Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw

Part 9

Chapter 9 3,708 words Public domain Markdown

De koning van Frankrijk, Philippe le Bel (de Schoone) en zijne vrouw Johanna van Navarre[31] beseften ten volle de stoffelijke waarde van Vlaanderen.

Maar Philippe was listig; hij wachtte zich wel zijne inzichten openbaar te maken.

Op sluwe wijze mengde hij zich in de innerlijke twisten, die, zooals wij vroeger leerden, de inwoners onzer gemeenten verdeelden.

Langzamerhand won hij de gunst der edellieden en rijke burgers, die hoopten, dat de koning hunne zucht naar alleenheerschappij zou begunstigen.

Zoo kwam het dat, al wie in Vlaanderen den koning van Frankrijk genegen was, den naam kreeg van Leliaart.

De menschen van den lagen stand, de nederige ambachtslieden, hielden van de Leliaarts niet, en heetten «Klauwaarts» naar de klauwen van den Vlaamschen Leeuw.

Gwyde, graaf van Vlaanderen, ijverzuchtig op den invloed der Leliaarts zijnde, steunde de Klauwaarts. Gwyde werd tot tweemaal toe gevangen genomen door den koning van Frankrijk, die Vlaanderen bemachtigde.

In 1301 brachten Philippe le Bel en zijne gemalin een bezoek aan Vlaanderen en de koning vertrouwde het bestuur van het graafschap toe aan een Fransch edelman, Jacques de Châtillon.

Maar de Klauwaarts, de wakkere zonen van Vlaanderen waakten. Zij zouden de plannen van den arglistigen koning verijdelen!

De Leliaarts intusschen zagen hoe langer hoe meer, misnoegd neer op de Klauwaarts en Jacques de Châtillon toonde zich zoo onkundig in het besturen van het graafschap, dat de geheele volksklasse tegen hem aan het morren ging.

Te Brugge kwamen de inwoners in opstand en doodden op éénen nacht honderden Franschen en Leliaarts.

Jacques de Châtillon vluchtte naar Frankrijk en de meeste gemeenten kozen partij voor de Klauwaarts.

Te Brugge stelden zich Pieter de Coninc, deken der wevers en Jan Breydel, deken der vleeschhouwers aan het hoofd der neringen, die de wapenen hadden opgenomen. De Bruggenaars vielen in hunne stad onverhoeds de Franschen aan en doodden ze in grooten getale. Deze gebeurtenis noemt men de «Brugsche Metten.»

* * * * *

Weldra zond Philippe le Bel naar Vlaanderen een schitterend leger, dat onder bevel stond van zijn broeder Robrecht van Artois.

De bloem der Fransche ridders maakte deel uit van dat leger en de koning, in zijne gramschap, had bevolen de steden te plunderen, de velden te verwoesten, de bevolking uit te roeien en--hoe schandelijk zulks in het boek der Geschiedenis te moeten neerschrijven--de ridders haakten er naar het bevel des konings ten uitvoer te brengen!

Maar de Vlaamsche gemeentemannen zouden het menschonteerende schelmstuk beletten!

Op den Groeningen kouter, bij Kortrijk, wachtten zij, in dichte gelederen, de vreemde indringers af en deze meenden, reeds bij den eersten aanval, de nederige poorters te verpletteren, die zij verachtten.

Eene smalle beek liep door de moerassige weide en scheidde beide legers van elkander.

In onstuimige vaart, waagden het de Fransche ridders de beek over te springen, maar, belemmerd door hunne zware wapenrustingen, zonken zij met hunne paarden in het slijk.

Toen trokken de gemeentemannen in gesloten gelederen voorwaarts, roepende: «Vlaanderen den Leeuw!» Zij richtten onder de Fransche edelen eene vreeselijke slachting aan; prinsen, ridders, voetknechten, Robrecht van Artois, Jacques de Châtillon bleven op het slagveld.

Na den veldslag raapte men, op de met lijken bezaaide vlakte, meer dan 700 gulden sporen op, welke men als zegeteekens in Onze Lieve Vrouwkerk te Kortrijk ophing.

De bloedige veldslag, die plaats greep op 2 Juli 1302, draagt den naam van Gulden Sporenslag.

De mare van deze nederlaag weerklonk in ons land en in den vreemde. Te Rijsel, te Yperen, te Gent kwamen de Klauwaarts aan het hoofd der gemeenten en de gemeentemannen bekwamen talrijke voorrechten. Zelfs in Frankrijk verzetten de nederige ambachtslieden van sommige steden zich tegen den koning en de steden van Italië zonden hare gelukwenschen aan de Vlaamsche gemeenten.

De merkwaardige Sporenslag had nog een ander belangrijk gevolg:

Hadden de Fransche ridders de overwinning behaald, Vlaanderen ware bij Frankrijk ingelijfd en een Fransch wingewest geworden. Zijne taal, zijne beschaving, zijne kunst zouden uitgeroeid zijn en het tegenwoordige België niet bestaan.

Eere dus aan de Vlaamsche Zonen, die zoo heldhaftig hunne moeder verdedigden.

47.--Hongersnood!

Het was winter en nijpend koud. Op een zolderkamertje, in een houten huis der Wolvesteeg, dicht bij de Vrijdagsmarkt te Gent, zat eene jonge vrouw te zuchten en te weenen.

Zij was mager als een geraamte en het kindje, dat op hare knieën lag, kreunde pijnlijk en met zwakke stem. Zijne handjes waren rimpelig als die eener oude vrouw, zijne gelaatskleur was blauw en koortsvuur gloeide in zijn wijdgeopende oogjes[32].

«Arm Betteken, ween zoo droevig niet» snikte de jonge moeder. «Gij zijt ziek van honger en gebrek en ik heb geen korstje brood om u te spijzen, geen druppel melk om u te laven. Uw vader en zijne gezellen zitten werkeloos op de Vrijdagsmarkt.

Arm kind! wat zal er van ons geworden! In Gent is geen slag werk te vinden, alle weefgetouwen liggen stil.... God weet! wanneer die akelige toestand veranderen zal!...»

Het scheen alsof de klagende stem der moeder het arme Betteken in slaap suste, want, langzamerhand verzwakte het gekreun om eindelijk geheel op te houden.

De moeder echter suste het wichtje voort en zag het bij wijlen aan met treurigen, doch liefderijken blik.

Eensklaps teekende zich eene ontzettende uitdrukking van schrik op haar bleek gelaat. Bettekens oogjes waren gesloten, haar lichaampje was stijf en onbeweeglijk, zij ademde niet meer en....

«Dood! dood! mijn kind is dood! gestorven van honger, verstijfd van koude!» gilde de arme vrouw met radeloozen schrik, waarop zij, het wichtje aan hare borst drukkend, de deur openwierp en huilend en weenend, de trap af, naar beneden stormde.

Weldra bevond zij zich in eene woonkamer, waar een jong meisje aan het ziekbed harer moeder was gezeten.

Bij het akelig gekerm der binnentredende, sprong de maagd ijlings op, terwijl de kranke zich in de bedstede oprichtte.

«Om Gods wil, bedaar, vrouw Katelijne, bedaar,» sprak het meisje, maar de vrouw schreide maar immer door en bedekte het aangezicht van haar Betteken met tranen en kussen.

«Ontkleed het kindje, leg het op tafel, Livina,» sprak de zieke moeder tot hare dochter, neem een wollen doek en wrijf het arme schaapje tot het bijkomt....» en uitgeput liet de zieke het hoofd weer op de peluw vallen.

Livina deed zooals de kranke had gezegd. Zij wreef het koude lichaampje, dat na eene poos weder warm werd, toen opende zij het mondje van het wichtje en goot eenige druppeltjes melk tusschen zijne paarse lipjes.

De doodskleur verdween van de magere wangetjes, het kind sloeg de oogleden op, en zijne zachte blauwe oogjes zochten de nog altijd weenende moeder.

«Goede Livina, heb dank!» kreet Katelijne, maar Livina scheen hare dankende woorden niet te hooren; zij bracht de vrouw bij den haard, dwong haar zich op eene bank neder te zetten en hare koude ledematen te verwarmen.

«Keer naar uw zolderkamertje niet terug, Katelijne,» sprak Livina, «blijf bij ons tot uw echtgenoot terugkeert....»

«Wij ook zijn ongelukkig,» vervolgde zij op de kranke wijzend, «maar eigen leed heeft bij ons de liefde niet uitgedoofd, die wij onzen evenmensch verschuldigd zijn.»

«Er is nog brood in de schapraai,» sprak de zieke moeder, «Livina, zet het Katelijne voor en warm heur wat melk. »

«Ik dank u, Geertrui,» antwoordde Katelijne. «Gij zijt al te, goed, gij zelve zijt ziek van gebrek en uw zoon Antoon is werkeloos.»

«Dezen morgen,» zei thans Livina, «verkocht ik bij den juwelier in de Geldmunt, den gouden ring, dien moeder van hare grootouders erfde. Van honger zullen wij dus niet sterven en de ongelukkige toestand waarin alle Gentenaars zich bevinden, zal veranderen.»

Katelijne schudde het hoofd. «In onze stad is alle nering uitgedoofd,» sprak zij treurig.... «Nog altijd weigeren de Engelschen ons wol te zenden, nog veertien dagen en Gent sterft van honger en gebrek.»

«Hoop op de toekomst,» vervolgde Livina. «Heeft de Wijze Man niet beloofd met den koning van Engeland te onderhandelen en Vlaanderen van den ondergang te redden? Geloof mij, Katelijne, eer het laatste geldstukje, dat ik voor onzen gouden ring ontving verteerd zal wezen, zullen de neringen den arbeid hebben hervat.»

«Moogt gij waarheid spreken,» hernam de jonge moeder, ... «maar de honger, de angst hebben mij, arme, het hopen afgeleerd.»

Eensklaps werd de huisdeur van buiten geopend en de twee mannen stormden juichend binnen.

«De Engelsche wol komt weer vrij in Vlaanderen!» riepen zij als uit eenen mond. De Wijze Man van Gent heeft ons gered! Nog drie dagen en de Neringen kunnen den arbeid hervatten!

De oogen der beide mannen straalden van blijdschap.

De jongste, Livina's broeder, was een weversgezel, klein van gestalte, mager, doch ongemeen vlug in al zijne bewegingen.

Zijn gezel, de echtgenoot van Katelijne, was een groote, krachtige voller, met grove handen en sterkgespierde ledematen.

Hij nam zijn kind in de armen en trachtte zijne vrouw op te beuren.

Deze verhaalde hem, wat er gedurende zijne afwezigheid was voorgevallen en de stoere voller, veegde met zijne grove hand de tranen af, die hem over de wangen biggelden.

«Heb dank, Livina, heb dank, moeder Geertrui, stotterde hij....» maar Livina hoorde niet.

Zij stond met haren broeder voor de bedsponde der kranke.

«Thans zult gij spoedig genezen, moeder,» lachte Antoon. «Naarstig en onvermoeid zal ik voor u werken, u vleesch en eieren koopen! Nog veertien dagen en, aan Livina's arm, wandelt gij op de Vrijdagsmarkt.

De zieke glimlachte. Katelijne en Simon de voller, wilden met Betteken naar het zolderkamertje gaan, maar Antoon de wever hield ze terug.

«Boven is het veel te koud» sprak hij «warmt u bij den haard en deelt ons brood. Laten wij den avond gezellig doorbrengen en praten over den arbeid, dien wij welhaast zullen hervatten!»

48.--Jakob Van Artevelde, de Wijze Man van Gent.

Het treurige tooneel, dat wij in het somber huisje der Wolvesteeg bijwoonden, was te Gent en elders, niet eenig in zijn soort; ten jare 1339 heerschten ellende, gebrek, ziekte in gansch Vlaanderen.

Ziehier wat er was gebeurd: Karel IV, koning van Frankrijk, was gestorven zonder mannelijke erfgenamen na te laten en twee vorsten betwistten elkaar zijne kroon.

Het waren Filips van Valois, neef van den overleden koning en Eduard III, koning van Engeland. Een verschrikkelijke strijd, de honderdjarige oorlog, brak uit tusschen Frankrijk en Engeland. De graaf van Vlaanderen, Lodewijk van Nevers, koos partij voor Filips van Valois en wilde Vlaanderen in een verbond met Frankrijk betrekken.

Weldra verbood Eduard III den uitvoer der Engelsche wol naar Vlaanderen en door dien maatregel was de wolweverij, de voornaamste tak van nijverheid onzer streken, ten gronde gericht.

De vollers, wevers, ververs bevonden zich zonder werk en onze arme voorouders leden verschrikkelijk. Te Gent vergingen de inwoners letterlijk van honger en gebrek.

In deze stad leefde toen een man, die boven zijne tijdgenooten uitblonk door zijne wijsheid en welsprekendheid.

Hij heette Jakob Van Artevelde, maar zijne stadgenooten noemden hem «den Wijzen Man van Gent.»

«Laten wij om raad gaan bij den Wijzen Man» riepen de Gentenaars als uit éénen mond. «Hij alleen kan ons redden.»

Artevelde bewees aan zijne medeburgers, dat zij bevriend moesten blijven met den koning van Engeland, zonder daarom tegen den koning van Frankrijk te strijden of anders gezegd, dat zij onzijdig moesten blijven.

Jakob Van Artevelde onderhandelde met beide vorsten en volbracht zijne taak op uitstekende wijze.

Filips van Valois en Eduard III erkenden de onzijdigheid van Vlaanderen, de Vlaamsche schepen mochten vrij de zee doorkruisen, de Engelsche wol werd hier heengebracht, ellende en hongersnood weken uit stad en dorp.

De invloed van den Wijzen Man groeide gedurig aan. Door zijne bemiddeling sloten de gemeenten van Vlaanderen en Brabant een verbond, dat weldra erkend werd door Henegouwen, Holland en Zeeland.

Frankrijk echter erkende niet langer Vlaanderens onzijdigheid. Op raad van Van Artevelde, nam Eduard III den titel aan van koning van Frankrijk[33] en sloot in 1342 een verbond met Vlaanderen.

De Franschen verloren den zeeslag van Sluis en Eduard maakte zich deze overwinning ten nutte om Doornik te belegeren. Weldra kwam een wapenstilstand de vijandelijkheden schorsen.

Graaf Lodewijk van Nevers was naar Frankrijk teruggekeerd; Jacob Van Artevelde zag zich, met den titel van Ruwaert, het bestuur van Vlaanderen toevertrouwd. Handel en nijverheid bloeiden, landbouw, rivier-en zeevaart herleefden.

49.--Broedermoord.

Eenige jaren zijn verloopen en, in het houten huis der Wolvesteeg, wonen nog altijd onze vroegere bekenden Livina, Antoon en hunne moeder, Simon, Katelijne en Betteken, dat tot een lief meisje is opgegroeid.

Het akelige spook van den honger bedreigt niet langer de sombere woning, gezondheid en welstand zijn er teruggekeerd, maar helaas ... vrede noch geluk zijn er binnengedrongen.

Antoon de wever en Simon de voller zijn geene vrienden meer maar vijanden. Als zij elkander ontmoeten ballen zij de vuisten en roepen elkander scheldnamen toe.

En weder is voor de arme vrouwen een treurig tijdvak van lijden en tranen aangebroken.

Op eenen Maandag morgen had Simon al vroeg zijn zolderkamertje verlaten.

«Zoek eene andere woning,» had hij zijne vrouw toegesnauwd, «bij den hoogmoedigen wever blijf ik niet langer inwonen.»

Betteken had vader om een kus gesmeekt, maar toen zij dien ontving, had zij, onder vaders kolder, het harde staal eener scherpe bijl gevoeld.

Ook Antoon de wever, was sedert geruimen tijd opgewonden, ruw en barsch. De zoete stem zijner zuster, de tranen zijner moeder konden den storm niet bedaren, die in zijn binnenste woedde.

Op dien akeligen Maandag morgen had hij, gewapend, de moederlijke woning verlaten, terwijl hij, bij het henengaan, gruwelijke woorden van dood en moord had gemompeld.

Thans zaten de vrouwen biddend in de sombere woonkamer, tranen van angst biggelden over hare wangen en treurig klonk hare smeekbede:

«En vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onze schuldenaren.»

«Verlos ons van den kwade» prevelde Livina, maar sprong weldra, evenals de andere vrouwen, verschrikt op.

Huilend en schreeuwend, met kletterende wapens, trokken scharen ambachtslieden door de enge steeg, terwijl van de naburige Vrijdagsmarkt een verward gedruisch van menschenstemmen, als de deining eener woelige zee, tot het oor der vrouwen doordrong.

«Ik blijf hier niet langer, kermde Livina. Ik wil Antoon halen ... bij de liefde zijner moeder zal ik hem bezweren naar huis te komen.»

«Ik vergezel u, Livina» sprak Katelijne. Misschien kunnen wij, vrouwen, moord en doodslag beletten.

«Moeder» sprak Livina vastberaden, «sluit de deur dicht achter ons, verberg u met Betteken op het zolderkamertje en bid voor de Gentsche ambachtslieden.»

De twee vrouwen verlieten de woning en bevonden zich weldra op de markt.

Eene grijze stofwolk verhief zich boven het uitgestrekte plein, waar een akelig schouwspel de oogen der vrouwen trof.

Honderden ambachtslieden vochten er tegen elkander; vollers met opgestroopte mouwen, blauwververs met donkergekleurde handen, vleeschhouwers met messen en priemen, smeden met zware bijlen, sjouwerslieden met lasthaken, brouwers, timmerlieden, bakkers, schippers woelden door elkander, bloed vloeide langs den grond, droevige klachten van stervenden, pijnlijke kreten van gekwetsten, stegen naar omhoog.

Livina sloot de oogen en meende te sterven, maar eensklaps stiet Katelijne een ontzettenden kreet van wanhoop en smart uit, trok Livina bij den arm mede in de richting der Waaistraat.

De knieën van het meisje knikten en toch volgde zij hare gezellin.... Was het zinsbedrog? Was het werkelijkheid?... Neen, zij droomde niet, haar broeder lag op den grond, terwijl Simon de voller hem de knie op de borst drukte en het moordend staal boven zijn hoofd zwaaide.

«Gij zult niet doodslaan,» riep Katelijne, «hebt gij vergeten dat Simons zuster ons kind van den dood redde?»

Zij sprong op haren echtgenoot toe, trok hem het moordende wapen uit de hand en vluchtte met hem door de Zuivelsteeg.

Ondertusschen had Livina haren broeder opgericht en het bloed afgeveegd, dat langs zijne wangen sijpelde. Antoon waggelde als een dronken man, doch Livina ondersteunde en bracht hem, dwars door de vechtende ambachtslieden, bij zijne moeder in het somber huisje der Wolvesteeg.

50.--Dood van Jakob Van Artevelde.

De vreeselijke dag, waarop de Gentenaars, alle broederliefde vergetende, zich aan de gruwelijkste moorderijen overgaven, wordt door de geschiedenis met den naam van «Quade Maendach» bestempeld.

De gemeenten, die het nageslacht zulke schoone voorbeelden van werkzaamheid en vrijheidsliefde gaven, waren niet vrij te pleiten van groote gebreken, die onvermijdelijk haren ondergang moesten bewerken. Zij waren ijverzuchtig, jaloersch op elkander; de groote gemeenten beheerschten de kleine, alsook het platteland. Niet zelden leefden de verschillende neringen eener zelfde gemeente in onmin met elkander.

In 1345 leefden te Gent de vollers, wevers en de kleine neringen in volslagen vijandschap.

De haat der ambachtslieden onder elkander was zoo hevig, dat zij, zooals het vorige verhaal ons leerde, elkander gewapend aanvielen en afgrijselijke broedermoorden pleegden.

Niets was in staat den steeds klimmenden haat der ambachtslieden te dooven, zelfs de stem van Artevelde, den Wijzen Man, was niet krachtig genoeg om de opgewonden bevolking kalmer en redelijker te maken.

Allengs vergaten vele Gentenaars, al wat zij den Wijzen Man verschuldigd waren; zijn invloed verminderde en benijders, vijanden, schijnen getracht te hebben zijn goeden naam te bezoedelen.

In de maand Juli 1345 begaf Artevelde zich naar Sluis om met Eduard III te onderhandelen en, bij zijne terugkomst naar Gent werd hij ongemeen koel ontvangen, ja, dreigende stemmen verhieven zich tegen den eens zoo geliefden volksvriend.... 's Avonds begaf zich eene woedende volksmenigte naar Artevelde's huis en sloeg de deuren in.

De Wijze Man trad vooruit, wilde tot het volk spreken, het bedaren, maar, hij werd niet eens aangehoord en ... onvergeeflijke snoodheid, de bijl eens moordenaars durfde zich boven het hoofd van den grooten volksvriend verheffen.

Zij viel neer en doodde den doorluchtigsten inwoner der Gentsche stad.

Het nageslacht erkende de groote verdiensten van Jakob Van Artevelde. Heden verheft zich het bronzen standbeeld van den grooten Man op de Vrijdagsmarkt, waar hij zoo menigmaal sprak tot het volk.

51.--Graaf Lodewijk van Male.

Hij leefde in weelde en overvloed, hij maakte muziek met zijne minstreelen[34] of hield zich bezig met zijne vogels, honden en apen.

«Ik houd het met den graaf» zei Ghysbrecht Mahu «hij is rijk en machtig. Hij zal mij aan zijn hof uitnoodigen, mij prachtige steekspelen en ridderfeesten laten bijwonen. Met vorsten en edellieden zal ik omgaan en mijne dochters, in zijde en fluweel gekleed, met peerlen en smaragden getooid, zullen uitblinken tusschen de meest schitterende vrouwen van Vlaanderen.»

«Ik houd het met mijn volk» sprak Jan Yoens. «Ik wil lijden als het lijdt, arbeiden aan zijn welzijn, sterven voor zijne vrijheid.»

En beide Gentenaars hielden woord. Lodewijk van Male gaf schitterende feesten en noodigde al de ridders van Brabant, van Holland, Henegouwen, Picardië[35], aan zijn hof.

Te Gent woonden doorluchtige heeren en edele vrouwen. De graaf ontving die in zijne paleizen en op zijne kasteelen.

De heeren droegen lange mantels, met bontwerk gevoerd, groote hoeden van beverhaar, gevlamde gordelriemen en schoenen met zilveren gespen.

De vrouwen hadden scharlaken kleederen, versierd met edelgesteenen; zij droegen faliën van rood fluweel of van venetiaansche stoffen met goud of zilver doorweven.

Jan Yoens en zijn volk arbeidden en leden, want zij waren het die de feesten des graven moesten betalen; te Gent deed de graaf eene belasting afkondigen, die hij wilde heffen, maar de inwoners verhieven de stem en verzetten zich tegen die onwettige afpersing.

«De schattingen door 't volk opgebracht moeten niet dienen om kluchtspelers en potsenmakers te betalen,» sprak een hunner en al de andere poorters vereenigden zich met zijne weigering.

Zeer verbitterd, begaf zich de graaf naar Brugge, waar hij hulpgeld aan de gemeente vroeg.

«Ik zal u toelaten eene vaart te graven, waardoor gij de wateren der Leie kunt afvoeren,» beloofde hij, «die vaart kunt gij verbinden met de Reye, en het graan van Artois[36] zal niet langer naar Gent, maar naar Brugge worden gevoerd.

De Gentenaars zullen het voorrecht verliezen, dat zij tot hiertoe hadden genoten.

Het ijverzuchtige Brugge voldeed aan het verlangen van den graaf en weldra begaven zich vijfhonderd Brugsche werkers aan den arbeid om den loop der Leie te verleggen.

De Gentenaars vernemen het gevaar, dat hunnen handel en hunne welvaart bedreigt, allen scharen zich rondom Yoens, hem smeekende, hen toch met zijne raadgevingen bij te staan.

«Laten wij opstaan en strijden» sprak Yoens. «Als wij overwinnen zullen wij gewroken zijn en, als wij vallen, zullen onze kinderen den strijd voortzetten.»

Dat elke nering de wapens opneme, en de stadsbannier volge, dat, bij het hooren der stormklok, ieder onder het vaandel zijner nering sta en dat God ons bescherme!»

Weldra werd in Gent het gilde der Witte Kaproenen opgericht, aldus genaamd naar hun hoofddeksel.

Zij trokken de Stad uit en dreven het werkvolk uiteen dat, tusschen Aalter en Knesselare, aan de nieuwe vaart arbeidde.

In verraderlijke taal berichtte Mahu den graaf, hetgeen in Gent voorviel en, op zijn kasteel van Male gebood Lodewijk, dat men Jan Yoens en zijne helpers gevangen nemen en ze ter dood brengen zou.

Maar de Gentenaars waakten; zij versloegen de lieden van den graaf en staken te Wondelgem zijn kasteel in brand.

Jan Yoens, als hoofdman van Gent uitgeroepen, bezocht Dendermonde, Aalst, Deynze, Ninove, begaf zich naar Brugge en trad met den burgemeester en de hoofden der neringen in onderhandeling.

Van Brugge reisde hij naar Damme. Eene maand tijds was hem genoeg geweest om in gansch Vlaanderen het gezag der gemeenten te herstellen; eene schoone toekomst lachte Yoens tegen, reeds waande hij Gent, waande hij Vlaanderen gered.

Helaas! het noodlot of ... zijne vijanden achtervolgden hem. Op het onverwachts, onmiddellijk na een gastmaal, dat hij bijwoonde, werd Yoens ongesteld en voelde zijn einde naderen.

Zijne vrienden legden hem op eene draagbaar om hem naar Gent terug te brengen, doch Yoens stierf onderweg.

Langzaam bereikte de treurige stoet de diepbeproefde stad; de geestelijkheid kwam het lijk van den hoofdman te gemoet en het dankbare Gent begroef Yoens met zulke groote plechtigheden, als ware hij Vlaanderens graaf geweest.

De verraders zegepraalden; Mahu won de gunst van den graaf, maar die gunst was tijdelijk, terwijl, zes eeuwen na zijnen dood, Jan Yoens immer voort leeft in de harten van het dankbare nageslacht.

52.--Philips Van Artevelde.

Het was in het jaar 1382. In de benedenkamer zijner woning, eenzaam, bij het vallen van den avond, zat een rijzig man in diepe gedachten verzonken.

Die man was Filips, zoon van Jakob Van Artevelde.

Hij dacht aan zijne vaderstad, aan het eens zoo machtige, thans zoo ongelukkige Gent.

Plotseling treft geraas en dof gemompel het oor van Filips. Het was alsof eene groote volksmenigte zich voor de deur verzamelde.

Filips opent een venster en ziet honderden poorters en ambachtslieden voor zijn huis vergaderd.