# Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw

## Part 5

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/ons-vaderland-van-de-vroegste-tijden-tot-de-15de-eeuw-11288/index.md

«In de vlakte is zij niet» antwoordde eene stem, «zij moet de mastbosschen zijn ingetreden. Zouden wij het wagen, met onze brandende toortsen, in de bosschen te zoeken?»

«Dat zou gevaarlijk zijn» sprak een derde, laten wij naar de hut gaan der weduwe Soete, zij of hare dochter, hebben wellicht onze vrouw of haar paard gezien.»

Anneken wist genoeg; de mannen, die zij voor boosdoeners aanzag, waren dienaars, die hunne meesteres zochten.

Vastberaden verliet zij hare schuilplaats, en vertelde aan de mannen, wat er met de arme gravin was gebeurd.

Hoe gelukkig waren zij te vernemen, dat Machteld leefde en door Anneken Soete en hare moeder liefderijk was verzorgd.

Vier hunner keerden naar het slot terug om de gelukkige tijding aan graaf Boudewijn mede te deelen en eene draagkoets voor de gravin te halen.

De overigen vergezelden Anneken tot in hare hut en 's anderendaags, vroeg in den morgen, hield eene prachtige draagkoets voor de schamele woning stil.

Gravin Machteld nam afscheid van hare weldoensters en beloofde haar niet te vergeten.

Anneken Soete en hare brave moeder wilden van geene belooning hooren, maar de gravin dacht er anders over.

Eenige dagen later, toen zij volkomen hersteld was, bracht zij Anneken en hare moeder een bezoek.

«Gij hebt mij het leven gered» sprak zij, «thans is het mijn plicht voor u te zorgen. Ik keer met mijnen heer vader naar Rijsel terug. Wilt gij mij vergezellen? Voortaan zal u niets ontbreken; want, ik zal voor u zorgen, zoolang ik leef....»

Belle, de ondankbare geit was niet teruggekeerd en waarschijnlijk door een wild dier verslonden; de rogge was mislukt en honger en gebrek grijnsden als spoken aan het deurtje der hut.

Anneken en hare moeder aanvaardden, vol blijdschap, het voorstel der gravin.

Zij vergezelden haar naar Rijsel en leefden er eenigen tijd vreedzaam en gelukkig, toen er eene nieuwe verandering in haar leven kwam.

Machteld huwde Willem van Normandië, een der beroemdste edellieden van zijnen tijd.

Jaren lang voerde hij krijg in Engeland, terwijl zijne vrouw in Normandië bleef.

Eindelijk, toen haar echtgenoot tot koning van Engeland werd uitgeroepen, volgde zij hem over zee met Anneken Soete, hare moeder, alsook verscheidene Vlaamsche edellieden die, door de nieuwe koningin, rijkelijk werden begiftigd.

26.--De Graven van Vlaanderen.

Anneken Soete, de moedige, kleine herderin, leefde in de XI^{de} eeuw onzer tijdrekening.

Zij en hare moeder waren arme, eenvoudige vrouwen, die heel afgezonderd leefden en niet zelden honger en gebrek leden.

In dien tijd was de grond minder goed bebouwd dan thans; verscheidene voedingsgewassen, zooals aardappelen, waren geheel onbekend. Stoombooten, spoorwegen bestonden niet; vaarten, breede wegen waren zeldzaam, zoodat het veel moeite kostte om de voortbrengselen van elders, hierheen te brengen.

Op het land woonden de menschen in schamele hutten, maar sommige edellieden hadden steenen woningen «burchten, of steenen» genoemd.

De burcht van den heer van Oostcamp, was naar alle waarschijnlijkheid een steenen woning.

Toen Anneken den schitterenden jachtstoet uit den burcht treden zag, beefde zij en trad eerbiedig ter zijde; want, evenals vele landlieden uit den omtrek, was het arme kind eene hoorige van den heer van Oostcamp, meester van het omliggende land.

Dat land had hij in leen ontvangen van den graaf van Vlaanderen, die zijn leen_heer_ was, terwijl hij leen_man_ was van den machtigen graaf.

De heer van Oostcamp moest, als het noodig was den graaf van Vlaanderen ten oorlog vergezellen, hem helpen vrijkoopen, indien hij krijgsgevangen genomen werd.

Ook Robrecht, heer van Komen, Drogon van Beveren, Gilbert van Gent en anderen, die deelnamen aan de jacht te Oostcamp, waren leenmannen van graaf Boudewijn.

Deze heerschte over het uitgestrekt grondgebied, dat zich ten Oosten der Schelde, tot aan de Somme uitstrekte.

Dit grondgebied had hij van den koning van Frankrijk in leen ontvangen. Hij bezat er de rechterlijke macht, mocht belastingen heffen, zelfs munt slaan.

Misschien denkt gij, dat hij den koning van Frankrijk gewichtige diensten bewezen had en deze hem, als belooning, uitgestrekte landerijen had geschonken?

Neen, dat was zoo niet. In de XI^{de} eeuw en vroeger reeds, waren de leenen erfelijk.

Boudewijn, de V^{de} van dien naam, was zijnen vader, als graaf van Vlaanderen opgevolgd. Vóór dezen hadden reeds van 864 (?) tot 988, vijf graven van Vlaanderen geregeerd.

Boudewijn V, bijgenaamd van Rijsel, was een der machtigste heeren van zijnen tijd. Als krijgsman had hij grooten roem verworven; hij en zijne dappere leenmannen waren onoverwinnelijk.

In 1056 kwamen de eilanden van Zeeland, de vier Ambachten en het land van Aalst in zijn bezit, zoodat Boudewijn leenman was van den koning van Frankrijk en van den keizer van Duitschland.

Van 1060 tot 1063 was hij ook voogd over den minderjarigen koning van Frankrijk.

Het voorgaande verhaal leerde ons, dat zijne dochter koningin van Engeland werd. Om u te bewijzen, hoe machtig en geëerd Boudewijn was, zal ik er nog bijvoegen, dat zijn oudste zoon de gravin van Henegouwen huwde en zijn tweede zoon, in het huwelijk trad met eene Hollandsche prinses.

Al die gebeurtenissen waren rijk aan gevolgen. Talrijke Vlamingen vestigden zich als kolonisten in Engeland, anderen werden kooplieden, die handel dreven langs stroomen en rivieren, zich op zee naar Denemarken, Scandinavië en Engeland waagden. Jaarmarkten werden gehouden en Brugge, Rijsel, Meenen, Thorhout, Yperen, Gent werden belangrijke steden.

27.--Een Sprookje.

Geen slot der Middeleeuwen of er is een min of meer dramatisch verhaal aan verbonden, dat, hoewel zelden met de geschiedkundige waarheid overeenkomende, het poëtisch gevoel bevredigt, dat in het hart van elken mensch verborgen ligt.

Daarom schrijven wij hieronder een sprookje, verbonden aan den merkwaardigen burcht van Bouillon.

Gilbert van de Ardennen was een edel en dapper ridder. Op zekeren dag begaf hij zich ter jacht en verdwaalde.

Uren lang zwierf hij rond in de wouden en bereikte eindelijk den voet eener hooge, steile rots, gelegen in een heerlijk dal, waardoor de Semois zich kronkelde.

Gilbert was vermoeid; hij vlijde zich neder op het zachte mos, toen hij eensklaps eene wonderzoete meisjesstem vernam, die een klagend liedje zong.

Gilbert luisterde met welgevallen, richtte zich op, baande zich een weg door het struikgewas en bereikte de plaats vanwaar de stem scheen te komen.

Tot zijne verwondering bemerkte hij eene schoone jonkvrouw, die bitter weende en, met hare lange, blonde haren, de tranen afdroogde, die langs hare wangen rolden.

Zij hief de handen smeekend tot den ridder op, terwijl deze haar vroeg:

«Wie zijt gij, edele jonkvrouw, en hoe komt gij op deze woeste, eenzame plaats?»

«Spreek zachter, heer ridder,» fluisterde de maagd, «Ik ben Julia van Bouillon en mijne geboorteplaats ligt niet ver van hier.»

«Op den top der hooge rots, die gij van hier ziet, woont een reus. Hij doodde mijn broeder en nam mij als zijne gevangene mede. Elken namiddag slaapt hij gedurende één uur op den top der rots.»

Gilbert keek omhoog en bemerkte een reusachtig grooten man, die werkelijk, op den top der rots lag te slapen.

De ridder trok zijn zwaard uit de scheede en sprak: «Stel u gerust, edele jonkvrouw, ik zal u van den moordenaar verlossen.»

«Val hem niet aan, edele ridder,» fluisterde Julia; hij draagt een maliënkolder[21], waardoor geen zwaard dringen kan.

«Nu dan,» hernam Gilbert, «ik zal hem van den top der rots in de rivier storten.»

«Dat is onmogelijk,» jammerde Julia, «de reus is zoo zwaar, dat honderd armen hem niet naar beneden kunnen werpen.»

«Wel» sprak de ridder, «vlucht met mij, ik zal u in veiligheid brengen.»

«Dat ook is onmogelijk» kreet de arme jonkvrouw, «ziet gij niet dat ik met eene ijzeren ketting aan den rotswand ben vastgeklonken? Ik smeek u, ga tot mijn vader en vraag hem het groote net van ijzerdraad, dat zijn grootvader, niet ver van Tours in Frankrijk, aan de Sarracenen[22] ontnam, daarin zullen wij den reus vangen.

Nauwelijks had zij dit gezeid of de reus ontwaakte met groot gedruisch en Gilbert haastte zich de jonkvrouw te verlaten.

Hij wilde aan haar verzoek voldoen, en begaf zich naar het kasteel haars vaders, waar hij van den torenwachter het groote ijzeren net ontving.

's Anderendaags, tegen den middag, keerde hij naar de rots terug, verborg zich in het bosch en wachtte de komst van den reus af.

Het duurde niet lang of de vreeselijke man verscheen en daalde van de rots naar beneden om zich uit het riet, dat aan den oever groeide, eene pijp te snijden.

Gilbert zocht Julia op, en spreidde met haar het net uit, op den top der rots. Het meisje bedekte het met mos en bloemen, en, toen de reus terugkeerde en het zachte tapijt bemerkte door Julia's handen gespreid, lachte hij minzaam, vergat het meisje vast te binden, vlijde zich op de bloemen neder, en viel in een diepen slaap.

Dit was het lang gewenschte oogenblik. Julia trok het net toe en de reus zat er in vast. Toen riep zij Gilbert terug en verzocht hem haar naar het slot haars vaders terug te voeren, maar Gilbert vreesde, dat de reus het net zou scheuren.

De gevreesde man ontwaakte en huilde zoo vervaarlijk, dat de heuvels van zijn geroep daverden. Hij wilde opspringen en het net scheuren, maar op hetzelfde oogenblik gaf Gilbert hem zulk een geweldigen stoot, dat hij naar beneden stortte en in de Semois viel, waar hij verdronk.

Nu bracht de ridder de edelvrouw naar het slot haars vaders terug en leerde haar zacht karakter en hare deugd waardeeren.

Hij nam haar tot vrouw en, op dezelfde plaats, waar zij den reus uit de hoogte naar beneden wierpen, bouwden zij het geduchte slot van Bouillon, dat heden nog bestaat.

28.--Het Slot van Bouillon.

Laten wij handelen als zoovele toeristen en een bezoek brengen aan het geduchte slot. Wij moeten 235 meter klimmen en eerst na een vrij lastigen tocht bereiken wij de slotpoort, waar wij aankloppen.

De bewaker opent de poort en leidt ons, over de binnenplaats, naar het eigenlijke slot, dat wij met hem in al zijne bijzonderheden leeren kennen. Nu eens bevinden wij ons in een killen, duisteren gang, dalen daarna in diepe kelders, tot in een onderaardsch gewelf, waar geen zonnestraal kan doordringen en ijzeren ringen in den dikken muur zijn aangebracht.

Onze geleider zegt ons, dat men hier krijgsgevangenen, ook wel misdadigers heenvoerde, en dat zij, die er binnentraden, nimmermeer het zonnelicht aanschouwden.

Eene rilling doorloopt onze leden en zuchtend verlaten wij de sombere plaats, waar vroeger zooveel werd geweend en geleden en waar heden nog de voetstappen der bezoekers zoo akelig weerklinken.

Wij klimmen den wenteltrap op en bereiken den toren, waar wij, door een eng schietgat naar beneden staren.

Wel zijn we verbazend hoog geklommen; de Semois schijnt een kronkelend lintje en de huisjes der stad zijn zoo klein, dat zij uit eene speelgoeddoos schijnen te komen.

Onwillekeurig vergelijken wij de sombere plaats met een hooggelegen arendsnest, waaruit zich de roofvogel op zijne levende prooi laat nedervallen.

Wij dalen de trap af, hier en daar nog een blik werpend op de dikke muren en in de menigvuldige schietgaten.

Eindelijk opent onze geleider de zware poort en wij zijn blij, dat we het sombere gebouw verlaten, de blauwe lucht aanschouwen en de warmte der koesterende zonnestralen genieten.

Het kasteel van Bouillon is het eenige niet, dat een bezoek waard is. Te Gent, werden de bouwvallen van het oude Gravensteen onlangs hersteld en aan de oevers der Maas en hare bijrivieren, treft men, meestal op hooge bergen en steile rotsen, bouwvallen aan van Middeleeuwsche burchten, waar norsche ridders woonden, waarvan sommigen naar het voorbeeld der Noormannen, van plundering en roof leefden of met elkander gedurig twistten en oorloogden.

Meer dan eens werden, om nietige redenen, onze heden zoo bloeiende provinciën te vuur en te zwaard verwoest.

Het kwaad was zoo erg, dat de graaf van Vlaanderen, de bisschop van Luik en andere groote leenheeren den «Godsvrede» invoerden, waarbij het verboden werd te strijden tusschen den Woensdag avond en den Maandag morgen, verder gedurende den Advent, de Vasten, enz.

In 1082 stelden de prins bisschop van Luik en andere vorsten een vredegerecht in, waar ieder, die de Godsvrede durfde verstoren, tot strenge straffen werd veroordeeld.

Ongelukkig werd dit vredegerecht niet altijd gehandhaafd.

In het voorbijgaan moet ik u ook herinneren wat gij vroeger leerdet, namelijk dat Neder-Lotharingen of Lotherrijk de landstreek tusschen Schelde en Rijn, heette. Zij bevatte: 1° Het hertogdom Brabant, dat zich in het hartje van ons land en in Nederland tot aan de Maas uitstrekte; 2° Het graafschap Henegouwen; 3° het graafschap Namen; 4° het graafschap Luxemburg; 5° het hertogdom Limburg; 6° het prinsbisdom Luik. De keizers van Germanië aan wie zij in werkelijkheid toebehoorden, oefenden er nooit grooten invloed op uit; de leenheeren waren machtiger dan zij, daarbij was Germanië zeer groot en, onze provinciën vormden als het ware een weinig belangrijk uithoekje van een uitgestrekt grondgebied.

29.--De Boetvaardige Zondaar.

Op de Reye te Brugge woonde in de tweede helft der XI^e eeuw een wisselaar, die belangrijke zaken deed, zoowel met de kooplieden zijner stad als met die van het buitenland.

Jacob, zoo heette hij, was eerlijk en zeer werkzaam, maar de rijkdommen, welke hij vergaarde, maakten hem zelfzuchtig en zóó hoogmoedig, dat hij met minachting nederzag op lieden van geringen stand.

Hij had eene zuster, die weduwe was, met een kind, een zoontje dat zij in liefde en deugd trachtte groot te brengen.

Met haar rijken broeder kwam zij zelden of nooit in aanraking; zij wist, dat hij zich schaamde over zijne zuster, die armoedig was gekleed en dicht bij den Burcht een schamel zolderkamertje bewoonde, waar armoede en ziekte haar heel onverwacht kwamen bezoeken.

Koud en duister was de maand December ingevallen; lange ijskegels hingen aan de houten gevels der huizen en in de grachten lagen de schepen vast in het ijs.

De arme weduwe werd al zieker en zieker, zij had hout noch brood en in den uitersten nood dacht zij aan haar rijken broeder.

«Johannes,» sprak zij tot haar zoontje, «begeef u naar oom op de Reye en zeg hem hoe diep ongelukkig wij zijn.»

Johannes vertrok en bereikte weldra het huis van den wisselaar.

Warm en sierlijk gekleed zat deze met twee vrienden in zijne rijke woonkamer, bij het flikkerend haardvuur, doch het schamele knaapje zag hij met toornigen blik aan.

«Heer oom,» stotterde de kleine, moeder zendt mij tot u, «wij hebben brood noch vuur en zijn diep ongelukkig.»

«Elk zorge voor zich zelven» luidde het norsche antwoord.

«Moeder is ziek» vervolgde de knaap.

«Maak dat ge wegkomt,» antwoordde de wreedaard, die verstoord was, omdat de in lompen gehulde knaap hem in tegenwoordigheid zijner rijke vrienden «heer oom» had genoemd.

De knaap verliet de woning en keerde naar moeder terug, op het akelige zolderkamertje.

Twee dagen lang vroos het zoo geweldig, dat de vogeltjes dood bleven. De arme weduwe en haar zoontje leden verschrikkelijk en, op den derden dag verspreidde zich eene akelige mare door de stad. Dicht bij den burcht, op een zolderkamertje, waren eene weduwe en haar zoontje van koude en honger gestorven.

Toen de rijke wisselaar de ontzettende tijding vernam, rilde hij over zijn gansch lichaam, hij meende, te sterven van berouw en schaamte, maar hij herstelde zich. Hij zou leven, zéér lang leven om zijn wraakroepend misdrijf te boeten.

Wroeging verteerde zijn hart en belette hem te slapen. Niet zelden doolde hij met gebogen hoofd door de straten der stad en, toen het voorjaar aanbrak, verkocht hij zijn huis, borg zijn goud in eene lederen tasch en verliet Brugge.

Waarheen? Hij zelf wist het niet; het weder was frisch en de vogels zongen, maar Jakob ging verder, altijd verder, tot zijne voeten waren doorgeloopen en hij uitgeput, aan den zoom van een mastbosch nederstortte.

Toen de dag aanbrak stond hij op, trok door het bosch en bevond zich weldra aan den voet van een kruisbeeld, dat, door eene vrome hand, op deze eenzame plaats was opgericht.

Jakob zonk op de knieën, doch bidden kon hij niet. Krampachtig vouwde hij de handen en, stroomen van tranen vloeiden over zijne heete wangen.

Eensklaps voelde hij eene bevende hand op zijnen schouder, terwijl eene zachte stem sprak: «Gij weent, arme vreemdeling, zeg mij, kan ik u soms troosten?»

Jakob hief het hoofd op. Een eerbiedwaardige grijsaard, met witten baard, in een donker, lang boetkleed, stond voor hem.

«Ik ben diep ongelukkig» snikte de zondaar, maar de grijsaard nam hem bij de hand en leidde hem naar eene houten kluis.

«Wie gij ook zijn moogt,» welk leed u ook het hart verscheurt, deel het mij mede,» sprak de kluizenaar, «ik zal u troosten, u opbeuren, u raad geven.»

Zijne stem was zoo roerend en zacht, zijne woorden waren zóo verkwikkend, dat zij den berouwhebbenden misdadiger, als hemeldauw in het hart vielen.

Met gebogen hoofd, snikkend, zuchtend, bekende Jakob zijne schuld en, toen zijne biecht was geëindigd, bleef de grijsaard geruimen tijd in diepe gedachten verzonken. Eindelijk sprak hij, op treurigen, ernstigen toon:

«Uwe zelfzucht, uwe verwaandheid hebben uwe arme zuster en haar zoontje gedood, voortaan zult gij u geheel en al aan het welzijn van anderen wijden.»

«Hoe kan ik zulks doen?» vroeg de door smart gefolterde zwerver en de grijsaard antwoordde:

«Dagelijks vertrekken uit stad en dorp honderden Christenen naar het verre Oosten.

Aan de ongeloovigen hebben zij den oorlog verklaard en zullen niet rusten, voor zij de zege behalen.

Volg de kruisvaarders, mijn zoon, onderweg zult gij ze spijzen, laven, kleeden, in een woord, helpen waar gij helpen kunt, troosten waar het noodig zal zijn.»

* * * * *

Nog verscheidene weken bleef Jakob bij den kluizenaar. Deze had in zijne jeugd, de reis naar het Heilige land[23] gemaakt, hij gaf zijnen gast allerlei nuttige raadgevingen en zond hem eindelijk naar Brussel, bij eenige zijner vrienden, vrome monniken, die zich voorstelden, het Christen leger te vergezellen, niet als strijders, maar als verplegers van zieken en gewonden.

Deze brave menschen ontvingen met liefde den boetvaardigen zondaar en vol hoop en vertrouwen, voegden zij zich bij de legerscharen, die langs den Rijn en den Donau, over Konstantinopel en door Syrië, Jerusalem wenschten te bereiken.

Thans begon voor Jakob en zijne nieuwe vrienden een leven van opoffering en ontbering.

De tocht duurde maanden en maanden, niet zelden ontbrak het den kruisvaarders aan levensmiddelen en aan drinkwater.

Hoe nader zij aan het einddoel hunner reis waren, hoe grooter hun lijden werd.

Brandende hitte, besmettelijke ziekten, vermoeienis doodden duizenden kruisvaarders. Niet zelden waren de inwoners der streken, die zij doortrokken, den reizigers vijandig en, zoodra zij in Azië aanlandden, verdubbelden de moeilijkheden.

Dank aan zijn krachtig gestel, bood Jakob weerstand aan ziekte en vermoeienis; dag en nacht was hij op de been; de pijlen des vijands schrikten hem niet af en de akelige slagvelden betrad hij zonder vrees.

Eindelijk, na een zwaar beleg en eene bloedige bestorming, werd Jeruzalem ingenomen. Jakob woonde soms gruwelijke slachtingen bij; maar hij nam daaraan geen deel, hij verzorgde de gekwetste strijders en begroef de dooden. Na de inneming van Jeruzalem keerden talrijke kruisvaarders naar hun vaderland terug, doch Jakob bleef in Palestina om zich te volmaken in de heel-en geneeskunde, die er veel meer gevorderd waren dan in zijne geboortestreek.

Toen hij, na zeven jaar naar hier terug keerde, vertoefde hij in verschillende steden, waar hij, als ziekenverpleger, aan de bevolking groote diensten bewees.

De vrome kluizenaar was reeds lang overleden.

30.--De Kruistochten.

Alhoewel de wegen slecht en onveilig waren, ondernamen onze voorouders niet zelden verre bedevaarten: naar Tours in Frankrijk, naar Rome in Italië, naar Jeruzalem in Azië. Maar toen de Turken laatstgenoemde stad bezaten, stonden de Christenen er aan mishandelingen bloot. Ook vreesden de volkeren van Westelijk Europa, met reden, dat bovengenoemde Turken zich weldra van de stad Konstantinopel meester maken en verder ons werelddeel zouden bedreigen.

Om dit te beletten ondernamen zij krijgstochten, die men «Kruistochten» noemt, want het schijnt, dat zij die er aan deel namen als herkenningsteeken een kruis van roode stof op hunnen schouder of hunne borst naaiden.

De kruisvaarders waren: edellieden, die alvorens te vertrekken, hunne goederen aan kloosters of kerken afstonden, of hun slot, hunne velden, hunne wouden verkochten om wapens te koopen en krijgslieden aan te werven; ook wel monniken, die naar de eeuwige zaligheid trachtten; kooplieden, ambachtslieden, naar vrijheid snakkende lijfeigenen, berouwhebbende zondaars.

De held van den eersten kruistocht was Godfried van Bouillon, hertog van Lotharingen, een volmaakt ridder, bedreven in alle krijgsverrichtingen, gehard tegen vermoeienis, verstandig, welsprekend, kalm, zedig en geduldig.

Ten einde deel te kunnen nemen aan den verren tocht, verkocht hij zijn slot van Bouillon aan den bisschop van Luik en liet toe, dat de inwoners van Metz, wier heer hij was, hunne stad vrij kochten.

Hij geleidde de kruisvaarders door Duitschland, Hongarije en bereikte met hen de stad Konstantinopel, waar zich Robrecht, graaf van Vlaanderen, Boudewijn van Henegouwen en talrijke edellieden, die over zee gekomen waren, bij het Christenleger voegden en naar Azië overstaken.

In de geschiedenis van Jakob, den boetvaardigen zondaar, verhaalden wij van het lijden en strijden der kruisvaarders in Azië. Wij mogen echter niet vergeten er bij te voegen, dat Godfried boven alle andere ridders er blijken gaf van wijsheid, moed en beleid. Met algemeene toestemming werd hij tot koning van Jeruzalem uitgeroepen, doch hij weigerde «eene gouden kroon te dragen, waar Jezus-Christus eene doornen kroon had gedragen; hij aanvaardde enkel den titel van Beschermer van het Heilig Graf.»

Hij voerde het leenstelsel in Palestina in; verdeelde het land in groote leenen, die hij aan de voornaamste ridders schonk, en vaardigde werken en bevelen uit, die men Assisen of Grondwetten van Jeruzalem noemt.

Het volgend jaar reeds, in 1100, stierf Godfried van Bouillon. Later onderscheidde zich Boudewijn, Graaf van Vlaanderen en Henegouwen, in den vierden kruistocht.

Men noemt hem, in de geschiedenis, niet zelden Boudewijn van Konstantinopel, en ziehier waarom.

In de lente van het jaar 1202 trok hij met talrijke ridders de Alpen over en ging scheep te Venetië, maar in plaats van rechtstreeks naar Palestina te varen, zeilde hij met de christenvloot naar Konstantinopel.

Deze stad werd ingenomen door de kruisvaarders en Boudewijn tot keizer uitgeroepen. Hij onderscheidde zich als krijgsman en stierf in eenen oorlog tegen de Bulgaren.

31.--Twee Vluchtelingen.

Jan en Klaas waren hoorigen van den heer van Gaver, in Vlaanderen. Zij telden nauwelijks zestien jaar en Jan hoedde de zwijnen zijns meesters, terwijl Klaas arbeidde aan den heirweg, dien de heer deed leggen van af zijn slot, over de heuvels, naar eene naburige heerlijkheid, erfdeel van zijne vrouw.

Beide jongelingen leidden een hoogst ellendig leven. Zij waren slecht gevoed en gekleed en kenden van heel de mooie, wijde wereld, niets dan hunne armoedige hut en het slot van hunnen heer.

