Ontboezemingen

Chapter 11

Chapter 113,536 wordsPublic domain

* * * * *

Toen ik U voor de eerste maal mijn vlam ontdekte; toen ik U voorsloeg, onze respectievelijke _basische_ en _zure_ eigenschappen tot een onontleedbaar huwelijks-_zout_ te vereenigen----toen bleekt ge mij niet _indifferent_. Integendeel--mijn verliefd geleuter deed U blozen, als _rhodaankalium_ 't _chloruretum ferri_; ja--gelijk 't _dimorphe kristal_ van _jodidum hydrargyri_ bij aanraking met een naald plotseling zijn geele kleur voor een hoogroode verwisselt--zóó deed mijn minverklaring uw blanke koonen gloeijen met den vurigen blos eener gepaste maagdelijke schuchterheid!

Hoe schoon waart ge toen!--Hoe zoet klonk me uw stem, als een toon uit de _chemische harmonica_! Hoe zacht was me uw adem, geurig en bedwelmend als _stikstof-oxydule_! Hoe zwom uw oogappel in teeder _traankliervocht_, als een _kristal_ van _sulphas cupri_, zwemmend in een met aqua _destillata_ gevuld _reageerbuisje_--!

En is dat alles nu vergeten?--Of, Titania, hebt ge mij bedrogen: hebt ge _mij_ slechts hoop gegeven, om U te gemakkelijker met _hem_ te kunnen verbinden--en heb _ik_ de rol gespeeld van _salpeterzuur_ in _konings-water_, welks hulp 't _goud_ wél inroept, doch enkel om zich door zijn bemiddeling met 't _chlorium_ één te maken--?

* * * * *

Titania, dierbare, zie toe wat ge doet--neem U in acht voor den gistingwekkenden invloed van dien zwartharigen jongeling!--Wél blinkt zijn aangezigt als _kwikzilver_--maar 't is de valsche, ras verdwijnende glans van _koper_, met _nitras oxyduli hydrargyri_ besmeerd; wél schitteren zijn oogen als _phosphorus_ in _zuurstof_--doch 't is de helsche vlam van alverpestend _phosphorwaterstofgas;_ wél is zijn knevel zwart als _oxydum cupri_--maar 't is 't zwart van 't bedriegelijk, _nitras-argenti_-houdend verwmiddel, dat looze kappers Melanogène en Eau de Florida bestempelen.--O, neem U voor dien jongeling in acht, vóór zijn vleitaal op U inwerkt als _platina-moor_ op zoeten wijn! Wees hard voor hem en onverbiddelijk: wees _onoplosbaar_, _onsmeedbaar_ en _onsmeltbaar_, als 't _metaal_ waaraan ge uw naam ontleent!

Maar voor mij, Titania----wees oplosbaar voor mij, als _ammonia_ in _water_--smeedbaar, als _goud_ van Ophir--smeltbaar, als een theelepeltje van _Rose's bismuthlegering_!

* * * * *

Zie mij aan uw voeten, Titania!--Wat ben ik zonder uw liefde?--: een grove brok _graphiet_, een ruwe pijp _zwavel_. Uw liefde moet de _kool_ tot _diamant_ verkeeren; zal, met de ruwe _zwavel_ gemengd, de prachtig roode _cinnaber_ voortbrengen. Ja, gelijk 't _goud_, dat, uit zijn oplossing door _sulphas ferrosus_ neêrgeploft, slechts een zwart, onooglijk poeder schijnt, doch welhaast, onder de hand des polijsters, alle metalen in heerlijkheid overtreft--zóó zal uw Chemicus wezen, wanneer uw echtelijke hand hem zal gepoetst en geschuurd en gepolijst hebben tot den schoonsten aller mannen.

* * * * *

_Reageer_ dan op de zuiverheid mijner minnetrouw: breng ze, wat ik U bidden mag, in de _buitenste blaaspijpvlam_! _Reageer_, beide volgens _natten_ en _droogen weg_, _qualitatief_ en _quantitatief_--en zie, of zij die van den zwartharigen jongeling niet verre in gehalte te boven gaat!

En als gij voldaan zult wezen na 't onderzoek waaraan ge mij zult onderworpen hebben--o, Titania--herhaal dan 't mij gegeven jawoord--schrap dien zwartharigen maagdenschenner van de lijst uwer aanbiddende _amanuenses_--en laat mij, _mij_ slechts met U kuijeren, 's avonds, in 't Delftsch plansoen, onder de schaduwen van 't _salicine_-houdend popelboschje!

* * * * *

Dan zal ik U beminnen boven mijn kostelijkste _platinenkroezen;_ vereeren zal ik U boven Lavoisier en Liebig. Voor U zal ik arbeiden; ten uwen gevalle wil ik al de 63 + x _elementen_ tot een ongehoorde reuzenverbinding zamensmelten, die ik doopen zal met den naam van onze eerste huwelijksspruit.--Ik zal uw bruidssieradiën smeden uit de weêrbarstigste aller _grondstoffen_: van _osmium_ zullen uw oorbellen, van _rhodium_ zal uw doekspeld, van _iridium_ zal uw halsketting wezen. En uw armbanden zullen zijn van _tallium_, van 't raadselachtig, amphybisch _tallium_, dat ik zelf zal afzonderen uit den _residu_ van twintig zwavelzuur-fabrieken.

* * * * *

Edoch--luister, onvermurwbaar pronkjuweel der _bewerktuigde_ schepping----: mogt gij ontrouw zijn aan 't gegeven woord; mogt ge wispelturig zijn als 't _chemisch kameleon_, en vlugtig als 't _acidum carbonicum_----dan, Titania--wee U, wee mij, wee den zwartharigen ellendeling.

U zal ik overlaten aan de wroegingen van uw ontrust geweten, die U zullen bijten en verteren--als _potassa-hydraat_ de wratjes op uw vinger.

Hem zal ik een glazen bol naar 't hoofd werpen: een bol, gevuld met 't vreesselijkst aller vergiften--gevuld met 't alvernielend _kakodyl_.

En mijzelf----mijzelf wil ik een drank bereiden: uit _morphine_, uit _strychnine_, uit _brucine_, _veratrine_, _atropine_, _daturine_, _aconitine_, _anthiarine_, _coniïne_, _nicotine_, en al de _inen_, die daar genoemd staan onder de ijzingwekkende categorie der _plantaardige zoutbases_----dát, Titania, dát zal ik--zoowaar Berzelius groot is, en Mulder onfeilbaar!

* * * * *

P. S. Ik schrijf dezen--niet met inkt--niet met mijn bloed--doch met een rozeroode oplossing van sympathetisch _chloor-kobalt_. Onder een kouden blik, in een koude hand, zal mijn brief stom wezen;--doch legt ge hem aan uw warmen boezem--zoo zullen de woorden verrijzen: blaauw--als 't hemelblaauw uwer oogen!

SUZE.

(AAN EEN ROTTERDAMSCH MODISTJE.)

Haar vader is een zwarte smid, Haar moeder schijnt wat vinnig; Maar zij is als de sneeuw zoo wit, En als een duifje aanminnig.

_Bogaers_.

Blanche et rose comme une Hollandaise.

_Alex. Dumas_.

I.

_Andante cantabile._

Van U wil ik zingen, mijn Hollandsch meisje, mijn aardig, vrolijk burgerkind! Van U--zoete Suze, kleine Suze--kleine, zoete, blonde Suze!

* * * * *

Schoon waart ge--: niet als een Venus van Canova, of als een Romanheldin van Bulwer; geen elpenbeen was uw halsje, uw mondje geen koraal; niet fier waart ge als Juno, of rijzig als Diana; ook was uw aangezigtslijn verre van volmaakt, en teekende zich geen Grieksch profiel, als ik, bij kaarslicht, uw silhouetje natrok aan den wand. Maar in uw frissche, jonge, ongekunstelde gratie, waart ge schooner dan preutsche Freules of klassieke marmerbeelden: dartel als een Peri, lief als een Madonna, verleidelijk als een Sirene--toch, zoo innig, hartelijk, eenvoudig, als slechts een burgerkind 't wezen kan.

* * * * *

Zonnetje van mijn jongensjaren, glorie van mijn studententijd--mijn levend, lievend, lagchend godinnetje--Suze, van U wil ik zingen--van U, en van de rijke dagen onzer goddelijk rijke liefde!

II.

Weet ge 't nog--Suze mijn, liefste mijn--?

* * * * *

Hoe we zamen zoo zoetjes dreven: hand in hand, oog in oog--op dien zaligen Julijavond, in 't bootje uit 't Baarsje--?[84]

* * * * *

De gulden zomerzon ging langzaam ter ruste over de verre zee; moê van den langen omloop, en van den eigen vorstelijken glans, leek ze een schoone prinses, statig en rijkgesierd, die afdaalt tot 't koelend bad. En óm haar, blozend en schuchter, volgden haar in losse groepjes de rozeroode wolkjes: als een stoet van jonge maagden: kuische, ongerepte hofdames.

Toch, zoet liefje--schooner dan de stralende koningin, schooner dan haar luchtigen maagdenrei--vond ik U, toen 't roode avondlicht met vuriger blos uw zijden wangen overgoot, en uw lagchende oogen deed schitteren van een gloed, die mij dronken maakte--!

* * * * *

Weet ge 't nog, liefste mijn--?

* * * * *

Daar was een lispelen in de twijgen, als 't kozen van minnende engeltjes; een zacht beven ging ruischend door de hooggepluimde popels--: Zephyr ontwaakte, de loome gast. Den ganschen warmen dag had hij gesluimerd, op de groene bladeren der waterlelie, in schaûw van wuivend oeverriet.

Vergeefs 't zuchten der zweetende menschenzonen--: hij sliep, en droomde van Chloris, zijn reine bruid.--Maar een schuinvallende zonnestraal is door 't loof gedrongen, en heeft hem gewekt. Frisscher dan ooit blaast hij rond: hij schudt de ritselende halmen van zijn biezen beddeken, en strooit bonten mispelbloesem over 't plekje dat hem schuil gaf. Hoe trilt 't vijvervlak onder zijn spelen; hoe jaagt hij rimpeltjes over 't sidderend beeld van wilg en treuresch, die mijmerend zich spiegelden in 't effen diep. Vlugtig kust hij de bloemkens goênacht; hij drinkt den frisschen dauw uit de halfgeloken kelkjes, en avondmaalt met den geur van rozen en jasmijn.--Zóó zweeft hij verder, fluisterend door de boschjes--als hij opstijgt, om der Vorstin zijn hulde te brengen, en heimelijk te stoeijen met zijn makkertjes, de vlugge, rozeroode hofjuffers.

Maar liefelijker dan de koele zephyr, geuriger dan de geur van rozen en jasmijn--was me uw adem, zoet liefje--als uw boezem hijgde van stil verlangen, en ge, 't kopje geleund op mijn schouder, me uw bloemelipjes, uw malsche rozelipjes, hebt te kussen geboôn--!

* * * * *

Weet ge 't nog, liefste mijn--?

* * * * *

En, om ons heil te volmaken, is 't maantje verrezen--als wist 't goede schepseltje, dat uw blanke koontjes dubbel blank zijn, en uw blauwe oogjes heller flonkeren, bij 't spelen van haar vriendelijk licht.

Ook scheen 't wel, of de vleijende, koppelende Luna, u moed insprak met haar bleeken tooverschijn: want ik voelde, hoe een ronde arm mij naauwer omsloot: en hoe er een kloppen was aan mijn borst, van een ander hartje nog dan 't mijne------------------------------

Toen had ik den schoonsten droom mijns levens--:

Ik zag twee gelieven, die zoetjes dreven op den zilverspiegelenden plas: kussend en kozend----en _ik_ was één van die twee.--En ik zag, hoe ze opstegen, die twee gelieven, van uit 't bootje uit 't Baarsje--hoe ze opstegen--als ware deze aarde hun niet goed genoeg--_ligna recta_, naar 't rijk der planeten: hoe ze opstegen, oog in oog, arm in arm, mond aan mond--hoe ze opstegen, die twee gelieven, en zich verloren in de glanzende spheren der fonkelende avondstar------------------------

Weet ge 't nog, liefste mijn--?

* * * * *

Als we ontwaakten, zoet schatje, stond de maan reeds hooger boven 't schemerend hazelboschje. En er was, in 't opgeblazen gezigt van de lonkende juffer, iets spottends, dat mij niet beviel. En om ons heen, staken de vischjes de glimmende kopjes omhoog, en met de ronde, starre oogjes, keken ze ons schalksch en schuintjes aan. Zelfs klonk er een honend roepen in 't slaan van den koekoek, die ons bespied had, uit de hooge wilgen aan den kant.

En _ik_ vraag: waarom heeft de koekoek gelagchen--wat hadden de vischjes te vertellen--en wat kon de maan zoo vreemd doen kijken----toen we zoo lang gedreven hadden, gedreven en gedroomd: hand in hand, oog in oog--op dien zaligen Julijavond, in 't bootje uit 't Baarsje--?

* * * * *

Zeg, liefste mijn, Suze mijn--weet ge 't nog--?

III.

Suze lief--als we oud zullen worden, _eya popeya_! Oud en krom, en vroom en dom, _eya popeya_!

--Dan zult _gij_ een log moedertje wezen, dat psalmen opzeurt, en ter preek gaat bij dominee Onzin. Dan zult ge bruine koffie drinken--liever dan rooden pommier; en een warme stoof zal u beter warmen--dan de gloed van al de kussen die ik u gaf.

En _ik_----wat zal _ik_ zijn--?

Een Resident _in ruste_--?

* * * * *

Maar wat ik ook zijn mag--: hoe oud en krom ook, hoe vroom en dom ook, _eya popeya_!---- ----toch, Suze, toch--zal ik U niet vergeten--: U, Suze, en de hemelsche avondjes: toen we kuijerden in volle maantjes, en rhijnwijn dronken in geurige, digtgeloofde prieeltjes! Den joligen tijd: toen ik geld verachtte en geleerdheid, mode en fatsoen, beschaving en maatschappij, nufjes en conversatie;--toen ik geen schat kende, geen schat mij wenschte--dan mijn vrijen geest, en mijn krachtig ligchaam, en mijn bonzend hart----en U, Suze--en U! Den onvergeetlijken tijd: toen we jong waren en lustig, moedig en minnend--en gelukkig, Suze----zóó gelukkig: dat zelfs de vischjes en de koekoek ons geluk benijd hebben, als we spelevoeren op den plas--!

* * * * *

Suze, mijn Hollandsch meisje, mijn aardig, vrolijk burgerkind--van U wil ik zingen!

Zonnetje van mijn jongensjaren, glorie van mijn studentetijd--mijn levend, lievend, lagchend godinnetje--Suze, van U wil ik zingen--van U, en van de rijke dagen onzer goddelijk rijke liefde----zoete Suze, kleine Suze--kleine, zoete, blonde Suze!

September, 1866.

[Footnote 84: 't Baarsje: een theetuin, gelegen aan den Kralingschen plas, bij Rotterdam.]

DE GETERGDE ZACHTMOEDIGHEID,

OF,

»'T SOP WAS DE KOOL NIET WAARD."

BLIJSPEL IN ÉÉN BEDRIJF.

PERSONEN.

_Goedsmoeds._ Rentenierend burgerman. Weduwnaar.--Draagt een kamerjapon.

_Judocus van Der Vlugt._ Doktor in de Letteren en Direkteur van een kostschool te Winschoten. Spreekt langzaam en op nasalen toon. Rookt voortdurend pijpen.--Draagt een zwarten rok en witte das.

_Alexander Magnus._ Is ploertig en opzigtig gekleed. Gestikuleert hevig; spreekt vlug en op geaffekteerden toon.

_Mathilde._ Goedsmoeds' dochter. Een stil, eenvoudig meisje; reeds de vijf-en-twintig gepasseerd.

_Clara._ Haar jongere nicht. Een wees, die bij Goedsmoeds inwoont.

_Janneke._ Een oude dienstmaagd.

EERSTE TOONEEL.

_'t Tooneel stelt voor een eenvoudig doch net gemeubileerd huisvertrek._

_Mathilde, Clara_. _De eerste breijend, de ander met een boek in de hand._

_Clara_. Ik kan 't niet helpen, en, hoe je ook praten moogt--ik vind hem een bespottelijk, akelig, sullig mensch.

_Mathilde_. Clara, Clara--ik zeg je nogeens: je beoordeelt de menschen te oppervlakkig, te veel naar 't uiterlijk, en naar den eersten indruk dien ze op je maken. Daarom is je oordeel ook meestal verkeerd: al te gunstig of al te hard.

_Clara_. Wel mogelijk. Ik leg me er ook niet op toe, elks karakter te doorgronden: daartoe heb ik noch tijd noch lust. Maar, zoolang ik 't tegendeel niet bewezen vind, houd ik 't er voor: dat een onaangenaam uiterlijk en kalverige manieren bijna altijd de kenteekenen zijn van een achterlijken geest en een onedel karakter.

_Mathilde_. Je hebt geen tijd of lust om iemands karakter te doorgronden--doch wél tijd en lust, om over elk, op 't uiterlijk af, een onherroepelijk vonnis te vellen. Wezenlijk, Clara, ik begrijp niet hoe jij zoo spreken kunt. Je hart is te edel, en je verstand te goed ontwikkeld, dan dat beide je niet zouden doen gevoelen, hoe _die_ schijn bedriegt.

_Clara._ Een vrij afgezaagd spreekwoord! Moet men dan, volgens u, leelijk zijn en lomp, om een goed mensch te kunnen wezen?

_Mathilde._ Volstrekt niet;--die stelling zou even dwaas zijn als de uwe. Ikzelf ben nog te jong en heb nog te veel smaak, om zóó iets te durven beweren. En dat je liever een regten neus ziet dan een scheeven, liever blond haar dan rood, liever een welluidend compliment hoort dan een boersch gestotter--dát kan ik je niet kwalijk nemen.

_Clara._ Nu, wat dan?

_Mathilde._ Ik woû alleen, dat je een en ander als uitwendige ornamenten beschouwdet, die een goed inwendig volmaken, doch op zichzelf hoegenaamd geen waarde bezitten. Dan zou-je niet zoo ingenomen zijn met personen, van wie je niets kent, dan wat je oogen gezien hebben; en je zoudt niet zoo liefdeloos wezen jegens anderen, wier vel minder glad en wier rug minder buigzaam is.

_Clara._ 't Kan zijn, Mathilde--ik beken wél, dat ik dikwijls wat scherp ben in mijn spreken. Maar ik kan niet, zooals jij, in ieder slechts 't goede zien. Kijk--waar 't op genegenheid aankomt, geef ik alles of niets. Waar ik deugden tref, moet ik bewonderen; waar ik fouten opmerk, moet ik laken--daar is voor mij geen tusschenweg. Maar _als_ ik iemand hoogacht--dat weet ge, Mathilde, en je vader--dan doe ik 't met hart en ziel, met al de kracht die in me is!

_Mathilde._ Ik weet, Clara, hoe we altoos geweest zijn als dochters van één vader. Ik ken je goed hart en je gehechtheid aan vader en mij.

_Clara._ Nu, dan zul-je 't me ook wel vergeven, als ik je zeg, dat ik dien mensch niet lijden kan: met zijn sluike haren, zijn uitgestreken gezigt, zijn saaije, pedante spreekwijs, zijn quasi onverstoorbare gelijkmoedigheid. Die lummel! zou men 'em niet met de zweep smeren, als 'ie daar soesend voortsukkelt achter de kostschooljongens, en meer kijkt naar de straatsteenen dan naar zijn pupillen!

_Mathilde._ En jij, Clara, je zult 't mij niet kwalijk nemen, als ik je oordeel weêr ongegrond en voorbarig noem. Die man heeft je nooit beleedigd--je kent 'em niet eens--je hebt je nooit verwaardigd hem toe te spreken. En, daarenboven, hij is de neef en vriend van je Adolf, die altoos hooge achting voor hem betuigt. Dát moest toch bij u voor hem pleiten.

_Clara._ In 't geheel niet! 't Spijt me voor Adolf dat 'ie zulke neven, en meer nog, dat 'ie zulke vrienden heeft. Maar in geen geval zal bij mij de regel gelden: _les amis de mes amis sont mes amis_.

_Math._ Hoe sterk is je vooroordeel, als 't eenmaal _tegen_ iemand werkt! Zeg, Clara, heb-je dien man in 't hart gelezen?

_Clara._ Ei, zijn hart! Aha, Matje, zou soms 't hart je zoo doen spreken? Ja, ik wist wel, dat er iets gaande was tusschen jelui, ten minste, dat _hij_ zijn oogen tot je durft opslaan.

_Math._ Wel, dat moog-je weten. Dat heb ik nooit getracht te verbergen, noch voor vader noch voor u.

_Clara._ Maar _ik_ heb nooit durven gelooven, dat je zijn verliefde zuchten je zoudt aantrekken, anders dan om er meê te lagchen.--Intusschen, 't zou niet kwaad zijn: wanneer hij niet weet hoe 'ie zelf met een vrouw moet omgaan, zal 'ie je ten minste kunnen zeggen, hoe de oude Grieken 't deden. En misschien--als zijn hooggeleerde geest hem veroorlooft tot de rudimenta af te dalen--misschien leert 'ie je nog wel een mondjevol Latijn. Je wordt nog een savante, Matje--een tweede editie van Wolf en Deken.

_Math._ Clara--zijn dat de woorden van een vriendin, van een zuster! Als je zonder medelijden wilt zijn voor een man die je achting verdient--spaar dan ten minste in mijn bijzijn je ongepaste spotternijen.

_Clara._ De éénige manier om je van een zoo absurde neiging te genezen!

_Math._ Geloof dát niet! Spot zooveel je wilt--je zult er niemand dan jezelf meê kwetsen. Maar denk niet, dat ik een roepstem van mijn hart zou versmoren, dat ik mijn heiligste overtuiging zou verloochenen, uit vrees van bloot te zullen staan aan uw meisjesaardigheden. Neen--al zou de gansche wereld----

TWEEDE TOONEEL.

_Goedsmoeds_, _vorigen_.

_Goedsm._ Ta ta ta, kinderen, wat nu! Alweêr aan 't kijven en keffen! Wat heb-jelui toch aan de hand? Je kunt geen half uur zamen zijn, zonder elkaâr in 't haar te vatten.

En Mathilde--wat kijkt ze opgewonden! Zeg, kind, wat is er toch gaande?

_Clara._ Och niets, oom: ze trekt partij voor dien langen lummel, dien schoolmeester, die hier altoos met de jongens voorbijsleept; u kent 'em wel, dien heer----

_Math._ Stil, Clara!--Vader, 't was niets--ik verzeker 't u. Een meisjespraatje. U weet wel, vader: wij, dochters van Eva, hebben 't altijd over de mannen, als de mannen er niet bij zijn, en--dan zijn we 't ongelukkig zelden eens.

_Goedsm._ Ei zoo,--ha ha ha--ja, dat wist ik. Even goed als ik weet, dat 't er in de wereld heel wat beter zou uitzien, als alle vrouwen zoo gul en rondweg spraken als jij, Matje.

A propos, ehem--jelui spraakt dus over mannen--: mannen, niet in kwaliteit van »heeren der schepping", maar als knechten van je fantasie. Natuurlijk!

_Clara._ Precies zooals u zegt, oom--met 't kleine onderscheid alleen, dat die lange schoolmeester, op Matje's fantasie----

_Math._ _(driftig)_ Clara, Clara!

_Goedsm._ Ei ja, die schoolmeester--doktor, wil-je zeggen--: die heer Judocus.--Nu, Matje, waarom wil-je zijn naam niet hooren? Zou-je denken, dat 'ie om _niet_ hier dagelijks voorbij wandelt, naar 't raam kijkt, en zoo beleefd salueert als zijn stijve rug 't toelaat!

_Math._ Och--gekheid, vader!

_Goedsm._ Nu nu, er steekt geen kwaad in. De man is wat menschenschuw, en wat pedant in zijn spreken; maar toch ken ik hem als een degelijk, verstandig en hartelijk mensch. Dat zeî Adolf ook altijd; die sprak niet dan goed van hem.--Nietwaar, Clara?

_Clara._ Ja, oom, ik weet niet wat Adolf van hem belieft te vertellen. Maar _ik_ ken 'em als den stijfsten boonestaak en de vervelendste tronie van heel de stad.

_Goedsm._ Poeh poeh--stijve boonestaak, vervelende tronie! 't Is goed dat niemand je hoort. Denk er eens aan: we kunnen niet alle zulke nette kereltjes zijn als jou Adolf; alle meisjes treffen 't zóó gelukkig niet als jij, kind--en, de meeste kijken ook zoo naauw niet.--Ik voor mij zou den hemel danken, als ik 't nog 'reis beleven mogt, hoe mijn dochter me een kleinkind op de knie liet wiegen, waarvan zóó'n braaf man de vader was!

_Clara._ Nu oom, dat kon nog wel 'reis gebeuren--ten minste, naar Mathilde's spreken te oordeelen----

_Math._ Clara, nog eens--je zegt meer dan je betaamt, en ik moet je verzoeken----

_Goedsm._ Ta ta ta, in 's hemelsnaam, laat de mannen de mannen, maar vrede bovenal! Gelooft me, kinderen--geen huwelijk ter wereld is waard dat men er om vecht, en, vriendschap gaat nog duizendmaal boven liefde!

Dáár, handjes geven! Zóó--dat staat jelui beter, dan booze rimpels in de gladde koontjes. Vrede bovenal!--Stil, daar is Janneke.

DERDE TOONEEL.

_Janneke_, _vorigen_.

_Jann._ Meneer, daar is een heer die u spreken moet. Hij heeft me een kaartje gegeven met zijn naam er op.

_Goedsm._ Een heer die _mij_ spreken moet! Wel, dat 's ook geen dagelijksch brood: ik heb geld noch schulden!

Geef hier 't kaartje. _(leest:)_ "Judocus van der Vlugt."--Groote goden, dat 's onze schoolmeester!--Vlieg, Janneke, vlieg--jij die haast niet loopen kunt--laat 'em boven komen, die brave doktor! Hij brengt me vast een nieuwe komedie van Langendijk. _(Janneke af.)_

Komt kinderen, laat ons alleen. Straks kun-je weêr binnen komen; maar eerst moet ik den man op zijn gemak zetten, want als 'ie dames ziet, wordt 'ie zóó confuus, dat 'ie stoelen en tafels omverloopt.

_Clara._ _(ter zijde)_ Ik gaf een driegulden als ik blijven mogt! _Hij_ een komedie brengen----ik denk dat 'ie er een komt vertoonen. O, een tientje gaf ik, om zijn declaratie te hooren!

_(tot Math.)_ Zeg, Matje, zou een profetische geest daar even uit ons gesproken hebben!

_Math._ Hemel, Clara, hoe kun-je zoo talmen: we moeten heel de wasch nog rekken en mangelen. _(Math._ en _Clara_ af.)

VIERDE TOONEEL.

_Goedsmoeds._

_Goedsm._ _(roept aan de deur)_ Kom binnen, doktor, kom binnen, vriend.--er is volstrekt geen belet!

Breng pijpen en tabak, Janneke!

_(ter zijde)_. Zoo zoo--eindelijk zal 'ie er dan meê voor den dag komen. 't Is nu juist een maand geleden, dat neef Adolf me over die zaak gesproken heeft. Nu, 'k zal blij zijn, als 't er dóór is: ik ben zeker, dat 'ie mijn kind gelukkig zal maken.

VIJFDE TOONEEL.

_Judocus_, _Goedsmoeds_.

_Goedsm._ Ha--en hoe gaat 't, doktor? Waarom heb-je me al niet 'reis eêr bezocht? _(Judoc. scharrelt met zijn hoed en parapluie)_.

Geef je hoed maar hier, en maak 't je gemakkelijk _(reikt hem een stoel)_.

_Judoc._ Meneer Goedsmoeds--'t is me aangenaam--ik had in lang niet de eer--uw huis te betreden. Maar ik was zoo--zoo vol beslommeringen--een werk dat ik schrijf--: "Erasmus' laatste levensuren"--en, ehem----

_Goedsm._ Ja ja ja--ik neem 't je volstrekt niet kwalijk. Natuurlijk, je hebt meer aan 't hoofd dan burenbezoeken. Werken schrijven! Wel--ik kan me voorstellen, hoe dát iemand moet aftrekken van de nietigheden waarmeê wij, gewone stervelingen, ons 't hoofd breken!--En dan zóó'n geleerd werk als u daar noemt--! Lieve Hemel--ik geloof, ik werd eêr Erasmus zelf, dan dat ik een boek schreef over zijn laatste levensuren!