
_Goedsm._ _(aanmoedigend)_ Welzoo--met die gedachte kwam-je hier? Dus niet om geld of goeden raad--niet met Langendijk of van Effen!
_Judoc._ Ik kwam, meneer, om een veel grooter schat--: een schat, ehem--waarvan reeds Ovidius----
_Goedsm._ Doktor, wat moet ik denken!
_Judoc._ Meneer Goedsmoeds--de toon waarop u dat zegt--geeft mij moed. Ik kwam hier, meneer Goedsmoeds--ik kwam hier, ehem _(staat op)_--om uw dochter--Mejuffrouw uw dochter, ehem----
_Goedsm._ _(staat op en schudt hem hartelijk de hand)_ Doktor, meneer v. d. Vlugt, ik houd van regt door zee gaan. Adolf Smit heeft me over u gesproken, en ik antwoord u wat ik hem geantwoord heb. Uw aanzoek verheugt me en vereert me--dat wil ik u niet ontveinzen. Wel ja--_ik_ geef je mijn dochter, mijn lieve Mathilde, van ganscher harte--en _zij_ zal je niet weigeren. _Ik_ ken je, en _zij_ zal je leeren kennen voor wat je zijt!
_(hij roept aan de deur.)_ Meisjes, meisjes, komt 'reis beneden! 't Beddegoed zal nu wel gerekt zijn.
Janneke, luije gans--brengt toch pijpen en tabak, en een flesch wijn--er staan er nog twee oude in den kelder!
ZESDE TOONEEL.
_Mathilde_, _Clara_, _vorigen_.
_Janneke brengt pijpen enz. Daarna af. Judocus staat achter zijn stoel, en buigt._
_Goedsm._ En nu, komt hier, kinderen! Kom hier, Mathilde! Mijn wensch van zoo even kan vervuld worden.
Zeg, Mathilde, kind--dáár is doktor Judocus v. d. Vlugt. Je kent 'em--zoowel persoonlijk, als van naam en karakter. Hoe denk-je over 'em? Wat zou-je zeggen als 'ie je vroeg tot zijn vrouw? Neen--wees niet verlegen tegenover je naaste betrekkingen! Zeg fermweg ja, of neen!
Kom, doktor, help me een handje, doe je woord, vriend!
_Judoc._ _(steeds buigend)_ Mejuffrouw----
_Math._ _(zeer bedremmeld)_ Maar vader----
_Clara._ _(tot Math.)_ Wat heb ik je gezeid! Maar wees verstandig--: bij al wat je lief is, weiger 'em--maak jezelf en vader en mij niet ongelukkig!
_Judoc._ Mejuffrouw, reeds lang----
_Math._ Zoo geheel onverwacht----
_Judoc._----reeds zeer lang----
_Clara._ _(tot Math.)_ Weiger 'em, weiger 'em, vóór 't te laat is!
_Goedsm._ La la, wat getalm! Wat is je antwoord, Mathilde?
_Judoc._ Mejuffrouw, reeds zeer lang heeft mijn hart, ehem----
_Goedsm._ Komaan, doktor, geen speeches--rondweg, op zijn oud-Hollandsch! Zóó doen ze 't bij Langendijk ook!
_Clara._ _(tot Math.)_ Weiger 'em! Geef 'em den bezem achterna!
_Goedsm._ Wat mopper-jij er toch tusschen, Clara?
_Math._ Niets, vader, niets.
_(tot Judoc.)_ Och meneer, neem me niet kwalijk--ik ben zoo verrast----
_Clara._ Verrast ook nog!--Zeg verschrikt!
_Judoc._ _(vat moed en roept luide)_ Ja, Mejuffrouw, ik bemin u!--Mijn woorden zijn zwak, maar mijn hart is sterk, en mijn daden zullen goed maken wat mijn ongeoefende tong te kort schiet!
_Goedsm._ Zóó, goed gezegd! Er zijn er genoeg die 't omkeeren.
_Judoc._ _(tot Math.)_ Ik wil u de eereplaats inruimen in mijn nederig huis. Ik wil u verzorgen als de pupillen mijner kostschool!
_Math._ Als vader 't goedvindt----
_Clara._ _(tot Math.)_ Je neemt 't aan!--Wee, wee, mijn arme vriendin!
_Judoc._ _(tot Math.)_ Ja, Mejuffrouw--ik zal u trouw zijn als de doffer zijn duifken! Mejuffrouw, wees gij mijn »Roos van Saron, mijn Lelie der dalen"--en laat _ik_ u zijn, »als een appelboom onder de boomen des wouds--als een tros van Cyprus in de wijngaarden van En-Gedi"!
_Clara._ Hemel, hij wordt hartstogtelijk--vuur en vlam!
_Judoc._ _(tot Math.)_ Want, gelijk de oude Copten, Mejuffrouw, de oude Copten en Assyriërs----
_Math._ Wel, meneer, als vader 't goedvindt----
_Goedsm._ Ja, ja--vader vindt 't goed. En vader zou 't niet goed vinden, als Mathilde 't ook niet deed.
Komaan, kinderen--'t is nu lang genoeg geschermd met vergezochte woorden. Laat 't hart spreken. Kust elkaâr--zóó, zóó--'t is de eerste--welnu, dat er nog duizend en duizend na dezen volgen!
_Judocus heeft Mathilde omhelsd, en Goedsmoeds drukt zegenend hun hoofden tegen elkaâr; Clara zit op haar stoel, neemt een boek op, smijt 't weg, en kijkt 't jonge paar spottend en wrevelig aan._
En nu--we willen dezen avond vieren onder ons. Ik ben in lang zóó gelukkig niet geweest! Kom hier, Judocus, schoonzoon--een glas wijn?--Dat zal je goeddoen: je ziet waarlijk bleek, alsof je alle geluk verspeeld hadt. Wel, in mijn tijd was dat anders--toen waren de jongeluî soms al te warm.--Maar, ik zie wel, de schrik zit jeluî nog in 't lijf.
_(tot Clara.)_ Kom, Clara, meid--wat pruil-je daar alleen! Toch niet jaloersch?
_Clara._ De hemel bewaar me--ik zoek mijn naaiwerk.
_Goedsm._ In je boek?--Komaan, ook jou vrijer staat voor de deur. Je Adolf kan niet lang meer van de reis uitblijven.
_Clara._ _(ter zijde)_ _Mijn_ vrijer--ja, maar als de mijne zóó was!
_Goedsm._ Neemt plaats, kinderen! Judocus, Mathilde--laat 't soezen tot volle maan! Hier, de glazen geledigd--ik wil heden avond vreugde zien!
_Judocus heeft al dien tijd stokstijf naast Mathilde gestaan; op Goedsmoeds' uitnoodiging stopt hij een pijp._
Kinderen, op ons aller lang en gelukkig zamenzijn! _(tot Judoc.)_ Zeg, doktor--ad fundum, hoop ik?
_Judoc._ _(drinkt)_ Van harte--op ons zamenzijn!
_(tot Clara)_. En ook met u, Mejuffvrouw, zal 't me een groote eer zijn, ehem--de kennismaking, ehem----
_Clara._ _(kortaf)_ Wel verpligt, meneer--maar 'k houd niet van komplimenten.
_Judoc._ _(verschrikt)_ Verschoon me--'t was mijn bedoeling niet----
_Goedsm._ Wel foei, Clara--je zijt niet heel beleefd.
_Clara._ Beleefd of niet beleefd. Laat meneer zich met zijn eigen bruid bemoeijen.
_Goedsm._ Maar kind--hoe heb ik 't met je? Moet jij me nu de vreugd vergallen!
_Judoc._ _(tot Math.)_ Ik begrijp niet in hoever----
_(tot Goedsm.)_ Meneer Goedsmoeds, indien 't niet tot algemeen genoegen is--indien mijn persoon soms aanstoot mogt geven----_(hij staat op.)_
_Goedsm._ Sakkerloot, doktor, wat denk-je wel! Stoor je niet aan hare nukken--ik weet niet wat de meid scheelt.
_Math._ En u heeft immers alleen met mij te doen, meneer Judocus.
_Judoc._ _(tot Math.)_ Zeker, Mejuffrouw--doch hoe gelukkig me uw gezelschap maakt--ik zou niet gaarne aanleiding geven, ehem--dat de vrede in uws vaders huis, ehem----
_Goedsm._ _(drukt hem op zijn stoel)_ Wat praat-je van vrede! Ze weet niet wat ze zegt, de meid--ze meent 't niet.
_Math._ Neen, mijn beste Clara meent 't zoo niet. Ze is van harte blij om ons geluk. _(naar Clara toegaand)_ Nietwaar, zus?
_Clara._ _(knorrig)_ Je beste Clara meent 't _wel_, en is _niet_ blij! _(gaat naar de deur)_.
_Goedsm._ Zoo zoo--als ze 't dan wel meent, en niet blij is, laat ze dan zoo goed zijn, dat wat minder te toonen aan menschen, die geen schuld hebben aan haar kwaad humeur.
_(gaat naar Clara toe.)_ Wees toch verstandig, kind--st, daar is iemand. Houd toch je fatsoen--wat moeten de luî van je denken!
ZEVENDE TOONEEL.
_Janneke_, vorigen.
_Jann._ Meneer--
_Goedsm._ Nu, Janneke, wat was er?
_Jann._ Meneer, daar is een andere heer om u te spreken. Hij zeît dat 'ie meneer Magneet hiet.
_Goedsm._ Magneet?
_Clara._ _(tot Jann.)_ Och mensch, kun-je weêr geen naam onthouden!
_Jann._ Nou ja--Magneet of Magus?--weet ik 't!
_Goedsm._ Magneet of Magus?--mij onbekend.--Maar dat treft nu al heel onaangenaam; 't is een ramp, dat we zoo klein gehuisd zijn: wáár moet ik nu dien man te woord staan!
_Judoc._ Met uw verlof, meneer Goedsmoeds--ik ga--misschien----_(staat op)_
_Goedsm._ Toch niet, doktor, blijf--ben-je dwaas geworden! Zal ik mijn eigen huisgenooten voor een vreemde verjagen!
_Judoc._ Maar toch--misschien----
_Math._ Neen, blijf zitten, meneer Judocus. Vader zal 't wel kort maken met dien heer.
_Clara._ Zeker, blijf zitten.
Maar zeg, Mathilde--misschien heeft meneer Judocus haast: zijn werk over Erasmus, de zorg voor zijn pupillen, of andere geleerde bezigheden!
_Goedsm._ Och Janneke, laat die meneer Magneet of Magus maar boven komen. 't Doet er ook niet toe--we zijn burgermenschen--en hij moet 't nemen zooals 't is.
_(Janneke af.)_
ACHTSTE TOONEEL.
_Alex. Magnus_, _vorigen_.
_Alex._ _(komt met veel geraas binnen)_ Meneer, mijn naam is Alexander Magnus.--Uw dienaar, dames. Alexander Magnus is mijn naam. _(tot Judoc.)_ Bonsoir, meneer, uw dienaar, zeer uw dienaar! _(smijt hoed en stok in een hoek, neemt een stoel en gaat zitten)_.
_Goedsm._ Alexander Magnus?--Ik heb niet de eer U te kennen--'t zou me aangenaam zijn----
_Alex._ Alexander Magnus is mijn naam, en, meneer, ik ben er trotsch op 't te kunnen zeggen. Ik ben kortelings benoemd tot Leeraar in de Staathuishoudkunde, de statistische- en handelswetenschappen aan de hoogere burgerschool te Bellingwolde. Eerst sints weinig weken heb ik mijn residium aldaar gevestigd, en ik ben expresselijk hierheen gekomen om met U, meneer Goedsmoeds, en uw achtenswaardige familie, ehem----
_Goedsm._ Ah zoo!--Zeer veel eer, zeer veel eer, meneer Magnus! Leeraar in de Staathuishoudkunde te Bellingwolde?--Mag ik u een glas wijn aanbieden? Ik was waarlijk niet voorbereid op de eer van uw bezoek.
_Alex._ Ik weet 't, meneer. Ik kom als ik kom, en ik ga als ik ga. Nog slechts zeer weinig connectiën heb ik in deze nabuurschap aangeknoopt: omdat de meeste familiën mij niet aanstaan, en ik mij wel wacht, mijn vriendschap te prostitueren aan individuen, die niet eenigzins met mij op gelijke hoogte staan.
_Goedsm._ Dan, meneer, zult ge u ook hier in uw verwachtingen misschien bedrogen vinden. Maar des te grooter onderscheiding voor ons.
_Alex._ Integendeel--ik moet mij verontschuldigen wegens de vrijheid die ik neem.
Maar zeg me--heb ik 't genoegen in deze dames uw dochter en uw nicht te ontmoeten?--En deze meneer? Stel me aan hem voor. Zeker een dorpsdominee uit de environs?
_Goedsm._ Ik vraag verschooning. Deze heer zal u waarschijnlijk bekend zijn, daar ook hij zich in 't vak van onderwijs beweegt. Judocus van der Vlugt----
_Alex._ _(reikt Judoc. de hand)_ Meneer van der Vlugt--zeer veel genoegen uw kennis te maken. Welzoo, ook in 't onderwijs? Waarschijnlijk hulpkweekeling, of catechiseermeester?
_Judoc._ Noch 't een noch 't ander--ik ben, ehem----
_Goedsm._ Doktor in de Letteren, en direkteur van de kostschool alhier.
_Alex._ Doktor in de Letteren? Ah, vergeef me, doktor van der Vlugt--ik heb u niet gekend aan een der Hoogescholen, die ik successievelijk bezocht--en uw uiterlijk, ehem----
_Judoc._----Doktor in de Letteren, summa cum laude--'t zij met gepaste zelfwaardering bekend.
_Alex._ Ah, ik ben verrukt in u een collega te treffen.
_Judoc._ Ik had slechts weinig vrienden aan de Leidsche Hoogeschool; en door mijn bekrompen omstandigheden, ehem----
_Alex._ Natuurlijk--zoo zijn er veel jongeluî.
_Judoc._----moest ik 't mij ten hoofddoel stellen--dikwijls met opoffering van alle genoegens, en eer minder achtend dan voordeel, ehem----
_Alex._ Juist, juist--ik kan me die positie voorstellen.
_Judoc._----zoo spoedig mogelijk de vruchten mijner studiën te plukken, door 't aanvaarden van een min of meer winstgevende betrekking, die me in staat stelde, in mijn eerste behoeften te voorzien.
_Alex._ Zeer te bejammeren! Zóó gaan dikwijls, door gebrek aan middelen, groote talenten voor de maatschappij verloren.
_Goedsm._ Maar mij dunkt, de heeren moeten elkaâr in hun wederzijdsche betrekkingen wel kennen.
_Judoc._ Pardon--dat is 't wat ik----
_Alex._ Onbegrijpelijk, niet waar! Maar ik kwam expresselijk te dezer stede, om kennis te maken.--Intusschen, ik ben er zeker van, meneer van der Vlugt moet mijn naam kennen uit 't werk dat ik geschreven heb.
_Math._ U heeft een boek geschreven, meneer?
_Clara._ Hé, zeg me, als 't niet al te geleerd klinkt--hoe is de titel en waarover handelt 't?
_Alex._ Een boek, dames! Zeg, een werk--een werk, zeg! Drie deelen in octavo. Ik zal u een exemplaar toezenden, zoodra de zevende herziene druk van de pers zal zijn gekomen.
_Judoc._ _(steeds peinzend)_ Zonderling----
_Goedsm._ Groote geregtigheid--waar moet ik, arme van geest, blijven, als mijn nederig huis de verzamelplaats wordt van schrijvers en geleerden!
_Alex._ _(tot Goedsmoeds)_ O, weest gerust, meneer Goedsmoeds! Ik ben niet als zooveel anderen, die zich op zoo iets laten voorstaan.
_Judoc._ Hoogst zonderling komt 't mij voor----
_Clara._ Nu, meneer, we weten den titel nog niet. Waarover handelt uw boek?
_Alex._ Mijn werk handelt, schoone dame, 't handelt over: 1º. »'t Wenschelijke eener verhooging van de tarieven van in- uit- en doorvoer op handelsartikelen, die door elkeen verbruikt worden."--2º. »Een naauwkeurige statistische opgave van 't aantal echte kinderen die zouden kunnen geboren worden, als alle menschen trouwden."--3º. »Een verhandeling over 't meer voordeelige der zîjwormenteelt, als deze op kool- in plaats van op moerbezieblaren kon geschieden."--Al 't welk besloten wordt door, 4º. »Een uitgewerkte en met grondige argumenten doorspekte lofrede op dwangarbeid en batig slot."
_Terwijl Alex. spreekt, houdt Goedsm. zich 't hoofd vast; Clara slaat de handen ineen; Math. zucht; en Judoc. zit als verwilderd en overbluft hem aan te staren._
_Goedsm._ Geleerd, zeer geleerd! Ik mag u natuurlijk niet tegenspreken--maar toch zou ik gelooven----
_Alex._ Tegenspreken, meneer--waarom niet! Ik weet, mijn stellingen zijn den grooten hoop niet duidelijk. Ook wil ik mezelf niet vernederen, door mijn overtuiging aan elken oningewijde op te dringen. Maar zijn _wij_ niet vrienden, meneer Goedsmoeds--en zal 't me niet altijd een genoegen zijn, met u te redetwisten, en ook uw naam te schrijven op de groote lijst van hen, die ik voor mijn betoog 't hoofd heb doen buigen! _(ziet triomfantelijk rond.)_
_Goedsm._ Zeker, meneer, zeker--maar ik meende, ehem----
_Clara._ _(tot Math.)_ Niet onaardig--we hebben lief gezelschap te gast!
_Goedsm._ Ik meende--ziet u--ik woû maar zeggen----
_Alex._ Ja ja--daar valt weinig tegen in te brengen.
_(tot Judoc.)_ Ook met u, doktor, vrees ik niet mij in 't strijdperk te wagen.
_Judoc._ (hem verwonderd aanziend) Ehem, hum----
_Alex._ _(tot Clara)_ En u, Mejuffrouw, wat zegt u er van?
_Clara._ Wel, meneer, 't loopt mij wat te hoog. Om u de waarheid te zeggen--ik dacht, dat u een nieuwen roman of een bundel gedichten had uitgegeven.
_Alex._ Een nieuwen roman?
_Math._ Wezenlijk, meneer, ik wil niets afdingen op de waarde van uw boek----
_Alex._ Afdingen?
_Math._----maar u begrijpt--zoo iets valt minder binnen ons bereik, dan romantische lektuur.
_Alex._ Romantische lektuur! Is 't mogelijk, Mejuffrouw! Was niet 't romanciëren en rijmelen door alle eeuwen heen een werk voor kladschrijvers, pruldichters, weggeloopen ondermeesters, ziekelijke kostschooljuffrouwen--kortom, van half krankzinnige schwärmers, onbruikbare, hun evenmensch opetende bastaard wezens, kankers aan den gezonden boom eener practische maatschappij!--Mejuffrouw----
_Clara._ Wel, meneer, 't is toch geen schande, een roman of een gedicht geschreven te hebben. Daar hebt ge van Lennep, de Genestet----
_Alex._ _(driftig)_ Wat van Lennep! Wat de Genestet!--Ik zeg u, Mejuffrouw, 't _is_ schande!
_Goedsm._ _(angstig)_ Meneer Magnus, u begrijpt ons verkeerd.
_Alex._ Neen, meneer--gij alle schijnt niet 't flaauwst idee te hebben van de hooge waarde der wetenschap, boven de zich in 't hof der ijdelheid wentelende romantiek en bellétrie!
_Goedsm._ Hemelsche geregtigheid--hoe red ik me hieruit! _(tot Judoc.)_ Doktor, kom, spreek 'reis meê, en breng meneer Magnus aan 't verstand, dat 't onze bedoeling niet was, hem eenigzins te krenken.
_Alex._ Zeker, laat de doktor oordeelen! _(tot Judoc.)_ Heer Judocus v. d. Vlugt, tot u rigt ik 't woord. U _moet_ mijn werk gelezen en herlezen hebben; 't _moet_ u als de nieuwste autoriteit gegolden hebben, wilt ge eenigzins op de hoogte van zaken gebleven zijn.
_Judoc._ _(kucht en zet zich in postuur)_ Ik heb, ehem----
_Alex._ Ge moet, meneer, ik zeg u, ge _moet_! Gij, doktor in de Letteren!
_Judoc._ Ik moet bekennen, ehem----
_Alex._ Gij, opvoeder van een aankomend geslacht, ge _kunt_ uw pupillen niet verstoken hebben van een werk, dat opgang gemaakt heeft tot aan de hoogere burgerscholen van Rottum en Borkum.
_Judoc._ Rottum en Borkum!--Ik moet bekennen, ehem--als meneer me een oogenblik aan 't woord wil laten----_(hij spreekt voortdurend harder en windt zich op tot rood-wordens toe)_.
_Alex._ Welnu?
_Judoc._ Tot mijn spijt en leedwezen moet ik bekennen, ehem--dat ik nooit een werk van dien aard op eenigen catalogus heb gevonden----
_Alex._ _(zich driftig makend)_ Dat pleit niet voor uw boekenkennis? meneer!
_Judoc._----en ook U, meneer, onder den naam dien ge voert, als schrijver nooit heb hooren noemen, ehem----
_Alex._ Doktor Judocus!
_Judoc._----noch als leeraar aan een fictieve hoogere burgerschool te Bellingwolde.--
_Alex._ } Doktor v. d. Vlugt! _Goedsm._ } Is 't mogelijk? Doktor, bezin-je wel!
_Judoc._--Ik heb zelfs gegronde reden te twijfelen----
_Alex._ Twijfelen?
_Judoc._----aan 't bestaan van 't werk, dat ge 't uwe noemt.--
_Alex._ Meneer!
_Judoc._--De onderwerpen, die ge opgeeft daarin te behandelen, komen mij, zelfs in uw mond, veel te ongeremd voor----
_Goedsm._ Judocus, weet toch wat je zegt! _(Alex. staat op)_.
_Judoc._ _(staat op)_----dan dat ik zou kunnen gelooven dat u in ernst spreekt;--
_Alex._ Meneer v. d. Vlugt--die woorden!
_Goedsm._ } _(staat op)_ Houd u in, doktor! _Math._ } In 's hemelsnaam, meneer Judocus! _Clara._ } _(ter zijde)_ Bravo!
_Judoc._--en ik moet U gelijk stellen met hen, die van de argeloosheid der onwetenden misbruik maken----
_Goedsm._ } Doktor, ben-je razend! _Clara._ } _(ter zijde)_ Bravissimo!
_Judoc._ _(met hooge verontwaardiging)_----om hen te bedriegen!
_Alex._ _(springt woedend vooruit)_ Meneer--was 't niet om de dames--ik zou je die woorden doen terugslikken----
_Goedsm._ _(smeekend)_ Meneer Magnus!
_Alex._ _(schreeuwt)_----ik zou je doen voelen, hoe menschen als ik gewoon zijn, de onbeschoftheid van hun minderen te straffen! Dát zou ik!
_Judoc._ _(plegtig en bedaard)_ Is niet uw naam Alexander Magnus?
_Alex._ Mijn naam is Alexander Magnus Junior, gelijk die mijns vaders Alexander Magnus Senior was. Ik ben leeraar in de Staathuishoudkunde, de statistische- en handelswetenschappen aan de hoogere burgerschool te Bellingwolde. Dat heb ik u zoo even gezegd--hoe dikwijls zal ik 't nog moeten herhalen!
_Judoc._ De persoon van Alexander Magnus is mij bekend----
_Alex._ Als schrijver van 't bovengenoemd geleerd werk.
_Judoc._----in de geschiedenis----
_Alex._ Van de nieuwere letterkunde.
_Judoc._----van 't oude Macedonië----
_Alex._ Macedonië?
_Judoc._----als vorst en wereldveroveraar!
_Alex._ Wereldveroveraar?
_Judoc._--U echter ken ik niet, noch uw geleerd werk, en--ik wensch met geen van beide in nader kennis te geraken. _(buigt, gaat zitten, drinkt en rookt zijn pijp.)_
_Alex._ _(woedend)_ _(Goedsm. tracht hem te sussen.)_ Meneer v. d. Vlugt, doktor Judocus v. d. Vlugt--U is óf een ongehoorde ezel, óf niet regt bij zinnen. Ik wil u niet beschamen voor de dames hier, en voor onzen waardigen gastheer. Maar ik raad u, neem je beleediging terug, als ge niet wilt, dat ik je prijs geef, u en je doktorsgraad summa cum laude, aan de woede en verachting van een beschaafd publiek, dat mij kent en hoogschat. Bedenk, meneer----
NEGENDE TOONEEL.
_Vorigen._ _Janneke_ _roept van uit de keuken:_
_Jann._ Juffrouw, de eijeren zijn derin. Wil uwe nou is op 't alozie kijken, anders worre ze weêr te hard, net als laast, en dan krijgt Janneke ze naar 't hoofd.
_Math._ Ik kom, Janneke, ik kom--ik ben dadelijk achter!
_Clara._ En ik volg je op den voet.
_(ter zijde.)_ Ons gezelschap is al te verleidelijk! _(Math. en Clara af.)_
_De drie heeren blijven zitten en zien elkaâr een poos zwijgend aan. Alex. blaast en tracht tot bedaren te komen; Judoc. steekt een pijp op;_ _Goedsm._ _ziet beide angstig in 't gezigt._
TIENDE TOONEEL.
_Goedsm._, _Judoc._, _Alex_.
_Goedsm._ _(vult de glazen)_ Komaan, heeren, ledigt de glazen en drinkt vriendschap! Laat niet een redeloos stuk papier oorzaak wezen, dat de goede verstandhouding tusschen ons verstoord wordt.
_Alex._ Toch niet, meneer Goedsmoeds, toch niet. Ge neemt dat verkeerd op--: wij geleerden twisten dikwijls en raken in vuur en vlam--maar 't blijft een wetenschappelijk dispuut. Op 't gebied der kennis slaan we elkaâr de beenen stuk--daarbuiten zijn we vrienden, als vroeger.--Nietwaar, doktor?
_Judoc._ Ehem--wat meneer daar zegt, strookt niet geheel met mijn gevoelens.
_Goedsm._ Komaan, doktor--de heer Magnus is 't eerst bereid zijn hand je te reiken. Zul-je nu weigeren?
_Judoc._ Dát juist niet--mijn aard is niet wraakzuchtig--edoch----
_Alex._ Kom kom, meneer v. d. Vlugt--sans rancune! Laat ons dit glas drinken op onze verdere vriendschap!
Meneer Goedsmoeds, met U in 't bijzonder zal ik 't genoegen van een nadere kennismaking op hoogen prijs stellen.
_Goedsm._ Niet meer dan ik, meneer, niet meer dan ik.
_Alex._ Zeer verpligt, zeer verpligt.--En nu, heer Goedsmoeds, nu de vrede hersteld en beklonken is, laat mij terugkomen op 't eigenlijk doel van mijn bezoek alhier. De vervoering waarin ik geraak, telkens wanneer ik van mijn werk gewaag, of op 't terrein van een wetenschappelijk gesprek wordt gebragt, doet me steeds al 't overige vergeten.
_Goedsm._ Spreek, meneer Magnus--niets zal me aangenamer zijn.