Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw

Part 7

Chapter 7 3,725 words Public domain Markdown

De oude dame hield het hoofd gebogen en wischte van tijd tot tijd met een kanten doek de tranen af, die langzaam over hare wangen vloeiden.

Ook de jonge dame scheen geweend te hebben, doch zij deed zich geweld aan om hare tranen te bedwingen en sprak met zoete, streelende stem:

«Troost u, lieve moeder, onze Lorenzo volbracht reeds zoovele reizen op zee! Telkenmale keerde hij ongehinderd tot zijne moeder en zuster terug.»

«Tot hiertoe voer Lorenzo enkel op de Middellandsche zee, heden onderneemt hij eene reis naar het verre Noorden, die reis schrikt mij af, Lenora, zij zal lang duren, want in de afgelegen streken, die Lorenzo bezoeken zal, is de winter streng en mistig, hevige orkanen woeden er op den Oceaan, zij beletten de schepen naar huis terug te keeren en ik ben oud en ziekelijk, wie weet of ik Lorenzo nog zal wederzien.»

Lorenzo was de kapitein van het groote koopvaardijschip, dat zoo juist Venetië had verlaten om de havens der Noord-en Oostzee te bezoeken; Lenora was zijne zuster, Dona Maria zijne moeder.

«De tijd vliegt zoo spoedig voorbij, troostte Lenora, alle dagen moeder, zullen wij bidden voor den afwezige, heel dikwerf zullen wij ter kerke gaan, aalmoezen uitreiken aan de arme lieden, zieken bezoeken, bedroefden vertroosten en intusschen met moed en betrouwen, Lorenzo's terugkomst verbeiden.»

Dona Maria schudde het hoofd, veegde nogmaals hare tranen af en, daar beide dames hare woning genaderd waren, stapten zij aan wal.

Helaas ... dagen, weken, maanden vervlogen en het groote Venetiaansche schip, met den jongen, moedigen kapitein Lorenzo keerde niet weder.

Elken dag, 's morgens, 's avonds begaven Dona Maria en hare dochter zich naar de haven, hopende op de terugkomst van haren lieveling, doch zij vernamen enkel onrustwekkende tijdingen.

Bruingebrande zeelieden verhaalden van hevige stormen, die de kusten van Spanje, van Frankrijk, van Vlaanderen teisterden, van Italiaansche schepen, die door de golven verzwolgen of door stranddieven waren geplunderd, maar van kapitein Lorenzo, van het groote Venetiaansche schip wisten zij niets ... niets.

Het nieuwe jaar brak aan, de lentebloemen ontloken en verwelkten, de zomer kwam in het land en moeder en dochter verloren hare laatste hoop, toen, op zekeren namiddag der maand Augustus eene blijde mare zich door de stad verspreidde; het langvermiste schip was de haven binnengeloopen, kapitein Lorenzo en zijne manschappen waren in leven, weldra zouden zij aan wal stappen en vrienden en magen begroeten.

Dona Maria en Lenora weenden van ontroering, en, o zalige stond! Lorenzo, de langverbeide zoon, de teergeliefde broeder zag zijne moeder en zuster terug.

Angst en lijden werden vergeten om plaats te maken voor de vreugde van het blijde wederzien.

Lorenzo wist zooveel te vertellen over de reis, die zoo lang geduurd en zoo vol afwisseling was geweest.

Drie weken lang waren wind en weder het groote koopvaardijschip gunstig geweest, maar, na dien tijd werd het, in de wateren van de golf van Gasconje en in die van het Kanaal herhaaldelijk door hevige stormen overvallen, zoodat het averij leed, herstellingen noodig had eer het de eigenlijke plaats zijner bestemming, de groote handelsstad Brugge bereikte.

Hier had het schip zijne lading afgezet, maar, daar het schoone jaargetijde voorbij was, moesten kapitein Lorenzo en de bemanning te Brugge overwinteren, om zich eerst in de lente weer op zee te begeven.

Op zijne reis had kapitein Lorenzo vele wonderlijke zaken ontmoet, volkrijke steden, heerlijke gebouwen, schilderachtige kleederdrachten aanschouwd, het liefst echter sprak hij over Brugge, de rijke fiere stad, die hij als de meeste zijner landgenooten, het Venetië van het Noorden noemde.

36.--Brugge.

Brugge, zeide Lorenzo, had heerlijke straten met fraaie gebouwen en schilderachtige huizen, waarvan vele op het water zagen. Die stad telde prachtige bedehuizen, fiere torenspitsen en duizenden inwoners.

Zij was door een kanaal verbonden met de naburige stad Damme, die, door eene golf met de Noordzee in verbinding stond.

Brugge, dat ongeveer halverwege tusschen de straat van Gibraltar en de Baltische zee gelegen was, ontving koopwaren uit Brittanje, Noorwegen, Denemarken, Zweden, Rusland, Hongarije, Duitschland, Frankrijk, Spanje, Portugal, Italië, Konstantinopel Jeruzalem, Egypte.

Het Noorden zond er hout, leder, pelterijen, gedroogde visch; Brittanje, wol, lood, tin; het Oosten, goud en zilver; Duitschland, graan, ijzer, wijn; Frankrijk, wijn en zout; de Zuiderlanden, gedroogde vruchten, zijde, kwikzilver; Afrika en Azië, suiker, peper, en andere specerijen, artsenijplanten, rijst, katoen, aluin; Italië bracht er zijden en fluweelen stoffen, juweelen, schoone wapens.

Te Brugge zeilden honderden schepen de haven binnen. In die stad werden de eerste verzekeringsmaatschappijen opgericht; de naam «beurs» is te Brugge ontstaan.

De hanze[27] van Londen werd door Bruggenaars gesticht en door Bruggenaars bestuurd. Wisselbrieven waren al vroeg te Brugge bekend.

De burgemeester der stad was eene aanzienlijke persoonlijkheid, die met vorsten briefwisseling hield.

De overheid deinsde voor geene opoffering terug om den bloei der stad te bevestigen.

Brugge bezat eene groote loskraan, consulaten, geplaveide straten, riolen, eene heerlijke waterleiding, badplaatsen of stoven; er woonden ook verscheidene geneesheeren.

De haven en het kanaal van Damme waren goed onderhouden; de groote sluis dezer laatste stad was een bewonderenswaardig werk, evenals de overwelving der Reye, die in een dok veranderd was.

Alle wijken der stad waren voorzien van drinkwater, dat in rood koperen buizen vloeide; er bestonden openbare pompen en fonteinen.

De Brugsche ambachtslieden en kunstenaars vervaardigden allerlei nuttige en mooie voorwerpen en om zijne woorden door bewijzen te staven, liet kapitein Lorenzo door een bediende de geschenken brengen, die hij uit Brugge voor zijne dierbaren had medegebracht.

Voor zijne zuster fraaie juweelen en een heerlijk geborduurd kleed; voor zijne moeder een schoon gebedenboek versierd met mooie penteekeningen en voorzien van een kunstig bewerkt slot in gedreven zilver.

Dona Maria en Lenora konden hare oogen niet gelooven; overgelukkig dankten zij den jongen kapitein en luisterden nog uren lang naar de heerlijke beschrijving van Brugge, de wereldstad der XIII^{de} en XIV^{de} eeuw.

37.--Een Dichter.

Het was nacht. Bij een smokend lampje, in een kleine woning van het stadje Damme, zat, in diepe gepeinzen verzonken, een man, die, bij den eersten aanblik, in de volle kracht des levens scheen te zijn.

Vóór hem, op eene schrijftafel, lag eene rol perkament, waarop hij, van tijd tot tijd, eenige regels neerschreef.

Daarna legde hij de pen neder, liet het hoofd op de vlakke hand zakken en sprak tot zich zelven:

«Arme Jakob, uw werk vordert niet, uwe denkbeelden zijn verward, uw stijl is gedwongen ... waarom dag en nacht arbeiden, uwe rust, uwen zielevrede aan de dichtkunst opofferen? Geniet de genoegens van het leven, vermaak u bij spel en dans, verlustig u in de lieve natuur, in stede van, arme droomer, uwen geest af te matten en uw gansche leven aan de studie te wijden.»

Een traan rolde over de wangen des dichters; hij las nog eens de verzen over, die hij daareven neerschreef, greep het perkament met beide handen en gooide het, als wanhopig, in een hoek der kamer.

Toen werd het zóo stil, zóo stil, dat men het zachte geritsel vernam van de groene linde die, voor het huis, in den zoelen zomernacht, den balsemgeur van hare duizenden bloempjes verspreidde.

Het lamplicht verbleekte en een zachte glans, voorbode van den naderenden dag, vervulde de kamer.

Jakob bemerkte er niets van en bleef in zijne mijmering verdiept, toen eensklaps, rein als zilver, helder als de ontluikende dag een zoetluidend gezang zijne ooren kwam streelen:

"Aloëtte, vogel clein, "Dijn nature is zoet ende rein, "So es dijn edel sanc, "Daar dient u met den Here allein "Te love om sinen danc."

«Het herderinnetje leidt hare kudde naar de weide,» sprak de dichter, «straks zal de landman zich naar het veld begeven, de Vlaamsche wever zal zijn getouw laten klapperen.»

Jakob keek naar buiten en ademde met volle borst de heerlijke morgenlucht in, die in het gouden licht der opgaande zon over de vlakte stroomde.

Nieuwe zangen troffen zijn oor:

"Wi willen van den Kerle singen, "Si dragen eenen langen baert."

«De Vlaamsche visschers gaan naar zee,» murmelde de dichter. «Al mijne broeders hervatten den arbeid, ieder van hen werkt mede aan de welvaart van anderen.»

Hij keerde naar de schrijftafel terug, verdiepte zich in den arbeid en schreef:

"Elken man, Al en hadde hi gheen groot goet, Es hi hovesch ende vroet Van wat lande dat hi si, Al en ware sin geslachte niet vri, Ware hi geheten van goeden seden, Men zouden eren t' allen steden; Want dieghene is edel allene, Die hovesche van seden is ende rene."

38.--Jakob van Maerlant.

In die lang vervlogen eeuwen bracht ons land niet alleen noeste werkers maar ook vruchtbare dichters voort.

Uit de XII^{de} eeuw reeds dagteekent: Van den here Wisselau; in de XIII^{de} eeuw verscheen: Karel en Elegast; omstreeks 1240 schreef Diederic van Assenede, klerk van Margaretha van Konstantinopel de aandoenlijke geschiedenis van: Floris en Blancefloer en meester Wilhelmus van Gent, dichtte: Van den vos Reinaerde.

De dichter, dien wij in het voorgaande verhaal aan onze lezers voorstelden was Jakob van Maerlant, die in de XIII^{de} eeuw, de stad Damme bewoonde.

Een wijze, zeer geleerde professor spreekt over hem ongeveer in dezer voege:

«In stille eenzaamheid, dag aan dag, met onverdroten geduld, arbeidde hij aan de zedelijke ontvoogding van ons volk.

Hij was buitengewoon ontwjkkeld en zijne kennis was verbazend.

Buiten zijne moedertaal was hij even vertrouwd met het Fransch als met het Latijn en met het voornaamste, dat daarin geschreven was. Hij kende de natuurleer en het Duitsche recht.»

In zijnen tijd waren de meeste wetenschappelijke werken in het Latijn geschreven, zoodat geringe menschen, die niet konden lezen.

Van Maerlant besloot voor zijn volk in het Dietsch te schrijven. Hij vertaalde in 15000 verzen een Latijnsch boek over natuurkunde en andere wetenschappen en noemde het: Der naturen bloeme. Een tweede werk, dat hij vertaalde draagt voor titel: de Rijmbijbel en bevat 2700 verzen. Zijn Spiegel Historiael, geschiedkundig werk, bestaat uit 7500 verzen, doch is ongelukkig niet voltooid geworden.

Maerlant is een leeraar en weldoener van zijn volk geweest. De Vlamingen hebben hem veel te danken, daarom ook verwierf hij den eerenaam van:

"Vader der Dietsche dichters."

39.--Een Verhaal van Lijden en Tranen.

Op eenen Zondag van het jaar 1281, bij het vallen van den avond, stapte een Minderbroeder door de straten van Gent en haastte zich merkbaar om zijn klooster te bereiken.

Dien dag toch, had hij het bijzonder druk gehad; arme zieken had hij bezocht, geholpen en getroost, aalmoezen ingezameld en, in een der talrijke bedehuizen der stad een preek gehouden, die door honderden lieden, grootendeels menschen uit den lagen stand, met buitengewone vroomheid was aangehoord.

Broeder Johannes was een volksvriend in den vollen zin van het woord: Zoon van een armen weversgezel, had hij zich door studie en deugd gevormd, en, als jongeling opgenomen in de orde van den Heiligen Franciscus, had hij, als Minderbroeder, zijn gansche leven aan de armen en ongelukkigen zijner geboortestad gewijd.

Streng voor zich zelven, was hij het ook voor de rijke poorters der stad en herinnerde hun gedurig de nederigheid en de vrijwillige armoede van den zoeten Jezus.

Broeder Johannes troostte de bedrukten en wist de ellendigen op te beuren, zoodat hij op de talrijke gezellen, nederige ambachtslieden der stad een grooten zedelijken invloed had verworven.

De Minderbroeder bereikte de poort van zijn klooster en wilde er aankloppen, toen hij eene vrouwelijke gestalte bemerkte, die op den kouden grond zat nedergehurkt en de weenende stem vernam van een kindje, dat de vrouw met zachte woorden trachtte te sussen.

«Arm schaapje,» troostte zij, «ongelukkig Betteken, ween niet zoo bitter, wij zullen uwen oom terugvinden en die zal ons helpen, want hij is zoo goed en liefderijk....»

Broeder Johannes schrikte; «mijne zuster,» fluisterde hij ... «onmogelijk, Veerle bewoont Brugge,» en, de stem verheffende, sprak hij tot de vrouw:

«Sta op, moedertje, en volg mij.»

Hij klopte aan de kloosterpoort en zoodra men deze voor hem ontsloot, leidde hij de bedrukte in de spreekzaal, die verlicht was door eene brandende lamp.

Hij wierp eenen blik op de vreemde en «zuster! arme zuster!» «broeder, o broeder, help mij!» klonk het door de kamer.

Broeder Johannes kon zijne oogen niet gelooven: zijne zuster Veerle stond voor hem, bleek en bevend, haar weenend kindje in de armen.

Hoe, waarom had zij Brugge verlaten? Waar bevond zich haar echtgenoot en wat kwam zij hier doen?

Eensklaps schenen hare laatste krachten de vrouw te begeven. Zij sloot de oogen en zakte buiten kennis in de armen van haren broeder.

Deze riep om hulp en twee kloosterbroeders brachten de lijdende op een bed, legden het kindje naast haar en verzorgden de kranke zoo goed zij konden.

Na een half uur opende Veerle de oogen en kwam tot bezinning. Haar broeder bereidde haar een verkwikkenden drank en bracht den heelen nacht wakend aan hare sponde door.

Veerle, de zuster van Johannes, was tot vóór eenige dagen de gelukkige echtgenoote geweest van eenen blauwverver, die sedert vijf jaar te Brugge gevestigd was.

Het gezin was niet rijk, maar de werkzaamheid en het voorbeeldig gedrag van den man waren voldoende om armoede en ellende op een afstand te houden.

Vóór een paar maanden nog had broeder Johannes zijne zuster en haren echtgenoot een bezoek gebracht en zich verheugd over de eensgezindheid, die in het gezin heerschte.

De vrome Minderbroeder verloor zich in gissingen maar, bij het krieken van den dag ontwaakte Veerle en voelde zich sterk genoeg om haren broeder mede te deelen, wat te Brugge was gebeurd.

«Sedert geruimen tijd:» sprak zij, was de goede verstandhouding tusschen de ambachtslieden en de rijke poorters der stad verbroken.

Waarom, kon zij, arme onwetende vrouw, niet begrijpen, maar haar man, wiens leven vroeger zóó geregeld was, bleef soms tot laat in den nacht van huis weg en zijne gezellen, alsook de wevers, vollers en de leden van andere neringen, handelden eveneens.

Weldra weenden te Brugge honderden volksvrouwen om hare afwezige echtgenooten. Bange moeders, zusters, echtgenooten, spraken van oproer en gevecht, van brand en plundering.

Helaas! hare vrees was maar al te gegrond: Op zekeren avond werden de verbitterde poorters met de ambachtslieden handgemeen, bloed stroomde in de straten van Brugge, verscheidene gebouwen werden aan plundering prijs gegeven, gewapende benden doorliepen de stad tot laat in den nacht.

Angstig biddend, geknield voor haar kruisbeeld, lag Veerle in hare eenzame woning, toen eensklaps de lage deur werd opengestooten en de arme blauwverver, gewond, bebloed, de woning binnenstoof.

«Verberg mij, vrouw,» riep hij wanhopig, maar nog was Veerle niet opgesprongen of woedende, met bijlen gewapende mannen, verschenen in de woning en wierpen zich op den vluchteling.

Deze trachtte zich te verdedigen, maar een bijlslag van een zijner vervolgers deed hem dood nedervallen vóór de voeten zijner vrouw.

Half waanzinnig had Veerle haar kind aan het hart gedrukt, en toen de bijlen der moordenaars ook haar bedreigden, was zij, evenals andere vrouwen, de stad ontvlucht, waar de vlammen des oproers zoo onheilspellend flikkerden.

Zij was steeds voörtgeloopen, menigmaal onderweg gevallen, maar had zich weer opgericht onder de slagen van het zweepend noodlot.

«Naar mijnen broeder te Gent wil ik gaan» had zij snikkend uitgeroepen en thans rustte zij in het vreedzame klooster, waar elkeen zich over haar scheen te ontfermen.

Haar broeder boog het hoofd en weende. «Arme zuster! arm, hulpeloos volk» zuchtte hij; want hij, die geleerd was en den toestand der Vlaamsche gemeenten kende, besefte ten volle de uitgestrektheid der ramp, die Brugge had getroffen.

«Wat stond hem te doen?» Zijne zuster naar Brugge terugzenden kon hij niet, haar echtgenoot was dood en broeder Johannes onvermogend.

Hij dacht aan de talrijke vrienden, die hij te Gent bezat, maar ... hulp afsmeeken voor zijne eigene familieleden, neen, dat ging niet....

De overste van het begijnhof der stad was eene vrouw, die door haar verstand en liefderijk hart, boven anderen uitblonk. Die zou hij opzoeken, die zou hem raad geven en zijne arme zuster helpen.

In den morgen nog verliet hij het klooster der Minderbroeders, begaf zich naar het begijnhof en was zoo gelukkig er de overste aan tes treffen.

Hij deelde haar de ramp mede, die Brugge en zijne zuster getroffen had en, nauwelijks was zijn treurig verhaal geëindigd of de brave vrouw sprak met bewogen stem:

«Breng de arme bedrukte naar hier, wij zullen haar herbergen, haar troosten, haar genezen.»

Broeder Johannes leidde zijne zuster naar het stille begijnhof. Langzaam keerden hare krachten terug en de zoete oogjes, de zachte liefkozingen van haar Betteken, verdreven hare wanhoop en schonken haar levensmoed.

Dank aan de bescherming der bewoonsters van hare nieuwe verblijfplaats, was zij weldra in staat door handwerken in hare behoeften en in die van haar dochterje te voorzien.

De tijd, die alle wonden heelt, stilde ook de smart der zwaar-beproefde vrouw en hare stille dankbaarheid zegende den broeder, die haar en honderden bedrukten had getroost en geholpen.

40.--Innerlijke Twisten in de Gemeenten.

Laten wij nog eenige oogenblikken stilstaan bij ons verhaal, of liever, laten wij trachten het nader te verklaren:

Schier in al onze gemeenten, was de handel zeer bloeiend en rijke kooplieden waren er talrijk. Geruimen tijd waren het alleen de rijke poorters, de burgers bij erfenis, de «coomans» die de stad bestuurden.

Zij vormden de «poorterij» of poorters bij uitnemendheid. Dank aan hunne bekwaamheid, hunne werkzaamheid, hunne volharding verkregen de gemeenten hunne voornaamste voorrechten en het waren de «poorters bij uitnemendheid» de coomans, die de muren der gemeenten lieten opbouwen, hallen en bedehuizen stichtten, straten plaveiden, kanalen deden graven, waterleidingen deden overwelven, hospitalen stichtten.

In den loop der XIII^e eeuw echter, leefden en arbeidden naast die «poorters bij uitnemendheid» de massa der eenvoudige ambachtslieden en kleine burgers, die in «neringen» waren vereenigd.

Deze menschen werden op verre na niet als de gelijken der «rijken» behandeld.

Zij waren wel is waar vrij, verzekerd van de bescherming der schepenen, zij genoten de voordeelen, welke de charters aan de gemeenten gewaarborgd hadden, doch zij mochten geene aanspraak maken op eenige deelname in het bestuur hunner stad.

Dit laatste voorrecht wenschten zij te bezitten, maar zij veroverden het niet gemakkelijk. De erfgerechtigden en coomans verdedigden zich hardnekkig; zij waren niet zelden verwaand, hoogmoedig en maakten soms misbruik van hun gezag.

Menschen, die met elkander in slechte verstandhouding leven, slaan helaas! heel licht over tot geweld; vandaar oproeren, waarbij burgers derzelfde gemeente elkanders bloed vergoten en de woningen, de openbaren gebouwen, de kerken plunderden of vernielden.

Verstaat gij thans, hoe Veerle's echtgenoot in Brugge werd gedood, waarom zijne arme vrouw naar Gent vluchtte?

De Minderbroeders, tot welker orde broeder Johannes behoorde, begunstigden het streven der geringe ambachten, vandaar dat het volk een ongemeen groot vertrouwen stelde in deze geestelijken.

De begijnen vormden eene zusterschap van godvruchtige vrouwen, die van haren arbeid leefden; edelmoedige begiftigers bouwden haar gemeenschappelijke huizen, prinsessen namen ze onder hare bescherming. Heden nog bestaan begijnhoven in vele steden van ons land.

41.--Eene Voorspelling.

Er was eens een stroom; een frissche, jeugdige stroom, die eene schilderachtige landstreek besproeide en onderweg rivieren en beekjes in zijnen schoot ontving.

Hij vloeide door mooie valleien, omzoomd met wilgjes, die zich in zijne golven spiegelden of dartelde langs groene wouden, die zich hier en daar aan zijne oevers verhieven.

Zijne machtige armen omstrengelden talrijke eilanden, waarop de reizende ooievaars in het najaar rustten, waar bronnetjes murmelden en, in de lente, goudgele lischbloemen tusschen het riet ontloken.

Nu en dan, vloeide hij tusschen hooge rotsen met grillige koppen en diepe, met mos begroeide kloven, maar dit laatste beviel hem weinig; hij vond, dat de rotsen zijne leden knelden en de vrijheid zijner bewegingen beletten.

Op zekeren nacht, dat de maan helder scheen en het weder bijzonder zacht was, vergat de jonge stroom het slapen en speelde verstoppertje met eene heldere beek, die gedurig tusschen de rotsblokken van den oever wegdook.

Hij achtervolgde haar en bereikte eene fraaie grot, met kronkelende gangen, prachtige zuilen, mooie dropsteenen en ziet!... hier verdwaalde de jonge stroom en zocht vruchteloos naar eenen uitweg. Hij werd ongeduldig, gejaagd en stiet weldra zijne golven met zooveel geweld tegen de rotswanden, dat duizenden waterdroppelen, als zoovele pareltjes naar omhoog stoven.

De stroom maakte zulk een geweld, dat de gangen der grot er luid van weergalmden en de bewoners harer geheimzinnige vertrekken, in hunnen slaap gestoord, kwamen zien wat er gebeurde.

Tien, twintig, dertig ... misschien wel honderd aardmannetjes, elk hunner voorzien van een brandend lampje, daalden van den steilen rotswand naar beneden en vroegen den stroom «wat hij begeerde?»

«Ik wil er uit! ik wil er uit!» gilde de gevangene, maar de aardmannetjes lachten en zeiden, dat zulks vóór zonsopgang niet mogelijk was.

«Stel u gerust, stroompje» spraken zij, we zullen met u spelen en u al de wonderen van ons onderaardsch paleis laten zien.»

«Ik wil niet» antwoordde de stroom.

«We zullen u mooie sprookjes vertellen» lachte een aardmannetje en ... «ik ben de kinderschoenen ontwassen» sprak het fiere water.

Eensklaps onstond eene eerbiedige stilte onder de aardmannetjes; zij plaatsten zich ordelijk langs den rotswand, namen de roode petjes van het hoofd en bogen zoo diep, dat hunne lange, witte baarden den grond raakten.

«De fee! de weldoende fee der onderwereld» fluisterden de aanwezigen en zwegen dan weer stil, eerbiedig stil ... stil....

Eene statige vrouw in ruischende zijde gekleed, verscheen en groette den jongen stroom.

Fonkelende edelgesteenten blonken in hare zwarte haarvlechten, gouden banden versierden haar keurslijf en den langen sleep van haar ruischend gewaad.

«Vrees niet, heer ridder,» sprak zij tot den stroom, «ik zal u gezelschap houden, u bij het krieken van den dag op de rechte baan helpen; bij mijne geboorte schonk mijne meter mij de gave der voorspelling, wilt gij mij uwe hand reiken? Ik zal in hare lijnen lezen, wat de toekomst voor u heeft weggelegd.»

De stroom bedaarde en reikte de fee zijne opene hand.

Zij nam ze aan, las er aandachtig in, verdiepte zich langen tijd in die lezing en sprak met trage, zachte stem, in tegenwoordigheid der zwijgende aardmannetjes:

«Weldra zal een vroom en verstandig man langs uwe oevers reizen. Hij zal er een wijd, mooi dal ontdekken, begrensd door heerlijke heuvels en talrijke frissche wouden: «Ik wenschte wel hier eene groote stad te kunnen aanleggen» zal hij zeggen en, alvorens zijne reis voort te zetten, zal hij, in de mooie vallei, eene kapel stichten.

De fee zweeg en ... «is dat alles» fluisterde de stroom?

«Bij lange na niet» antwoordde de fee, «ik zie zóoveel, zóoveel.

«Zeg mij nog iets, voorspel mij mijn gansche toekomst» vroeg de nieuwsgierige stroom en de fee vervolgde: