Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw

Part 6

Chapter 6 3,761 words Public domain Markdown

«Willen wij vluchten» sprak op zekeren lentenmorgen Klaas tot zijnen vriend, en op zijn bevestigend antwoord, verlieten zij hunne geboorteplaats en gingen door bosch en brem tot aan den oever der Schelde, langswaar zij de naburige stad Gent hoopten te bereiken. «In steden» zei Klaas, «zijn de menschen gelukkiger, vrijer, en hangen er niet af van de willekeur van een gestrengen heer.»

«Laten wij verder gaan, altijd verder,» antwoordde Jan en stapte moedig voort aan de zijde van zijnen vriend.

Een schip, geladen met Doorniksche steenen voer langzaam op het water voorbij; twee mannen hadden moeite om het voort te trekken.

«Schipper, mogen wij helpen» vroeg Jan en toen hij een bevestigend antwoord ontving, lieten de knapen zich in het gareel spannen en trokken er duchtig op los.

Na een paar uren liet de schipper hun brood, kaas en bier voorzetten, waarna zij weder lustig den arbeid hernamen.

Te Gent was er veel drukte; schepen werden geladen en ontladen, koopwaren gekocht en verkocht.

Op de marktplaatsen durfden de jongens zich niet wagen, omdat zij vreesden herkend te worden, maar, van den schipper vernomen hebbende, dat hij naar Brugge moest, vroegen zij tot in deze stad in zijnen dienst te mogen blijven.

Hij stemde er in toe, maar weldra moesten de knapen hunnen weldoener verlaten, want van Brugge voer hij terug naar Gent en vandaar voorbij Gaver en Oudenaarde naar Doornik om eene nieuwe lading.

Onderweg echter had de brave schipper de twee vluchtelingen leeren waardeeren. Zij hadden hem hun droevig lot kenbaar gemaakt en door zijne voorspraak, vonden zij te Brugge werk bij reizende kooplieden, die zich maar de jaarmarkt van Thorhout begaven.

Die jaarmarkt was toen de voornaamste van het land; op de wegen, die er henen leidden, ontmoette men rijtuigen en reizigers uit verschillende streken, alsook zware wagens, door zes paarden getrokken en beladen met laken, leder, wapens, koperen en tinnen vaatwerk, wijn, bier en wat al meer.

De jaarmarkt te Thorhout duurde verscheidene weken; zij werd niet alleen door Vlamingen bezocht, maar ook door Walen, Franschen, Duitschers, Italianen. Honderden koopers verdrongen zich tusschen de tenten; potsenmakers en kermisvolk vertoonden er allerlei kunsten en grappen, bedelaars riepen de weldadigheid in der aanwezigen.

Aangenaam en helaas, al te spoedig vlogen dagen en weken voorbij ... de kooplieden verlieten de stad en Klaas en Jan bevonden zich weldra zonder werk of brood, verlaten, alleen op de wereld.

Hoeveel moeite zij zich ook gaven, te Thorhout vonden zij geene bezigheid. Zij verlieten de stad, doolden over heiden en in sparrebosschen, bedelden van dorp tot dorp.

Nu eens hoedden zij de kudden van eenen schapenfokker, dan hielpen zij de landbouwers bij het maaien en oogsten.

De arme jongens sliepen op stroo in de schuren, brachten ettelijke nachten onder den blooten hemel door en ... de zomer snelde voorbij.

November bracht wind en koude regenvlagen over het land en in December vroos het zoo erg, dat rivieren en waterplassen met eene dikke ijskorst bedekt werden.

* * * * *

Al bedelend bereikten Jan en Klaas de stad Yperen. In dien tijd was deze alom vermaard om haren rijkdom, haren handel en de vlijt harer inwoners.

«Hier komen wij aan het einde van al ons lijden» sprak Klaas en trok met zijn jongen vriend moedig en opgeruimd een der stadspoorten van Yperen binnen.

Wel was zij de bloeiende stad, die de arme jongelingen zich hadden voorgespiegeld; in hare voorsteden, in ontelbare nauwe straten, arbeidden honderden wevers, volders, ververs. Overal klapperden de weefgetouwen, op de uitgestrekte marktplaats verdrongen zich koopers en vèrkoopers, in de weidsche hallen lagen de koopwaren tot bergen opgestapeld.

Maar Jan en Klaas vonden niet wat zij zochten. Overal werden de arme jongens, met hunne vermagerde trekken, hunne havelooze kleederen, zonder genade afgewezen.

Op zekeren kouden namiddag hadden zij in de prachtige S^t-Maartenskerk gebeden, gerust en geweend.

Maar de avond viel, de kerk moest gesloten worden en, zonder schuilplaats voor den nacht, doolden de twee vrienden door de straten.

Tegen middernacht verborgen zij zich in het somberste hoekje van het groote kerkportaal.

Spookachtig vielen de koude stralen der maan op de spitse gevels der houten huizen, die in dien tijd nog algemeen met stroo waren gedekt. Slapen konden Klaas noch Jan; de steenen waren zoo koud en de wind blies zoo akelig.

Beide jongelingen vouwden de handen tot een laatste gebed en hieven de doffe oogen ten hemel ... maar, wat was dat? Eene vlam kronkelde zich aan den gevel der houten huizen, een schrikwekkende gloed verhelderde den duisteren nacht.

«Brand! brand!» gilden Klaas en Jan, terwijl zij naar de bedreigde woningen snelden, er aanklopten en de bewoners uit hunne nachtrust wekten.

Weldra was elkeen op de been, ladders werden aangebracht, ontelbare emmers water op de vlam gegoten, maar ... deze vermeerderde, werd een vuurgloed, die dreigend, machtig, zich verder uitstrekte.

Akelig kermden vrouwen en kinders; in sombere wanhoop trachtten de mannen hun goed, hunne kostbaarheden, hunne kleederen te redden.

De brandklok klepte, hulpbiedende poorters kwamen toegesneld.... «Wie redt Liesbeth, mijn kleindochtertje!» kreet als uitzinnig van smart, een grijsaard, zeer rijk koopman, wiens huis door de vlammen was aangestast.

Niemand antwoordde, terwijl steeds luider en luider, de klachten van den grootvader weerklonken.

Twee edele harten echter voelden medelijden met den armen man: «Jan, willen wij het wagen,» fluisterde Klaas zijnen vriend toe en: «Tot den dood volg ik u» luidde het korte doch zielroerende antwoord van den armen hoorige.

Een ijzeren ladder werd aangebracht en tegen den gevel van het huis geplaatst.

Klaas beklom die het eerst, en vlug als eene boschkat, volgde hem zijn vriend.

Beiden verdwenen in het brandend huis.

Een ... twee ... drie ... vier stonden, als uren zóó lang, gingen voorbij en beneden in de straat, jammerde een bevende grijsaard, woelde eene anstige volksmenigte.

Goddank! daar verscheen de wakkere Klaas, de kleine Liesbeth in de armen. Jan volgde hem, een ijzeren kistje op den rug, dat vergeten was en waarschijnlijk goud of kostbaarheden bevatte.

Beiden daalden de ijzeren ladder af; de menigte verdrong zich om de moedige knapen, de beangste vader zegende hen als de redders van zijn kleinkind.

De koopman nam intrek bij zijne zuster, die aan de andere zijde der stad woonde.

Hij verzocht Klaas en Jan hem daarheen te volgen, want hij wilde zijne belofte houden en de redders van zijn kleindochtertje rijkelijk beloonen,

«Wie zijt gij? Van waar komt gij en wat kan ik voor u doen?» sprak hij tot de knapen.

Zij bogen het hoofd en zuchtten.

«Spreekt vrienden,» vervolgde de koopman, «hebt vertrouwen in mij, want ik verlang niets dan uw welzijn.»

Nu vertelde Jan, die de tranen in de oogen kreeg, wat er met zijn vriend en hem het laatste jaar was gebeurd; hij sprak van hunnen zucht naar arbeid en vrijheid, van hunne vlucht, van den schipper, van Thorhout, van den langen, bangen zwerftocht door stad en dorp, over heide en bosch.

De rijke koopman weende. «Gij blijft bij mij, sprak hij, ik zal voor u zorgen.»

Intusschen had hij het zeer druk; zijn huis moest hij doen opbouwen en zijne uitgebreide zaken nazien.

Klaas en Jan bleven in zijnen dienst; de eerste hielp de metselaars, want het afgebrande, houten huis werd door een steenen woning vervangen; de tweede deed boodschappen voor den koopman, die handel in laken dreef en aan talrijke wevers der stad arbeid verschafte.

Twee jaar later, toen de ramp volledig was hersteld, riep de dankbare heer de jongelingen tot zich en vroeg hun, welke plannen zij voor de toekomst vormden.

Klaas wenschte metselaar, Jan wolwever te worden.

De koopman keurde dit besluit goed en deed Klaas bij eenen metselaar, Jan bij eenen wolwever in de leer.

Zijn edel werk werd met goeden uitslag bekroond. De jongelingen onderscheidden zich door ijver en werkzaamheid en de brave man had het geluk zijne beschermelingen waardige poorters der stad Yperen te zien worden.

32.--Koophandel en Nijverheid.

Wie heeft bij het lezen van het voorgaande verhaal niet gezeid, dat het lot der arme hoorigen niet zelden beklagenswaardig was?

Evenals Jan en Klaas verlieten vele dezer lieden het platte land om elders een waardiger en rustiger bestaan te zoeken.

De eerste mensch, die aan onze jonge vrienden de behulpzame hand reikte, was een schipper; want reeds in de X^{de} en XI^{de} eeuw werden de waterwegen in ons land druk bevaren; hout, schors, steenen, graan, wol, vlas, wijn, vervoerde men op de Yperlee, den Yzer, de Lei, de Schelde, de Durme, de Dijle, de Maas en den Rijn; plaatsen, die aan den oever van eene rivier, aan eenen inham van het water, aan de samenvloeiing van twee bevaarbare rivieren gelegen waren, trokken de bevolking tot zich.

Aldus zien wij, dat onze vrienden het dorp Gaver vluchtten, Gent en Brugge bezochten.

Vroeger leerden wij, dat deze twee plaatsen reeds in de X^{de} en XI^{de} eeuw zeer belangrijk waren, doch hoewel er reeds talrijke handelaars en ambachtslieden woonden, trof men er als in de steden van onzen tijd geene schitterende winkels, groote magazijnen of fabrieken aan; de ambachtslieden werkten tehuis en de voortbrengselen van hunnen arbeid werden niet zelden ter markt verkocht.

Geruimen tijd was de voornaamste jaarmarkt van ons land, die van Thorhout, waar Klaas en Jan eenige weken doorbrachten.

De kooplieden, allen goed gewapend, reisden in troepen of karavanen, want de wegen waren onveilig, struikroovers talrijk en sommige edellieden schaamden zich niet de karavanen aan te randen, ze tol te doen betalen, aan de reizigers goud, juweelen, paarlen te ontstelen en de kooplieden of hunne dienaars te dooden.

De graven van Vlaanderen, de bisschoppen van Luik trachtten die misbruiken uit te roeien; roovers, al waren het ook edellieden werden gevangen genomen en--naar de gebruiken van dien tijd,--met den dood gestraft.

Nu werd ons land rustig, de wegen werden veilig en de handel bloeide.

Fransche en Duitsche wijnen werden hier aangebracht, verkocht of naar Engeland verzonden, en hetzelfde gebeurde met de specerijen der Italiaansche kooplieden.

Keeren wij echter tot ons verhaal terug. Van Thorhout begaven zich onze twee vrienden naar Yperen.

In 1073 telde deze stad reeds twee groote kerken en duizenden inwoners. Evenals te Brugge en te Gent was de lakenhandel er zeer belangrijk.

De beschermer van Jan en Klaas was koopman in laken en de man was zóó rijk dat, toen zijn houten huis was afgebrand, hij zich eene steenen woning kon doen bouwen, hetgeen in dien tijd zeker geene kleinigheid was.

In die lang vervlogen eeuwen was het uitoefenen der ambachten niet vrij.

Zoo bij voorbeeld moest men om leder te mogen maken noodzakelijk tot de nering der huidevetters behooren; de leden van het ambacht der smeden alléén mochten ijzer bewerken en, om het truweel te hanteeren, moest men tot de metselaarsnering behooren. Om in een ambacht opgenomen te worden als gezel moest men 21 jaar oud zijn, den katholieken godsdienst belijden en gedurende verscheidene jaren bij eenen baas of meester gewerkt hebben. Om baas of meester te worden moest men alweer gedurende lange jaren arbeiden en een meesterstuk vervaardigen.

De werkuren waren voor elk ambacht bepaald, niemand mocht tegen verminderden prijs of buiten den gestelden tijd arbeiden.

Gemeenlijk bewoonden de ambachtslieden, die een zelfde bedrijf uitoefenden, dezelfde straat of wijk der stad, vandaar de namen van Ketelvest, Huidevettershoek, Kalanderstraat, enz.

De koopwaren werden eerst door overheden gekeurd, deze stelden er den prijs van vast, daarna werden zij uitgestald op de openbare markten of in groote gebouwen, _Hallen_ geheeten. De hallen van Yperen vormen een der schoonste gebouwen van ons land.

Elke koopman had daar zijne afgepaste en genummerde plaats, waar zijn toog of kraam stond, maar het was streng verboden de koopers te roepen, en vooral hen te bedriegen.

In vele steden: Yperen, Gent, Brugge was de nering der lakenhandelaars, zooniet de voornaamste, dan toch een der voornaamste.

Vlaamsch laken was zoo degelijk en schoon, dat men het overal in Europa, zelfs tot in Azië verkocht.

33.--Eene Klokkenvertelling.

Op zekeren avond, vergastte ons grootmoeder op de volgende vertelling:

«Elk jaar, op Witten Donderdag, zegt men, verlaten de klokken der torens hunne hooge verblijfplaatsen, om naar Rome te vliegen en er den zegen van den Paus te ontvangen. Op den avond vóór Paschen keeren zij naar huis terug, onderweg gekleurde eieren strooiende als geschenk aan de brave kinderen van hun vaderland.

Op zekeren Goeden Vrijdag van het jaar 1250 reisden hoog, zeer hoog in de lucht, drie klokken naast elkander.

«Ik behoor tot eene abdij, sprak de oudste en bewoon het zonnige Zuiden; sedert honderd jaar roep ik de vrome abten tot het gebed of tot den arbeid.

Op feestdagen laat ik mijne stem helder en frisch door de lucht weergalmen, en van tijd tot tijd melden mijne trage, treurige klanken aan de menschen, dat een hunner broeders het tijdelijke met het eeuwige heeft verwisseld.»

«En ik, sprak de tweede klok, kom uit een trotschen, dreigenden burcht, die zich op eene hooge rots, aan den linkeroever van den Rijn verheft. Mijn heer en meester is een krijgsman, een hertog, wien honderden hoorigen gehoorzamen. Hij erfde den toren, mijne verblijfplaats, en den burcht, die er zich onder bevindt, van zijne voorouders, die, evenals hij, roemrijke krijgslieden waren.

Zijn overgrootvader ontving van den keizer brieven van adeldom; mijn meester erfde die en bewaart ze in den toren, daarbij bezit hij een zegel, een blazoen en eene kostbare wapenrusting.

Woeste aanvallen van wreede krijgslieden heb ik in mijn slot beleefd, roemrijke steekspelen heb ik er bijgewoond.»

«En gij» sprak de klok tot de derde reisgenoote, die, ofschoon veel grooter dan de twee andere nog steeds een bescheiden stilzwijgen had bewaard «vanwaar komt gij en hoe is uw naam?»

En donderend, zoodat berg en dal er van dreunden, klonk het eensklaps uit den bronzen mond der reizende klok:

"Roelandt, Roelandt, als ick kleppe, dan ist brandt. Als ick luy, dan ist storm in Vlaenderlandt."[25]

Verschrikt stoven de twee klokken op zijde, maar de aangesprokene vervolgde:

«Vreest niet, vriendinnen, want alhoewel heden groot en machtig, ben ik van nederigen oorsprong. Ik werd niet in het leven geroepen door een machtigen hertog, maar door noeste werkers, ambachtslieden, die mij liefhebben als het licht hunner oogen.

Als woonplaats bouwden zij mij tusschen hunne houten en steenen woningen, een hoogen, slanken toren, versierd met een koperen, glinsterenden draak, zinnebeeld der vrijheid. Dien toren noemen wij het Belfort.»

«Bij ons, aan den voet van den burcht, ondernemen de hoorigen niets zonder de toestemming van hunnen heer» sprak de klok uit de Rijnlanden.

«Wij zijn niet meer aan den grond verbonden, wij mogen naar goeddunken koopen en verkoopen, reizen en handel drijven, goederen bezitten, er vrij over beschikken en een anders goed erven.

In stede van cijnsbaar te wezen naar willekeur des heeren, betalen wij eerst dan buitengewone belastingen en schattingen als wij er vrijelijk in toegestemd hebben.

Wij benoemen zelven onze meesters.»--«Staat dat alles wel geschreven,» onderbrak de klok uit den burcht, op ongeloovigen toon?

«Zonder twijfel, hernam de fiere Roelandt, en dat nog wel op perkamenten, die wij bewaren in ijzeren koffers met verscheidene sloten, in de geheimkamer van het Belfort. Die perkamenten noemen wij keuren, handvesten, charters, voorrechten. Wij ontvingen of kochten die van onzen vorst, die gezworen heeft, ze te zullen eerbiedigen.»

«Zijt gij rijk,» sprak de klok der abdij?

«Voorzeker, antwoordde Roelandt, en wij hebben eene kas, waarin wij onze penningen bewaren, een zegel, eene banier. Onze rijkdommen echter hebben wij niet bekomen door deelname aan roemrijke veldtochten, maar door arbeid, vlijt en volharding.»

«Dat alles is heel schoon en goed, antwoordde de klok uit de Rijnlanden, maar, indien gij enkel voor arbeid leeft, wat doet gij dan, als gij met uwen heer in onmin geraakt, als vijanden u aanranden, als gewapende benden uwe schatten, uwe woningen, uwe vrouwen en kinderen bedreigen?»

«Stel u gerust, wij vormen onder elkander, broederschappen of gilden, wier leden zich oefenen in het hanteeren van hand-, kruis-, voetboog en andere wapenen.

Zoodra ons eenig gevaar bedreigt, luid en roep ik uit al mijne macht; de poorters verlaten hunne bezigheden, loopen te wapen, scharen zich rondom onze banier en verweeren zich dapper tegen den vijand.»

«Is uwe verblijfplaats, evenals de burcht van mijnen heer, door muren, poorten, torens of diepe grachten omgeven?»

«Dat is zij, sprak de machtige Roelandt, maar, hoe stevig die muren, hoe zwaar die poorten, hoe hoog die torens ook zijn, ik beheersch ze alle en de landlieden, die uren ver, in den omtrek op den harden grond zwoegen, begroeten het Belfort als het zinnebeeld der vrijheid.»

«Bezit gij ten uwent ook bedehuizen en zijt gij den Godsdienst verkleefd?» vroeg de klok der abdij, die zich tot hiertoe heel weinig in het gesprek had gemengd.

«Wij bezitten heerlijke kerken, antwoordde Roelandt, schier alle zijn juweelen van kunst en goeden smaak; daarbij heeft elke onzer neringen, haren patroon, hare kapel, haren bijzonderen feest-of heiligdag. Zie, vriendin, ik wenschte wel dat gij ten onzent een godsdienstigen ommegang kondet bijwonen. Al onze neringen, en wij tellen er meer dan vijftig, onze gilden met vlaggen, wimpels, banieren, nemen er deel aan, en zich tot de klok uit de Rijnlanden wendend, vervolgde zij:

«Ook de graven van Vlaanderen vereeren wij op dergelijke wijze.»

«Als zij van een roemrijken veldtocht wederkeeren» vroeg de klok?

«Neen, neen, als zij hunne intrede doen in hunne goede stad, als wij hun de sleutels der poorten aanbieden, als edellieden, poorters, ambachtslieden hun te gemoet gaan en....»

«Gij eerbiedig en gedwee voor uwen wettigen vorst nederbuigt?» vroeg de klok der abdij.

«Neen, dat niet, vervolgde Roelandt, als wij den plechtigen eed aanhooren, die onze heer bij dergelijke gelegenheden zweert:

Onze duurgekochte vrijheden te handhaven en te eerbiedigen.»

«Dat moet schoon en plechtig wezen, zuchtte de klok der Rijnlanden. Het spijt mij, vriendin, zulk een feest niet te kunnen bijwonen; maar ik zal in mijn vaderland verkonden, fiere Roelandt, wat gij mij hebt medegedeeld; alle volkeren hebben er belang bij te weten, wat het vrije Vlaanderen tot stand heeft gebracht.»

De klokken namen afscheid van elkander. Roelandt vloog naar hare geboorteplaats en ter gelegenheid van het Paaschfeest, als duizenden poorters in feestgewaad, zich aan den voet van het Belfort in de schilderachtige straten verdrongen, als, in de prachtige bedehuizen in gouden vaten, de wierook walmde en dankgebeden ten hemel stegen, zong zij hoog in den machtigen toren:

"Roelandt, Roelandt, als ick kleppe, dan ist brandt. "Als ick luy, dan ist storm in Vlaenderlandt!"

34.--De Gemeenten.

Roelandt, de groote, machtige klok werd gegoten in het begin der XIV^{de} eeuw en eenige jaren later gehangen in het Belfort van Gent.

Met rechtmatige fierheid mocht zij zeggen, dat zij, uit hare hooge verblijfplaats, op eene schoone en bloeiende landstreek, op eene werkzame en vrijheidslievende bevolking nederzag, want, in de XIII^{de} en XIV^{de} eeuw hadden onze voorouders, door groote vlijt, inspanning en taai geduld, het vroeger zoo barre Vlaanderen tot den tuin van België gemaakt, woeste heiden, droge zandvlakten, kille moerassen hadden zij in weiden en velden herschapen, ontelbare kanalen gegraven en dijken aangelegd, terwijl zij, in hunne dichtbewoonde steden, leder, wol, hennep, vlas, hout, koper, ijzer, steen bewerkten.

In dien tijd was Gent reeds geklommen tot den rang van gemeente, en, onze lezers, die de klokkenvertelling met eenige aandacht lazen, zullen spoedig vinden waarom.

Ten einde hunne nasporingen gemakkelijk en het onthouden ervan mogelijk te maken, zullen wij het vroeger geleerde aldus samenvatten:

De steden hadden het recht zelven hare zaken te besturen, zij kozen hare stedelijke magistraten, onderhielden een leger. Elke stad was ommuurd, bezat een belfort, eene groote klok, en had net als de edellieden een blazoen en een zegel.

Jegens den heer had de stad zekere verplichtingen; zij moest hem behulpzaam zijn bij de verdediging van den grond, bij het uitoefenen van het gerecht en hem in sommige gevallen met geld bijstaan.

De steden die dergelijke voorrechten verkregen, noemde men gemeenten.

De poorters bezaten: 1° de persoonlijke vrijheid, 2° staatkundige rechten en 3° roemrijke zinnebeelden hunner onafhankelijkheid.

In de Middeleeuwen waren in ons land talrijke gemeenten en sommige waren zeer oud, doch vele perkamenten, keuren, voorrechten zijn in den loop der eeuwen verloren gegaan.

Met zekerheid echter weet men, dat Boudewijn VI, graaf van Henegouwen en Vlaanderen, reeds in 1068 aan de gemeente Geeraardsbergen eene vermaarde keure gaf, die verklaarde dat, al wie zich in de stad vestigde, geen hoorige, maar vrije zou wezen. Zij verleende daarenboven aan de inwoners nog talrijke andere voorrechten.

Waren de groote leenheeren wellicht vrienden en beschermers der gemeenten?

Eenigen verdienden wel dien naam, daarom ook schrijven wij hem hier dankbaar neer.

Filips van Elzaten, graaf van Vlaanderen, breidde de voorrechten uit, die Gent, Brugge, Veurne, Oudenaarde reeds bezaten en gaf nieuwe keuren aan Damme, Aalst, Duinkerken. Meest al deze keuren zijn in het Dietsch of Nederlandsen opgesteld. Filips begunstigde den handel, liet verscheidene vaarten graven en bekwam van Duitschlands keizer, talrijke voorrechten voor de Vlaamsche kooplieden, die op den Rijn, handel dreven.

Boudewijn van Konstantinopel, dezelfde, die zich in de kruistochten onderscheidde, schonk talrijke voorrechten aan de gemeenten en zijne dochters Johanna en Margaretha volgden het voorbeeld van haren vader.

Ook in Luik en Brabant leefden vorsten, die de ontwikkeling der gemeenten bevorderden.

In verdere verhalen zullen wij ze leeren kennen, want eerst moeten wij, naar aanleiding van de _Klokkenvertelling_, nog eenige opmerkingen maken.

De machtige Roelandt zeide niet zonder reden, dat de landlieden uren ver in den omtrek, met liefde het hooge Belfort begroetten.

Hoe rijker de steden werden, hoe hooger het cijfer der bevolking klom, hoe grooter ook hunne behoeften waren en hoe bloeiender de veeteelt en de landbouw moesten worden.

Ten einde de bevolking van het platte land te beletten zich meer en meer naar de steden te begeven, waren de heeren verplicht aan hunne hoorigen vrijheden te schenken, zoodat het leven der landlieden aanmerkelijk beterde en de meeste dorpen werden ontvoogd.

De gemeentevrijheden van ons land werden in den vreemde hooggeschat; de wetten en gebruiken van eenige onzer steden werden «voorbeelden» voor de Fransche steden, terwijl de invloed der Vlaamsche en Brabantsche gemeenten zich in Zeeland en Holland gelden deed.

35.--Kapitein Lorenzo en zijne reis naar Brugge.

Op een morgen der maand April verliet een groot koopvaardijschip de haven van Venetië in Italië.

De saamgestroomde menigte zond het als afscheidsgroet een aanmoedigend «addio»[26] achterna en het scheepsvolk beantwoordde dien groet, zoo lang en zoo ver het maar kon.

De zuiderzon goot hare milde stralen over de kabbelende golfjes der blauwe zee, witte meeuwen scheerden de oppervlakte van het heldere water en langzaam, zeer langzaam voer eene kleine gondel uit de haven naar de stad terug.

In die gondel zaten eene oude dame en een jong meisje, wier rijke kleederdracht genoegzaam aanduidde, dat zij tot eene voorname familie behoorden.