Ontboezemingen

Chapter 10

Chapter 103,556 wordsPublic domain

Reeds speelt 't lichter door de takken. Zie--tusschen de stammen dóór van gladde, hoogopgaande palmboomen, schitteren de zonnige kleuren der vlakte: als de breede trappen van een reuzen-amphitheater klimmen rijstvelden op, glinsterend als duizend meirtjes, of, 't helder groen ineenmengend met 't zilveren waas, dat de nacht uitspreidde over de vochtige akkers.

En vóór ons, boven alles uit, prijkt, in statige hoogte, de groote, magtige Slamat!

* * * * *

Heil, Slamat, heil--wees mij gegroet, gij schoonste van Insulinde's bergen! Slamat is uw naam, en met _slamat_[57] wil ik u heilzingen--wees heil!

* * * * *

In dien stijl bragt ik den grijzen vulkaan mijn hulde, toen 't opgeslagen bladergordijn hem in al zijn grootheid mij ontdekte.--En als ik voortsukkelde over den hobbeligen weg, bragt mij 't bloed van de Rossinante die ik bereed, in een gansch ridderlijke vervoering.

* * * * *

O Slamat, riep ik--hoe schoon zijt ge--hoe eeuwig trotsch en schoon, nu de jonge dageraad met goud en purper uw kruin omstraalt! Hoe fier verheffen zich uw lijnen, scherp afgeteekend op een grond van rozig morgenlicht: eerst zacht glooijend, en dan ten hemel rijzend--steil, en hoog, onmeetlijk hoog--een kegel van trachiet!--Laat ik u bezingen en bewonderen--bewonderen in al de majesteit uwer naaktheid, vóór de dag feller licht: als gij de nevelen zult optrekken uit de dalen, en uw top hullen in zware wolken, u sluijerend en omgordend voor de oogen der menschenkinderen.--Slamat is uw naam, gij, die uit breede flanken, met ontelbre stroomen, den zegen uitgiet over 't land rondom! Slamat is uw naam, en met _slamat_ wil ik u heilzingen--wees heil!

Als 's morgens vroeg de landman zijn _patjol_[58] opneemt, en zijn buffels wegdrijft, opdat ze waden in den modder, en kaauwen op de natte stoppels--dan ziet hij sidderend omhoog naar de witte rookzuil, die den koning der bergen kroont.--Want hij weet 't, mijn berg, dat ge heilig zijt--hij weet 't, en hij vreest U.--Siwa, de vernieler, zetelt op uw top; Djins en Shètans[59] huizen aan uw ingewanden.--Zij sluimeren;--ongestoord zaaijen en oogsten de kinderen des lands; vrolijk klinkt de _gamelan_ overal, en de _gongs_[60] verkondigen luide, waar bruiloft gevierd wordt, en waar slanke meisjes dansen, getooid met _boenga raja_[61], en pronkend met nieuwe, rijk gebatikte _salendang's_.

Zij sluimeren.----Maar wee, wee, als zij zullen opwaken uit hun rust, om te werken in uw schoot, en de hel aan te blazen, die smeult aan uw fondamenten!--Dan zult ge dood en verwoesting spuwen uit uw wijden krater; vuur zult ge doen stroomen over de weerlooze _sawah's_; verpletterend zult ge gloeijende rotsblokken slingeren op de hoofden der rampzaligen, die zich vertrouwend neêrlieten aan uw vruchtbaren voet; vloek en verderf zult ge spreiden in 't rond, over duizenden en duizenden!--En daar zal een kreet opgaan tegen u: niet meer Slamat zal uw naam wezen--maar Tjelaka zal men u noemen--tjelaka, tjelaka!----[62]

* * * * *

----En zóó uitdrukkingsvol bulderde ik dat ijselijk _tjelaka_; en met zóóveel kracht schopte ik mijn lui gladakkertje de hakken in de ribben, om op de wieken van een vliegend enthousiasme tegen de bezongen Djins en Shètans ten strijde te rennen----dat 't oude mannetje, mijn gids, uit zijn soesend geneurie opgeschrikt, plotseling mijn paard bij de teugels greep; en mijn jongen op mij toesprong, met de vraag: »_Toean kena apa_".[63].--Ik had, in een eerste opwelling van gekrenkte dichterlijke eigenwaarde, den dommen lummel wel een muilpeer willen toedienen; doch--'t gevaar van tuchthuisstraf daar gelaten--begreep ik, na koelen berade, den knaap wel aanleiding te hebben gegeven tot eenig betoon van dienstijver, daar hij, bij 't hooren van mijn noodkreet, slechts kon vooronderstellen: óf, dat zijn heer en meester door een scorpioen of duizendpoot was gestoken; óf wel, dat een der Djins, van uit de ingewanden des Slamat's, in hoogstdeszelfs hersenkas was komen varen.

Halfweg tusschen M... en Boemi-aijoe troffen we een paar _warong's_, onder wier rookerig dak ik mij in de gelegenheid zag gesteld, broederlijk tusschen mijn gids en jongen gezeten, wat rijst uit een _pisang_-blad benevens eenige _kwé-kwé_[64] tot mij te nemen.

Toen ging 't weêr verder. Bergop-bergaf liep de weg: nu eens daalden we diep in een ravijn, en waadden door 't keijig bed van een koelen bergstroom; dan weêr kronkelde ons pad door koffietuinen, of door digte bosschen van reusachtige _djati_-en _rasamala_-boomen, van uit wier loofdak, slankapen en _loetoeng's_[65] ons knorrend toegrijnsden.

Nog een laatsten heuveltop bestegen, hooger dan elke vorige--en zie--welk uitgestrekt vergezigt zich voor ons oog ontrolt: regts de wilde kammen van den Goenoeng Kembang, en 't golvend berglandschap, boven welks gekartelden horizon, schemerend ver, zich de zachte lijnen van den Tjerimaï teekenen; links de Slamat met zijn vertakkingen; en vóór ons, diep aan onze voeten, gerugsteund door de hoogten van Banjoemaas--prijkt--in kleurige weelde van kampongs en akkers, en boschjes en beekjes, 't heerlijk dal van Boemi-aijoe.

Een poos lang liet ik, in stille opgetogenheid, mijn blik weiden over den Eden die mij tot verblijf was aangewezen. Ook uit _die_ natuur sprak poësie--doch, helaas, niet voor mij: want ik verstond ze niet. Mijn hoofd duizelde, toen ik rondzag in dien Oceaan van groen en licht en kleuren. Want, gelijk een overmaat van bloemengeur de zinnen verdooft--zóó ook overstelpt een al te rijke natuur 't oog van den aanschouwer. En hierin, geloof ik, is 't vooral, dat de tropische schepping zoo oneindig bij onze Noordsche achterstaat--: _er is te veel_: nergens is een leêgte, nergens kan iets gedacht worden dat der verbeelding stof tot fantaseren laat, de overvloed zelf maakt hier 't landschap doodsch en eentoonig.

Doch kom--welk redelijk wezen staat er, onder een Javasche middagzon, op 't topje van een kalen heuvel, over natuurschoon te monologeren!--Hoort ge dan niet, Gabriël, dat uw inlandsch geleide uw geestdrift aan beschonkenheid toeschrijft! Voelt ge zelf niet 't merg in uw dichterlijk ruggestreng tot den derden aggregatie-toestand overgaan!

Zoo dwong mij de alle genot verbiedende warmte, spoediger dan ik gewenscht had, in de lommerrijke vallei een toevlugt te zoeken.--Ik kamde mijn haren wat op, liet mij 't stof wat van de kleêren slaan, en nam, toen ik de _dessa_ binnenstapte, een ietwat fiere houding aan, terwijl ik mijn voorrijder en gevolg aanbeval, op te sluiten en den behoorlijken afstand te bewaren, opdat we, voor zoover onze uitrusting 't toeliet, met betamelijke waardigheid voor de controleurs-woning mogten afstijgen.

* * * * *

De controleur, een jong mensch, ontving mij, gelijk men--in Indië--iemand ontvangt, met wien men weet, dat men 't leven in de wildernis zal moeten deelen.

Zijn rijsttafel bleek uitnemend.--Doch wat mij 't meest beviel, was, dat hij mij een kamer inruimde, vanwaar ik een onverhinderd uitzigt had op de hemelhooge massa van den Slamat.

[Footnote 48: Opgebakken rijst.]

[Footnote 49: Ondeugend.]

[Footnote 50: _Gladak_ = al wat bij 't verrigten der heerediensten gebruikt wordt; pop: iets dat slecht, gemeen, afgejakkerd is.]

[Footnote 51: Heer, heerschap.]

[Footnote 52: Oud moedertje.]

[Footnote 53: De Javaan weet zelden hoe oud hij is; somtijds echter herinnert hij zich, bij overlevering, dat zijn vader, ter viering van 's kinds geboorte, dezen-of-genen boom geplant heeft, naar wiens vermoedelijken ouderdom hij dan den zijnen afmeet. Zoo lezen we in 't Maleische werkje, getiteld »_Pelajeran Abdallah_", van een grijs moedertje, dat, gevraagd zijnde hoe oud ze was, op een ouden _klappa_ wees, welken zij verklaarde de plaatsvervanger te zijn van een anderen, die bij haar geboorte was geplant, doch reeds lang, der dagen zat, gestorven was. Daar nu de _klappa_ 60 en meer jaren oud wordt, zoo zou men uit dit voorbeeld mogen afleiden, dat de Maleijer soms een aartsvaderlijken leeftijd bereiken kan.]

[Footnote 54: 't Sirih-kaauwen kleurt 't speeksel en de lippen vermiljoenrood.]

[Footnote 55: Haarwrong: natuurlijke _chignon_--zonder _gregarinen_.]

[Footnote 56: Hoofdbedeksel, in den vorm van een bol- of kegel-segment.]

[Footnote 57: _Slamat_ beteekent: heil, zegen.]

[Footnote 58: Houweel, om den grond meê te bewerken.]

[Footnote 59: Djins en Shètans: twee categoriën van booze geesten. Met 't oog op de gemengde oud-Hindoesche en Musulmansche geloofsbegrippen van den Javaan, nemen we de vrijheid, deze echt Mohammedaansche schepsels der verbeelding met god Siwa in eenzelfde nabuurschap te plaatsen.]

[Footnote 60: Bekkens.]

[Footnote 61: Een vuurroode bloem, die heerlijk afsteekt in de zwarte haren der Javaansche schoonen.]

[Footnote 62: _Tjelaka_ beteekent: ongeluk, ramp, verderf--als tegenstelling van _Slamat_ = heil, zegen.]

[Footnote 63: »Wat overkomt meneer?"]

[Footnote 64: Koekjes, inlandsch gebak.]

[Footnote 65: Een aapsoort.]

IV.

Den nacht daarop, droomde ik, als naar gewoonte.

* * * * *

En zie--ik droomde van den berg, wiens heerlijkheid den ganschen dag mijn oog en geest had bezig gehouden.

* * * * *

Weêr zat ik op mijn knokigen Bucephalus; weêr bragt ik mijn heilgroet den Slamat toe. En toen ik mijn »_tjelaka, tjelaka!_" uitgalmde--toen hield geen domme jongen mijn strijdros in bedwang.--Maar ik vloog voort, als op de wieken van den vogel Rok--met de witte rookzuil tot poolster van mijn vlugt--opwaarts, immer opwaarts!

Ik doorkruiste de bosschen, die zich uitstrekken aan uw voet, o reus van midden-Java; den tijger verstoorde ik in 't verslinden van zijn prooi, den forschen _banteng_[66] streefde ik voorbij; den neushoorn heb ik bespied, den loggen vorst der wouden, als hij afdaalde langs 't zelfgegraven rotspad, om zijn dorst te stillen aan de koele wateren van 't meer Randjeng[67].

En verder ben ik gegaan. Ik heb de Zandzee doorloopen, die opvoert tot uw spits.--Toen heb ik mij neêrgezet----

----En ik zag 't verre land uitgestrekt, zoo diep onder me--groen en nevelig, bijna onzigtbaar. En verder nog, de groote zee, en de groote, witte wolken.----En 't was me, als kende ik dat alles niet meer.----'t Land verdween, en de zee, en de wolken.----Een bonte dwarreling sloot mij de oogen; een zalig suizen, als van verwijderd snarengetokkel: een symphonie van vedels en fluiten en cello's, klonk mij ruischend in de ooren.----En ik voelde, en ik hoorde, en ik zag----

----Ik zag, in rozig schemerlicht, de bloeijende dreven van Mohammed's Paradijs: hoog, hoog boven de blaauwe lucht--tot in de zevenden Hemel, waar Allah troont, die waakt over de Kaäba, en goedig glimlacht over de zaligheid van zijn zalige uitverkorenen. Ik zag de Hoeri's, in den luchtigen tooi van een onschendbare maagdelijkheid, rustend, op purpren avondwolkjes, aan de zijde der gelukzaligen. Ik zag, hoe ze den nooit bedwelmenden wijn schonken, uit nooit ledige kannen; en hoe ze, brandend van kuischen minnegloed, haar nooit vermoeijende kussen drukten op de verjongde lippen der grijs gebaarde Moslem.

----Toen hoorde ik een lied, vierstemmig, wonderschoon, dat de Cherubjes zongen, rond Allah's troon. En Salomo, de wijze, sloeg de maat, met gouden dirigeerstok. David echter, in herderscostuum, moest den toon aangeven, en den zang begeleiden met zijn onnavolgbaar harpspel.

----En mij dacht, als verstond ik de woorden van dat lied: als sprak er één stem tot mij, onder al die stemmen: een stem van Israfil[68]--die ik kende--en die mij opriep, mij, den ongeloovigen hond, om in te gaan tot de vreugde der geloovigen.

----Reeds snuif ik den geur op van muskus en ambergris[69]; reeds breidt me een zoete Hoeri, de schoonste der schoonen, haar mollige armen uit; reeds sluit zich 't donzig wolkenbedje rond mijn leden; ik slorp met volle teugen den eeuwenouden Cypruswijn;----ik smelt, mijn lippen trillen, onder de warme omhelzing van 't eigen liefje des profeten----

----»nonna Flora", riep ik, terwijl ik haar aan mijn boezem knelde--»nonna Flora, gij hier, onder de schaduwen van den onverwelkbaren Lotus[70]! Op aarde, in Gang Patjenongan[71], heb ik u te vergeefs gezocht--zal ik u hier, o zoete Pari-banou, de mijne mogen noemen!--Kom mét mij, geliefde: we zijn beide nog te jong voor een paradijs-leven; kom mét mij--laat ons afdalen tot gindsche bloeijende aarde, en ons een tuiltje plukken in de wilde rozeboschjes van Simpar[72]! Kom, o kom, veelbeminde nonna----!" --------------------------------------------------------------------

Zoo gezegd, zóó gedaan.

De voorgenomen afdaling schijnt echter met zóó groote snelheid, en zóó in strijd met alle natuurwetten te hebben plaats gehad--dat we, niet in de rozeboschjes van Simpar--doch, nonna Flora, ik weet niet waar, en ikzelf, in zeker bed binnen de _dessa_ Boemi-aijoe (Regentschap B... Residentie X...) moet zijn teregt gekomen. Dáár ten minste vond ik mij wakker, met 't angstig gevoel van iemand die een zwaren val heeft gedaan.

Ik keek met verbijsterde blikken rond; en twee-driemalen moest mijn jongen mij de nuchtere mededeeling herhalen: dat 't reeds zeven uur was, en 't ontbijt mij wachtte.

Batavia. Junij, 1866.

[Footnote 66: Wilde stier.]

[Footnote 67: Een bergmeer, ter hoogte van 4500 voet.]

[Footnote 68: De Engel Israfil, wiens stem zangrijker heet dan van eenig ander schepsel.]

[Footnote 69: Zie over de Hoeri's: Alkoran, Hoofdst. 56.]

[Footnote 70: Zie Alkoran, Hoofdst. 53.]

[Footnote 71: Een laan [of gang] in Batavia.]

[Footnote 72: Te Simpar [Res-Tagal] staat of stond, ter hoogte van ± 4000 voet, een vervallen _pasangrahan_, geheel omgeven door uitgestrekte boschjes van rozestruiken, die zich daar in 't wild hebben voortgeplant.]

MINNEBRIEVEN.

AAN NONNA FLORA.

(GABRIËL'S HULDE- EN MINNEZANG.)

Dusky like night, but night with all her stars.

_Byron_, »_the Island_."

_Con fuoco._

Kon ik schilderen met de kleuren van uw gloeijend morgenland, 't heerlijk, zongekroond Sumatra; kon ik mijn pen doen overvloeijen van 't vuur, dat tintelt in uw donkere oogen--hoe zou ik U beschrijven, Flora, nonna Flora, bruin meisje uit 't rijk Menang-kabau[73]!

Hoe zou ik U beschrijven; met welke beelden uw schoonheid prijzen?--Zal ik _pantons_[74] rijmen ter uwer eer? Zal ik uw lof verkonden, met de minnenamen van Hafiz?--Of, klinkt een toon uit Gabriël's speeltuig U zoeter, dan de lierzang van hem, die Schiraz' tuinen deed sidderen van wellust--?

* * * * *

Toen men U ontrukte, een teeder spruitje, aan den milden schoot der moederaarde, om U over te planten op den killen bodem van 't vreemde vaderland--toen hebt gij niet getreurd om uw verloren paradijs; geen zucht naar 't land der palmen heeft U doen kwijnen, geen traan van heimwee bedauwde den rozeblos uwer wangen. Gij hebt getierd en gebloeid, geschitterd hebt ge in den Elfenkring uwer blonde zusters--als de hel glorende papaver, die 't hoofd opheft tusschen bleeke korenbloemen.

Wél zijt ge vreemd geworden aan den _soekoe_[75] uwer moeder. Ge kent de taal niet meer van 't lied, waarmeê Kadidsja U in slaap suste. En de jongelingen van Tanahdatar, als ze U zien mogten, zouden opstaan van hun spel, en vragen: »wie is zij, wier aangezigt blinkt als _pisang-maas_[76], en wier gang is als van een Koningsdochter?"--En ge hebt 't lief gekregen, 't stormig duinstrand, dat U gastvrij opnam, als een eigen kind. Ze zijn U dierbaar geworden, die uw jonkheid gevormd hebben en geleid; die, waar uw stoute geest te wild vloog, en uw bloed te vurig bruiste--met wijze hand die vaart beteugeld hebben: gelijk de dessaman 't dartel beekje bedwingt, opdat 't, vruchtbaarmakend, de _sawah's_[77] besproeije, huppelend in duizend takjes, zegenbrengend, en liefelijk voor allen.

Maar toch, Flora, toch heeft de koude mist van 't noorden geen ijs doen vloeijen in uw aderen. Toch zijt ge niet verbasterd van den stam die U voortbragt. En vrijer straalt uw oog, en hooger zwelt uw boezem, als ge 't voelt met iederen polsslag: hoe 't fiere bloed der Padri's warm opwelt uit de reine levensbron, die uw hart doet bonzen, sneller en heviger, dan dat van de blonde speelnooten uwer jeugd.

* * * * *

We staan zamen, in den vroegen morgen. We hebben 't Oog des Daags[78] zien opgaan over de hoogten van Poeloe Panitan[79]. Alles rust nog; de blaauwe wateren sluimeren in de diepte.

Zie--Straat Soenda ligt voor ons open! Hoe prijkt in bonten dos de breede wal van Bantam's heuvelen; hoe trekt 't ons, met toomeloos begeeren, naar 't groen der eilanden, die opdoemen uit de kalme watervlakte, en ons toelagchen, als in Mirza's droom de woningen der eeuwige vreugde! Zóó wenken den matten reiziger de dadelboschjes der oäse; zóó verkwikt _ons_, na een droeven zwerftogt, de afgebeden aanblik van land, land!

En Noordelijk--ver weg, als nevelbeelden aan den trillenden horizon--teekenen zich schemerend de graauwe uitlijnen van twee hooge bergen--: dat zijn de bergen van de Lampongs, dat is Sumatra, Flora--Sumatra, uw rijk geboorteland! ----------------------------------

Hoort ge den klang van _boenji-boenji-an_[80]; ruischt U heimelijk een wiegelied tegen, weemoedig zingend, zacht verstervend, in den wijden blaauwen aether, als een stem uit Wishnou's hemel!--Voelt ge U vleugels aangebonden: stijgt ge omhoog als een ligte Déwi; jaagt ge vlug door de zonnige ruimte----Flora, waarheen?--Over zee en bergen, ver van hier; over de kruin van Radja-Basa, over de Piek van Indrapoera--tot aan 't land waar de kamferboom[81] bloeit! ----------------------------------

Dáár zoudt ge U neêrlaten, moêgetogen, om te rusten aan den zoom van 't beekje, waarin Kadidsja gebaad heeft--Kadidsja, die uw moeder was--!

* * * * *

Ik wil mét U gaan, Flora--mét U naar Agam's eeuwig groene hooglanden.

Ik weet er een koele vallei, ringsom tusschen steile bergen gelegen. Dáár, onder den geurigen boog der _pandan-rampei_, in de schaduw der benzoëbosschen--zullen we ons een hutje bouwen. Ik zal uw leger spreiden van _melati_[82] en blaauwe _tjampaka_[83]; uw dorst zal ik lesschen met frisschen sherbet; uw honger stillen met de kostelijkste vruchten des wouds.

En als uw oog zal schitteren bij den herkenningsgroet van uw bergen en bosschen; als uw mond zal juichen en uw hart opspringen van verrukking over den Eden dien ik U weêrgeef----Flora--lesch dan ook den dorst _mijner_ ziele--stil dan ook den honger die _mij_ verteert!

* * * * *

Want zóó bemin ik U, bloem van Indalus--: als ge mij vóórzweeft in al de weelde van uw Oostersch feeënschoon! O, mijne Sultane, mijne Odaliske, zóó bemin ik U--: als ik met U wandel in den droom, aan de boorden van Euphraat en Tigris, in de tooverlustwarand der hemelsche Sheherezade: waar sappige granaten lokken, smachtend neêrgebogen over beddekens van rozen en anjelier; waar kristallen vlietjes murmelen, tusschen kelk en blad van dauwgedrenkte lotos; waar de lucht zwaar is van geur; en Bulbul, in zangerige toonen, zijn leed klaagt aan de volle maan, die stralend opdaagt over Bagdad's gouden transen.

* * * * *

Wie is de man, dien gij bezaligen wilt met een sprekenden blik, uit 't zwart der levende diamanten, die de spiegels zijn van uw gevoel--?

Wie zal de tressen mogen opbinden van uw golvende haren; of met stouten arm de volheid omspannen van uw fijn gevormde leest--?

Wie zal roemen op den kus uwer lippen: den eersten, die een zoeten bond bezegelt: den warmen, rijpen, albelovenden kus uwer jonge liefde--?

* * * * *

Zeg, Flora--zal _ik_ 't zijn? Zeg, mijne Balsora--zal Gabriël uw Abdallah wezen--?

* * * * *

Hoe zou ik U beschrijven, bruin meisje uit 't morgenland!--En kon ik schilderen met de kleuren van uw gloeijend Oosten; en kon ik mijn pen doen overvloeijen van 't vuur, dat tintelt in uw donkere oogen----hoe zou ik U beschrijven, U, en mijn liefde voor U--Flora--dochter van de slanke Kadidsja--zoet bruidje mijner droomen!

In Straat Soenda. Maart, 1866.

[Footnote 73: Vroeger een magtig rijk in de Padangsche bovenlanden.]

[Footnote 74: Maleische balladen, meestal van erotischen aard.]

[Footnote 75: Stammen, waarin de Maleijers der Padangsche bovenlanden op eigenaardige wijs verdeeld zijn.]

[Footnote 76: Een schoone, goudkleurige banaansoort.]

[Footnote 77: Natte rijstvelden.]

[Footnote 78: Zóó heet in 't Maleisch de Zon.]

[Footnote 79: Prinsen-eiland.]

[Footnote 80: Speeltuig, inlandsche muziek.]

[Footnote 81: De beste kamfer komt uit 't Noorden van Sumatra.]

[Footnote 82: Een zeer welriekende en geliefde Indische jasmijnsoort.]

[Footnote 83: De blaauwe _tjampaka:_ een bloem, die voorondersteld wordt alleen in 't Paradijs te bloeijen, doch die, volgens Marsden, ook op Sumatra gevonden wordt. Zie: Th. Moore. »_Paradise and the Peri_." _Note_.]

AAN TITANIA.

(ONTBOEZEMING VAN EEN VERLIEFDEN CHEMICUS.)

EEN AANWIJZING TEN DIENSTE DER LEERLINGEN VAN HOOGERE BURGERSCHOLEN, HOE, OOK OP DE STUDIE DER SCHEIKUNDE, VAN ALPHEN'S »SPELEND LEEREN" TOE TE PASSEN.

_Naturae ars magistra._

Titania--neen, niet langer kan ik zwijgen! Mijn leven, mijn _laboratorium_, mijn _retorten_ staan op 't spel: reeds drie _quantitatieve analysen_ heb ik fautief berekend, vier zeldzame _vetzuur-verbindingen_ doen aanbranden, en zeven kilogram _cacaoboonen_ verknoeid aan een mislukte bereiding van _theobromine_----alles om U, Titania--om U!

* * * * *

Kalm en doorschijnend was mijn gemoed, rustig en klaar in 't vast bewustzijn onzer wederzijdsche _affiniteit_--als een pas _gefiltreerde_ oplossing van _matig zuur acetas plumbi_. Maar een drop stinkend _sulphidum hydrogenii_ is in de reine vloeistof gevallen, en heeft ze getroebeld met 't vuilzwart _praecipitaat_ van een _zwavellood_-bevattende jalousie!

* * * * *

Want, weet, trouwelooze, dat ik U bespied heb!--Gister, gisteravond toen ik slenterde langs de cingels, peinzend over 't approximatief _nickel_-gehalte van de hemelligchamen die men meteoren noemt--gisteravond, Titania, heb ik U bespied: wandelend, in 't Delftsch plantsoen, onder de schaduwen van een _salicine_-houdend popelboschje--wandelend, arm in arm, met een mij onbekenden jongeling: wiens aangezigt blonk in 't maanlicht als _kwikzilver_, wiens oogen schitterden als _phosphorus_ in _zuurstof_, wiens haar en knevels zwart waren als _oxydum cupri_.--Ik heb U bespied met dien jongeling--in meer dan vertrouwelijken kout, in meer dan vriendschappelijke toenadering----Titania, wat moet ik van U denken--?

Wat moet ik van U denken?--Zijt ge als 't _chamaeleon minerale_, heden groen en straks weêr rood? Zijt ge als 't aarzelend _oxydum stanni_, nu eens zuur, dan weder _basisch_? Of is uw gehechtheid aan mij als die van _zwavelzuur_ aan _metaaloxyden_: sterk op zichzelf, doch zwak en vlugtig bij toevoeging van een der _koolzure alcaliën_--? Zeg, wreede schoone, is die zwartharige jongeling de magtiger _basis_, die mij 't _zuur_ uwer liefde heeft onttrokken? Bestaat er sterker _keurverwantschap_ tusschen hem en U, dan tusschen U en mij?--Spreek, onqualificeerbaar zamenstelsel van de meest heterogene vrouwelijke grilligheden! Spreek, onvergelijkelijke combinatie van _albumine_, _fibrine_, _globuline_, _biline_, _creatine_, _chondrine_, en verdere _organische_ en _anorganische_ bestanddeelen, die van uw heerlijk ligchaam de bouwstoffen zijn! Spreek--antwoord--en maak met dat ééne antwoord uw minnaar den gelukkigsten, of den rampzaligsten aller Chemici--!

* * * * *

Titania--gij, die voorzit als heerscheresse over de gezamenlijke massa van de mijn minnend hart vormende _atomen_ en _moleculen_--gij, wier naam geëtst staat in 't kristal mijner ziele, als met onuitwischbaar schrift van _acidum hydro-fluoricum_--gij, voor wie ik met vreugde al de _bloedbolletjes_ zou geven, die in mijn _serum sanguinis_ ronddrijven----Titania, hoor mij aan, en laat mijn tranen uw steenen hart verweeken, als regendroppels 't gebrande _sulphas calcis_!