Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw

Part 8

Chapter 8 3,677 words Public domain Markdown

«Rondom de kapel, in het mooie dal, verheffen zich menschelijke woningen, geloovige christenen richten en hunne schreden heen. Ik zie een heilig man, den bisschoppelijken staf in de hand. Hij predikt godsvrucht en broederliefde; aan de grooten der aarde herinnert hij hunnen plicht en laakt hun zondig leven.

Helaas! zulks doet hij niet ongestraft; wreede moordenaars heffen hunne bijl tot hem op en koelen hunne wraak in het onschuldig bloed van den martelaar.

Nu zuchten en weenen de menschen aan uwe oevers, jonkheer stroom; zij betreuren den man, die een wreeden dood onderging, omdat hij enkel «rechtvaardigheid» betrachtte.

De menschen brengen zijn stoffelijk overschot naar de kapel midden in het stille dal, waar het weldra door duizenden bedevaartgangers wordt bezocht.

Jaren en jaren verloopen. Een machtig man, prins en bisschop, laat in het dal eene mooie, groote kerk bouwen en er eene stad aanleggen, verschanst achter kloeke muren.

Die stad wordt de zetel van een prins-bisdom met kanunniken, kloosters, scholen, monniken en kloosterzusters.

Langzamerhand vestigden zich handelaars in de bisschoppelijke stad; bootslieden brengen er hout en steenen aan, menschelijke woningen ontstaan als door tooverslag; ik zie teekenaars, bouwmeesters, schilders en andere kunstenaars, die goud, zilver, koper verwerken en de heilige vaten der bedehuizen scheppen; ik zie beeldhouwers, die marmer, arduin, eikenhout bezielen en naast hen een wriemelenden drom van nederige ambachtslieden, leerlooiers, smeden, kopergieters en anderen.

Hoe talrijk worden die menschen! Ik kan ze niet meer tellen, ze zijn levendig van aard, werkzaam, opgeruimd. Zij doorboren de ingewanden der heuvels, zoeken er steenen en allerlei ertsen. Eindelijk ontdekken zij de zwarte steenkool, nederige brandstof, die hun onschatbare diensten bewijst.

Aan uwe oevers, heer stroom, ontstaan nog andere steden, ik zie ontelbare lachende dorpen, wijngaarden, boomgaarden, ik bemerk hooge torenspitsen, bruggen, marktplaatsen.

De bevolking groeit aan, de stoffelijke welvaart vermeerdert en gij zijt de koning, de vader der heele landstreek.

De jonge stroom lachte en schudde ongeloovig het met wier en loof omkransde hoofd. Ook de bergmannetjes lachten en een hunner spoedde zich naar den ingang der grot.

Weldra echter keerde hij terug en kondigde aan:

«De nachtster verbleekt, de morgenzon breekt door de nevelen, de leeuwrik zingt hoog boven de toppen der rotsen.»

«Kom met mij» sprak de fee tot den stroom.

Zij nam hem bij de hand, leidde hem door de heimnisvolle gangen, door afgronden en over rotsblokken, tot aan de poort van haar onderaardsch verblijf.

Hier nam zij afscheid en sprak op zachten toon.

«Vaarwel, heer ridder, leef lang en gelukkig.»

Eensklaps goot de morgenzon een schat van zilveren starren over het donkere harnas van den stroom. De glans, die er van uitging was zoo verblindend, dat de oogen der fee die niet verdragen konden en zij zich in hare duistere woning terugtrok.

De stroom echter vloeide verder, hij groette de vlugge hinde, die aan zijn helder water, haren dorst kwam lesschen; hij kuste de slapende bloempjes wakker en speelde met de zilveren vischjes, die in zijn vochtigen schoot zwommen.

Hij murmelde, hij zong, hij juichte van levensblijheid en vergat weldra de schitterende fee en de lachende, goedaardige bergmannetjes der onderwereld.

42.--Het Prins-Bisdom Luik.

«Wie toch is de stroom, die zulke tooverachtige avonturen beleefde?» vraagt mij eene nieuwsgierige lezeres.

De Schelde is het niet, die vloeit bijna overal tusschen lachende beemden en malsche weiden, die is te kalm en te ernstig om in grotten te spelen en voorbij rotsen te dartelen.

«Is het misschien de Maas?»--«Inderdaad, die telt hooge rotsen aan hare oevers, die vloeit door diepe dalen, door heuvels omzoomd; die is schilderachtig, romantisch schoon, die besproeit eene landstreek, die glinsterende ertsen en gitzwarte kool in haren schoot verbergt.

Maar, die aardmannetjes met hunne roode petjes en lange, witte baarden, die schitterende fee met haar ruischend gewaad, bewonen zij wel de grotten, die men in Hoog-België aantreft?

De geleerden, de wijzen zeggen «neen» de dorpslieden, vooral de ouden van dagen beweren «ja». Zij kennen zóovele sprookjes waarin feeën en kabouters voorkomen en zijn die niet «waar gebeurd» ze zijn toch lief en schilderachtig mooi.

Willen we maar voor «een keer» onderzoeken of de voorspelling der fee is uitgekomen?

Zoo volgt mij en beantwoordt de vragen, die ik u stellen zal.

«Waar strekte zich het breede, mooie dal uit, dat, vóór eeuwen, door den vromen, verstandigen reiziger werd bezocht?»

«Dit dal strekt zich uit midden in onze huidige provincie Luik en ligt dichtbij de samenvloeiing van Maas en Ourthe.

De heilige Monulphus, bisschop van Tongeren, naar Dinant reizende, bezocht het ten jare 578.

Hij was het die, getroffen door de schoonheid der landstreek, er eene kapel stichtte en voorzag, dat zich hier, in later jaren, eene mooie, groote stad zou verheffen.

«Wie werd er vermoord?»

De heilige Lambertus, dezelfde die zoo rechtschapen was, dat hij zelfs aan de machtigen der aarde hunne ondeugden verwijten durfde.

Sint Hubertus, opvolger van Lambertus, liet eene mooie, groote kerk bouwen op de plaats, waar de heilige martelaar een gewelddadigen dood onderging en bracht naar die kerk, het stoffelijk overschot van Sint Lambertus over.

Rondom ontwikkelde zich eene bisschoppelijke stad, met hare kerken en torens, hare abdijen, hare talrijke bedehuizen, hare scholen.

Ziedaar den oorsprong van Luik, heden eene der grootste steden van ons land.

In dien tijd behoorde het grootste deel van haar grondgebied aan de geestelijkheid, alsmede vele domeinen, burchten, wouden, abdijen uit den omtrek.

Gedurende de Middeleeuwen, ja veel later nog, bezat de bisschop van Luik niet alleen eene geestelijke, maar ook eene wereldlijke waardigheid. Hij was «prins-bisschop.»

Waar haalden de menschen de grondstoffen vandaan, noodig tot het bouwen der stad Luik?

In de steengroeven; in de wouden der landstreek vonden de menschen niet alleen de noodige grondstoffen, voor het oprichten van bedehuizen, abdijen en andere gebouwen, maar, zooals de fee zeide: weldra bezielden beeldhouwers arduin en marmer, terwijl zilver-en goudsmeden, koper-en bronsgieters menig kunstgewrocht voortbrachten, vooral ter verfraaiing der bedehuizen.

Dit alles echter gebeurde niet op éénen dag, zelfs niet op een jaar, maar het duurde vijftig, honderd, tweehonderd en meer jaren.

Aan wie had de stad Luik hare eerste verfraaiingen te danken?

Aan bisschop Notger of Notkerus, die in 1008 overleed.

Notger was een groot man. Hij deed de stad Luik ommuren, liet schoone bedehuizen bouwen, kanalen graven, deed de steden Thuin, Fosse en Mechelen[28] van vestingwerken voorzien. Sommige edellieden zooals de heer van Chevremont gedroegen zich als roofzuchtige plunderaars. Notger wist ze te bedwingen en deed hunne burchten afbreken.

Niet alleen de kunst, ook de wetenschap bloeide te Luik; want in die stad waren scholen, woonden geleerden, volkomen op de hoogte der wetenschap van hunnen tijd.

Hoei en Dinant bezaten smederijen, die zoo bloeiend waren, dat onze voorouders niet genoeg hebbende aan de ertsen van hun vaderland, ook aankoopen deden in Duitschland, voornamelijk te Goslar.

De Dinanteezen, beroemde kopergieters en koperslagers, verkochten de voortbrengselen hunner nijverheid en kunst, in Vlaanderen, in Engeland, in Frankrijk.

Te Londen bezaten zij eene afzonderlijke halle en in de XIV^{de} eeuw, maakte de stad Dinant deel van de Teutonische (Duitsche) hanze.

Op het gebied van nijverheid en handel was de ontwikkeling der stad Luik langzamer, maar het ontginnen der steenkool, het vervaardigen van wapens bevorderden weldra den welstand harer inwoners, alsook de handelsbetrekkingen, die zij aanknoopte met de groote stad Brugge.

Vormden de handelaars, de ambachtslieden der Luiksche steden evenals die der Vlaamsche en Brabantsche ook neringen, ambachten, gilden? Kan men bij de studie der Luiksche geschiedenis, de vorming, de ontwikkeling der gemeenten nagaan?

Zonder twijfel, jammer echter, dat de voorspelling onzer fee juist daar eindigt, waar zij het belangrijkst worden moest. We zullen hier dus, zonder hare hulp, ons verhaal voortzetten.

De inwoners der Luiksche gemeenten kregen of eischten al vroeg burgerlijke rechten.

In 1198 gaf bisschop Albrecht van Cuyck aan zijne onderdanen eene vermaarde keure. Zij bepaalde, dat de woning der burgers onschendbaar was, dat de Luikenaar vrij was in persoon en goederen, dat hij aan geene schattingen noch gerechtelijke proeven mocht onderworpen, dat hij niet mocht aangehouden worden, dan krachtens een vonnis der Schepenen.

Denkt nu echter niet, dat het verkrijgen dier voorrechten gemakkelijk ging. Heel dikwerf kwamen de bisschop, de hooge geestelijkheid, de edellieden, de groote en kleine burgers met elkander in botsing.

Dit gebeurde vooral in de XIII^{de} en XIV^{de} eeuwen, wanneer, eerst de rijke burgers, daarna de geringe ambachtslieden, voorrechten vergden.

Ik wil u echter niet verontrusten met de beschrijving der ruwe, bloedige twisten, die de stad Luik teisterden gedurende de XIII^{de} en XIV^{de} eeuwen; ik wil doen, zooals de fee, die van oorlog, brand, moord en andere akeligheden liefst in het geheel niet gewaagde.

Een laatste vraag echter:

«Wie behaalden, bij die innerlijke beroerten, de overwinning? Was het de bisschop, de hooge geestelijkheid? Waren het de rijke burgers of de leden der neringen?

Oordeelt zelven:

In 1337 onderteekende bisschop Adolf van der Marck den «Vrede van Angleur.» Zoo noemt men een verdrag, waarin bepaald werd, dat alleen de leden der neringen van den stedelijken raad mochten deel maken.

Drie jaar later bevestigde de Vrede van Fexhe al de oude vrijheden des lands; hij wordt beschouwd als de grondwet des vorstendoms.

In 1343 richtte de bisschop de rechtbank der XXII op, welke in de gewichtigste zaken van Kerk en land moest vonnissen; daar de meerderheid dier rechtbank uit de burgerij bestond, werd zij de kostbaarste waarborg der Luiksche vrijheden.

43.--Broeder en Zuster.

Hertog Jan had eene zuster, Maria genaamd en gehuwd met den koning van Frankrijk, Filips de Stoute.

Deze vorstin was zeer schoon en aanminnig, bovendien had zij van haren vader een verwonderlijke dichtgave geërfd. Zij ondersteunde begaafde zangers en dichtte fraaie liederen.

Daar was in dien tijd aan het Fransche hof een zekere heer de Labrosse, kamerheer en gunsteling van den koning.

Hij was jaloersch op de koningin, en gebruikte al zijnen invloed om haar bij den koning in een valsch daglicht te stellen.

Filips had Maria in tweede huwelijk getrouwd en bezat kinderen van zijne eerste vrouw.

Op zekeren dag stierf de oudste zoon des konings en de Labrosse wist bij den bedroefden vader het vermoeden te doen ontstaan, dat Maria door vergif aan zijn kind het leven had benomen.

Het gemoed des konings was door deze verdenking op het hevigst ontroerd, hij ging peinzend daarhenen, zegt de kronijk, het hart vol druks.

Men verhaalt, dat hij Maria in eenen burcht liet opsluiten en haar ter dood wilde laten brengen.

Uit hare gevangenis meldde de ongelukkige haren nood aan haren broeder

"Beschreven met haren bloede root, "In eene scale daer zij uit dranc."

Op het ontvangen der akelige tijding, springt hertog Jan te paard en snelt naar Parijs. Een schildknaap, Godekin van Stalle en Vlieger, een hazewind, vergezelden hem alleen.

Na tweemaal vier en twintig uren is hij in de hoofdstad van Frankrijk, trekt eene monnikspij aan, begeeft zich naar Maria's gevangenis, en, als biechtvader tot haar toegelaten, verneemt hij de onschuld zijner zuster.

Nu werpt de hertog zijne vermomming af, meldt zich ten hove aan, treedt voor den koning--naar het gebruik dier tijden--als kampvechter der koningin en daagt ieder tot een tweegevecht uit, die de schuld der belasterde vrouw mocht staande houden.

De laffe de Labrosse, door de verschijning des vermaarden krijgsmans verschrikt, door het geweten gefolterd, neemt de vlucht.

Geen zijner vrienden waagt het, de eer des kamerheers met het zwaard te verdedigen.

De twijfel aan Maria's onschuld ware een smaad aan de nagedachtenis dezer vorstin, daarom besluiten wij ons verhaal met het oordeel van een beroemden, Franschen geschiedschrijver[29]:

«Het is niet mogelijk, dat deze vrouw tot een laffen en snooden aanslag bekwaam zij geweest.»

44.--Jan I en het hertogdom Brabant.

Jan I, de held van ons verhaal was hertog van Brabant; het voormalige Brabant strekte zich uit over het grondgebied, dat onze hedendaagsche provincie Brabant, de provincie Antwerpen en, in Nederland, Noord-Brabant bevatte. Leuven, Brussel, Antwerpen en 's Hertogenbosch waren er de hoofdplaatsen van.

Hertog Jan, die zijne arme zuster zoo dapper verdedigde, was een uitstekend ruiter; in den wapenhandel was hij zeer bedreven en ook als veldoverste wist hij eer en roem te verwerven.

In twist zijnde met verscheidene vorsten van zijnen tijd, die meenden recht te hebben op het bezit van het hertogdom Limburg, sloeg hij het beleg voor de sterkte Woeringen, die op den oever van den Rijn gelegen was. Zijne vijanden kwamen hem aldaar aanranden en er werd een veldslag geleverd op eene heide nabij Woeringen (1288).

Hertog Jan behaalde er eene roemrijke overwinning en wordt om dit wapenfeit, in de geschiedenis niet zelden de Overwinnaar of de Zeeghaftige genaamd.

Na den slag van Woeringen werd Limburg met Brabant vereenigd.

Ter eer van hertog Jan dient vermeld te worden, dat hij van zijne overwinning geen misbruik maakte; reeds op het slagveld, had hij aan krijgsgevangenen genade verleend; weldra wist hij de genegenheid der Limburgers te winnen door zijne zachtmoedigheid en rechtvaardigheid.

Talrijke dichters bezongen Jan I en zijne roemrijke wapenfeiten; want, niet alleen in Vlaanderen, maar ook in Brabant trof men reeds in de XIII^{de} en XIV^{de} eeuwen, beoefenaars aan der fraaie letteren.

Adinez-li-Rois, een Brabander, was de grootste Fransche zanger zijner eeuw, terwijl Jan van Heelu in het Dietsch den slag van Woeringen beschreef en Lodewijk van Velthem den Spiegel Historiael van Maerlant voltooide.

Jan De Clercq ook Jan van Boendaele genaamd, schreef eene Rijmkronijk van Brabant en verscheidene andere dichtwerken.

De beroemde Jan van Ruysbroec geboren in 1294 is een merkwaardig prozaschrijver. Zijne werken werden in het Hoogduitsch, ook in het Latijn overgezet.

Jan I schonk talrijke voorrechten aan de Brabantsche gemeenten. Zijn opvolger was Jan II. Om de oneenigheden te beslechten die tusschen de geslachten[30] en de ambachten gerezen waren, riep deze vorst, in 1312, eene vergadering bijeen te Kortenberg, tusschen Leuven en Brussel.

Daar werd besloten, dat er alle drie weken, te dier plaats, een raad zou vergaderen van 4 afgevaardigden des adels en 10 afgevaardigden der Brabantsche steden.

Die raad zou over de goede uitvoering der wetten waken, de heeren verhinderen het volk te verdrukken en misbruiken beletten, waarop men de aandacht der leden roepen zou.

Gedurende de regeering van de hertogen Wencelyn en Johanna (1355-1383) ontstond te Leuven en te Brussel oneenigheid tusschen de ambachtslieden en de rijke poorters of patriciërs, die groote voorrechten bezaten.

Het bloed vloeide vooral te Leuven, vanwaar ontelbare ambachtslieden, meest wevers, naar Engeland weken.

Burgeroorlog sleept talrijke onheilen na zich; de stad Leuven ging te niet en erlangde nooit meer haren bloei der XII^{de} en XIII^{de} eeuwen.

In 1356 moest hertog Wencelyn zweren al de vrijheden van het land en de voorrechten der steden te handhaven.

De keure, die hij toen verleende werd de «Blijde inkomst van Brabant» geheeten. Zij geldt om zoo te zeggen als grondwet der Brabanders, want de gebruiken, die er in voorkomen, bleven voor het grootste deel in zwang, tot op het einde der XVIII^{de} eeuw.

45.--Twee Vorstinnen.

(SPROOKJE)

Er was eens eene machtige koningin, die over duizenden onderdanen regeerde.

Zij bewoonde een prachtig paleis en was steeds in kostbare, ruischende zijde gekleed. Schitterende juweelen versierden hare armen en borst en haar fluweelen mantel was met hermelijn gevoerd en met zilveren leliën geborduurd.

Een rijke stoet van hofdames, edelknapen en ridders omgaf de koningin en, waar zij haar schreden ook richtte, overal bogen hare onderdanen voor haar in het stof.

«Ik ben wel de machtigste vrouw der wereld, sprak de koningin tot haren echtgenoot, maar toch, wenschte ik mij op reis te begeven en mijn rijkdom en glans door duizenden te laten bewonderen.»

«Uw wil geschiede!» antwoordde de koning en de fiere vorstin begaf zich op weg.

In steden en dorpen werd zij met ongemeenen luister ontvangen en de burchtheeren der trotsche kasteelen betwistten elkander de eer, de geduchte vrouw en haar schitterend gevolg te ontvangen en te herbergen.

De reis der koningin was een onafgebroken zegetocht.

«Gevoelt uwe Majesteit geen lust naar ons koninklijk hof terug te keeren?» vroeg de koning aan de koningin.

Maar de fiere vorstin schudde het met goud gekroonde hoofd, streelde het prachtig ros, waarop zij gezeten was, reisde verder en bereikte een haar onbekende landstreek.

Hier zat eene nog jonge vrouw op den troon, schoon als een heldere zomerdag, kalm en krachtig, minzaam en zacht als eene teedere moeder.

Zij was in goudgele zijde gekleed; een zwarte leeuw lag aan hare voeten en een schilderachtige stoet van jongelingen en meisjes omringde en beschermde haar.

Zij ontving de trotsche vorstin met eerbied, doch niet met de slaafsche onderwerping, waaraan de ijdele vrouw gewoon was; daarom ontstak deze in toorn en sprak op bitsen toon:

«Weet gij dan niet, dat, zelfs zij, die tot den hoogsten adel behooren, voor mij in het stof buigen?»

«Ik ken geen anderen adeldom, dan arbeid en deugd» antwoordde de schoone vrouw.

De koningin lachtte spottend: «Zijn dat misschien uwe vazallen» vroeg zij, een afgunstigen blik werpend op de jongelingen, die rondom den troon waren geschaard.

«Neen, vorstin, dat zijn mijne zonen,» luidde het fiere antwoord. «Niet in rijkdom, maar met onuitsprekelijke liefde heb ik ze grootgebracht.»

«Ik dacht hier alleen koningin te zijn» sprak de afgunstige vorstin, maar ik zie hier honderd vrouwen, die meer op koninginnen gelijken dan ik zelve.»

«Mijne dochters bedoelt gij, vorstin? Inderdaad, zij zijn schoon en prachtig uitgedoscht, en toch werden mijne kinderen niet in weelde en overvloed grootgebracht. Ik leerde hun den arbeid liefhebben en waardeeren; mijne zonen zaaien en maaien, zij weven, metselen en timmeren, zij bevaren de zee en reizen van land tot land. Mijne dochters spinnen, naaien, borduren....»

«Genoeg» gebood de koningin, «dit onderhoud duurt al te lang. Buigt allen de knie voor mij en erkent mij als uwe wettige, uwe eenige gebiedster.»

Maar nu zag en hoorde de trotsche vrouw, wat zij nog nooit had gezien noch gehoord.

«Wij buigen voor niemand,» spraken moeder en kinderen als uit eenen mond, terwijl de leeuw aan den voet van den troon opsprong, zijne fiere manen schudde en een vervaarlijk gebrul aanhief.

De koningin vlood ijlings weg en, nog denzelfden dag sprak zij tot haren echtgenoot:

«Die gemeene vrouw en hare kinderen hebben mij bloedig gehoond. Zend gewapende dienaars tot hen, dat zij hunne zwaarden, messen, bogen en pijlen gebruiken en heel het hoogmoedige ras aan onze heerschappij onderwerpen.»

Maar de koning schudde het hoofd en sprak:

«Er bestaan, o koningin, veel doeltreffender wapens dan zwaarden, messen, bogen en pijlen, laat mij begaan, ik zal u bewijzen dat «list, niet zelden overwint, geweld.»

De sluwe vorst toonde zich zacht en gedwee als een lam en trachtte zijne slachtoffers door honingzoete woorden en schoone beloften te misleiden; maar, na eenigen tijd, ontdeed hij zich van zijne schapevacht, toonde zich in zijne werkelijke gedaante en volbracht het bevel zijner trotsche echtgenoote.

Maar de kloeke vrouw en hare knappe kinderen waakten, lieten zich niet bedwingen en verjoegen de huurlingen des konings.

Deze keerden naar hunnen meester terug en onderrichtten hem van het gebeurde.

«Keert terug» sprak de vorst, dat krijgslieden en soldeniers u vergezellen. Neemt de wederspannige vrouw gevangen, slaat haar in boeien, brengt haar naar hier, dat ik haar opsluite, haar doe verkwijnen in eene kille en duistere gevangenis.

En de krijgslieden vertrokken om het bevel huns meesters ten uitvoer te brengen.

Nu hadden de talrijke kinderen der edele vrouw groot verdriet, maar twee hunner, de meest geliefde zonen der waardige moeder, wisten hunne broeders en zusters moed in te spreken en ze tot krachtdadige tegenweer aan te zetten.

«Plicht en liefde dwingen ons te handelen,» spraken zij, «het goede recht is met ons. Onze moeder schonk ons het leven, zij leerde ons arbeiden, voortbrengen, scheppen, zij ontwikkelde onzen geest en leerde ons de deugd liefhebben. Vrij! eeuwig vrij zal zij wezen; boven de trotsche koningin moet zij uitblinken, de heele wereld moet haar eeren en achten, niet om hare adellijke geboorte, niet om hare schatten, maar om hare hoedanigheden, om haren geest en hare deugd, om haren vrijheidszin, om de voortbrengselen van haren arbeid en van hare kunst.»

En allen togen ten strijde, allen besloten te overwinnen of hun leven te laten voor de vrijheid hunner innig geliefde moeder.

De koning ondertusschen riep zijne edelste en dapperste ridders op.

«Gaat» sprak hij, «vernielt het gemeene ras, dat mijne macht trotseeren durft.»

De ridders vertrokken op hunne steigerende rossen; hunne helmen en harnassen blonken in het zonnelicht, hunne vaandels wapperden in den morgenwind, hunne krijgstrompetten schalden door bosschen en dalen, over heuvels, over velden, over duinen en weiden.

Bij voorbaat verheugden zij zich over hunne overwinning. Waren zij niet de bloem der krijgslieden? Hadden, tot hiertoe, niet alle vijanden voor de macht hunner wapenen moeten zwichten?

Minachtend, honend zagen zij op hunne tegenstanders neer en, door hoogmoed verblind, zonder nadenken, gingen zij den onrechtvaardigen strijd aan, tegen hen, die, als helden, het dierbaarste verdedigden, dat menschen op aarde bezitten kunnen.

Hevig woedde de kamp. Menschenbloed werd bij stroomen vergoten, doodskreten klonken, akelige zuchten van gewonden lieten zich hooren en de gouden Julizon, die veel liever eene zee van ruischende korenaren had doen rijpen, weende omdat zij de kinderen der menschen, als te vroeg afgemaaide halmen, ter aarde zag vallen.

Omstreeks den middag, lagen meestal de trotsche ridders in het zand; hunne gulden sporen, hunne harnassen, helmen, waren met bloed bevlekt, hunne wapperende vaandels gescheurd, bezoedeld en door het slijk gesleurd.

Een daverende kreet van vrijheid en verlossing galmde over stad en dorp, over land en water; de beste, de liefderijkste aller moeders was gered door hare minnende, dankbare kinderen.

46.--Strijd der vlaamsche Gemeenten tegen den koning van Frankrijk.

Alvorens nog het slot van het voorgaande sprookje gelezen te hebben, hadden de meeste mijner lezers waarschijnlijk geraden, dat de trotsche vorstin Frankrijk was en de liefderijke moeder Vlaanderen.

De koningin draagt eenen mantel, die met zilveren leliën is geborduurd; een zwarte leeuw, op gouden veld, rust aan de voeten der kloeke, Vlaamsche moeder.

Wie gevoelt zich niet aangetrokken tot Vlaanderen, dat arbeid als adeldom beschouwde, welks kinderen leerden spinnen, weven, metselen, timmeren, den akker bebouwen en dat dan ook, door diezelfde kinderen, om zijn kloek verstand, zijne rechtschapenheid, zijn gulden hart werd bemind en verdedigd?